|
|
Symptomen vooruitzichten en behandeling
---------------------------------------
Bron:
http://home01.wxs.nl/~goede190/me/infopaginas/jongeren.html#Anchor-49575
De verschijnselen van ME/CVS bij kinderen komen overeen met die bij
volwassenen. Maar er zijn ook verschillen: kinderen klagen bijvoorbeeld
meer over hoofd- en keelpijn dan volwassenen. Ook is er verschil tussen
meisjes en jongens. Ook bij kinderen kan de ziekte zowel acuut (na een
virusinfectie) als geleidelijk ontstaan. Het laatste schijnt in de groep
van 6 tot 12 jaar het meest voor te komen. De geleidelijke verergering
van symptomen kan een proces van maanden of jaren zijn. Na een jaar is
er vaak geen merkbaar onderscheid meer in de symptomen van kinderen die
acuut of geleidelijk ziek zijn geworden. Daarna zijn de vooruitzichten:
perioden van 'terugval', maar over het algemeen geen verdere
complicaties. Over een periode van enkele jaren treedt meestal een
duidelijke verbetering op. Voor de kleine groep kinderen die ernstig
ziek blijven, geldt over het algemeen dat de symptomen, vooral de
neurologische, al vanaf het begin ernstig van aard waren.
Door verschillende medici is (en wordt nog steeds!) geopperd dat
ME-verschijnselen bij kinderen duiden op een psychische aandoening. Deze
kinderen zouden lijden aan een depressie, aan schoolziekte, of aan
gedragsstoornissen. Ook verstoorde gezinsverhoudingen en mishandelende
of overbezorgde ouders zouden de boosdoeners kunnen zijn. Deze
veronderstellingen worden echter door geen enkel onderzoek ondersteund,
wel moeten ze evenals psychiatrische ziekten uitgesloten worden!2.
Kinderen met ME/CVS vertonen soms wel emotionele symptomen zoals
bedruktheid, prikkelbaarheid en snel huilen, maar het gezonde verstand
leert dat deze uitingen een begrijpelijk gevolg zijn van een langdurige
ziekte, die hun leven vaak ingrijpend verandert.
De oorzaak van het chronisch vermoeidheidssyndroom is onduidelijk, ook
bij kinderen.3 Er zijn diverse Nederlandse onderzoeken naar me/cvs bij
kinderen4 5. Over het aantal kinderen met ME is nog weinig bekend. Voor
jongeren met het chronisch vermoeidheidssyndroom zijn er geen
betrouwbare prevalentie getallen. De huidige literatuur laat een
meerderheid zien van CVS in volwassen vrouwen (vrouw-man ratio: 4:1) en
dit lijkt ook bij pediatrische CVS het geval te zijn. Hoewel bij jonge
kinderen de verdeling meer gelijk lijkt te zijn, lijken na de puberteit
adolescente meisjes de adolescente jongens in aantal te gaan
overtreffen6 De midden- en hogere sociaal-economische klassen zijn in
verschillende onderzoeken licht overgerepresenteerd onder vermoeide
patiënten vergeleken met andere klinische groepen7
Net als bij volwassenen is er weinig wetenschappelijk bewijs voor de
effectiviteit van behandelingen. Lange termijn resultaten van
bijvoorbeeld intraveneus gammaglobuline van de hierna genoemde K. Rowe
toonde geen verschil t.o.v. geen medicatie. De gemiddelde duur van de
ziekte is 39 maanden bij een range van 9-105 maanden in een Australisch
onderzoek bij 172 kinderen8. Het is bij voorkeur een vermoeidheid met
een duidelijk beginpunt. (CVS heeft in ongeveer 25% van de jongeren een
verraderlijke, sluipende aanvang (Jordan e.a., 1998). Kinderen in de
leeftijd van 6 tot 12 jaar kennen vaker een geleidelijker, sluipender
aanvang van de chronische vermoeidheids-symptomen over verscheidene
maanden of jaren. Kinderen in deze leeftijdsgroep voldoen minder snel
aan de CDC-criteria, omdat ze minder ernstige vermoeidheid presenteren9
(Smithe.a,, 1991). Gedetailleerde observaties laten echter een
overeenkomende vermindering in activiteit zien bij kinderen met een
acute en een geleidelijk begin.. Na een ziekteduur van een jaar kunnen
de beide groepen niet langer van elkaar worden onderscheiden met
betrekking tot symptoompatroon of lichamelijk onderzoek. De moeheid
wordt erger door inspanning en vermindert niet door rust. Er zijn
neurocognitieve symptomen en ten minste 3 van de volgende klachten:
spierpijn, gewrichtspijn, hoofdpijn, slaapstoornissen, buikpijn,
duizeligheid, misselijkheid, keelpijn en gevoelige, opgezette
lymfklieren. 25% meldt dat er een bijkomende ziekte is als koorts,
longontsteking, meningitis schildklierziekte, of vitamine B12 tekort.
82% heeft baat bij enige vorm van therapie, als gebalanceerde rust met
milde lichaamsbeweging. Bij jongeren die hieraan lijden moet men
rekening houden met ontwikkelingsfactoren en met de invloed van andere
gezinsleden op het verloop van de stoornis. 70% heeft baat bij
alternatieve therapie. 30% vindt dat zij na 4,6 jaar niet meer aan
me/cvs leiden. 60% van de onderzoeksgroep werkt of studeert full time na
herstel. Er is geen verschil tussen de helft die ernstiger ziek is en
minder ernstig qua omvang en duur /uitkomst van de ziekte. (Dit is in
tegenspraak met wat in de voetnoten vermelde scriptie van Henriet
Middendorp wordt gesteld: Bij de kinderen met een slechtere prognose
zijn de vermoeidheid en andere symptomen vanaf de aanvang ernstiger,
leidende tot een ernstige beperking in activiteit. Vaak zijn er
ernstigere neurologische symptomen, zoals spier samen- trekkingen,
stoornissen in de gevoelswaarneming en aanvalsgewijze episodes; Zelden
wordt in de loop van follow-up een andere ziekte-diagnose gesteld, die
de vermoeidheid kan veroorzaken. De prognose is voor de meerderheid van
de kinderen gunstig. In de meest recente studies, waarin follow-up
beperkt is van 1 tot 3 jaar, rapporteert 8-47% herstel,
27-46%verbetering, 12-29% blijft onveranderd en 6-17% verergert10 ) Er
is bij Rowe wel verschil tussen de groep die ernstig ziek en de groep
die het beter afgaat: bij de ernstig zieke groep duurt het langer tot de
diagnose gesteld wordt 13 versus 7 maanden en de ernstige groep kreeg
later behandeling: 14.5 versus 7 maanden. Depressie is vaak aanwezig,
(7% ernstig) en gerelateerd aan de ernst van de ziekte. Er is geen
relatie tussen depressie aan het begin en tijdens de ziekte en de
uiteindelijke uitkomst na 4,6 jaar: genezing of nog ziek. Het gedeelte
van de kinderen dat gedachten heeft over zelfmoord verschilt niet van
controles (18-20%). De ernst van de ziekte in het begin correspondeert
niet met de kans en mate op genezing bij een follow-up van .75 tot 11
jaar in het onderzoek11. Het klinische verloop van CVS bij kinderen
wordt gekenmerkt door terugvallenen remissies, maar verloopt in het
algemeen zonder medische complicaties12.
Rowe presenteert in Seattle 5 subgroepen: pijn en moeheid; hoofd/
buikpijn; neurocognitief; neurofysiologisch; immunologisch.
Informatie op basis van onderzoek bij volwassenen met het chronisch
vermoeidheidssyndroom kan behulpzaam zijn, maar is niet per definitie
direct toepasbaar op kinderen en adolescenten. Vergelijkend
literatuuronderzoek wijst uit dat het in Nederland om duizenden kinderen
en jongeren zou kunnen gaan.
Ook uit het buitenland kwamen al lange tijd signalen dat ME bij kinderen
meer voorkomt dan algemeen werd gedacht. Terecht vroegen reeds in het
begin van de jaren negentig Amerikaanse ME-organisaties aandacht voor
deze heel bijzondere en kwetsbare groep ME-patiënten. Waarschijnlijk
moet men niet wachten tot het kind 6 maanden ziek is, alvorens de
diagnose te stellen, zoals bij volwassen (nog) verplicht is om aan de
definitie van me/cvs te voldoen. Er zijn ook onderzoekers die uitgaan
van een vereiste duur van symptomen van ernstige vermoeidheid van ten
minste zes weken13. De vraag hoe lang de vereiste duur van de symptomen
moet zijn, blijft open, hetgeen een
belemmering vormt voor het vergelijken van de verschillende
steekproeven. Kinderen kunnen binnen een zelfde periode van ziek zijn
wel eens meer schade ondervinden op sociaal-, psychisch en
onderwijskundig gebied dan volwassenen, gezien de snelle groei van
kinderen en veranderende lichamelijke omstandigheden.14
Concluderend vindt de ME stichting dat me/cvs bij jongeren een speerpunt
moet zijn in haar beleid.
Therapie bij kinderen
Wat betreft de behandeling van kinderen met ME/CVS geldt dat ook bij hen
een goede afwisseling van rust en activiteit (in het beginstadium vooral
rust) van het grootste belang is. Artsen kunnen met medicijnen soms
bepaalde symptomen verlichten. Verder kunnen zij steun en begrip bieden,
en het geduid en zelfvertrouwen bij het kind stimuleren. Heel belangrijk
is dat artsen goede informatie geven aan de ouders, aan het kind zelf en
aan de school.
Voor ouders is het zaak om voor een prettige omgeving te zorgen, met zo
nu en dan wat afleiding. Bij een kind met ME/CVS kan het gevaar ontstaan
dat het vereenzaamt, omdat het maar een beperkte tijd heeft waarin het
iets kan ondernemen. In die korte tijd moet vaak gekozen worden tussen
huiswerk maken of een sociale activiteit, bijvoorbeeld vrienden en
vriendinnen ontmoeten. Ouders kunnen stimuleren dat het kind ook een
sociaal leven behoudt zodat het, als het eenmaal beter is, niet volledig
geïsoleerd zal zijn.
Revalidatie
De pijler waarop de behandeling rust is revalidatie waarbij de nadruk
ligt op het geleidelijk opvoeren van activiteiten15. Vanuit een
basisniveau van activiteiten dient een geleidelijke opbouw en
afwisseling van lichamelijke en geestelijke activiteiten plaats te
vinden. Ook schoolhervatting dient in een vroeg stadium besproken te
worden. Als leidraad kan gelden om een vast aantal uren per dag of week
naar school te gaan om zo weer regelmaat te krijgen. Lawaai en drukte in
de klas kan een belemmering zijn om zich te concentreren. Geleidelijke
opbouw van het aantal uren is hierbij erg belangrijk. De jeugdige
patiënt moet zich ondersteund weten door een begripsvolle coach.
Hierdoor kan hij leren dat hij zelf zijn klachten kan beïnvloeden met
als doel dat hij zich weer als gezond beschouwt en weer volledig
deelneemt aan de bij de leeftijd behorende activiteiten. Een middel
hierbij is het opsporen van niet-helpende gedachten als: 'ik wordt nooit
meer beter', 'niemand snapt me' 'ik kan niets meer' 'ik ben waardeloos'
evenals gedachten van de ouders: 'het wordt niks vandaag', 'het komt
niet goed met ons kind' zijn niet helpend. Daarnaast wordt geleerd om
helpende gedachten te hanteren, die samen met de ouders gezocht worden.
Medicijnen
Een scala aan medicatie, waaronder antihistaminica en antivirale
middelen zijn genoemd als behandeling voor CVS. De bewijzen voor de
werkzaamheid van deze middelen waren niet overtuigend, terwijl de hoge
kosten en de nadelige reacties een algemene aanbeveling ervan in de weg
staan16 17.Evenals bij volwassen kunnen bijkomende symptomen
medicamenteus behandeld worden. Een van de positieve resultaten betreft
het gebruik van antidepressiva18 in een gerandomiseerde trial met
fluoxetine bij kinderen en volwassenen met een niet-psychotische
depressieve stoornis, bieden een sterke ondersteuning voor het gebruik
van SSRI's bij deze leeftijdsgroep wanneer depressiviteit een belangrijk
kenmerk is. In dit onderzoek bleek fluoxetine significant beter dan een
placebo voor de behandeling van depressieve symptomen. Bij volwassenen
zijn inmiddels aanwijzingen dat het middel venlafaxine (Efexor) nog
beter werkt. 19De werkzaamheid van cognitieve gedragstherapie bij de
behandeling van jonge patiënten met depressieve stoornissen wordt
onderstreept door twee andere gerandomiseerde, gecontroleerde
onderzoeken, waarin deze behandeling wordt vergeleken met gezinstherapie
en non-directieve ondersteunende therapie20, en relaxatietraining21. In
deze beide onderzoeken blijkt cognitieve gedragstherapie beter dan de
andere behandelingen. Anderen gaven een beschrijving van een benadering
met cognitieve herstructurering bij depressieve kinderen22. De
technieken zijn onder andere het zoeken van bewijzen om automatische
gedachten te ondersteunen of te ontzenuwen en het kind begeleiden bij
het zoeken naar beter aangepaste interpretaties van gebeurtenissen. Om
deze principes te extrapoleren naar jonge patiënten met me/cvs zal de
therapeut de belangrijkste niet-functionele gedachten moeten opsporen en
uitdagen, gedachten zoals dat 'symptomen betekenen dat er iets met je
aan de hand is en activiteiten vermeden moeten worden'. Het is echter
belangrijk directe confrontaties te vermijden, vooral als het gaat over
ideeën die betrekking hebben op de oorzaak van de ziekte. De
werkzaamheid van een dergelijke benadering wordt ondersteund door een
ander onderzoek door dat een positief resultaat rapporteerden van
cognitieve gedragstherapie bij patiënten met CVS, ook al veranderen de
'fysieke ziekte' attributies niet 23.
Wat kunnen ouders doen?
Het belangrijkste is te accepteren dat een kind met ME ernstig ziek is.
Geloof het kind onvoorwaardelijk als het iets niet kan: zelf zou het
niets liever willen dan weer gezond te zijn.
Probeer een kind met ME dus nooit tot meer inspanning te pressen dan het
aankan. Forceer geen uitjes, bezoekjes, etcetera.
Help vriendjes en vriendinnetjes, voor wie ME nu eenmaal ook een
onbegrijpelijke ziekte is: word niet boos als ze het laten afweten, maar
stimuleer ze om contact te houden door de patiënt eens een kaartje te
sturen of langs te komen, al is het maar voor tien minuten.
Hoewel er nog geen afdoende medicijnen of medische therapieën bestaan,
is het toch belangrijk een arts te vinden die het zieke kind wil
begeleiden.
Daarnaast heeft het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht (zie
adreslijst) een polikliniek voor kinderen met ME. Hier worden kinderen
medisch en psychologisch uitgebreid onderzocht. Ook ondergaan zij een
endocrinologisch en immunologisch onderzoek. Er is een wachtlijst, en
ondanks de zeer gedegen aanpak van de polikliniek moeten ouders niet
hopen hier 'een wonderpil' voor hun kind te vinden.
Ook het Nijmeegs Universitair Medisch Centrum heeft een speciale
onderzoeksgroep die zich bezig houdt met kinderen. (zie adreslijst).
Doordat ME een sterk wisselend verloop heeft, is het een verraderlijke
ziekte. In een goede periode lijkt een kind vaak veel meer aan te kunnen
en te willen dan verstandig zou zijn. Om terugslag en teleurstelling te
voorkomen, is het van belang in die periodes gezamenlijk niet meteen te
hard van stapel te lopen.
Het hebben van een chronisch ziek kind is een zware belasting en een
bron van veel zorg en verdriet. Lotgenotencontact kan daarbij troost
bieden en bovendien leiden tot het uitwisselen van praktische
oplossingen. Ouders van kinderen met ME kunnen, als zij daar behoefte
aan hebben, met elkaar in contact komen via het regionaal georganiseerde
lotgenotencontact van de ME-Stichting (zie adreslijst)
Sinds kort is er ook een contactgroep voor jongeren en me (zie
adreslijst)
ME blijkt volgens een groot Engels onderzoek de belangrijkste reden voor
langdurige afwezigheid van school te zijn ` zoals beschreven in de
afstudeer scriptie van Willemien Mommaas(2000)In dit Engelse onderzoek
onder 1098 scholen met 453 chronisch zieke kinderen, gaf maar liefst 51
% ME als reden op. Van de zieke kinderen kreeg 48 % thuis les van een
leraar, 57 % had een aangepast lesrooster en 6 % kon niets aan onderwijs
doen. De klachten van kinderen met me/cvs op school kunnen zijn: verlies
van vocabulaire, problemen bij het vinden en het oproepen van woorden,
problemen met het geschreven woord; problemen met spraak (slordig
spreken); het omdraaien van woorden; betekenis van woorden in de
verkeerde context; het niet kunnen volgen van uitleg leerkracht alsof
het een andere taal is; vermoeidheid tijdens het praten, langzaam en
zacht praten; problemen met rekenen/ wiskunde; problemen met de
concentratie.
Toch is het, als het even kan, voor kinderen met ME beter om nog wat
lessen op school te blijven volgen: hun medeleerlingen zien hen dan
tenminste regelmatig. Wie thuis blijft, wordt gemakkelijker door
klasgenoten vergeten. Anderzijds zal het voor de meeste jonge ME-
patiënten niet mogelijk zijn het hele normale lesprogramma te volgen.
Het risico bestaat, dat men het toch steeds weer een tijdje probeert en
daarna door uitputting weken- of maandenlang tot niets meer in staat is.
Het is daarom aan te bevelen een aangepast onderwijsprogramma te maken,
dat voldoende rustmogelijkheden biedt. Dat programma kan, al naar gelang
de mogelijkheden van de ME- patiënt, bestaan uit (een combinatie van)
zelfstudie, les thuis, vrijstelling voor bepaalde vakken (bijvoorbeeld
gymnastiek) en les op school. Regelmaat, een goede spreiding en een
planning van rustmomenten is noodzakelijk. In het algemeen geldt: beter
drie keer per week anderhalf uur naar school, dan een keer per week
viereneenhalf uur. Zeker voor middelbare scholieren spreekt het vanzelf
dat voor zo'n programma de medewerking van de school vereist is. Het
beste is het wanneer contactpersoon op school, bijvoorbeeld een mentor,
een schooldecaan, een (con)rector of een vertrouwde docent alles regelt,
bij voorkeur iemand die de scholier goed kent. Dan zal zich minder snel
het probleem voordoen dat men twijfelt aan de realiteit en ernst van de
gezondheidsproblemen. Verder is het van belang dat het kind zich op
school zoveel mogelijk in een 'prikkelvrije omgeving' bevindt, dus niet
in de buurt van drukke klasgenoten zit, of op een plaats waar het last
heeft van TL - licht.
En tenslotte moet er rekening mee worden gehouden dat kinderen met ME
niet alleen minder energie hebben, maar ook kampen met
concentratieproblemen en andere cognitieve stoornissen. Het is daarom
het beste als zij hun eigen tempo mogen bepalen.
Onderwijsvoorzieningen en hulpmiddelen
Soms kunnen bepaalde voorzieningen of hulpmiddelen nodig zijn om
onderwijs te kunnen volgen. Voorzieningen bijvoorbeeld voor vervoer naar
en van school, speciale leermiddelen of aanpassing van de werkplek
thuis, kunnen op grond van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW)
worden aangevraagd bij de uitvoeringsinstelling GAK. Ook eventuele
hulpmiddelen die de communicatie ondersteunen (bijvoorbeeld een
cassetterecorder of een computer) kunnen worden aangevraagd bij het GAK.
Het GAK bepaalt of een dergelijke voorziening onder de AAW valt of niet.
Hulpmiddelen die zowel voor school als privé-gebruikt worden
(bijvoorbeeld leeshulpmiddelen) vallen niet onder de AAW, maar onder de
Ziekenfondswet (ZFW). Deze kan men aanvragen bij het ziekenfonds of de
particuliere ziektekostenverzekeraar. Rolstoelen die zowel voor school
als privé-gebruikt worden kan men aanvragen bij de gemeente, op grond
van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG). Per 1 juli 1998 worden de
AAW-voorzieningen opgenomen in de Wet reintegratie arbeidsgehandicapten
(REA). De bedrijfsvereniging blijft de instantie waar men de
voorzieningen kan aanvragen.
Speciaal onderwijs
Voor alle kinderen met een chronische ziekte of handicap bestaan er
verschillende vormen van speciaal onderwijs. Mytylscholen (voor kinderen
met een motorische handicap) en LZK - scholen (voor langdurig zieke
kinderen) verzorgen aangepast basis- en voortgezet onderwijs. Jongeren
vanaf 12 jaar kunnen soms terecht op een school voor voortgezet speciaal
onderwijs (VSO), die beroepsopleidingen (op lager of middelbaar niveau)
biedt en tevens voorbereidt op een plaats in de maatschappij. Daarnaast
zijn er in Nederland enkele centra voor beroepsopleidingen voor
gehandicapten, verbonden aan zogenaamde arbeids reintegratie centra (zie
adreslijst). Daar kunnen jongeren vanaf ongeveer 16 jaar en volwassenen
terecht. In de meeste gevallen zal men tijdens de opleiding aan een
dergelijk centrum intern moeten wonen, al of niet met begeleiding. Aan
sommige van deze centra zijn ook de eerdergenoemde VSO - scholen
verbonden.
Wanneer het alleen haalbaar is om thuis wat te leren is er ook de
Wereldschool en de @webschool. Die hebben speciale voorzieningen voor
jongeren, zie voor de internet adressen het hoofdstukje 'links'.
Hoger onderwijs
Wie overweegt later hoger onderwijs te gaan volgen, kan vooraf al voor
informatie terecht bij de Stichting Handicap & Studie. Met deze
stichting kan men een afspraak maken voor een (gratis) adviesgesprek.
Daarin kunnen onderwerpen aan de orde komen als de beste keuze van het
vakkenpakket, de keuze van een studie en een universiteit of hogeschool,
mogelijkheden voor speciale voorzieningen, de mogelijkheid om op kamers
te gaan wonen, enzovoort. Deze stichting heeft ook oog voor mensen met
een 'onzichtbare handicap'. Wanneer reizen niet mogelijk is, kan dit
gesprek eventueel thuis plaatsvinden. Men kan bij deze stichting ook
telefonisch informatie opvragen. Voor een aangepast studieprogramma kan
men in het hoger onderwijs contact opnemen met een mentor,
studieadviseur of studentendecaan. Er zijn speciale afstudeerregelingen
mogelijk. Ook bestaan per universiteit of hogeschool speciale regelingen
voor financiële ondersteuning van studenten die als gevolg van
bijzondere omstandigheden, zoals ziekte, studievertraging oplopen en
daarvan financiële nadelen ondervinden in verband met hun studiebeurs.
Wanneer er sprake is van vertraging als gevolg van ziekte moet men dit
onmiddellijk melden bij de studentendecaan, die ook informatie kan geven
over de genoemde regelingen.
Aangepast examenprogramma
Artikel 59 van het Eindexamenbesluit vwo - havo - mavo geeft aan
langdurig zieke kinderen de mogelijkheid om het eindexamen gespreid over
twee schooljaren af te leggen. In principe moeten dit twee
aaneengesloten jaren zijn. De beslissing hierover wordt genomen door het
bevoegd gezag, dus het schoolbestuur, na advies van de
onderwijsinspectie. Wanneer de onderwijsinspectie niet wil meewerken kan
men hiertoe een speciaal verzoek indienen bij de staatssecretaris van
onderwijs.
--------------------------------------------------------------------------------
2 Bleijenberg G, de Jong LWA. Handboek kinderen en adolescenten. 2000
p.c-080-9
3 Chronic fatigue syndrome in children and adolescents: A review article
(2000). Josephine Richards: Clinical Child Psychology and Psychiatry, 5,
3 1-51. SAGE Publications (London, Thousand Oaks and New Delhi).
4 Jong, L.W.A.M. de, Prins, J.B., Fischer, Th.J.W., Weomaes,
C.M.R.,Meijer-van den Bergh, E.M.M. & Bleijenberg, G (1991).
hetchronische-vermoeidheidsyndroom bij jongeren. Nederlands Tijdschrift
voor Geneeskunde, 141, 1513-1516.
5 Willemien Mommaas Mei 2000Afstudeerscriptie in opdracht van Hogeschool
Brabant Faculteit Gamma, afdeling Fysiotherapie, Breda. Kinderen en ME
folder ME stichting 1998. Informatie en tips voor ouders en
hulpverleners. Kapittelweg 397, Hilversum: 010-6211290. Henriet van
Middendorp. Doctoraalscriptie Gezondheidspsychologie &
Ontwikkelingspsychologie Universiteit Utrecht Juli 1999
6 Jordan, K.M., Landis, D.A., Downey, M.C., Osterman, S.L., Thumi, A.E.
&Jason, L.A. (1998). Chronic fatigue syndrome in children and
adolescents:A review. Journal of Adolescent Health, 22, 4-18.
7 Carter, B.D.. Edwards, J.F., Kronenberger, W.G., Michalezyk, L. &
Marshall,(15. (1995). Case control study of chronic fatigue in pediatric
patients.Pediatrics, 95, 179-186.
8 Follow up of 172 young people with cfs-0functional outcomes and
relationship to symptom patterns and psychological features. Catherine
Rowe, Seattle AACFS meeting presentation 28.01.01.
9 Smith, M.S., Mitchell, J., Corey, L., Gold, D., McCauley, E.A.,
Glover,D. & Tenover, F.C. (1991). Chronic fatigue in
adolescents.Pediatrics, 88. 195-202.
10 Smith, M.S., Mitchell, J., Corey, L., Gold, D., McCauley, E.A.,
Glover, D. & Tenover, F.C. (1991). Chronic fatigue in adolescents.
Pediatrics, 88. 195-202.
11 Follow up of 172 young people with cfs-0functional outcomes and
relationship to symptom patterns and psychological features. Catherine
Rowe, Seattle AACFS meeting presentation 28.01.01.
12 Bell, D.S. (1995). Chronic fatigue syndrome in children. Journal of
Chronic Fatigue Syndrome. 1, 9-33.
13 Vereker, MI. (1992). Chronic fatigue syndrome: A joint paediatric-
psychiatric approach. Archives of Disease in Childhood 67, 550-555.
14 Carter, B.D., Rroenenberger, W.G., Edwards, J.F., Michalzcyk, L,, &
Marshall, G.S. (1996), Differential diagnosis of chronic fatigue in
children: Behavioral and emotional dimensions, Developmental and
Behavioral Pediatrics, 17, 16-21.
15 Bleijenberg G, de Jong LWA. Handboek kinderen en adolescenten. 2000
p.c-080-11
16 Royal Colleges of Physicians, Psychiatrists, & General Practitioners.
(1996). Chronic fatigue syndrome. Report of a joint working group.
London: The Royal Colleges of Physicians, Psychiatrists and General
Practitioners.
17 Salit, I.E. (1997). The chronic fatigue syndrome: An update on
important issues. In y. Shlomo & Dl. Motofsty (Eds.), Chronic Fatigue
Syndrome (pp. 51-72). London: Plenum.
18 Emslie, G.J. et al. (1997). A Double-blind, randomized,
placebo-controlled trial of fluoxetine in children and adolescents with
depression. Archives of General Psychiatry, 54, 1031-1037.
19 Thase ME, Entsuah AR, Rudolph RL Remission rates during treatment
with venlafaxine or selective serotonin
reuptake inhibitors. The British Journal of Psychiatry 2001; 178(3):
234_41.
20 Brent, DA, Holder, D., Kolko, D., Birinaher, B., Baugher, M., Roth,
C., Irengar, S., & Johnson, BA. (1997). A clinical psychotherapy trial
for adolescent depression comparising cognitive, family and supportive
therapy. Archives of General Psychiatry, 54, 877-885.
21 Wood, K, Harrington, R., & Moore, A. (1996). Controlled trial of a
brief cognitive-behavioral intervention in adolescent patients with
depressive disorder Journal of Quid Psychology and Psychiary, 37,
737-746.
22 Stark, KB., Rouse, LW., & Livingstone, R, (1991). Treatment of
depression during childhood and adolescence: Cognitive behavioral
procedures for the individual and the family. In P.C. Kendall. (Ed.),
Child and adolescent therapy: Cognitive-behavioral procedures (pp.
165-206). New York: Guilford Press.
23 Deale, A., Chalder, T., & Wessely, S. (1998). Illness beliefs and
treatment outcome in chronic fatigue syndrome. Journal of Psychosomatic
research, 45, 77-83. Dowsett, E.G., & Colby,J. (1997). Long-term
sickness absence due to ME/CFS in UK schools: An Epidemiological Study
with Medical and Educational Implications. Journal of Chronic
Ga terug
|