|
|
Voeding en adolescente CVS-patienten ------------------------------------
Door Lien Sergooris Scriptie ingediend voor het behalen van het diploma van Gegradueerde in Voedings- en Dieetkunde
Academiejaar 2002-2003 KHLeuven Promotor : Dokter Bettina Worth Copromotor: Yannick Goegebeur Copromotor: Simonne Wilmssen
Inhoudsopgave Inleiding
Hoofdstuk I: Chronisch vermoeidheidssyndroom, een nadere toelichting 1.1 Definitie en criteria 1.2 Oorzaken 1.3 Voorkomen 1.4 Diagnose 1.5 Behandeling 1.6 De gevolgen en moeilijkheden voor de patient
Hoofdstuk II: Voeding en adolescentie
1 De eetgewoonten van adolescenten 2. Studies naar de eetgewoonten
Hoofdstuk III: Voeding en jonge CVS-patienten
1. Onderzoek naar de eetgewoonten van jonge CVS-patienten 2. Vergelijking met de literatuur 3. De verschillen in eetgewoonten bij adolescenten en jonge CVS-patienten
Hoofdstuk IV: Mogelijke nutritionele invloeden bij CVS
1. Inleiding 2. Patientgebonden symptomen 3. Voedingsinterventies 4. Praktische raadgevingen en aanbevelingen aan de patient
Hoofdstuk V: Conclusie
1. Algemeen gezonde voeding 2. Aanbevelingen voor adolescenten 3. Eventuele aanpassingen voor jonge CVS-patienten
Literatuurlijst
Hoofdstuk VI: Bijlagen
Inleiding
' Mijn kind is moe...'
'Mama, ik kan niet meer, ik ben uitgeput...'
'Je kind is chronisch vermoeid, mevrouw...'
Steeds meer ouders krijgen deze diagnose te horen wanneer ze met hun vermoeide kind naar de huisarts stappen. Velen weten niet wat hen te wachten staat, of wat het allemaal concreet betekent. Hoe ga je ermee om? Welke behandeling kan er gevolgd worden? Moet er medicatie gehaald worden bij de apotheker? Of is het gewoon allemaal uitzichtloos?
Veel vragen... en jammer genoeg zijn er nog maar weinig antwoorden klaar. Chronische vermoeidheid bestaat al lang, maar er is nog maar weinig over gekend. Onderzoekers zitten vaak met de handen in het haar. Ook psychologen en specialisten staan voor een raadsel. Of moet het misschien toch allemaal niet zo ver gezocht worden?
Zou er een remedie bestaan? Zouden voeding en eetgewoonten er misschien een invloed op hebben?
Ik heb getracht iets meer te weten te komen over het chronisch vermoeidheidssyndroom en wil jullie dit graag meegeven.
'Fatigue is the Central Afrique of medicine, an unexplored territory which few men enter' (Beard, 1869)
Dankwoord ---------
Eerst en vooral zou ik graag mijn ouders en broer bedanken voor de grote steun die ze me de voorbije jaren gegeven hebben om dit tot een goed einde te brengen. Dankzij hen ben ik erin geslaagd om hier nu dit werk af te leveren.
Ik wil Dokter Bettina Wurth bedanken voor haar informatie en kennis om dit eindwerk op te bouwen en af te werken.
Graag dank ik ook Yannick Goegebeur. Zij heeft me van in het begin bijgestaan en me ongelofelijk geholpen, waarvoor een grote dank.
Ook alle mensen van het Zeepreventorium in De Haan die me hebben bijgestaan en me in mijn onderzoek gesteund en geholpen hebben, dank u wel.
De zes CVS-patienten, die ik in het Zeepreventorium heb kunnen volgen, wil ik ook bedanken voor het invullen van de anamneses en de medewerking in mijn onderzoek.
En laatst wil ik Mevrouw Simonne wilmssen bedanken voor het nalezen van mijn eindwerk en voor de hulp bij de opbouw.
Hoofdstuk I: Chronisch vermoeidheidssyndroom, een nadere toelichting --------------------------------------------------------------------
1.1 Definitie en criteria ---------------------------
Chronisch vermoeidheidssyndroom of CVS is geen ziekte, maar aan syndroom. Een syndroom wordt gedefinieerd als een klinisch beeld waarvan de oorzaak onduidelijk is en de effectieve mechanismen of ziekteverwekker onbekend zijn.
In 1988 werd de term chronische vermoeidheid voor het eerst gedefinieerd door een officiele instantie. Toen werd gezegd dat een patient gedurende zes maanden constant vermoeid moest zijn, intolerant voor inspanningen, geplaagd met geheugenstoornissen en concentratieproblemen, keelpijn, opgezette klieren in de hals, spierpijn, spierzwakte en emotionele labiliteit. In 1994 heeft het Center for Disease Control [1] de definitie aangepast en sindsdien spreekt men van CVS als een klinisch geevalueerde, lichamelijke onverklaarde aanhoudende of terugkerende chronische vermoeidheid (langer dan zes maanden), die niet het resultaat is van voortdurende inspanning, geen nieuw of duidelijk begin heeft, niet aanzienlijk verbetert door rust en heeft geleid tot een forse afname van het functioneren. Bijkomend moeten ook minstens vier van de volgende symptomen voorkomen: geheugen- of concentratieproblemen, keelpijn, gevoelige hals- en okselklieren, spierpijn of gewrichtspijn zonder zwelling of roodheid, hoofdpijn, niet herstellende slaap en algemene malaise na inspanning. [2] Anderzijds zijn er enkele exclusiecriteria of aandoeningen die moeten uitgeschakeld worden. Men denkt hier aan elke actieve of voorafgaande medische toestand die de aanwezigheid van chronische vermoeidheid kan verklaren, melancholische depressie, bipolaire affectieve stoornissen, psychotische stoornissen, dementia, anorexia of boulimia nervosa, misbruik van alcohol of elke andere substantie en ernstige obesitas.
[1] Center for Disease Control: CDC [2] Literatuurlijst 12
1.2 Oorzaken ------------
Er is geen eenduidige verklaring voor de oorzaak van CVS. Meerdere wetenschappelijke onderzoeken hebben tot nu toe tot zeer uiteenlopende gegevens en hypothesen geleid.
Sommige artsen en onderzoekers spraken van een multifactoriele aandoening. Dit betekent dat een complex van factoren da ziekte uitlokt, niet 1 oorzaak maar een samengaan van verschillende elementen bepalen het ziektebeeld. Zo kunnen bepaalde virussen, gisten, schimmals, parasieten en bacterien zorgen voor een voedselovergevoeligheid of -intolerantie. Bij voedselovergevoeligheid reageert het lichaam op voedingsmiddelen. De klachten zijn zeer uiteenlopend en per persoon verschillend. Hierbij kunt u denken aan huidklachten zoals eczeem, zwellingen, jeuk en uitslag, maagdarmklachten zoals buikpijn, braken, diarree of juist verstopping, luchtwegklachten zoals loopneus, hoesten en mogelijk ook hoofdpijn en migraine. Dit gaat op zijn beurt leiden tot een verzwakking van het immuunsysteem. Hierdoor gaat men opnieuw gevoeliger worden voor infecties. Dit alles zorgt voor een zo grote belasting van het lichaam, dat ar een chronische vermoeidheid ontstaat. Het hele complex van factoren moet aangepakt worden en de draagkracht van het lichaam moet versterkt worden.
Anderen zijn van mening dat er psychische en psychosociale oorzaken meespelen. Vooral stress is het sleutelwoord. Stress verwijst enerzijds naar een actuele of potentiele bedreiging van ons lichamelijk of psychisch evenwicht. Anderzijds verwijst stress naar de psychologische en fysiologische processen die worden geactiveerd om het evenwicht te behouden of te herstellen. Onder meer adrenaline en cortisol zorgen ervoor dat dit evenwicht bewaard blijft, via regelende effecten op het immuunsysteem, herstelprocessen, pijnmechanismen, slaap-waak-ritme, gemoedstoestand, enz.
Men zou CVS krijgen door een aantal uitlokkende factoren, als virale infecties, fysieke traumata, operatieve ingrepen, slaapstoornissen, zwangerschap, negatieve gebeurtenissen en psychische traumata. Deze mensen zouden al een zekere kwetsbaarheid hebben, als gevolg van een overactieve levensstijl, slechte start in het leven of genetische bepaling misschien. En als laatste spelen de onderhoudende factoren een rol. Hierbij denken we aan fysieke conditionering, bijkomende depressie of angst, slaapstoornissen, foutieve opvattingen over CVS, periodische overactiviteit,...
Volgens pathogenetisch onderzoek zouden CVS-patienten een hypo-reactivitait van da HPA-as [3] hebben, een lichte immuunactivatie en abnormale cytokine productie. Dit zou leiden tot een griepachtig gevoel, concentratiestoornissen en pijnovergevoeligheid. Voorlopig bestaan hieromtrent twee hypothesen:
1. Uitlokkende factoren -> ontregeling stresshormonen -> ontregeling immuunsysteem, etc. 2. Uitlokkende factoren -> ontregeling immuunsysteem -> ontregeling stresshormonen, etc. [4]
Toch kan men na verschillende onderzoeken stellen dat er bij veel mensen hetzelfde mechanisme wordt gezien. Namelijk een verborgen infectie in de hoofdrol die aanleiding geeft tot verschillende ziekteverschijnselen. Mede zou een niet-infectieuze component zoals een uitputtende echtscheiding, verbouwingswerken mat abnormaal fysieke activiteiten of extreme stress zorgen voor een ontregeling van de immuniteit. Het gaat hier dus in principe niet om oorzaken, maar wel om voorbeschikkende factoren. Wanneer het immuunstelsel niet voldoende tijd krijgt om te recupereren, kunnen een aantal opportunistische infecties de kop opsteken. In normale omstandigheden bij gezonde personen zouden deze infecties geen ziekte verwekken, maar in toestand van een ontregelde immuniteit kan dit wel. Dit leidt tot een vicieuze cirkel.
Er bestaan hypothesen rond een blootstelling aan hoge dosissen toxines, milieufactoren e.d. Zo wordt ook het Golfoorlogsyndroom gelinkt aan de symptomen van CVS. Hiervoor worden verschillende oorzaken gegeven:
* een langdurige blootstelling aan toxines, pesticides, insecticides, uranium e.d. * De militairen kregen een groot aantal varschillende vaccinaties * Post-traumatische stress
Nog mensen zijn van mening dat milieufactoren een rol kunnen spelen bij de ziektetoestand van CVS.
In de lever worden giftige stoffen afgebroken en onschadelijk gemaakt door speciale enzymstelsels. Bij onvoldoende afbraak (en werking van de lever dus) ontstaan er onvolledig afgebroken giftige metabolieten in de vorm van vrije radicalen. Deze vrije radicalen zouden een rol spelen bij bepaalde hartziekten en kankers. Ze veroorzaken schade aan het organisme, tenzij ze in normale omstandigheden door een goed functionerend organisme worden geinactiveerd door anti-oxidanten zoals vitamine A, E, C, carotanoiden en flavonoiden [5]. Deze anti-oxidantia zorgen voor een vertraging of afremming van de oxidatiesnelheid van een voor oxidatia gevoelige stof.
[3] HPA-as: hypothalamus-hypofyse-bijnierschors [4] CVS, hype, wetenschap en uitdaging, B. Van Houdenhove, 09/12/02 [5] Flavonoiden: vitamine-achtige stoffen die onder andere voorkomen in groenten, fruit, rode wijn, thee en koffie
Wanneer dit niet gebeurt en er een opstapeling is van vrije radicalan in de lever, raken de celmembranen met hun actieve transportfuncties en mitochondrien beschadigd. Deze overmaat aan vrije radicalen zou bevorderd worden door een grotere blootstelling aan schadelijke milieufactoren. Het milieu met zijn toxische stoffen en andere factoren zoals lawaai en straling zou een extra belasting vormen voor het lichaam, waardoor dit overgevoelig wordt en minder snel hersteld. Als hier nu een onschuldig virus (herpesvirus, Epstein-Barr virus, darmvirussen,...) de kop opsteekt, kunnen er CVS-symptomen ontstaan. [6]
Volgens sommigen zouden virussen een uitlokkende factor zijn en geen oorzaak. Wanneer een cel aangetast wordt door een virus, zorgt, in gezonde omstandigheden, onze immuniteit voor een herstel. Ons immuunstelsel wordt daarbij geholpen door IGF-1 (insuline-lika-growth factor 1). Deze factor werkt, in de celwand, in op de IGF-1 receptor, die op zijn beurt zorgt voor groei en voor het metabolisme van de cel. Men stelt nu bij veel CVS-patienten een daling van da IGF-1 vast, wat dus kan leiden tot een vermindering in de immuunrespons. een lage IGF-1 zorgt voor mindere stimulatie in de cel hetgeen o.a. da vermoeidheidsklachten bij de patienten kan verklaren.
Er is een vermoeden dat het chronisch vermoeidheidssyndroom genetisch overdraagbaar is. Het treft soms verschillende personen in 1 gezin. Maar er is geen volledige zekerheid. Wel kan men stellen dat het niet besmettelijk is of overdraagbaar via fysiek contact.
1.3 Voorkomen ---------------
CVS is geen nieuwe ziekte. In 1750 schreef Sir Richard Manningham al over een ziekte, met de symptomen van het chronisch vermoeidheidssyndroom. Hij noemde deze ziekte 'Little Fever'. Later worden dezelfde symptomen steeds met een andere naam beschreven, zoals fibromyalgie, ME (myalgische encefalomyelitis), postviraal syndroom, enz. In het algemeen zouden zo een 4 a 5 mensen op 1000 aan CVS lijden, wat op dit moment overeenkomt met zo een 15 000 tot 20 000 mensen in Belgie [8]. Uit studies en onderzoeken kan men vaststellen dat meer vrouwen (x3) dan mannen de ziekte krijgen en dat CVS de laatste jaren ook steeds meer voorkomt bij kinderen en jongeren. Dit is een verontrustende evolutie die een dringende aanpak vereist.
[6] Literatuurlijst 4 [7] Literatuurlijst 2 [8] afgeleid uit onderzoeken in Nederland (cfr. 'CVS, hype, wetenschap en uitdaging', B. Van Houdenhove, 09/12/02)
1.4 Diagnose ------------
Vermoeidheid is een frequente klacht die heel vaak gehoord wordt in de dokterspraktijk. Hier is het dan heel belangrijk om er enerzijds de echte CVS-patienten uit te halen, anderzijds de patienten met een onderliggende ziekte en de idiopatische CVS-patienten. Idiopatische CVS-patienten zijn deze mensen die niet voldoen aan de criteria opgesteld door CDC, maar wel lijden aan een chronische vermoeidheid welke niet verklaard kan worden door een onderliggende aandoening. Eerst moeten namelijk andere aandoeningen die aanleiding kunnen geven tot chronische vermoeidheid worden uitgeschakeld. Men denkt hier aan bloedarmoede, ijzertekort, schildklierafwijkingen, auto-immuunziekten, bepaalde infecties, andere endocrinologische [9] afwijkingen en maligniteiten [10].
Eerst gebeurt er een algemeen klinisch onderzoek van bloeddruk, hart en longen. Vervolgens wordt een bloedonderzoek gedaan. Af en toe wordt er ook nog een ontlastingsonderzoek verricht, om infecties mat parasieten, gisten, schimmels en bacterien op te sporen.
Eventuele voedselintolerantie en allergie worden achterhaald d.m.v. een neutrofielentest [11]. Hierbij gaat men een druppel bloed van de patient samenbrengen met een druppel voedselconcentraat. Een verandering in het aantal neutrofielen, of witte bloedcellen, zou een zeer goede indicatie zijn voor de aanwezigheid van voedselovergevoeligheid. Veel CVS-patienten lijden zonder het al dan niet te beseffen aan een voedselovergevoeligheid.
Onderzoek van R Nasa L-enzyme. Dit is een opsporing van een eiwitafwijking die bij CVS-patienten wordt vastgesteld. In normale vorm maakt dit enzyme deel uit van het natuurlijk verdedigingsmechanisme tegen virussen. In deze afwijkende vorm is het enzyme overactief en valt het niet alleen de virussen aan, maar ook de gezonde cellen van de patient, met als gevolg dat de werking van het lichaam verstoord wordt. De aanwezigheid van deze afwijkende vorm van het enzyme in het bloed, zou kunnen aantonen dat iemand aan de ziekte lijdt.
Verder zijn er nog een paar andere onderzoeken die men kan uitvoeren, zoals een slaaponderzoek, isotopenscan van de hersenen, rontgenfoto van de borstkas, test van spierkracht en uithoudingsvermogen, psychiatrisch consult, enz. Voor de rest moet de patient voldoen aan de CDC Criteria 1994, die hierboven vermeld staan. Indien hieruit dus blijkt dat de patient niet lijdt aan een specifieke aandoening en hij voldoet aan de criteria die opgesteld worden door CDC, kan men de diagnose CVS stellen.
[9] endocrinologie: leer van de klieren met inwendige afscheiding [10] maligniteit: kwaadaardigheid [11] Literatuurlijst 11
Er zijn echter ook patienten die geen onderliggende aandoeningen vertonen, bij wie geen psychiatrische factoren meespelen en die ook niet voldoen aan de criteria van CDC. Hier spreekt men dan van idiopatische CVS-patienten.
1.5 Behandeling ---------------
Nadat met behulp van een gesprek, lichamelijk onderzoek en diagnostische tests een goede indruk is verkregen over de factoren die aan CVS kunnen bijdragen wordt een behandeling opgesteld.
Wat betreft de behandeling van mensen met CVS geldt dat een goede afwisseling van rust en activiteit (in het beginstadium vooral rust) van het grootste belang is. Een curatieve therapie is nog steeds niet op de markt, hoewel er wel meer en meer onderzoek naar verricht wordt. Jammer genoeg zijn er nog niet zo veel dubbelblind [12] gerandomiseerde [13] studies opgestart.
Er wordt heel vaak gemerkt dat mensen op zoek gaan naar de alternatieve geneeskunde. Deze therapieen hebben echter hun werking nog niet bewezen. Sommige patienten volgen een dieet, nl. een hypoallergeen eliminatiedieet, aangevuld met zogenaamde orthomoleculaire [14] voedingssupplementen, zoals vitamines, mineralen, (co)enzymen, essentiele vetzuren en aminozuren. Deze lichaamseigen stoffen zouden voor een belangrijke verbetering kunnen zorgen van de gezondheidstoestand indien ze in optimale dosis toegediend worden. Ze heffen bepaalde tekorten op in het lichaam, activeren het immuunsysteem en verhogen de energieproductie in de cellen van het lichaam. Dit wordt echter door vele reguliere medici nog niet onderkend en erkend, aldus dokter. J.W. Copius Peereboom.
Bij veel CVS-patienten is de hoeveelheid vetzuren in het bloed aanzienlijk lager dan bij andere mensen. Bij een toediening van de essentiele vetzuren linolzuur en a-linoleenzuur zou er een fikse verbetering optreden van het immuunsysteem. Want uit deze vetzuren worden door het lichaam stoffen aangemaakt die vitaal zijn voor het afweersysteem. Bij 85% van de patienten geeft het product, nl. een pil o.b.v. teunisbloemolie en visolie, vermindering van vermoeidheid en spierpijn, het bevordert het concentratievermogen en vermindert duizeligheid. Het is echter geen garantie om voorgoed van CVS genezen te zijn.
[12] dubbelblind: zonder medeweten van de zieke en de arts [13] gerandomiseerde: willekeurig in groep ingedeeld [14] orthomoleculair: de juiste moleculen in de juiste hoeveelheden en in de juiste verhoudingen innemen
Bij sommige patienten zou er ook een verdienste zijn bij het volgen van een ampligenkuur. Deze kuur zou de ziekte stabiliseren en zo een verdere terugval voorkomen. Zij zou echter alleen een werking kunnen uitoefenen wanneer er voldoende vervormd of afwijkend RNA aanwezig zou zijn. Anderzijds is de kuur vrij duur en is er nog geen duidelijkheid of dit geneesmiddel bij deze CVS-patienten een vooruitgang zou betekenen.
In januari 2001 meldde Professor K. De Meirleir dat er geen algemene behandeling is voor CVS: het mechanisme zou varieren van patient tot patient, ook al zijn de symptomen gelijkaardig. Op 23 maart 2002 verscheen er een artikel in de kranten met het nieuws dat er twee geneesmiddelen tegen CVS op komst zijn. Professor K. De Meirleir en Dokter P. Englebienne stelden een test voor waarmee men CVS in het bloed kan opsporen en er zijn testen met de geneesmiddelen lopende. Ze hopen dat deze medicatie binnen de vijf jaar op de markt zal komen.
Als we aannemen dat een tekort aan de IGF-1 een oorzaak zou kunnen zijn, moet hierop ingegrepen worden. Een bepaald hormonenpreparaat, nl. Acclydine van Optipharma Maastricht, zou zowel de stimulering van het groeihormoon releasing factor als de functie van het IGF-1 nabootsen. Dit preparaat dient gecombineerd te worden met een aminozuurpreparaat met L-glutamine en met voldoende koolhydraten in de voeding, daar het een zeer krachtige werking heeft. Hierdoor zouden de patienten terug meer energie krijgen. Daarnaast moet dan ook gezorgd worden voor een langzame conditieopbouw en een psychische begeleiding.
Heel vaak wordt er gewerkt met de cognitieve gedragstherapie van Professor Bleijenberg. Hier is het de bedoeling om een gestructureerd activiteitenprogramma om de conditie weer op te bouwen, te combineren met een training om opvattingen over de ziekte te veranderen. De patienten moeten hun grens leren kennen en proberen deze grens te stabiliseren. Dit doen ze door een dagboek bij te houden en te 'pacen'. Onder pacing verstaan we een manier van omgaan met de klachten en het overgaan van een basisniveau naar een tolerantieniveau met concrete doelstellingen. Deze behandeling zou voor veel patienten een positieve wending betekenen in hun ziektetoestand.
Men kan algemeen stellen dat er vier grote pijlers zijn in de behandeling of revalidatie van CVS:
- milde lichaamsbeweging; - medicamenteuze op de klachten gerichte ondersteuning; - mentale ondersteuning; - gezonde voeding (er is geen specifiek dieet dat voor iedereen werkt).
Een eventuele behandeling met geneesmiddelen, meestal om de symptomen te verminderen, is slechts een gedeelte van de behandeling. Ook de lichamelijke vermoeidheid na inspanning, de vermindering van fysieke mogelijkheden en de achteruitgang van de conditie vragen een aanpak. Met behulp van aangepaste revalidatieprogramma's gaat men proberen om de patient terug te laten functioneren in zijn dagelijks leven. Men heeft zowel aandacht voor lichamelijke als psychische en psychosociale aspecten van het ziektebeeld. Een verandering of aanpassing van de leefstijl is op psychologisch vlak zeer belangrijk. Men gaat proberen 'er goed mee leren om te gaan door cognitieve gedragstherapie'. Men gaat er samen met de patient voor zorgen dat men hem er weer bovenop krijgt.
Er bestaat totnogtoe geen specifiek dieet voor elke CVS-patient. In het Zeepreventorium in De Haan, werkt men met een multidisciplinaire aanpak. Dit houdt een fysieke en psychosociale revalidatie in. Daarnaast neemt cognitieve gedragstherapie voor jongeren, gezinsbegeleiding en schoolbegeleiding een grote plaats in.
De behandeling is zeer intensief en gebeurt onder begeleiding van een team dat bestaat uit een pediater, kinderpsychiater, psycholoog, kinesitherapeut, dietist, opvoeders en maatschappelijk werker.
De dietaire werking met de CVS-patienten:
* Bij de opname wordt een zevendaagse anamnese afgenomen * Na hun eerste weekend thuis, wordt er opnieuw een anamnese afgenomen, nu van 2 dagen * Er gebeurt een eventuele korte bespreking met de patient en arts * In geval van gewichtsproblemen, tekorten of andere problemen, wordt er opnieuw een zevendaagse anamnese afgenomen * Twee maal per maand krijgen de jongeren kookles. Zo leren ze op een eenvoudige manier gezond koken * Ze krijgen educatiefjes omtrent gezonde voeding * Individuele raadgevingen
1.6 De gevolgen en moeilijkheden voor de patient ------------------------------------------------
CVS-patienten stoten vaak op onbegrip en miskenning van hun medemensen. Zowel in hun dichte omgeving als op vlak van tewerkstelling. Uiterlijk is de ziekte niet te merken, maar innerlijk is het voor de patienten een ware strijd. Buitenstaanders begrijpen het niet en hebben hun vooroordelen snel geformuleerd.
* Doordat ze ook vaak niet meer in staat zijn om bepaalde activiteiten te ontplooien, kunnen CVS-patienten zowel hun job als hun huishoudelijk werk niet meer vervullen. Ze vallen zonder inkomen, kunnen niet normaal meer functioneren en voelen zich een last voor de partner of de omgeving. Zo ontstaan er familiale spanningen, wat het voor de patient nog moeilijker maakt. In gezinnen waar CVS voorkomt, zijn echtscheidingen dan ook geen uitzondering.
* Naar school gaan, lessen volgen en huiswerk maken, is meestal niet meer of beperkt mogelijk, sporten wordt afgezegd, sociale contacten verminderen en lichamelijke activiteit wordt nauwelijks meer ondernomen. Hun verdere toekomstperspectief, verdere scholing en beroepsplanning worden onzeker. Deze jongeren raken vaak sociaal geisoleerd.
* Dikwijls vinden deze patienten bij hun huisarts ook geen erkenning, doordat deze meestal onvoldoende geinformeerd is rond CVS. Deze patienten worden als 'profiteurs' van ons sociaal systeem bestempeld.
* De ziekte kost de patient gemiddeld tussen de 500 en 1000 euro per maand. Vermits vele patienten geen of een zeer miniem inkomen hebben en daarenboven nog vele andere kosten, is dit vaak niet haalbaar.
* De ziekte is nog al te vaak te weinig gekend bij sociaal-assistenten, centra voor familiehulp, OCMW's en andere centra voor maatschappelijk welzijn.
CVS wordt sinds kort erkend als ziekte door het RIZIV (Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsuitkering). [15] Sinds 01/04/2002 kunnen mensen die aan CVS lijden rekenen op bijhorende terugbetalingen en vergoedingen. Die erkenning is er gekomen met de opening van het eerste CVS-referentiecentrum in het UZ-Gasthuisberg te Leuven, waar de diagnose van CVS gesteld wordt. Nadien zijn ook nog referentiecentra opgestart in Antwerpen, Gent en Brussel (VUB voor jongeren).
[15] Literatuurlijst 1
Hoofdstuk II: Voeding en adolescentie -------------------------------------
1 De eetgewoonten van adolescenten -----------------------------------
De periode van adolescentie betekent voor vele jongeren veranderingen op biologisch, cognitief en socio-cultureel vlak. Ze zijn heel vatbaar en gevoelig voor veranderingen. Ze willen deel uitmaken van een groep. Ze ondergaan verschillende gedragsveranderingen. Hierbij zijn het niet alleen levensomstandigheden die veranderen, maar mede hierdoor ook vaak de voedingskeuzes, dit om de behoefte aan eigenheid en autonomie te bevestigen.
De wijze waarop de adolescent zijn voedingskeuze bepaalt, hangt af van verschillende factoren. De voedingsmiddelen moeten in de smaak vallen bij 'jongeren', hebben over het algemeen een bekende, gestandaardiseerde smaak en zachte consistentie. De voedingsmiddelen moeten snel en gemakkelijk kunnen worden ingeslikt, en bovendien betaalbaar zijn. Denken we hier maar aan hamburgers, pizza's, snacks... Ook valt over het algemeen meer frisdrank in de smaak bij jongeren dan melk en melkproducten. Hier treedt dan ook een eerste probleem op, een te lage calciuminname. Het hoge gehalte aan fosfor in deze soft-drinks doet een onevenwicht ontstaan in de Ca/P-verhouding.
Adolescenten schenken minder aandacht aan het tijdstip of de structuur van maaltijden. Zo blijkt uit verschillende studies dat 1 op vijf adolescenten nooit of bijna nooit een ontbijt neemt, terwijl ze wel 25% van hun dagenergie halen uit tussendoortjes, die vooral bestaan uit snoep, snacks en andere. Bij de niet-ontbijters werd vastgesteld dat ze een veel lagere inname hebben van een aantal micronutrienten, zoals ijzer en vitamine C. Wanneer het ontbijt wordt overgeslagen, zullen de jongeren zich in de loop van de voormiddag minder kunnen concentreren en zullen ze dus terugvallen op energierijke tussendoortjes. Men wijt de vermoeidheid, veroorzaakt door een chronisch slaaptekort, aan het niet nuttigen van het ontbijt. Door de korte middagpauzes en te weinig geld hechten jongeren ook niet veel belang meer aan de lunch. Men slaat ze over of er wordt snel een broodje verorberd. Tegen het vieruurtje zijn adolescenten echt wel uitgehongerd en grijpen ze dan opnieuw naar energierijke, maar qua nutritioneel oogpunt van vrij lage waarde, snacks.
Anderzijds is men tijdens de periode van adolescentie heel vatbaar voor reclame en veranderingen. Daarom merken we in deze groep veel gevallen van anorexia en overgewicht. Ontelbare vermageringskuren die niet worden volgehouden en niet gecontroleerd zijn, komen veel voor. Dit leidt vaak tot tekorten aan essentiele vetzuren, calcium, ijzer (vooral een probleem bij meisjes), zink en magnesium.
Naast de slechte voedingsgewoonten van de adolescenten, merkt men ook dat er een gebrek is aan fysieke activiteit. Men ziet een aanzienlijke toename van de sedentariteit [16].
De eetgewoonten van adolescenten wijken dus serieus af van de huidige Belgische voedingsaanbevelingen. Men merkt over het algemeen dat er een hogere inname is van de eiwitten (> 15%). De inname van vetten ligt hoger dan 30%, waarbij vooral de verzadigde vetten een groot deel bedragen. Het koolhydraat-aandeel is dus veel te laag, vooral dan te weinig complexe koolhydraten. Op vlak van de micronutrienten merken we aanzienlijke tekorten aan ijzer bij de meisjes en tekorten aan calcium voor beide geslachten. Er worden te weinig groenten (100-150g) en fruit (<100g) geconsumeerd. Ook het vezelgehalte ligt veel te laag (<20g). Algemeen kunnen we stellen dat er een excessieve inname is van vet, waarbij dan vooral verzadigd vet en enkelvoudige suikers. We zien ook een gebrekkige inname van voedingsvezels en meervoudige koolhydraten. [17]
2. Studies naar de eetgewoonten -------------------------------
In het voorjaar van 1997 is er onderzoek gedaan naar de eetgewoonten van 341 adolescenten. 129 jongens en 212 meisjes tussen 13 en 18 jaar moesten gedurende 7 dagen alles opschrijven wat ze aten en dronken, zowel binnen- als buitenshuis. Dit alles werd genoteerd in een voedingsdagboekje.
Om de twee a drie dagen werden de boekjes gecontroleerd door dietisten en werden de jongeren ondervraagd aan de hand van een kruisvraagmethode. Op die manier konden de dietisten de inname van zowel de voedingsmiddelen als de voedingsstoffen te weten komen.
De studie was representatief voor de totale populatie jongeren uit deze leeftijdsgroep. Er was namelijk een evenredige vertegenwoordiging van leerlingen uit de verschillende onderwijsnetten en uit bestaande studierichtingen. [18]
[16] sedentariteit: een zittend leven leiden [17] Literatuurlijst 68 [18] Literatuurlijst 66
Ook in Henegouwen is er in 1997 een onderzoek gebeurd naar de eetgewoonten van de adolescenten, 'Observatoire de la sante'. Er werd een enquete gehouden bij 4000 leerlingen. Ze hadden allen een leeftijd tussen 9 en 17 jaar. Door middel van deze enquete kreeg men een idee van de eetgewoonten van de jongeren. [19]
[19] Literatuurlijst 67
Hoofdstuk III: Voeding en jonge CVS-patienten ---------------------------------------------
1. Onderzoek naar de eetgewoonten van jonge CVS-patienten ---------------------------------------------------------
Vermits ik in het Zeepreventorium van De Haan verbleef, kon ik de patienten die daar behandeld worden voor CVS een aantal weken volgen. We hebben 4 weken een schriftelijke anamnese van de patienten afgenomen. Ze moesten elke dag op een menu aanduiden wat en hoeveel ze gegeten hadden. Indien er extra's werden genomen, konden ze die daar ook bij vermelden. Zo werd er een globaal beeld verkregen van wat deze jongeren nu juist eten.
Het ging over drie jongens en drie meisjes tussen 15 en 19 jaar. Door omstandigheden zijn er echter maar vier personen waarop ik mijn resultaten heb kunnen baseren. Twee jongens vergaten de anamneses in te vullen of waren te vermoeid, na een volledige dag therapie te volgen. Deze resultaten lijken mij echter wel representatief voor een globaal beeld. Deze anamneses werden berekend en tonen het volgende besluit.
In de week, tijdens het verblijf in het Zeepreventorium, zien we dat er een goede inname is van de macronutrienten. De waarden komen namelijk overeen met de Belgische aanbevelingen voor adolescenten. Ze nemen allen dagelijks een ontbijt en krijgen minimum twee stukken fruit per dag. In het weekend, tijdens hun verblijf thuis, zien we echter dat deze waarden helemaal afwijken van de waarden in de week. We merken vooral een toename van vetten en een fikse daling in de koolhydraten. Deze jongeren slapen langer uit in het weekend en nemen vaak geen ontbijt. Ze eten geen fatsoenlijk middagmaal en letten over het algemeen niet op een gezonde en gevarieerde voeding. De grootste opmerking die hier kan gemaakt worden, is dat er in het weekend heel onregelmatig gegeten wordt.
Zowel de jongens als de meisjes hebben een groot tekort aan vezel-inname. Zo is er ook een deficiente inname van verschillende mineralen. Zoals we kunnen zien bij het algemeen beeld van jongeren, is er bij deze adolescenten een tekort aan calcium, ijzer en zink. Het aandeel fosfor ligt dan weer veel hoger. Dit kunnen we verklaren door het grote verbruik van frisdranken, welke veel fosfor bevatten. Hierdoor komt echter de Ca/P-verhouding in het gedrang en is er een grotere kans op botontkalking op latere leeftijd. Wat echter ook wel opvalt, is de toch wel hogere inname van melkproducten door deze CVS-patienten. Ze zouden zich beter voelen na het eten van yoghurt of plattekaas en drinken heel graag melk, wat niet van alle adolescenten kan gezegd worden. Dit is dus wel een positieve wending in het Ca/P-probleem.
Bij de vitaminen zien we vooral een groot tekort aan vitamine C door een geringe inname van groenten en fruit. Deze CVS-jongeren grijpen heel vaak naar suikerrijke producten. Dit zou hen energie geven. Ze moeten er echter wel op gewezen worden dat enkelvoudige koolhydraten slechts een korte energiestoot geven en snel weer een vermoeidheidsgevoel geven.
2. Vergelijking met de literatuur ---------------------------------
Uit het onderzoek blijken vooral tekorten van ijzer, calcium en zink als voornaamste mineralen. Op vlak van de vitaminen blijkt uit mijn onderzoek hoofdzakelijk een deficientie te zijn aan vitamine C. In de vitamine B-groep zijn er geen uitgesproken tekorten. Alleen zien we dat er een onvoldoende aanbreng is van pyridoxine met de voeding. Uit de literatuur worden tekorten beschreven (cfr. Professor K. De Meirleir). [20]
[20] Literatuurlijst 15
* Foliumzuur: bij veel CVS-patienten kan men aan deze vitamine een deficientie vaststellen. Dit leidt tot verzwakking van de hersenfunctie en slapeloosheid. Een bepaalde dubbel-blinde studie zag echter geen effecten van suppletie. Hierbij werd gedurende amper 1 week dagelijks 800 ug foliumzuur intramusculair toegediend. Waarschijnlijk was de tijd te kort om resultaten te zien. In een tweede studie, die langer duurde en waarbij een hogere dosis werd toegediend, zag men wel resultaat. Gedurende 2-3 maanden kregen de patienten dagelijks minimum 10000 ug foliumzuur. Men zag na deze periode dat de vermoeidheid wel degelijk verminderde. Het verschil tussen de twee studies is de tijd en de dosis. Er is echter geen verband ontdekt tussen de foliumzuurconcentraties in het bloed en CVS-symptomen. Daarom wordt een suppletie enkel aangeraden bij patienten met een aanzienlijk foliumzuurtekort. Het is echter wel aangeraden om voedingsmiddelen te gebruiken die rijk zijn aan foliumzuur, zoals bladgroenten, wortelen en eieren.
* Vitamine B12: Ook van dit vitamine is er een verlaagde concentratie vastgesteld bij CVS-patienten, wat kan leiden tot vermoeidheid. Men stelt vast dat de dosis vitamine B12, nodig om de CVS-symptomen te verbeteren, overeenkomt met de dosis nodig om de deficientie aan het vitamine te corrigeren. Voedingsmiddelen rijk aan vitamine B12 zijn rundvlees, kaas, melk en melkproducten, eieren en vis.
* Andere vitaminen B: Er zijn deficienties van riboflavine, thiamine en pyridoxine vastgesteld bij CVS-patienten. Al deze tekorten kunnen vermoeidheid en slapeloosheid teweeg brengen. Bronnen van deze vitaminen zijn onder andere bladgroenten, melk en melkproducten, volkoren producten, vlees, noten, enz.
* Vitamine C: Farmaceutische dosis van dit vitamine zou een verhoogde immuunrespons en betere antivirale werking tot gevolg hebben. CVS-patienten zouden dus alleszins baat hebben bij een suppletie aan vitamine C. Vitamine C is voldoende aanwezig in aardappelen, fruit, groenten, peulvruchten...
* Magnesium: Uit studies is gebleken dat de magnesium-concentratie in het bloed van CVS-patienten lager is. Een suppletie van 100 mg Mg intramusculair 1 maal per week gedurende zes weken zorgde voor fikse verbetering. De patienten hadden meer energie, minder pijn, beter emotionele status en de magnesium concentratie in het bloed werd terug normaal. Studies waarbij de Mg intraveneus werd toegediend bracht geen verbetering. Dit lag waarschijnlijk aan het feit dat het getest werd op mensen die geen deficientie aan Mg hadden.
* Natrium: De meeste CVS-patienten gebruiken weinig zout. Een te laag gehalte aan natrium kan leiden tot hoofdpijn, vermoeidheid, slapeloosheid en een verminderde concentratie. Men moet bij verhoging van het zoutgehalte wel rekening houden met patienten die aan hypertensie lijden.
* Zink: De zink-concentratie in het bloed is lager bij CVS-patienten. Dit zorgt voor een verminderde immuniteit, spierpijnen en moeheid. Er bestaan echter geen verslagen over zink-suppletie.
* IJzer Vaak hebben CVS-patienten meer infecties en is hun behoefte aan ijzer hierdoor verhoogd. Een te laag gehalte aan ijzer zorgt namelijk ook voor moeheid, door de anemie of bloedarmoede.
Naast vitaminen en mineralen zijn er ook bepaalde aminozuren waarbij deficienties te zien zijn bij deze patienten. Het gaat hier over tryptofaan, carnitine en glutamine. Bij suppletie merkt men niet altijd een verbetering op.
Essentiele vetzuren spelen een belangrijke rol bij virusinfecties en hebben hun belang in de immuniteit van mensen. Verschillende prospectieve gerandomiseerde dubbelblinde studies met essentiele vetzuren hebben verbeteringen aangetoond bij CVS-patienten. Andere studies merken dan weer geen verbetering op. Suppleties van essentiele vetzuren zijn niet aangeraden, tenzij er een aanzienlijke deficientie aan een bepaald vetzuur is.
3. De verschillen in eetgewoonten bij adolescenten en jonge CVS-patienten -------------------------------------------------------------------------
Zoals uit het bovenstaande blijkt, zijn er geen opvallende verschillen in de eetgewoonten bij adolescenten en jonge CVS-patienten. Het enige verschil dat kan opgemerkt worden, is de grotere inname van melkproducten door de CVS-patienten. Hierdoor zal hun calcium-aanbreng een stuk hoger liggen, maar ook zij halen dan nog niet de Belgische aanbevelingen voor calcium.
Hoofdstuk IV: Mogelijke nutritionele invloeden bij CVS ------------------------------------------------------
1. Inleiding ------------
De meeste CVS-patienten vertonen gelijkaardige symptomen, zoals in het eerste hoofdstuk werd uitgelegd. Vaak zijn er ook nog atypische symptomen die zich voordoen. Er zijn een aantal nutritionele invloeden die wel in verband kunnen worden gebracht met de ziektetoestand van CVS. Enerzijds worden een aantal patientgebonden symptomen besproken die met voedingsinterventies eventueel kunnen verzacht worden. Anderzijds zijn er een aantal voedingstherapieen of interventies die door CVS-patienten gevolgd worden of waar veel CVS-patienten vragen rond hebben.
Aangezien er veel symptomen en klachten bij deze ziektetoestand voorkomen, zijn er de meest voorkomende en op nutritioneel vlak belangrijke uitgehaald en besproken. Uiteraard zouden er hier nog zeer veel andere besproken kunnen worden, maar dat zou het onderwerp net iets te uitgebreid maken.
Aan de hand van een enquete is er getracht de werkelijke symptomen en vragen van CVS-ers te achterhalen. Hieruit bleek dat ze inderdaad wel last hebben van deze specifieke symptomen, maar dat ze ook vaak verkeerde ideeen omtrent voeding en symptomen hebben, die beter opgehelderd worden.
2. Patientgebonden symptomen ----------------------------
De symptomen die hier eerst theoretisch worden beschreven, kunnen aan de hand van voedingsinterventies verminderd worden of toch verbeterd worden.
2.1 Verzwakte immuniteit --------------------------
Men ziet dat het immuunstelsel bij CVS-patienten verzwakt is. Daarom gaan we kijken of we iets kunnen doen om de afweer terug op peil te krijgen. Voeding speelt alleszins een zeer belangrijke rol in de immuniteit van ons organisme.
Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat specifieke voedingssupplementen een belangrijke invloed hebben bij een verminderde afweer van het menselijk lichaam. Zieke personen hebben meestal een verminderde voedselintake, door een verminderde eetlust, door moeilijke passage van het voedsel, door smaakveranderingen en aversies en noem maar op. Daarnaast hebben ze ook een verhoogde behoefte aan specifieke voedingsstoffen, voor de aanmaak van nieuw weefsel, om de eventuele koorts te compenseren,...
Ons immuunsysteem is in staat om ons lichaam te beschermen tegen pathogene bacterien en heeft anderzijds een rol als opruimer voor vreemde celstructuren. Er kunnen twee grote types van afweermechanismen onderscheiden worden:
* aangeboren of niet-specifieke immuniteit * verworven of specifieke immuniteit
De aangeboren of niet-specifieke immuniteit is een weerstand die van nature aanwezig is, zonder dat er een voorafgaand contact met een besmettend agens heeft plaatsgevonden. Hierbij kunnen we een onderscheid maken tussen de anatomische barrieres, zoals huid en slijmvliezen, de fysiologische barrieres, de fagocytische barrieres en de ontstekingsbarriere.
De verworven of specifieke immuniteit kan onderverdeeld worden in actief verworven immuniteit en passief verworven immuniteit.
De actief verworven immuniteit heeft zich bij vertebraten ontwikkeld om hen te beschermen tegen vreemde indringers, die we antigenen noemen.
De passief verworven immuniteit is de weerstand die men verwerft dankzij de antistoffen, afkomstig van een ander individu. De antistoffen heeft men dus niet zelf aangemaakt. We hebben de overgeerfde immuniteit die overgedragen wordt van moeder op kind. [21]
[21] Literatuurlijst 69
Er zijn verschillende voedingsstoffen die zorgen voor het instandhouden van een goed functionerend immuunsysteem. Ons lichaam zal bij infectie of metabole veranderingen bij ontstekingsreacties een beroep doen op verschillende voedingsstoffen.
Er zijn enkele functionele aspecten van de voeding die in relatie staan met het afweersysteem. Lopende onderzoeken suggereren dat voedingsinterventies met zowel macro- als micronutrienten de immuunfunctie kunnen wijzigen en in bepaalde gevallen het risico op ziekte verminderen.
Ten eerste hebben we de energie-leverantie. We hebben energie uit onze voeding nodig voor het instandhouden van de eiwitproductie en de celvermeerdering. deze energie halen we voornamelijk uit de koolhydraten en de vetten die we via de voeding opnemen. In extreme omstandigheden kunnen ook eiwitten als energiebron worden gebruikt. Een belangrijke bron voor de colonocyten [22] zijn de korte keten vetzuren. Deze worden in het colon geproduceerd door een microbiele fermentatie van voedingsvezel en spelen een zeer belangrijke rol voor de bescherming en aanmaak van de mucosabarriere van de dikke darm.
Ten tweede zorgen ook aminozuren, nucleotiden en polyamines voor de celvermeerdering en eiwitproductie. deze polyamines worden grotendeels aangemaakt uit arginine, een voorwaardelijk essentieel aminozuur afkomstig van de voeding. Ze zorgen voor de groei en differentiatie van diverse cellen, waaronder de lymfocyten. We merken dat bij personen die een infectie hebben opgelopen, de eiwitproductie sterk is gestegen. Dit is enerzijds door de celproliferatie, productie door de lever van complementeiwitten, stollingsfactoren. En anderzijds door de productie van antistoffen door de B-lymfocyten.
Tot slot hebben we de productie van eicosanoiden. Eicosanoiden [23], die afkomstig zijn van arachidonzuur, een w-6-vetzuur, doen dienst als actieve ontstekingsmediatoren. Eicosanoiden die ontstaan uit eicosapentaeenzuur (EPA, w-3-vetzuur) en dihomo-y-linoleenzuur (DGLA, w-6-vetzuur) zijn echter veel minder actief. Bij een hoge inname van DGLA en EPA met de voeding, zal de activiteit van de immuniteit verminderen, doordat er een verminderde productie zal zijn van ontstekingseicosanoiden afkomstig van arachidonzuur. Er worden therapieen voorgeschreven voor patienten waarbij het immuunsysteem dient te worden getemperd, zoals bij allergie, auto-immuunziekten, intensive- carepatienten. Man vindt EPA terug in hoge concentraties in visolie en DGLA wordt na omzettingen gehaald uit bepaalde plantenolien, zoals teunisbloemolie.
[22] colonocyten zijn cellen van de darm, die hun energie halen uit onder andere korte keten vetzuren [23] eicosanoiden zijn prostaglandines, prostacycline, thromboxanen en leukotrienen
We kunnen dus besluiten dat visolien en n-3 [24] vetzuren een positieve rol spelen bij de immuniteit. [25]
Bepaalde deficienties kunnen het afweersysteem ook ontregelen. Enerzijds zal een tekort aan voedingsmiddelen leiden tot een verminderde weerstand. Maar anderzijds zorgt overvoeding en een vetrijke voeding ook voor een daling van de weerstand tegen infecties en dergelijke.
Vitaminedeficienties, waaronder dan vooral vitamines A, C, E en B6 (=pyridoxine), verhogen de incidentie van infecties. CVS-patienten hebben er dus ook alle baat bij om voldoende groenten en fruit te eten. Eventueel kunnen ze ook geholpen worden door vitaminepreparaten en supplementen.
Zink, vooral aanwezig in melk, vlees, noten en volkoran producten, is een zeer belangrijk mineraal voor het instand houden van de cellulaire immuniteit. [26]
2.2 Concentratiestoornissen -----------------------------
We zien heel vaak dat CVS-patienten te kampen hebben met concentratieproblemen. De voeding die we verbruiken, kan zowel een positieve als negatieve invloed hebben op onze concentratie. De oorzaak van concentratieproblemen ligt vaak in een daling of stilging van de bloedsuikerspiegel. Als gevolg van zo'n daling voelen we ons moe en hebben we meestal zin in iets zoets. [27]
De beste oplossing voor een goede concentratie is:
- een goede nachtrust - gezonde en gevarieerde voeding - drinken van veel water - geen te grote inname van geraffineerde suikerproducten - goed ontbijt nemen
Een goed ontbijt zorgt ervoor dat de fysieke en mentale prestaties bevorderd worden en dat het concentratievermogen zal stijgen. Bij het ontwaken heeft ons lichaam 10 tot 12 uur gevast en voelt het de behoefte om zijn batterijen weer op te laden.
[24] N-3 vetzuren: DHA en EPA: voornaamste bronnen zijn vette vis (makreel, zalm, haring), raapzaadolie, sojaolie en walnoten. [25] Literatuurlijst 9 [26] Literatuurlijst 35, 55 [27] Literatuurlijst 37, 42, 52
Wanneer kinderen (en ook volwassenen trouwens) geen fatsoenlijk of helemaal geen ontbijt nemen, zullen de schoolprestaties dalen. Er kan een verhoogd voorkomen optreden van zwaarlijvigheid, verhoogde cholesterolwaarden in het bloed en voedingstekorten.
Al dan niet ontbijten zou eveneens van invloed zijn op het declaratieve geheugen dat ervoor zorgt dat opgeslagen gegevens opgeroepen en gereproduceerd kunnen worden (=memorisatie). Het procedurele geheugen (=conditionering, gewoonte en kennis) wordt daarentegen niet beinvloed. Het prestatievermogen wordt niet alleen rechtstreeks beinvloed door de aanwezigheid van glucose, maar ook onrechtstreeks via een neurotransmittersysteem. De neurotransmitter acetylcholine namelijk heeft een grote invloed op het geheugen. Een verhoogde glucosetoevoer, afkomstig van een volwaardig ontbijt, stimuleert de acetylcholine-synthese. Deze verhoogde concentratie van de neurotransmitter bevordert dus het geheugen.
Anderzijds zal eten de synthese en het vrijkomen van een aantal peptiden in het maagdarmkanaal tot gevolg hebben. Deze peptiden noemen we de cholecystokinines of boodschappers van de hersenen. Ze zorgen voor een verzadigingsgevoel en hebben een positief effect op het geheugen.
Daarom is het ook belangrijk om minimum 3 keer per dag volwaardig te eten. Zo wordt telkens onze voorraad aan glucose aangevuld en kunnen onze hersenen optimaal blijven functioneren. Het is aangeraden om tussen je drie hoofdmaaltijden ook nog drie tussenmaaltijden te nemen, om dezelfde redenen. Bij deze tussendoortjes is het echter zeer belangrijk om de goede te onderscheiden van de slechte. Het heeft geen zin om een suikerrijk tussendoortje te consumeren. Deze brengen veel te veel enkelvoudige koolhydraten en verzadigde vetten aan. Deze enkelvoudige suikers worden snel opgenomen in het bloed en door de hoge concentratie ook voor een groot deel opgeslagen onder invloed van insuline. Na een korte tijd gaat men terug nood hebben aan glucose en heeft men weer zin in iets zoets. Het is beter om een tussendoortje te kiezen rijk aan meervoudige koolhydraten. Deze worden eerst afgebroken tot glucose en worden beetje bij beetje vrijgegeven. Bovendien zijn meervoudige koolhydraten rijk aan vezels, vitaminen en mineralen.
2.3 Hypoglycemie ------------------
Een hypoglycemie ('hypo') is een te lage bloedglucosespiegel (lager dan 3.0 mmol/l), die gepaard gaat met typische klachten en verschijnselen, zoals beven, transpireren, hoofdpijn, wazig zien, hartkloppingen, vermoeidheid, concentratiestoornissen, duizeligheid en een hongergevoel. Je concentratie wordt minder omdat je hersenen te weinig suiker krijgen. Je voelt dat je snel iets zoets moet eten. Juist dat is vaak niet aan te raden, omdat het snel iets zoets eten weer zorgt voor een snelle stijging van het bloedsuikergehalte met een overmatige reactie van de pancreas, die insuline [26] produceert. Er ontstaat een vicieuze cirkel.
De koolhydraten worden ingedaald naar de glycemische index (G.I.) [29]. Ons lichaam heeft vooral nood aan voedingsmiddelen met een lage glycemische index. Ze hebben een invloed op de persoonlijke prestaties, stillen langer de honger en hebben een positieve invloed op bepaalde aandoeningen zoals hart- en vaatziekten, zwaarlijvigheid, diabetes, hyperlipidemie,... Koolhydraten met een lage G.I. zorgen ervoor dat we een langere normale bloedsuikerspiegel houden. Zo blijft er steeds of langer glucose voorhanden voor de hersenen, wat uiteraard positief zal zijn voor onze prestaties. [30]
De lage G.I. van levensmiddelen is afhankelijk van:
- Aard van de aanwezige koolhydraten - Aard van andere aanwezige voedingsstoffen (vetten en vezels vertragen de absorptiesnelheid van glucose) - Textuur van de voedingsmiddelen - Productieproces (warmte, water,...)
2.4 Allergie --------------
Daar CVS-ers ook vaak een allergie vertonen voor bepaalde levensmiddelen, wordt er soms aangeraden om een hypo-allergeen dieet te volgen. Dit houdt onder andere in dat alle producten die allergie zouden kunnen uitlokken, vermeden en uit de voeding verbannen moeten worden. Een dergelijk eliminatie of hypo-allergeen dieet wordt opgesteld aan de hand van de symptomen en klachten van de patient. Dit is zeer individueel.
[28] insuline is een hormoon dat glucose vanuit het bloed in de cellen stuurt. Het zorgt dus voor een daling van de bloedsuikerspiegel [29] Glycemische index: de toename van de glycemie gedurende zekere periode na het eten van een dusdanige hoeveelheid voedingsmiddelen die 50 gram verteerbare koolhydraten bevat, relatief ten opzichte van de oppervlakte onder de curve na het innemen van 50 gram glucose. [30] Literatuurlijst 21, 53, 54
2.5 Zware metalen en toxische stoffen ---------------------------------------
Naar aanleiding van actuele punten gaan we hier even dieper in op de gevolgen van zware metalen en toxische stoffen in de voeding. Vele mensen zouden in Nederland te kampen hebben met CVS als gevolg van een vliegtuigcrash. De oorzaak wordt gezien in een zeer hoge concentratie en cocktail van zware metalen. Ons voedsel zou gecontamineerd kunnen worden:
- Via de bodem, kunstmest of andere agrochemische producten - Via het milieu - Tijdens da bewerking en verwerking van voedingsmiddelen - Via migratie vanuit verpakkingsmaterialen
De belangrijkste zware metalen die kunnen teruggevonden worden in onze voeding, zijn lood, cadmium en kwik. Vermits lood het enige zware metaal is dat qua intoxicatiesymptomen overeenstemt met de symptomen van CVS, wordt enkel lood hier verder besproken.
De symptomen van een loodintoxicatie hangen af van de dosis en de blootstellingsduur. Bij een beginnende intoxicatie zien we vooral vermoeidheid, een verminderde eetlust, pijnen in de gewrichten en beenderen als voornaamste symptomen. Bij een acute of langdurige chronische blootstelling aan lood krijgen we nog te kampen met loodkolieken of darmkrampen.
Loodhoudend stof kan op de planten terechtkomen. deze planten worden geconsumeerd door het vee, waardoor het vlees, de melk en de zuivelproducten gecontamineerd zijn. Ook de dieren vertonen een loodintoxicatie, waardoor dit snel kan opgespoord worden. Meestal blijven deze concentraties dan ook vrij laag. Vooral plantaardige levensmiddelen, zoals (blad)groenten en fruit, zijn de belangrijkste bron voor lood in de voeding. Door een ernstige controle wordt deze grens ook niet overschreden. Toch wordt het aangeraden om groenten en fruit goed te reinigen. Lood in alcoholische dranken, waarbij dan vooral aan wijn gedacht wordt, kan wel een probleem vormen. Hier kunnen de loodconcentraties hoog oplopen.
Dikwijls leiden deze zware metalen tot een verminderd functioneren van het immuunstelsel en een grotere vermoeidheid. Normaal gezien zou er echter geen probleem mogen zijn in de voeding. Zoals reeds gezegd, worden de wettelijke normen worden haast nooit verschreden en er is dus geen reden tot bezorgdheid. Het is dus bijna ook niet mogelijk dat er een oorzaak moet gezocht worden bij CVS in de contaminatie van voedingsmiddelen met zware metalen. [31]
3. Voedingsinterventies -----------------------
Veel CVS-patienten gaan op zoek naar een therapie of voedingsinterventie die hen er eventueel terug bovenop kan krijgen. De belangrijkste worden hier besproken.
3.1 Anti-oxidantia --------------------
Oxidantia of vrije radicalen, zoals O2 en NO die afkomstig zijn van overbelasting, onevenwichtige voeding en toxische stoffen, zorgen voor de vernietiging van binnendringende organismen en beschadigd weefsel. Maar vaak wordt ook gezond weefsel aangetast, waardoor we ons futloos gaan voelen en de kans op verschillende chronische ziekten verhoogd wordt. Vooral DNA, eiwitten en onverzadigde vetzuren zijn gevoelig voor een aantasting door vrije radicalen. Vrije radicalen zijn toxische, zeer reactieve deeltjes die in ons menselijk lichaam voorkomen en die we in beperkte mate nodig hebben voor ons metabolisme. Ze kunnen in ons lichaam zelf gevormd worden of van buitenaf worden opgenomen. Goede anti-oxidantia werken hier tegen in. We hebben lichaamseigen stoffen die als anti-oxidans optreden, zoals ceruloplasmine, metallothionine en glutamine. We halen ook anti-oxidantia uit onze voeding. Vitamine C, vitamine E, carotanoiden en flavonoiden zijn de voornaamste. Ons organisme heeft bepaalde anti-oxidatieve ezymsystemen, die Cu, Zn an Se [32] nodig hebben als cofactor. Deze vermelde stoffen halen we dus uit onze dagelijkse voeding en zijn als het ware onmisbaar voor een gezonde immuniteit. Het is echter niet de bedoeling om de gezonde voeding te vervangen, maar anti-oxidantia kunnen wel als aanvulling van de voeding gebruikt worden. [33]
[31] Literatuurlijst 44 [32] Cu: koper; Zn: zink; Se: selenium [33] Literatuurlijst 26, 38, 46, 47, 62
3.2 Functionele voeding -------------------------
Functional foods zijn voedingsmiddelen met een mogelijke toegevoegde waarde voor de gezondheid of lichaamsfuncties. Voeding wordt 'functioneel' genoemd, wanneer 'voldoende' is aangetoond dat zij naast de voedingswaarde een ander positief effect heeft op het menselijk lichaam, waardoor zij kan helpen het risico op ziekte te verminderen. een extra eis, die vaak aan functionele voeding wordt gesteld, is dat zij onderdeel uitmaakt van een normaal dieet en dat zij geproduceerd wordt als een gewoon voedingsmiddel (dus niet als pil, capsule, of poeder). Functionele voeding is niet bedoeld om mensen te genezen. het zou wel een rol kunnen spelen, om bepaalde ziekten te helpen voorkomen.
Deze producten bewaren vitaminen- en mineralentekorten aan te vullen. Melk verrijkt met extra calcium, drinkontbijten met vezels en vitaminen en drankjes met goede bacterien voor de darmflora zijn slechts een greep uit het groeiende aanbod. Na het succes van pro- en prebiotica neemt het belang van producten met peptides, plantchemicalien en vetten als functionele ingredienten de laatste jaren toe.
Probiotica zijn mono- of gemengde culturen van levende micro-organisman die, wanneer toegepast bij mens of dier, op gunstige wijze de gezondheid van de gastheer beinvloeden. Deze micro-organismen zijn hoofdzakelijk Lactobacillus acidophilus, Lactobacillus casei en Bifidobacterium. Ze worden meestal toegevoegd aan gefermenteerde zuivelproducten. Deze zorgen dan voor een verhoogde lactosevertering en een herstal van de gestoorde darmflora en darmbarriere.
Er bestaan hypothesen rond probiotica. Ze zouden de immuunrespons versterken, vitamine B6 of pyridoxine, vitamine B12 en foliumzuur produceren, de groei van pathogene micro-organismen inhiberen en cholesterolwaarden in het bloed verlagen. Ze zouden anti-carcinogene eigenschappen hebben en een betere biobeschikbaarheid geven van mineralen. Probiotica daarentegen zijn niet-verteerbare voedingsingredienten (insuline, oligofructose,...). Ze kunnen selectief de groei en /of activiteit van 1 of een beperkt aantal bacterien, die kunnen bijdragen tot gezondheid van de gastheer, in de dikke darm bevorderen. Hypothetisch zou de calcium-opname in de dikke darm bevorderd worden en zou het risico op colonkanker verminderen. Prebiotica zouden ook een heilzame invloed uitoefenen op da concentratie van triglycariden in het bloed en een verhoging teweegbrengen van het immuunsysteem. [34]
[34] Literatuurlijst 32, 58
3.3 Voedingssupplementen --------------------------
Voedingssupplementen geven aanvulling op de voeding. Het zijn dus geen vervangende middelen die gezonde voeding overbodig maken. In het geval van vitamine- en mineralengebrek bij ziekte en stress vullen ze het tekort aan, zodat het lichaam goed en gezond kan blijven functioneren. CVS-patienten hebben vaak te kampen met vitaminen- en mineralentekorten. Symptomen van vitaminetekort zijn: verminderde eetlust, ontstekingen in de mond, schilferende huid, vermoeidheid, prikkelbaarheid, lusteloosheid en slapeloosheid. Heb je langere tijd te kampen met een vitaminegebrek, dan uit zich dat in verhoogde vatbaarheid voor allerlei aandoeningen. Het gebruik van voedingssupplementen betekent niet dat je niet meer hoeft te letten op wat je daarnaast eet. Een gevarieerde voeding blijft het uitgangspunt voor een gezonde basis.
3.4 Sportvoeding ------------------
Vele CVS-patienten denken baat te hebben bij het consumeren van energierijke sportdrankjes en energierepen. Omdat hier vaak misverstanden rond ontstaan, wordt er iets dieper op in gegaan.
De energie die we nodig hebben om te blijven functioneren, halen we uit de voedingsmiddelen die we opnamen. Ons organisme zorgt ervoor dat we uit deze voedingsmiddelen de nodige voedingsstoffen halen, om energie te produceren.
Deze energievrijzetting kan op 3 manieren gebeuren:
1. zuurstofsysteem (aeroob alactisch systeem)
koolhydraten vetzuren + 02 -> ATP + CO2 + warmte aminozuren
2. fosfaatsysteem (anaeroob alactisch systeem)
ATP -> ADP + ENERGIE Creatine-P + ADP -> ATP
3. Melkzuursysteem (anaeroob lactisch systeem)
Glycogaan -> ATP + melkzuur
In het begin van de fysieke activiteit wordt er vooral anaeroob alactisch energie vrijgegeven. Dit duurt echter niet lang, de capaciteit is niet zo groot, maar de intensiteit is heel groot. Het melkzuursysteem heeft een grotere capaciteit, maar de intensiteit is iets minder groot. Dit systeem is op zijn maximum na een paar minuten. Het zuurstofsysteem is degene met de grootste capaciteit. Met dit systeem kunnen we dus het langst fysieke activiteit uitoefenen, maar op een lager intensief niveau.
Wanneer we bijvoorbeeld 1 uur gaan joggen, zullen we vooral beroep doen op ons zuurstofsysteem. Wanneer we anderzijds een afstand van 100 m moeten sprinten, gebruiken we ons fosfaatsysteem, omdat de intensiteit van deze activiteit zeer hoog ligt, maar de capaciteit vrij beperkt is.
Wanneer we na een tijd van fysieke activiteit minder 02 opnemen dan we moeten verbruiken om energie te leveren, gaat ons organisme overschakelen op het melkzuursysteem, waarvoor we dus geen 02 nodig hebben. Dit is het ogenblik waar de melkzuurconcentratie sterk stijgt en er hyperventilatie kan ontstaan. Het melkzuur wordt opgeslagen in de spieren en men krijgt spierpijn. Men moet dus proberen om deze grens niet te overschrijden.
Niet-sporters hebben geen nood aan energierijke drankjes of energierepen. Ze bevatten teveel enkelvoudige suikers ten opzichte van de meervoudige suikers. Het gevolg van deze enkelvoudige suikers is dat er een te snelle stijging is van de bloedsuikerspiegel, waardoor er veel insuline vrijkomt. Insuline zorgt ervoor dat de glucose terug in de cellen wordt gedreven en de bloedsuikerspiegel zal dalen. Hierdoor gaat men zich vermoeid voelen en krijgt men het gevoel nood te hebben aan suikers.
Het is vooral belangrijk een gezonde en evenwichtige voeding met voldoende meervoudige suikers (granen, aardappelen,...) en een beperking van enkelvoudige suikers (snoep, chocolade,...) na te streven. Daarnaast is de aanbreng van vitaminen, mineralen en vezels uit groenten en fruit zeer belangrijk. [35]
[35] Literatuurlijst 48, 49, 50, 63
3.5 Alternatieve eetgewoonten -------------------------------
We weten al dat jongeren heel gevoelig zijn voor veranderingen. De media speelt daar dan ook maar al te graag op in met een groot aanbod aan reclame. We worden overspoeld met nieuwe therapieen en dieten, nog beter dan de vorige. Door verschillende crisissen in ons land, gaan ook meer mensen zich vragen stellen bij de veiligheid van de Belgische voeding. Sommigen zoeken hun toevlucht in het vegetarisme. Zo ook jonge CVS-patienten. Ze weten niet meer hoe ze van hun lijden kunnen verlost worden en proberen dan ook al het nodige dat hen zou kunnen helpen. Velen hopen met een alternatieve eetgewoonte de oplossing te vinden.
Alternatieve voeding is een verzamelnaam voor verschillende voedingswijzen die varieren wat betreft achterliggende gedachten en in concreet voedingsgedrag. Ze hebben enkele gemeenschappelijke kenmerken: beperken van de consumptie van dierlijke producten en prefereren van biologisch geteelde voedingsmiddelen, zonder gebruik van kunstmest of bestrijdingsmiddelen. Deze verschillende voedingswijzen stellen allen ook een gelijkaardig gedrag met bepaalde attitudes, normen en waarden. Ze wijken af van het huidige wetenschappelijke en technische doel: 'heersen over de natuur'. Ze zien het liever als: 'verantwoord beheer van de natuur', met de mens als een dienende functie.
Het gamma aan alternatieve voedingswijzen is reeds sterk uitgebreid en het aanbod wordt steeds groter. Hier worden kort de meest voorkomende besproken.
Vegetarisme -----------
Men maakt een onderscheid tussen lacto-ovo vegetariers, die wel melk en melkproducten consumeren en veganisten, die niets dierlijks verbruiken. Algemeen geldt voor beiden dat producten van gedode dieren uitgesloten zijn.
Dit gebeurt enerzijds om ethische redenen, nl. het doden en slachten van dieren. Anderzijds zijn er de ecologische redenen, met name de verspilling van de grondstoffen. En ten derde zijn er de gezondheidsredenen.
Ze nemen aan dat vlees overbodig en ongezond is voor de mens. Hierbij moeten toch bepaalde vragen gesteld worden. Wanneer geen vlees wordt gegeten, kan dit leiden tot tekorten aan ijzer en vitamine B12. Dit zou bij zwangere vrouwen en zuigelingen tot extra problemen kunnen leiden. Door het niet eten van vis, en mede dus minder w-3 vetzuren, kan de preventie voor hart- en vaatziekten wegvallen, en de kans op kanker verhogen.
Veganisten gebruiken geen melk en melkproducten, waardoor zij een bijkomend tekort ontwikkelen aan eiwitten, calcium en vitamine B2. [36]
* Andere ---------
Reformvoeding: deze voedingswijze heeft als stelling: 'Laat het natuurlijke zo natuurlijk mogelijk zijn'. Verbruikers van de reformvoeding bewerken zo min mogelijk hun voedsel, gebruiken geen additieven (kleur- en smaakstoffen), conserveermiddelen en stabilisatoren en ze nuttigen geen dierlijke producten.
[36] Literatuurlijst 6, 7, 8
Doordat hun producten niet geraffineerd worden en er geen additieven worden toegevoegd, hebben ze minder vitamineverlies en meer vezels in hun voeding. Er worden geen nadelen voor de gezondheid ondervonden aan deze voedingswijze, behalve dan dezelfde nadelen als het vegetarisme voor het weglaten van vlees (vitamine B12, Fe, essentiele vetzuren).
Ecologische voeding: deze voedingswijze wordt ook wel 'duurzame voeding' genoemd. Het is er vooral op gebaseerd om diervriendelijk te produceren, het behoud van een vruchtbare aarde en een eerlijke verdeling van de financiele opbrengst.
Het hangt samen met de ecologische landbouw. Deze is gebaseerd op de schijf van vier: in het eerste en grootste deel bevinden zich de zetmeelrijke producten, aanvullend in het tweede, maar ook nog belangrijke deel, groenten en fruit. Minder belang wordt gehecht aan de twee overige delen. 1 voor de eiwitrijke producten, zoals melk, ei, vis, vlees en peulvruchten. Deze groep wordt aanzien als een aanvulling. De laatste groep zijn de vetrijke producten en mogen slechts zeer sporadisch gebruikt worden.
Doordat ecologische voeding zo vezelrijk en rijk aan groenten en fruit is, en weinig dierlijk vet bevat, kan men zeggen dat het een preventie is voor verschillende ziekten, zoals hart- en vaatziekten en diabetes mellitus. Een groot nadeel is het gebruik van volle melkproducten, waardoor men mogelijks een teveel aan vet inneemt. Anderzijds heeft men door de lage inname van dierlijke producten, toch nog een vrij lage vetconcentratie in het totaal. Dit energie-tekort zou voor problemen kunnen zorgen bij zuigelingen. Ook kunnen er spijsverteringsproblemen ontstaan bij kinderen en peuterdiarree door het zeer hoge gehalte aan vezels.
Antroposofie: Bij deze voedingswijze is de kwaliteit van de voeding van het grootste belang. Ook wel gelinkt aan de biologisch dynamische landbouw.
Er is geen gebruik van kunstmast en bestrijdingsmiddelen. Voor de bewaring en bereiding prefereren aanhangers van de antroposofie een warmtebehandeling boven diepvries. Geen gebruik van microgolf. Er worden volle, verse en volkoren producten gegeten. Bepaalde voedingsmiddelen mogen enkel als lekkernij worden geconsumeerd, waarvan onder andere koffie, thee, alcohol, tabak, chocolade en snoep. Andere voedingsmiddelen moeten ten stelligste vermeden worden, zoals kant- en klaargerechten, kunstmatige smaak-, geur- en kleurstoffen en diepvriesproducten.
De maaltijdsamenstelling gebeurt aan de hand van de drie gebieden van een plant (wortel, stengel, bloem). De basis bestaat uit granen en zaden. Als aanvulling hierbij gebruikt men groenten, kruiden, fruit, volle en zure melk en zuivel. Vlees mag niet dagelijks en moet zeker met mate geconsumeerd worden. Ook eieren en peulvruchten zijn minder gunstig. De voeding is dus vooral vezelrijk en bevat weinig dierlijk vet (de verhouding onverzadigd over verzadigd is zeer positief). Maar er is algemeen een te laag vetgehalte, tekort aan Fe en vitamine B12, een tekort aan vitamine D bij kinderen en de voeding is te vezelrijk, wat bij kindjes voor problemen kan zorgen.
Macrobiotiek: deze voeding wordt samengesteld aan de hand van de tegengestelden Yin en Yang. Macrobiotiekers streven naar een voeding met evenwichtige producten, niet extreem Yin of Yang. Macrobiotiek kunnen we onderverdelen in de klassieke en de moderne versie. De klassieke bestaat uit volle granen (rijst), groenten, peulen, gefermenteerde producten, zeewieren en af en toe aanvullend naoen, zaden en vis. Wat niet mag gegeten worden zijn melk (yin), kaas en vlees (yang). Deze voedingsmiddelen zijn te onevenwichtig. Hoe dichter de producten in evolutie bij de mens staan, hoe ongunstiger, vandaar dat geen of weinig vlees en vis worden gebruikt.
De moderne versie laat enkele producten wel nog toe, vermits men grote tekorten zag bij kinderen. Hier mogen meer meelspijzen en brood, meer vis (soms vlees en gevogelte) en soms melkproducten worden ingeschakeld. De voeding heeft een zeer laag vetgehalte en bevat veel groenten, wat zeer gunstig is voor hart en bloedvaten.
Anderzijds is er een vitamine D- en calciumtekort, waardoor en rachitis en zwak tandglazuur optreedt. Door het vis- en vleestekort zien we deficienties van ijzer en vitamine B12. Teveel vezels geven darmproblemen bij het kind, wat leidt tot een minder goede opname van diverse spoorelementen. Te weinig vet en dierlijke eiwitten zorgen voor een tragere of mindere groei, spierzwakte, sterke daling van het lichaamsgewicht en een vertraagde ontwikkeling van de grove motoriek.
4. Praktische raadgevingen en aanbevelingen aan de patient ----------------------------------------------------------
Na de theoretische uitleg van de nutritionele invloeden, kunnen er een aantal praktische adviezen gegeven worden, meer specifiek gericht naar jongeren. Deze adviezen kunnen aan de hand van educatiefjes worden gegeven.
1. Immuniteit en voeding ------------------------
Om ons immuunstelsel op peil te houden is het zeer belangrijk om gezond en gevarieerd te eten. Groenten en fruit zorgen voor een uitstekende aanbreng van vitamines en mineralen. De belangrijkste vitaminen voor de immuniteit zijn de vitamines A, E, C en pyridoxine.
Goede bronnen van:
x Vitamine A: groene bladgroenten, boter, margarine, eidooier, kaas, lever x Vitamine E: groene bladgroenten, plantaardige olien, minarine, margarine, pinda's, sojabonen, volkoren producten, broccoli, spruiten x Vitamine C: aardappelen, groenten, peulvruchten, fruit, tomaten x Pyridaxine of vitamine B6: orgaanvlees, volkoren producten, vis, peulvruchten, bananen, gist, avocado, koolsoorten, tarwe, eieren
De belangrijkste mineralen voor onze afweer zijn zink en kopen.
Goede bronnen van:
x Zink: vlees, oesters, eidooier, peulvruchten, noten, sesamzaad x Koper: lever, kreeft, krab, volkoren producten, noten
Anderzijds zijn voldoende eiwitten nodig afkomstig van melkproducten en vlees. En ook de eicosanoiden afkomstig van de visolien mogen niet vergeten worden.
Eventuele supplementatie van vitaminen en mineralen moet beperkt blijven. De aanbreng van vitaminen en mineralen via de gezonde voeding wordt nog steeds verkozen boven supplementatie.
2. Anti-oxidantia -----------------
Het voornaamste is om oxidantia in onze voeding zo veel mogelijk te vermijden. Het is dus ook aangeraden om voldoende antioxidantia in te nemen. De antioxidantia halen we hoofdzakelijk uit groenten en fruit.
Goede bronnen van:
x Vitamine C: aardappelen, groenten, peulvruchten, fruit, tomaten x Vitamine E: groene bladgroente, plantaardige olien, minarine, margarine, pinda's, sojabonen, volkoren producten, broccoli, spruiten x B-carotenoiden: rode groenten en donkengroene bladgroenten x Flavonoiden: groenten x Koper: lever, kreeft, krab, volkoren producten, noten x Zink: vlees, vis, peulvruchten, granen, noten x Selenium: vlees, vis, zeeproducten, granen en enkele nootsoorten
Daarnaast is het ook aangeraden om enkele levensstijlen aan te passen. Stoppen met roken, matig omgaan met alcohol en letten op te fel zonlicht, zijn de voornaamste.
Hier kunnen we ook weer de conclusie trekken om een gezonde en evenwichtige voeding na te streven. Eet voldoende groenten en fruit en vermijd teveel dierlijke vetten.
* De bereidingswijze van uw voeding speelt ook een belangrijke rol. Want vitamine C is zeer temperatuurgevoelig en lost makkelijk op in water. Het is dus aangeraden om dagelijks een goede portie rauwe groenten en fruit te eten voor de aanbreng van vitamine C.
* Rijp fruit en rijpe groenten zijn veel rijker aan antioxidantia
* Kies bij voorkeur groenten en fruit van het seizoen. Hun gehalte aan antioxidantia is maximaal an hun prijs minimaal.
Hoe ziet een ideale antioxidantia-aanbreng eruit?
x Fruit: 2-3 porties van verschillende fruitsoorten 1 appelsap + 1 sinaasappel of 3 mandarijntjes + 1 grote appel of 1 banaan + 1 peer x Gekookte groenten: 6-8 soeplepels gekookte groenten 3-4 roosjes bloemkool + 1 bol ajuinsoap of 4 SL banen + 2-3 stronkjes gestoofd witloof x Rauwe groenten: 2-4 SL rauwkost 3 SL geraspte knolselder + 1 salade van tomaten 4 SL geraspte wortel, rode kool en veldsla
3. Concentratie en voeding --------------------------
We beginnen de dag met een stevig en evenwichtig ontbijt.
* zuivelproduct: melk, yoghurt of kwark -> zorgt voor de aanbreng van dierlijke eiwitten, Calcium, vitamines A, B2 en D. * granen: ontbijtgranen, brood, beschuit -> zorgt voor de aanbreng van complexe koolhydraten, plantaardige eiwitten, vitamines van de B-groep en mineralen. * Vers fruit of vruchtensap -> is een goede bron van vitamine C en mineralen. * Bijkomende drank (zowel koud als warm) * Eventuele aanvullingen: boter ->vitamine A en energie Honing/confituur -> enkelvoudige koolhydraten Ham/kaas -> eiwitten
Wanneer we in de loop van de voormiddag een keuze moeten maken uit verschillende tussendoortjes, maken we best een goede keuze. -------------------------------------------------------------------------- Goede tussendoortjes Minder goede tussendoortjes -------------------------------------------------------------------------- x Stuk fruit (appel, banaan, sinaasappel, x Alle koeken die veel vet mango, mandarijn, aardbeien, frambozen, en enkelvoudige suikers peer, kiwi, meloen, pompelmoes, bessen, bevatten (boterkoek, cake,...) litchi, druiven, papaya,...) x Alle chocoladerepen (mars, twix, snickers,bounty, milkyway,...) x Melkproduct (yoghurt + fruit, milkshake, x Alle zoute koekjes en chips pudding, pap,glas melk, kwark +fruit,...) x Alle frisdrank x Koek (sultana, balisto, granny, evergreen, vitalinea, muaslireep,...) --------------------------------------------------------------------------
Voor een goede concentratie is het aangeraden om over de hele dag voldoende te drinken en voldoende meervoudige koolhydraten in te nemen.
4. Functionele voeding ----------------------
Het aanbod aan functionele voedingsmiddelen groeit steeds. Tegenwoordig vinden we in alle supermarkten al yoghurtjes met actieve bifidus en koekjes met fructo-oligosacchariden.
Enkele voorbeeldjes: * Bio yoghurt met actieve bifidus * Hagelslag met inulina (Beneo) * Suiker met inuline * Brood met fructo-oligosacchariden * ......
5. Hypoglycemie ---------------
Voedingsmiddelen kunnen onderverdeeld worden naar hun G.I. een hoge G.I. zijn vooral zetmeelachtige voedingsmiddelen, zoals aardappelen, geraffineerde graanproducten en bananen. Een gemiddelde G.I. vinden we vooral bij fruitsoorten, zoals appels en sinaasappels. Een lage G.I. zijn bijvoorbeeld bladgroenten en noten.
Het is aangeraden om: x regelmatig kleine maaltijden te gebruiken x zo weinig mogelijk geraffineerde suikers te eten (witte kristalsuiker) x voldoende ongeraffineerde producten te eten (vezels) x voldoende te rusten en overmatige stress te vermijden
6. Voedingssupplementen -----------------------
Voedingssupplementen kunnen af en toe eens ingeschakeld worden, maar we mogen ervan uitgaan dat we via een gezonde en gevarieerde voeding voldoende vitaminen en mineralen kunnen opnemen. Voedingssupplementen mogen wel eens als aanvulling gebruikt worden, maar mogen zeker geen vervanging vormen van de voeding.
7. Hypo-allergene voeding -------------------------
Bij een hypo-allergene voeding is het zeer belangrijk om bepaalde levensmiddelen uit de voeding te mijden.
8. Sportvoeding ---------------
Wanneer we een zware inspanning uitoefenen of intensief gaan sporten, kunnen sportdrankjes of enengierepen wel eens nuttig zijn om ons voldoende energie te geven. Maar we moeten ons bewust zijn van de grote hoeveelheid enkelvoudige koolhydraten die deze energierepen bevatten. De meeste energie kunnen wij halen uit een gezonde en gevarieerde voeding.
9. Alternatieve eetgewoonten ----------------------------
We moeten er bewust van zijn dat bij vegetariers en veganisten tekorten kunnen optreden en deze zo goed mogelijk moeten aangevuld worden.
Bij vegetariers die geen producten van gedode dieren eten, zien we tekorten van vit B2, vit D, vit E, calcium, ijzer en zink. Deze mineralen zorgen al voor een groot probleem bij adolescenten in de algemene voeding, dus is het een extra aandachtspunt om deze tekorten op te heffen.
Goede bronnen van:
x vitamine B2: vooral eiwitrijke producten, volle granen, groene bladgroenten, broccoli, avocado's, peulvruchten,... x vitamine D: verschillende koolsoorten, sinaasappel, brandnetels, gist, tarwekiemen. Vitamine D is zeer belangrijk als een bescherming tegen onder andere spierzwakte. We halen dit vitamine enerzijds uit het zonlicht en anderzijds uit de voeding. x Vitamine E: plantaardige olien, rauwe zaden en noten, bladgroenten, aardbeien, appelen, bananen, pinda's, peulvruchten, ongeraffineerde graanproducten, zoete aardappelen, kool, wortels en pastinaak Vitamine E is zeer belangrijk voor het goed functioneren van het immuunsysteem x Calcium: voile granen, ongeraffineerde graanproducten, donkere bladgroenten, boerenkool, broccoli, mosterd en raap Calcium is zeer belangrijk voor het functioneren van de spieren en voor het bot. x IJzer bladgroenten, volle granen, peulvruchten, zaden, zeewieren, vijgen, dadels, gedroogd fruit x Zink: bonen, gist, noten, volle granen, wortelen, tarwekiemen, zonnebloempitten, bladgroenten
Veganisten die geen dierlijke producten eten, moeten zeer evenwichtig eten en hun voeding zou best verrijkt worden met vitamine B12, vitamine D en calcium.
In bijlage vindt u enkele makkelijke vegetarisch recepten en een vegetarische voedingsdriehoek.
10. Zware metalen en toxische stoffen ---------------------------------------
Er is geen reden tot het weglaten van bepaalde voedingsmiddelen uit ons eetpatroon, aangezien de wettelijke normen van bepaalde metalen in de voeding zeker niet overschreden worden. Er is dus geen reden tot ongerustheid.
Belangrijk is wel om voldoende groenten en fruit te eten en een gezonde en gevarieerde voeding na te streven.
Hoofdstuk V: Conclusie ----------------------
1. Algemeen gezonde voeding ---------------------------
We kunnen besluiten uit de vorige hoofdstukken dat er geen gegronde bewijzen zijn dat CVS in verband kan worden gebracht met een welbepaald eetpatroon of dat er geen oorzaak moet gezocht worden in de voeding. Wel kunnen er bepaalde symptomen optreden die een invloed uitoefenen op de voeding, zoals hypoglycemie, allergie,... Het zou misschien wel nuttig zijn om verder onderzoek hieromtrent te verrichten, vermits dit onderzoek vrij beperkt was. Na verduidelijking van deze symptomen en klachten, kunnen er praktische adviezen gegeven worden eventueel onder de vorm van educatie naar de jongeren toe.
Het algemeen besluit is dat het toch wel zeer belangrijk is om een gezonde en evenwichtige voeding na te streven.
De voeding is gezond en evenwichtig wanneer er een combinatie gemaakt wordt van voedingsmiddelen uit alle vakken van de voedingsdriehoek.
De 10 spelregels voor een gezonde voeding:
1. eet gevarieerd (voedingsdriehoek) 2. let op vet (minder verzadigde vetten, meer onverzadigde vetten, toch zijn vetten belangrijk voor de aanbreng van vetoplosbare vitamines (A, D, E en K) en essentiele vetzuren) 3. eet volop zetmeel en vezels 4. eet volop groenten en fruit 5. houd uw gewicht op peil 6. wees zuinig met zout 7. drink veel 8. eet niet de hele dag door (niet goed voor het gebit) 9. ga hygienisch om met uw voedsel 10.lees wat er op de verpakking staat
Voeding speelt een belangrijke rol in het leven van de mens. Zij vervult verschillende functies:
* fysiologische rol: voeding bevat bouw-, bescherm- en brandstoffen. -> bouwstoffen zijn nodig voor de opbouw van het lichaam, nl. de groei en ontwikkeling van ons organisme, en voortdurende vernieuwing van de weefsels. We vinden ze terug in eiwitten, water en bepaalde mineralen. -> beschermstoffen, zoals vitaminen, mineralen, spoorelementen en voedingsvezels zorgen voor een goede werking van ons organisme en verhogen de weerstand tegen ziekten (spelen dus een belangrijke rol in ons immuunstelsel) -> brandstoffen zorgen voor de energie die ons lichaam nodig heeft om te kunnen functioneren. Enerzijds voor de levering van inwendige arbeid, denken we aan de ademhaling, spijsvertering, hartwerking... Anderzijds zorgt deze energie ook voor de uitwendige arbeid. Vetten, verteerbare koolhydraten en in bepaalde omstandigheden eiwitten zijn de voornaamste brandstoffen die we uit onze voeding halen.
We hebben voedsel dus nodig voor de groei, herstel, energie, goede weerstand en normaal verloop van lichaamsprocessen. De nood aan voedingsstoffen verschilt onderling van mens tot mens, afhankelijk van de leeftijd, lengte, gewicht, geslacht, fysieke activiteit en bijkomend, groei, lactatie, zwangerschap.
* psycho-sociale rol: men eet omdat men het lekker vindt, het beantwoordt aan een verlangen en omdat het een emotionele stimulans is. Anderzijds eet men ook uit gevoel van welbehagen, zowel lichamelijk als geestelijk. [37]
2. Aanbevelingen voor adolescenten ----------------------------------
De Belgische aanbevelingen [38]:
[37] Literatuurlijst 14 [38] Literatuurlijst 14, 41
* eiwitten: 10-15% van de totale energiebehoefte * vetten: - verzadigde vetzuren: < 10% van de totale energiebehoefte (niet aanbevolen) - enkelvoudige onverzadigde vetzuren: > 10% van de totale energiebehoefte - meervoudig onverzadigde vetzuren: 5,3-10% van de totale energiebehoefte (dit houdt ondermeer linolzuur en a-linoleenzuur in) - cholesterol: < 300 mg/dag - n-6 vetzuren: 4-8% van de totale energiebehoefte - n-3 vetzuren: 1,3-2% van de totale energiebehoefte * koolhydraten: 55% van de totale energiebehoefte, bij voorkeur zetmeelhoudende * vitaminen en mineralen * vezels: 31-38 g per dag
3. Eventuele aanpassingen voor jonge CVS-patienten --------------------------------------------------
Uit voorgaande hoofdstukken kunnen we besluiten dat er geen specifiek beeld van de eetgewoonten bestaat voor CVS-patienten. We merken ook dat er geen concrete verschillen kunnen worden aangetoond tussen het voedingspatroon van gewone adolescenten en dat van jonge CVS-patienten. Vermits er geen duidelijk verschil is met andere adolescenten, gelden deze aanpassingen zowel voor CVS-patienten als voor gewone adolescenten.
Er wordt aangeraden om: x Meer groenten en fruit te eten x Meer zuivelproducten in te nemen om aan de calciumbehoefte te komen x Minder enkelvoudige suikers en vetten te consumeren x Voldoende meervoudige koolhydraten en vezels in te nemen
Samenvatting ------------
Veel CVS-patienten zien het einde van hun tunnel niet meer. Ze zijn ten einde raad of gaan zelf op zoek. Op zoek naar een behandeling, een oplossing voor hun probleem. Dat is dan ook de reden waarom veel CVS-patienten hun toevlucht zoeken in alternatieve eetgewoonten. Velen gaan proberen om met behulp van voedingssupplementen, antioxidantia... hun energie terug te vinden. Er zijn patienten die door hun ziekte last hebben gekregen van concentratiestoornissen, maagklachten, hypoglycemie, allergie... Na een kort onderzoek bij een beperkte populatie van jonge CVS-patienten is het volgende besluit gemaakt.
Er zijn geen significante verschillen in eetgewoonten tussen gewone adolescenten en adolescente CVS-patienten. De tekorten komen in grote lijnen overeen.
Wat hier kan gesteld worden, is dat deze jongeren nood hebben aan een gezonde en gevarieerde voeding. Een voeding waarin natuurlijk rekening wordt gehouden met de patient zelf en met zijn mogelijke tekorten, zowel de tekorten die specifiek zijn voor de adolescent als de tekorten gecreeerd door de ziektetoestand.
Literatuurlijst ----------------
1. DANIELS, T., RIZIV erkent CVS als ziekte, Gazet van Antwerpen, 03/04/2002 2. DE MEIRLEIR, K., Verborgen infecties, Weekend Knack, 2001; 3 3. NICOLSON, et al, Chronic mycoplasmal infections, Biomedical Therapy 1998; vol 16, n04 4. COPIUS PEEREBOOM, JW, Eigentijdse vergiftigingen en moeheidsziekten, Orthos media bv 5. VAN MONTFORT, JO., Het chronisch vermoeidheidssyndroom: een update, Centrum voor integrale gezondheidszorg te Maastricht, Castongs, GMPJ. 6. AN, Wat is alternatieve voeding? 7. AN, Vegetarische kinderen 8. AN, www.eva-online.be, vegetarisme, 15/10/2001 9. VAN DER MEER, JB., Voeding en immunologie 10.AN, Voeding bij een gestoord afweersysteem 11.AN, www.wellness.demon.co.uk, Het chronische vermoeidheidssyndroom (M.E.), Amsterdam Kliniek, 04/07/2002 12.AN, Chronisch vermoeidheidssyndroom, een zoektocht, Dienst gezondheidsvoorlichting en - opvoeding, Landsbond der christelijke mutualiteiten, november 2000 13.AN, www.ziekenhuis.nl, Chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS/ME) , Digitaal ziekenhuis Nederland, 04/07/2002 14.Belgische voedingsmiddelentabel, Nubel, derde uitgave 15.AN, Chronic fatigue syndrome: a biological approach 16.BRUGGINK, T.M., Voedselovergevoeligheid 105/1, Chemische feitelijkheden, febr. 1994 17.VAN BEERS, H.J.M., Chronisch vermoeidheidssyndroom, Arts en Apotheker, 1:36-41, 1997 18.KEYSER, G., et al, Behandeling van chronische vermoeidheid met cognitieve gedragstherapie, Directieve Therapie, jg. 16 nr.3, 1996 19.LIEVENS, S. et al, Moe en onbegrepen, Tielt: Lannoo, 1999 20.AN, www.azn.nl, CVS bij jongeren, 30/08/2001 21.VERDONCK, G., Workshop glycemic index and health: the quality of the evidence, Tijdschrift voor voeding en dietetiek, jg. 28 nr.2, 2002 22.www.dietistennet.nl/ciezondevoeding.html, 22/01/2002 23.www.dietistennet.nl/vitaminen.html, 22/01/2002 24.www.gezondheidsnet.nl, 28/01/2002 25.Vitamines en hart- en vaatziekten, Vitamine Informatie Bureau 26.www.dietistennet.nl/oxidanten.html, 22/01/2002 27.Good mood food, www.nice-info.be, 26/11/2002 28.FORSYTH, L.M., et al, Therapeutische effecten van oraal NADH op de symptomen bij patienten met CVS, Anals of allergy, astma and immunology, februrary 1999; 82: 185-191 29.AN, Relatie voeding en ADHD bewezen, Eindhovens dagblad, 30/11/2001 30.VAN DEN EYNDE, H., Extreem dieet verlicht ADHD, DE Standaard, wetenschap, 10/01/2003 31.www.ciamtr.nl.cvs.htm, 14/01/2003 32.Concepts of functional foods, ILSI, 2002 33.www.gezondheidsnet.nl 34.www.technieuws.org 35.STEVENS, W.J., Voeding en immuniteit, complexe interactie, Nutrinews, jg.9 nr.4, december 2001 36.BOELSMA, E., 'Goed-gevoel'-voedsel, de invloed van voeding op stemming en prestaties, Nutrinews, jg.10 nr.3, juli-aug-sept 2002 37.DE RONNE, N., Betere schoolprestaties dankzij een goed ontbijt, Nutrinews, jg.10 nr.3, juli-aug-sept 2002 38.DE GEETER, H., Anti-oxidantia, Nutrinews, jg.7 nr.4, december 1999 39.MASELIS, T., Je ziet watje eet, Nutrinews, jg.10 nr.1, januari 2002 40.AN, Voedingsadviezen bij vermoeidheid, Nutrinews, jg.9 nr. 2, juni 2001 41.HENDRICKX, H., Nieuwe aanbevelingen voor vetzuren, De Eetbrief n0 103, UZ Gent, RUG, november 2002 42.Healthy lifestyles nutrition and physical activity, ILSI, 1998 43.Gezonde en evenwichtige voeding voor adolescenten, Health and food focus, Science Today, 2001 44.DE GEETER, H., Zware metalen in de voeding, Nutrinews 2001, jg. 9, nr. 2 45.NOTTE-DERUYTER, A., Maagsparende kost niet onnodig beperken, Eetbrief, n0 102, oktober 2002 en n0 103, november 2002 46.Antioxidantia: het evenwicht herstellen?, Christiaens Pharma 47.Fruit en groenten: antioxidantia aan de bron, Health and food focus, Science Today, 2001 48.Voeding en fysieke activiteit, goed eten en meer bewegen, Documentatie- en Informatiecentrum van de Tiense Suikerraffinaderij, 1995 49.Meer sporten, anders eten, www.nice-info.be, 19/03/2002 50.ASKER, E., Sportvoeding, www.voedsel.net, 10/12/2002 51.Pseudo-allergeenvrij dieet, Universitair Ziekenhuis Leuven 52.VANSANT, G., Tussendoortjes, ja of neen?, Nutrinews 2000, nr. 3 53.Voeding en koolhydraten, Documentatie- en Informatiecentrum van de Tiense Suikerraffinaderij 54.Sweetness: the biological, behavioural and social aspects, ILSI, 1995 55.Nutrition and immunity in man, ILSI, 1999 56.De eerste stappen naar een evenwichtige voeding, Health and food focus, Science Today, 2001 57.VAN DEN BEAGH, H., et al, Vitamines en hart-en vaatziekten, TNO voeding 58.VAN CAMP, J., Voedingsmiddelen - geneesmiddelen, een geintegreerde aanpak van de gezondheidszorg, Nutrinews 2000, nr. 1 59.REMAUT- DE WINTER A. M., Water doet leven!, Nutrinews 2000, nr. 1 60.VAES, W. H. J., Vitamine- en mineralenonderzoek, TNO nutrition and food research, 2003 61.HOUBEN, G. F., Dietary risk assessment of chemical residues, 2003 62.AN, Een pond groenten en fruit aub, Nutrinews april 1998 63.Waar sporters op moeten letten, AHOLD, 17/02/2003 64.Kinderen en adolescenten, AHOLD, 17/02/2003 65.VAN HOUDENHOVE, B., CVS, hype, wetenschap en uitdaging, 9/12/2002 66.DE HENAUW, S., Voedingsgewoonten bij adolescenten: een onderzoek in de regio Gent, Symposium 'voeding van de adolescenten', instituut Danone, 05/10/2002 67.BERGHMANS, L., et al., Gezondheid en voeding van Jongeren in Henegouwen: van waarneming tot actie, Symposium 'Voeding van de adolescenten', instituut Danone, 05/10/2002 68.MOZIN, M.J., Welzijn en preventie: twee fundamentele doelstellingen van de nutritionele aanbevelingen voor adolescenten, Symposium 'Voeding van de adolescenten', instituut Danone, 05/10/2002 69.MOENS, S., cursus biochemie, KHLeuven, 2001-2002
Ga terug
|