|
|
BESTAAT ER EEN RELATIE TUSSEN CVS, HET FAMILIALE FUNCTIONEREN EN EEN OVERACTIEVE LEVENSSTIJL? Literatuurstudie en gecontroleerd exploratief onderzoek -------------------------------------------------------------
KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN FACULTEIT PSYCHOLOGIE EN PEDAGOGISCHE WETENSCHAPPEN Afdeling Psychotherapie en Dieptepsychologie
Verhandeling aangeboden tot het verkrijgen van de graad van licentiaat in de psychologie door Marlies Lemmens
o.l.v. Prof. Dr. B. Van Houdenhove
augustus 1999
Reeds vele jaren zoeken talrijke onderzoekers naar de oorzaak van het chronisch vermoeid-heidssyndroom (CVS). Steeds meer onderzoekers verlaten hierbij het enge biomedische denkkader om zich te scharen achter een multifactoriele, biopsychosociale verklaring van het syndroom. Binnen dit kader heeft men aandacht voor zowel de predisponerende, uitlokkende als instandhoudende factoren. Vanuit dit biopyschosociale denken groeide een driedelige onderzoeksvraag. Ten eerste willen we een bijdrage leveren aan het onderzoek naar de familiale aspecten van CVS: hiertoe vergeleken we het huidige en gewenste gezinsfunctioneren van CVS-patiënten en hun partners met dat van gematchte controlepersonen en hun partners. Om het gezinsfunctioneren te onderzoeken maakten we gebruik van de Gezinsklimaatschaal-II en de Gezinsklimaatschaal-II-wens. Ten tweede trachten we een bijdrage te leveren aan het onderzoek naar het voorkomen van een premorbide overactieve levensstijl bij CVS-patienten. We vergeleken voor het eerst het actiebereidheidsniveau van CVS-patienten met dat van gematchte controlepersonen, hierbij maakten we gebruik van de 'Vragenlijst voor Habituele Aktiebereidheid'. Ten slotte combineerden we beide onderzoeken om na te gaan of er een invloed uitgaat van het activiteitsniveau op het gezinsfunctioneren.
De onderzoeksgroep bestond uit 30 CVS-patienten, die beantwoorden aan de operationele criteria voor CVS, en hun 30 partners. De controlegroep bestond uit 30 personen uit de algemene bevolking en hun partners die zorgvuldig gematcht werden aan de onderzoeksgroep qua geslacht, leeftijd, opleidingsniveau en huwelijksduur.
Wat betreft het familiale functioneren, blijken de CVS-koppels het significant moeilijker te hebben met het openlijk en direct uiten van emoties dan de controlekoppels (p<.05). Ook is de sociale betrokkenheid van de CVS-koppels op de omgeving veel lager (p<.0001). Tenslotte ervaren CVS-koppels minder onderlinge controle van de gezinsleden op elkaars doen en laten dan de controlekoppels (p<.05). Dit wijst op het multidimensionele karakter van overactiviteit.
Wanneer we de discrepantie van het huidige en het gewenste gezinsfunctioneren van de CVS-koppels vergelijken met dat van de controlekoppels, blijkt dat de CVS-koppels een significant grotere discrepantie vertonen op de schaal sociale orientatie (p<.05). Binnen de CVS-koppels toont de CVS-patient een significante grotere wens naar verandering in gezinsfunctioneren dan de partner (p<.05), deze discrepantie is vooral significant voor de gezinsorganisatie (p<.05), de gehanteerde normen (p<.05) en de sociale betrokkenheid van het gezin (p<.01).
In vergelijking met de controlepersonen vertoonden de CVS-patienten een significant grotere premorbide actiebereidheid (p<.05). Tenslotte blijken CVS-patienten met een grote actiebereidheid geen significant grotere discrepantie te vertonen tussen het huidige en het gewenste gezinsfunctioneren dan mensen met een lage actiebereidheid (p>.05). Wel wordt er een positieve correlatie vastgesteld van actiebereidheid met normen en een negatieve met sociale orientatie.
We kunnen besluiten dat CVS-gezinnen en gezonde gezinnen verschillen qua expressiviteit, sociale orientatie en normen. Verder willen CVS-patienten meer verandering in gezinsorganisatie, normen en sociale orientatie dan hun partners. Ons onderzoek bevestigde de grotere actiebereidheid van CVS-patienten, maar leverde geen evidentie voor een invloed van het actiebereidheidsniveau op het gezinsfunctioneren.
Dank aan Prof. Dr. B. Van Houdenhove, aan Dr. G. Lemmens en aan Annelies Van Den Broeck. Dank aan mijn ouders voor het intensieve zoeken naar controlepersonen en aan Leentje en Tom voor het kritisch nalezen. Tenslotte dank aan allen die hun mede-werking hebben verleend aan dit onderzoek.
INLEIDING ---------
Het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) is tot op een heden een etiologisch onverklaarde ziekte. Sinds de ontdekking van CVS, een honderdtal jaar geleden, trachten onderzoekers een organische oorzaak te detecteren voor dit syndroom. De laatste jaren wenden steeds meer onderzoekers en artsen zich af van dit enge biomedische kader om antwoorden te zoeken in het bredere biopsychosociale denken. Binnen het biopsychosociale denken beschouwt men de klachten niet langer als het resultaat van 1 specifieke, lichamelijk oorzaak maar wel als het eindpunt van een multifactorieel proces. Binnen dit kader maakt men een onderscheid tussen predisponerende, uitlokkende en instandhoudende factoren, deze opsplitsing maakt een beter inzicht in en begrijpen van CVS mogelijk.
Vanuit dit biopsychosociale denken wordt er aandacht besteed aan zowel de biologische, de psychologische als de sociale factoren van CVS. We kozen ervoor het familiale functioneren en de premorbide overactieve levensstijl van CVS-patienten aan een nader onderzoek te onderwerpen. Het familiale functioneren van CVS-patienten is slechts beperkt onderzocht en we hopen met deze exploratieve studie een bijkomende impuls te geven aan dit boeiende onderzoeksdomein. De premorbide levensstijl van CVS-patienten heeft binnen het biopsychosociale denken al meer aandacht gekregen, maar op onderzoekswetenschappelijk gebied zijn de gegevens nog steeds schaars. Een gecontroleerd onderzoek naar zowel het gezinsfunctioneren als naar de premorbide levensstijl van CVS-patienten leek ons een interessante aanvulling van de reeds gevoerde onderzoeken.
In een eerste hoofdstuk beschrijven we kort de historiek, de diagnostische criteria en de epidemiologie van CVS. De epidemiologie van CVS wordt besproken naar predisponerende, uitlokkende en instandhoudende factoren. Er wordt zowel aandacht besteed aan de biologische als aan de psychosociale en psychopathologische factoren. We maken kort melding van de rol van familie in de epidemiologie van CVS, om te besluiten met enkele algemene behandelingsprincipes en een bespreking van de meest toegepaste therapieen.
In het tweede hoofdstuk gaan we uitgebreider in op de familiale aspecten die een rol spelen bij CVS. De biopsychosociale factor 'familie' wordt besproken aan de hand van reeds verschenen literatuur en aan de hand van reeds gevoerde onderzoeken. Zowel de invloed van het gezin op CVS als de invloed van CVS op het gezinsleven komt aan bod. We hebben ook aandacht voor de rol die familie kan spelen bij de behandeling van een CVS-patient.
In het derde hoofdstuk staan we stil bij de overactieve levensstijl en persoonlijkheid van CVS-patienten. Dit hoofdstuk is een bondige samenvatting van literatuurgegevens en onderzoeksresultaten. We staan stil bij de inhoud van de term overactiviteit, bij de prevalentie van een dergelijke levensstijl en het waarom ervan. Tenslotte stellen we ons de vraag hoe een dergelijke overactieve levensstijl bijdraagt aan CVS.
Het vijfde hoofdstuk omvat een uitgebreide beschrijving en bespreking van het uitgevoerde exploratieve onderzoek. Met dit onderzoek trachten we een antwoord te krijgen op een driedelige onderzoeksvraag. Ten eerste vragen we ons af of CVS-gezinnen en controlegezinnen verschillen in de subjectieve beleving van het gezinsfunctioneren. Ten tweede gaan we na of CVS-patienten inderdaad een grotere premorbide actiebereidheid vertonen dan zorgvuldig gematchte gezonde controlepersonen. En ten derde combineren we beide onderzoeken om na te gaan of er een invloed uitgaat van het activiteitsniveau op het gezinsfunctioneren.
Dank aan Prof. Dr. B. Van Houdenhove, aan Dr. G. Lemmens en aan Annelies Van Den Broeck. Dank aan mijn ouders voor het intensieve zoeken naar controlepersonen en aan Leentje en Tom voor het kritisch nalezen. Tenslotte dank aan allen die hun mede-werking hebben verleend aan dit onderzoek.
INHOUDSTAFEL
Inleiding
Deel I Het chronisch vermoeidheidssyndroom
HOOFDSTUK I INLEIDEND HOOFDSTUK
1. Geschiedenis van het chronisch vermoeidheidssyndroom 2. Definitie en kenmerken van het chronisch vermoeidheidssyndroom 2.1. Definitie van het chronisch vermoeidheidssyndroom 2.2. Kenmerken van het chronisch vermoeidheidssyndroom 2.2.1. Incidentie 2.2.2. Diagnostische kenmerken 2.2.3. Prognose 3. Ontstaan en instandhouding van het chronisch vermoeidheids- syndroom 3.1. Uitlokkende factoren van het chronisch vermoeidheidssyndroom 3.1.1. Biologische factoren 3.1.2. Psychosociale en psychopathologische factoren 3.1.3. Conclusie 3.2. Versterkende en instandhoudende factoren van het chronisch vermoeidheidssyndroom 3.2.1. Inactiviteitshypothese 3.2.2. Ziekteattributies 3.2.3. Depressie 3.2.4. Andere instandhoudende factoren 3.3. Predisponerende factoren van het chronisch vermoeidheidssyndroom 3.3.1. Negatieve ervaringen 3.3.2. Levensstijl en persoonlijkheid 3.3.3. Andere predisponerende factoren 3.4. Rol van de familie 4. Behandeling 4.1. Algemene principes 4.2. Farmacologische behandeling 4.3. Fysiotherapie 4.4. Psychotherapie 5. Besluit
HOOFDSTUK II FAMILIALE ASPECTEN
1. Inleiding 2. Invloed van de familie op het chronisch vermoeidheidssyndroom 2.1. Kenmerken van het gezin van oorsprong 2.1.1. Psychiatrische ziektebeelden bij de ouders en de ruimere familie 2.1.2. Het chronisch vermoeidheidssyndroom bij andere familieleden 2.1.3. Hoogpresterende gezinnen 2.1.4. Gezinsinteracties 2.2. Verloop van het chronisch vermoeidheidssyndroom 2.2.1. Gezinsinteracties 2.2.2. Partnerrelatie 3. Invloed van het chronisch vermoeidheidssyndroom op het gezinsleven 3.1. Invloed van het chronisch vermoeidheidssyndroom op de gezinsinteracties 3.2. Invloed van het chronisch vermoeidheidssyndroom op de huwelijksrelatie 4. Familie en behandeling 5. Besluit
HOOFDSTUK III LEVENSSTIJL EN PERSOONLIJKHEID
1. Inleiding 2. Inhoud van de term 2.1. Workaholisme 2.2. Perfectionisme 2.3. Type-A-gedrag 3. Prevalentie van een premorbide overactieve levensstijl 3.1. Anekdotisch gegevens 3.2. Kinderen en prestatiegerichtheid 3.3. Operationalisering 4. Waarom hebben mensen een overactieve levensstijl? 4.1. Maatschappelijke invloed 4.2. Opvoeding en familiale relatiepatronen 4.3. Copinggedrag voor angst 4.4. Psychodynamische verklaringen 5. Hoe draagt premorbide overactiviteit bij aan het chronisch vermoeid- heidssyndroom? 6. Besluit
Deel II Exploratief onderzoek naar actiebereidheid en familiale factoren
1. Probleemstelling 2. Methode van onderzoek 2.1. Deelnemers 2.1.1. recrutering 2.1.2. Demografische kenmerken 3. Materiaal 4. Concrete hypothesen
5. Resultaten 5.1. Statistische analyse 5.2. Gemiddelde scoringswaarden 5.3. Hypothese 1 5.4. Hypothese 2 5.5. Hypothese 3 5.6. Hypothese 4 5.7. Hypothese 5 6. Bespreking 6.1. Gemiddelde scoringswaarden 6.2. Hypothese 1 6.3. Hypothese 2 6.4. Hypothese 3 6.5. Hypothese 4 6.6. Hypothese 5 6.7. Beperkingen van het onderzoek 7. Besluit
Deel III Besluit
Referenties a-f
INLEIDING ---------
Het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) is tot op een heden een etiologisch onverklaarde ziekte. Sinds de ontdekking van CVS, een honderdtal jaar geleden, trachten onderzoekers een organische oorzaak te detecteren voor dit syndroom. De laatste jaren wenden steeds meer onderzoekers en artsen zich af van dit enge biomedische kader om antwoorden te zoeken in het bredere biopsychosociale denken. Binnen het biopsychosociale denken beschouwt men de klachten niet langer als het resultaat van één specifieke, lichamelijk oorzaak maar wel als het eindpunt van een multifactorieel proces. Binnen dit kader maakt men een onderscheid tussen predisponerende, uitlokkende en instandhoudende factoren, deze opsplitsing maakt een beter inzicht in en begrijpen van CVS mogelijk.
Vanuit dit biopsychosociale denken wordt er aandacht besteed aan zowel de biologische, de psychologische als de sociale factoren van CVS. We kozen ervoor het familiale functioneren en de premorbide overactieve levensstijl van CVS-patienten aan een nader onderzoek te onderwerpen. Het familiale functioneren van CVS-patienten is slechts beperkt onderzocht en we hopen met deze exploratieve studie een bijkomende impuls te geven aan dit boeiende onderzoeksdomein. De premorbide levensstijl van CVS-patienten heeft binnen het biopsychosociale denken al meer aandacht gekregen, maar op onderzoekswetenschappelijk gebied zijn de gegevens nog steeds schaars. Een gecontroleerd onderzoek naar zowel het gezinsfunctioneren als naar de premorbide levensstijl van CVS-patienten leek ons een interessante aanvulling van de reeds gevoerde onderzoeken.
In een eerste hoofdstuk beschrijven we kort de historiek, de diagnostische criteria en de epidemiologie van CVS. De epidemiologie van CVS wordt besproken naar predisponerende, uitlokkende en instandhoudende factoren. Er wordt zowel aandacht besteed aan de biologische als aan de psychosociale en psychopathologische factoren. We maken kort melding van de rol van familie in de epidemiologie van CVS, om te besluiten met enkele algemene behandelingsprincipes en een bespreking van de meest toegepaste therapieen.
In het tweede hoofdstuk gaan we uitgebreider in op de familiale aspecten die een rol spelen bij CVS. De biopsychosociale factor 'familie' wordt besproken aan de hand van reeds verschenen literatuur en aan de hand van reeds gevoerde onderzoeken. Zowel de invloed van het gezin op CVS als de invloed van CVS op het gezinsleven komt aan bod. We hebben ook aandacht voor de rol die familie kan spelen bij de behandeling van een CVS-patient.
In het derde hoofdstuk staan we stil bij de overactieve levensstijl en persoonlijkheid van CVS-patienten. Dit hoofdstuk is een bondige samenvatting van literatuurgegevens en onderzoeksresultaten. We staan stil bij de inhoud van de term overactiviteit, bij de prevalentie van een dergelijke levensstijl en het waarom ervan. Tenslotte stellen we ons de vraag hoe een dergelijke overactieve levensstijl bijdraagt aan CVS.
Het vijfde hoofdstuk omvat een uitgebreide beschrijving en bespreking van het uitgevoerde exploratieve onderzoek. Met dit onderzoek trachten we een antwoord te krijgen op een driedelige onderzoeksvraag. Ten eerste vragen we ons af of CVS-gezinnen en controlegezinnen verschillen in de subjectieve beleving van het gezinsfunctioneren. Ten tweede gaan we na of CVS-patienten inderdaad een grotere premorbide actiebereidheid vertonen dan zorgvuldig gematchte gezonde controlepersonen. En ten derde combineren we beide onderzoeken om na te gaan of er een invloed uitgaat van het activiteitsniveau op het gezinsfunctioneren.
DEEL I HET CHRONISCH VERMOEIDHEIDSSYNDROOM? ------------------------------------
HOOFDSTUK I INLEIDEND HOOFDSTUK ---------------------------------
1. Geschiedenis van het chronisch vermoeidheidssyndroom -------------------------------------------------------
Het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), bestaande uit ernstige vermoeidheid vergezeld van postinspanningsmalaise en symptomen als spierpijn, keelpijn en concentratieproblemen, werd pas in de jaren '80 omschreven als een afzonderlijk ziektebeeld. CVS is altijd een buitenbeentje geweest in het medische denken, deze ziekte pastte niet binnen de duaal opgesplitste medische wereld en is aanleiding geweest tot heel wat medische controversen en nosologische debatten. CVS, zoals hier omschreven, is geen recent verschijnsel en bestaat vermoedelijk al ruim honderd jaar (Daems, 1995; Straus, 1991).
In de eerste helft van de 19de eeuw schrijft George Beard over de toen populaire ziekte neurasthenie. Deze ziekte vertoont dezelfde symptomen als CVS en wordt volgens Beard veroorzaakt door een gebrek aan "kracht" in de zenuwen (Straus, 1991). De diagnose neurasthenie domineert verder het medische denken tot aan het einde van de 19de eeuw (Wessely, 1997) en wordt beschouwd als de prijs die de leidende klasse moet betalen voor de industrialisatie.
Beard's geschriften hebben een enorme impact op de toen nog jonge psychiatrische discipline. Verschillende psychiaters, waaronder Freud, Bleuler en Kraeplin, proberen het concept 'neurasthenie' aan te passen. Rond 1930 zakt het enthousiasme rond neurasthenie en verliest de diagnose wat van haar glans (Straus, 1991).
Hoewel de diagnose 'neurasthenie' grotendeels uit de medische belangstelling verdwijnt, blijft de ziekte wel opduiken onder andere benamingen, zoals DaCosta's syndroom (Straus, 1991). DaCosta (1871) kan gezien worden als een voorloper op meer recent werk. Hij gelooft dat het syndroom uitdrukking is van "the connection between functional derangement and organic change". Het gebrek aan evidentie voor structurele afwijkingen die aan de basis van dit syndroom zouden liggen, inspireert onderzoekers tot uitgebreide studies, vaak met tegengestelde resultaten. Hier ziet men voor het eerst de wetenschappelijke wereld op een duale manier uiteenvallen. Omdat zowel de psychische als de organische opvatting ondersteund wordt door wetenschappelijk onderzoek (Cohen, vermeld in Straus, 1991; Wood, vermeld in Straus, 1991), laait de strijd hoog op. In de jaren '40 volgt een definitieve verwerping van DaCosta's syndroom. In deze periode zoekt men vooral vanuit een eng biomedisch model naar een somatische oorzaak die mogelijk aan de basis ligt van dit chronische vermoeidheidssyndroom. Chronische brucellosis, hypoglycemia, chronische candidiasis en het Chronisch Epstein-Barr virus zijn lange tijd aangehaald als populaire etiologische factoren. Hoewel uit onderzoek blijkt dat deze hypothesen grotendeels steunen op een misinterpretatie van laboratoriumgegevens (Straus, 1991), blijven sommige onderzoekers zich vasthouden aan dergelijke biomedische factoren. Anderen keren zich hier radicaal vanaf en richten zich op een louter psychosociaal verklaringskader.
Door de jaren heen zijn er verscheidene plotse uitbarstingen of epidemieen van CVS geweest. Deze epidemieen vindt men terug onder verscheidene benamingen: post-infectieuze vermoeidheid, IJslandziekte of epidemische neuromyasthenie. Omdat in sommige van deze epidemieen neurologische symptomen domineren, wordt het syndroom ook aangeduid met Myalgische Encephalomyelitis (ME). Met deze term wordt, in de jaren '80, de aandacht voor chronische vermoeidheidsklachten terug aangewakkerd. Het organische verklaringsmodel haalt opnieuw de bovenhand; de nieuwe benaming raakt snel ingeburgerd en wordt opgenomen in de International Classification of Diseases van de Wereldgezondheidsorganisatie. In zelfhulpgroepen valt men het organische verklaringsmodel bij en spreekt men meer over ME dan over CVS. Deze organische gerichtheid binnen zelfhulpgroepen steunt gedeeltelijk op hun eis erkend te worden als 'echte' zieken en heeft verder te maken met het feit dat patienten liever een organische dan een psychische verklaring geven aan hun ziek zijn (Daems, 1995; Straus 1991).
Toch blijft een aantal onderzoekers het op infecties gebaseerde verklaringsmodel betwisten, op grond van tegenstrijdige onderzoeksgegevens (Daems, 1995).
Recente onderzoekers (Lewis, Cooper & Bennet, 1994; Sharpe, 1996; van der Meer & Elving, 1997; Van Houdenhove, Fishler & Neerinckx, 1998) gaan er nu van uit dat het syndroom noch louter organisch, noch louter psychisch is. Ze beschouwen CVS als 'een multifactorieel bepaald syndroom met wederzijdse interacties tussen lichamelijke en psychische factoren' (Daems, 1995). CVS-patienten moeten niet langer benaderd worden vanuit een eng biomedisch model, maar wel vanuit een breed biopsychosociaal kader. Dit biopsychosociale kader, met aandacht voor de predisponerende, uitlokkende en instandhoudende factoren, zal worden aangehouden in het verdere verloop van deze thesis. Ook het onderzoek ligt in de lijn van deze biopsychosociale benadering.
In het vervolg van deze thesis wordt de meer neutrale en omvattende term chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) aangehouden. Niet alleen geeft deze benaming de voornaamste klacht weer, ze staat ook los van elke etiologische hypothese.
2. Definitie en kenmerken van het chronisch vermoeidheidssyndroom. ------------------------------------------------------------------
2.1. Definitie van het chronisch vermoeidheidssyndroom. -------------------------------------------------------
De laatste tien jaar gaat men ervan uit dat de symptomen die door CVS-patienten worden vermeld, niet kunnen gekaderd worden binnen een erkende organische ziekte of binnen een depressie of angststoornis. Hierdoor wordt CVS beschouwd als medisch-oorzakelijk onverklaarbaar. Voor het begrijpen en bestuderen van CVS is het dus, net zoals bij andere ziektes met onbekende etiologie, belangrijk dat we beschikken over een goede standaard ziektedefinitie (Sharpe, 1996).
Een eerste ziektedefinitie is tot stand gekomen onder internationale consensus van onderzoekers, op een open meeting van 'The Centers for Disease Control' in april 1987 (Holmes, 1991; McCully, Sisto & Natelson, 1996). Deze ziektedefinitie (zie tabel 1) vereist dat de patient verschillende somatische symptomen en klachten vertoont in afwezigheid van een organische of psychiatrische ziekte.
Deze definitie zorgt al snel voor problemen, omdat ze moeilijk te hanteren is en veel patienten uitsluit. Ook wordt ze in praktijk vaak door de arts aangepast. Die aanpassingen worden vooral gemaakt omdat sommige criteria moeilijk te interpreteren en te gebruiken zijn en omdat de meningen verschillen rond de classificatie van CVS-patienten met een psychiatrische ziektegeschiedenis (Fukuda, Straus, Hickie, Sharpe, Dobbins & Komaroff, 1994). Holmes (1991) wijst er zelf op dat deze definitie slechts een eerste is in een reeks van steeds gevoeliger en specifieker wordende definities.
Tabel 1 Ziektedefinitie van CVS, 1988 -----------------------------
Beide hoofdcriteria en 6 symptomen plus 2 fysische tekens of beide hoofdcriteria en 8 symptomen moeten aanwezig zijn om aan de ziektedefinitie te voldoen.
Hoofdcriteria -------------
1. Begin van een hardnekkige of terugkomende, verzwakkende vermoeidheid bij een persoon die geen voorgaande geschiedenis heeft van dergelijke symptomen. .De symptomen verdwijnen niet met bedrust .De symptomen zijn ernstig genoeg om de dagelijkse activiteit gedurende ten minste 6 maanden drastisch te verminderen. 2. De vermoeidheid kan niet worden verklaard door de aanwezigheid van andere medische of psychiatrische ziektes.
Bijkomende criteria -------------------
De symptomen zijn constant aanwezig of keren terug gedurende minimum 6 maanden . lichte koorts of koude rillingen, keelpijn, pijnlijke lymfeklieren in de hals of in de oksels . veralgemeende spierslapte, spierpijn, aanhoudende algemene vermoeidheid na een 'voordien' tolereerbare activiteit (>24u.) . hoofdpijnen, migratoire arthralgie zonder zwelling of roodheid, slaapstoornissen . Neuropsychologische klachten: - Lichtgevoeligheid, Visuele scotomata van korte duur, Vergeetachtigheid, - Overdreven geirriteerdheid, Verwarring, Bemoeilijkt denken, Depressie, - Onvermogen te concentreren . Het geheel van hoofdsymptomen ontwikkelt binnen een paar uur tot een paar dagen.
De fysische tekens door een huisarts opgetekend bij ten minste twee gelegenheden, die ten minste 1 maand uit elkaar liggen. . Lichte koorts, Non-exudatieve pharyngitis, Duidelijk voelbare of gevoelige lymfeklieren
Gegevens uit: Holmes, G.P. (1991). Problems in design and analysis: Defining the chronic fatigue syndrome. Reviews of Infectious Diseases,13 (suppl. 1), S53- S55.
Omdat men meer en meer geconfronteerd wordt met de, hierboven vermelde, probleemkanten van de definitie is men beginnen werken aan een alternatieve definitie (Fukuda et al., 1994). Deze nieuwe en meer eenvoudige definitie vraagt een minder groot aantal bijkomstige symptomen om tot een CVS-diagnose te komen en sluit enkel een klein deel van gespecificeerde psychiatrische syndromen uit. Het doel van deze revisie is volgens Fukuda et al.(1994) een tegemoetkomen aan de kritieken die geformuleerd werden op de definitie uit 1988 en een vergemakkelijken van de systematische dataverzameling op internationaal niveau.
De diagnostische criteria van de in 1994 aangepaste ziektedefinitie, worden opgesomd in tabel 2.
Tabel 2 Ziektedefinitie van CVS, 1994 -----------------------------
Insluitingscriteria -------------------
. Klinisch geevalueerde, medisch onverklaarbare vermoeidheid, die reeds gedurende 6 maanden aanhoudt en die: - nieuw is (niet levenslang, aangeboren) - niet het resultaat is van een aan de gang zijnde inspanning - niet aanzienlijk verlicht wordt door rust - een substantiele reductie is van voorgaande activiteitenniveaus . Het voorkomen van 4 of meer van de volgende symptomen: - subjectief ervaren geheugenverzwakking, gevoelige lymfeklieren, - spierpijnen, postinspanningsmalaise gedurende meer dan 24 uur, - gewrichtspijnen, hoofdpijn, onverfrissende slaap, keelpijn
Uitsluitingscriteria --------------------
. Een actieve, niet genezen of vermoede ziekte . Psychotische, melancholische of bipolaire depressie (maar geen ongecompliceerde ernstige depressie) . Psychotische stoornissen . Dementie . Anorexia of bulimia nervosa . Alcohol of ander middelenmisbruik . Ernstige zwaarlijvigheid.
Gegevens uit: Sharpe, M. (1996). Chronic fatigue syndrome. The Psychiatric Clinics of North America,19, 552
Aangezien deze huidige definitie voortkomt uit de voorgaande definitie en blijft evolueren, heeft ze nog een aantal beperkingen. Ten eerste overlapt ze met andere functionele medische diagnosen, zoals: chronische pijn, fibromyalgie en het irritable bowel syndrome. Ten tweede kan aan de meeste patienten die aan de criteria voldoen een alternatieve psychiatrische diagnose worden toegeschreven, vooral de diagnosen angst en depressie komen in aanmerking. Ten derde is het twijfelachtig dat de patientengroep die deze definitie identificeert, ook homogeen is op andere gebieden dan medische onverklaarbare vermoeidheid. Ten slotte wordt meer en meer duidelijk dat deze ziektedefinitie, gebaseerd op somatische symptomen, de klinische fenomenen van CVS niet voldoende omvat. De definitie verwijst niet naar het hele gamma van psychosociale factoren zoals stemming, ziektegeloof of copinggedrag. Hoewel dit prominente klinische verschijnselen zijn bij CVS-patienten (Sharpe, 1996). Om het volledige beeld van CVS te vatten zou er gewerkt moeten worden aan een biopsychosociale ziektedefinitie, waarin niet enkel de medisch- biologische, maar ook de psychische en sociale factoren aan bod komen.
In het verdere verloop van deze thesis, wordt over CVS gesproken zoals bepaald door de ziektedefinitie van 1994.
2.2. Kenmerken van het chronisch vermoeidheidssyndroom ------------------------------------------------------
2.2.1. Incidentie -----------------
Volgens een recente studie voelt 1 derde van de mensen die een dokter opzoekt zich moe. Ruim een kwart hiervan verklaart dat die vermoeidheid al langer dan zes maanden aanhoudt. Deze mensen zijn chronische vermoeid, maar slechts een kleine minderheid lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (Daems, 1995). Vermoeidheid is een vage, onduidelijke klacht die vaak geuit wordt. Vaak hangt deze vermoeidheid samen met lichamelijke en/of geestelijke klachten. Vooral in onze huidige maatschappij liggen de aanleidingen tot vermoeidheid voor het rapen. Als de vermoeidheid niet kan worden toegeschreven aan redenen zoals een te drukke dagtaak, stress, emotionele belasting, slechte slaap..., dan moet er verder gezocht worden naar mogelijke oorzaken. Bij zeventig procent van de patienten die bij de huisarts klagen over vermoeidheid die al langer dan 6 maanden aansleept, blijkt er een organische oorzaak in het spel te zijn. Maar chronische vermoeidheid kan natuurlijk net zo goed psychisch bepaald zijn. Uit onderzoek blijkt dat vermoeidheidsklachten vaak voorkomen bij mensen met een angstneurose of een depressie. Zo gaan angstige mensen moe slapen en staan ze moe weer op. En kan vermoeidheid een depressie verbergen, maar ook depressief maken zodat oorzaak en gevolg in elkaar overgaan. Deze extreme en in sommige gevallen verregaande vermoeidheid zorgt er voor dat mensen worden afgesloten van hun sociale leven en werkmilieu, wat de nodige frustraties met zich meebrengt. Van al de patienten die met dergelijke vermoeidheidsklachten naar de huisarts stappen, is er slechts een klein aantal dat de diagnose CVS krijgt (Daems, 1995).
De diagnose kan worden gesteld bij zowel zeer jonge kinderen als bij volwassenen, maar de gemiddelde leeftijd is 35 jaar. Driekwart van de patienten zijn vrouwen en de meerderheid behoort tot de begoede middenklasse. De patienten beschouwden zichzelf, voor ze ziek werden, vaak als energieke mensen. Ze hadden honderdeneen hobbies, bezigheden, een drukke job, kinderen, ... (Komaroff & Buchwald, 1991).
2.2.2. Diagnostische kenmerken ------------------------------
Het belangrijkste en meest in het oog springende kenmerk van CVS is de voortdurende staat van totale uitputting (Daems, 1995). CVS-patienten zijn ten gevolge van deze uitputting vaak bedlegerig. Ze lijken het slachtoffer te zijn van een ernstige griep waar ze maar niet van genezen. De vermoeidheid die ze ervaren kan van dag tot dag en zelfs binnen 1 dag behoorlijk schommelen. (Daems, 1995; Holmes, 1991; Komaroff & Buchwald, 1991). Een tweede belangrijk kenmerk is dat de spieren na een inspanning veel meer tijd nodig hebben om te herstellen en terug op kracht te komen. Daarom dat CVS-patienten vaak last hebben van pijnlijke spieren en spierslapte. Deze slapte, de versterking van hun symptomen en de extreme uitputting die ze ervaren na een inspanning noemt men 'postinspanningsmalaise' (Komaroff & Buchwald, 1991). Deze postinspanningsmalaise kan twee dagen tot twee weken aanhouden.
Andere nevenverschijnselen die vaak voorkomen zijn: lichte koorts, last van licht en geluid, rillingen, opgezette klieren, fibromyalgie, gewrichtspijnen, hoofdpijn en keelpijn. Ook cognitieve problemen worden vaak vermeld, onder andere moeilijk wakker kunnen blijven, verminderd concentratievermogen en afname van de geheugencapaciteit. Verder komen depressiviteit, prikkelbaarheid en slaapstoornissen vaak voor in de klachtenlijsten van patienten. De symptomen die de vermoeidheid vergezellen kunnen niet beschouwd worden als gewone griepsymptomen. Dit blijkt uit drie aandachtspunten (Komaroff & Buchwald, 1991). Ten eerste worden ze niet occassioneel ervaren, maar zijn ze in zekere mate zo goed als heel de tijd aanwezig. Ten tweede zijn veel van deze symptomen ernstig genoeg om het normale functioneren te belemmeren. En ten derde verklaren patienten dat de symptomen geen probleem waren voor hun ziekte, dat ze pas veelvuldig naar voor zijn getreden toen ze reeds ziek waren (Komaroff & Buchwald, 1991).
2.2.3. Prognose ---------------
Prognostische gegevens over CVS zijn nog erg onduidelijk. Uit een langetermijnonderzoek dat werd gevoerd over een periode van veertig jaar (Hyde & Bergmann, vermeld in McCully et al., 1996), komt naar voor dat slechts 20% van deze patienten volledig herstellen. Wel blijkt dat vele CVS-patienten over de tijd langzaam verbeteren, maar dat de symptomen zelden volledig verdwijnen. Door een gebrek aan langetermijnonderzoeken, vergelijkbare steekproeven en de afwezigheid van een goede klinische behandeling, is het momenteel nog moeilijk uitspraken doen over de prognose van CVS (Van Houdenhove et al., 1998). Recente studies (Bomardier & Buchwald; Clark, Katon & Russo et al.; Sharpe, Hawton & Seagroatt et al., allen vermeld in Van Houdenhove et al., 1998) suggereren wel een verband tussen een slechte prognose en psychosociale factoren, zoals een sterk geloof in een somatische oorzaak, onbehandelde psychologische stress en activiteitsvermijding. De heterogene verschijningsvorm, die we terugvinden in de definitie en in de kenmerken, van CVS kan wijzen op een multiple etiologie en een verwarrende pathogenese. Dit wordt behandeld in het volgende hoofdstuk.
3. Ontstaan en instandhouding van het chronisch vermoeid-heidssyndroom. -----------------------------------------------------------------------
Omdat we CVS trachten te begrijpen vanuit het biopsychosociale model is het van groot belang een onderscheid te maken tussen de factoren die de klachten deden ontstaan en die welke de klachten instandhouden (van der Meer, 1997). Men kan drie soorten factoren onderscheiden: de voorbeschikkende, de uitlokkende en de versterkende of instandhoudende factoren. (Van Houdenhove et al., 1998). Het onderzoek met betrekking tot de voorbeschikkende en onderhoudsfactoren is nog zeer beperkt. De meeste onderzoekers richten zich op de uitlokkende factoren van CVS. Om het kader van mijn thesisonderzoek duidelijk weer te geven, bespreken we zowel de uitlokkende, de voorbeschikkende als de instandhoudende factoren.
3.1. Uitlokkende factoren van het chronisch vermoeidheidssyndroom -----------------------------------------------------------------
In het geschiedkundig overzicht hebben we het multifactoriele karakter van CVS beklemtoond. Ook hier blijven we dit multifactoriele verklaringsmodel hanteren. Op etiologisch gebied wordt de scheiding tussen een organische en een psychische opvatting over CVS heel duidelijk. Ligt het nu aan een virale infectie, immunologische problemen ... of komt CVS voort uit een depressie, stress, of spanningen? Zoals zal blijken heeft geen van beide strekkingen een sluitende verklaring kunnen leveren.
3.1.1. Biologische factoren ---------------------------
Virale infectie hypothese -------------------------
Patienten beschrijven het begin van hun ziekte vaak in termen van griepachtige symptomen, ook in het verdere verloop van CVS vertonen de symptomen veel gelijkenis met een virale infectie. De precieze relatie tussen CVS en een virale infectie is moeilijk vast te stellen. Het tijdsverband met een infectie kan op toeval berusten, de infectie kan volgen op de vermoeidheid of de virale infectie kan in de hand gewerkt zijn door voorafgaande stress of depressie. De symptomen van een infectie kunnen ook overlappen met de symptomen van een affectieve stoornis of versterkt worden door psychologische factoren (Van Houdenhove et al., 1998). Sommige studies vermelden dat tussen 66 en 90% van de patienten een verleden heeft waarin een virale infectie voorkwam. Dit ondersteunt wel de 'virale infectie hypothese' maar levert geen objectief bewijs (Schleuderberg, Straus & Peterson, vermeld in McCully et al., 1996). Daarom is men gaan zoeken naar bewijzen voor een beginnende of reeds aan de gang zijnde virale infectie: Herpes 6 virus, cytomegalie virus, enterovirussen, Epstein-Barr virus, enz.... Men heeft zich een tijd toegespitst op onderzoek naar de ontwikkeling van CVS na een Epstein Barr virus (EBV)-infectie (Sharpe, 1996). Uit een recente follow-up studie bij patienten die een EBV-infectie hebben doorgemaakt, blijkt dat de helft een vermoeidheidssyndroom ontwikkelde. Maar, slechts 9% bleef na 6 maanden klagen over chronische vermoeidheid (Van Houdenhove et al., 1998) en kwam bijgevolg in aanmerking voor de diagnose CVS. Ondanks dergelijke onderzoeksgegevens is chronische virale infectie altijd een populaire theorie geweest om het bestaan en de hardnekkigheid van CVS-symptomen te verklaren. CVS mag dan al vaak op een infectie volgen, meestal een respiratoire infectie of gastro-enteritis, tot op heden zijn er onvoldoende argumenten om te besluiten dat àlle gevallen een infectieuze of inflammatoire oorzaak zouden hebben (Daems, 1995). Men moet er m.a.w. rekening mee houden dat een virale infectie 1 van de veroorzakende factoren kan zijn, maar dat dit niet algemeen geldend is.
Immunologische hypothese ------------------------
In de immuundeficientie visie is de eigenlijke stoornis een hyperactief immuunsysteem, dat op bepaalde infecties reageert met een onaangepast vrijstellen van cytokines (mediatoren van het immuunsysteem). Dat zou de vermoeidheid, de spierpijnen en de neurologische symptomen bij CVS kunnen verklaren (Sharpe, 1996). Patienten met CVS vertonen vaak ook aspecifieke stoornissen in het functioneren van diverse organen, maar dit kan niet als oorzaak van het syndroom worden beschouwd. Ter hoogte van het centrale zenuwstelsel zijn slaapstoornissen en een verzwakte cognitieve functie de meest frequente veranderingen. Het hormonale stelsel lijkt ook maar half te werken, zoals ondermeer uit de verlaagde cortisolspiegels blijkt (Daems, 1995). Verscheidene studies wijzen ook in de richting van afwijkingen in het functioneren van de lymfeklieren. Deze functieverstoring van de lymfeklieren vindt men ook terug bij depressieve patienten (Herbert, vermeld in Sharpe, 1996). De specificiteit en de causale belangrijkheid van stoornissen in het immuunsysteem is bijgevolg nog niet duidelijk, het blijft een controversieel domein. Ook de resultaten van immunologische testen kunnen geen evidentie geven voor de zogenaamde "organische" component van CVS.
Andere hypothesen -----------------
Naast immunologische en virale hypothesen bestaan er nog heel wat andere hypothesen. In het onderzoek naar de etiopathogenese van CVS wordt een steeds grotere rol toebedeeld aan neuro-endocrinologische afwijkingen (Poteliakhoff, vermeld in Sharpe, 1996). Enige evidentie voor deze hypothese zou je kunnen vinden in de lage cortisolgehaltes en in de abnormale nierresponsen op stress en inspanningen. Men gaat ervan uit dat de neurohormonale as, die de stressresponsen medieert, bij CVS-patienten minder reactief is. Als replicatiegegevens ook in deze richting wijzen, suggereren ze niet alleen een mechanisme dat instaat voor de CVS-symptomatologie, maar dan beschikt men eveneens over een definitief biologisch onderscheid tussen CVS en depressie, waarbij de cortisolniveaus verhoogd zijn (Sharpe 1996). Men mag hierbij niet uit het oog verliezen dat deze abnormaliteiten eveneens een epifenomeen kunnen zijn van de klinische conditie (secundaire psychologische stress, slaapstoornissen of aanhoudende inactiviteit). Er is dus nog geen sluitende evidentie dat neuro-endocrinologische abnormaliteiten causa al gerelateerd zijn aan CVS (Van Houdenhove et al., 1998).
Niet-verfrissende slaap is een vaak gehoorde klacht bij mensen die lijden aan CVS (Sharpe, vermeld in Sharpe, 1996). Grote slaapstoornissen, zoals slaap-apneu en narcolepsie komen enkel bij een minderheid van patienten voor, een verstoring van de trage golfslaap wordt wel vaak vastgesteld. Hoewel een verstoorde slaap kan bijdragen tot vermoeidheid door de dag, is de specificiteit en etiologische rol ervan nog onzeker (Sharpe, 1996).
Ook afwijkingen in het cardiovasculaire en cardiorespiratoire systeem die de prestatietolerantie ondermijnen, worden vaak aangehaald door onderzoekers. Zo zou hyperventilatie een rol spelen in symptoomproductie (Rosen, vermeld in Sharpe, 1996). Na onderzoek blijkt dat enkel bij een minderheid van CVS-patienten evidentie wordt gevonden voor biochemische hyperventilatie (Saisch, vermeld in Sharpe, 1996). Onlangs werd ook posturale hypotensie vermeld als een oorzaak van vermoeidheid (Rowe, vermeld in Sharpe, 1996), terwijl deze hypotensie net zo goed een gevolg kan zijn van inactiviteit. Toch wordt lage bloeddruk reeds lange tijd geassocieerd met vermoeidheid. Tenslotte worden ook abnormaliteiten in de hartfunctie in verband gebracht met CVS (Dworkin, vermeld in Sharpe, 1996), maar deze gegevens zijn tot nog toe van onduidelijke betekenis.
Op hersengebied gebruikt men momenteel een varieteit aan technieken om zowel het functioneren als de structuur van de hersenen van CVS-patienten na te gaan. Er worden functionele abnormaliteiten (veminderde bloedtoevoer naar bepaalde hersengebieden) gevonden bij CVS-patienten maar deze of soortgelijke abnormaliteiten worden ook teruggevonden bij depressieve patienten (Ichise, vermeld in Sharpe, 1996; Schwartz, vermeld in Sharpe, 1996). Op structureel gebied wordt het materiaal nog controversieler en moeilijker te interpreteren (Sharpe 1996). Een andere hypothese, die nog in haar kinderschoenen staat, maar van essentieel belang kan zijn, is een hypothese in verband met afwijkingen in de neurotransmitters (Roth, vermeld in Sharpe, 1996). Bij vele functionele syndromen komen er veranderingen voor in serotonergische hersensystemen. Serotonine is verbonden met door inspanningen veroorzaakte vermoeidheid. In recente studies met CVS-patienten werd evidentie gevonden voor een toegenomen functioneren van serotonerge hersensystemen. Dit afwijkend functioneren verschilt van afwijkingen gevonden bij depressieve patienten, waar het serotonerge systeem net een verminderde activiteit vertoont. Rond deze hypothese moet nog verder onderzoek worden gevoerd om te kunnen spreken over de relevantie ervan (Sharpe, 1996).
De Journal of Interferon and Cytokine Research (Knack, 6 augustus 1997) publiceerde in de zomer van 1997 onderzoeksresultaten die mogelijk een antwoord bieden op het etiologievraagstuk. Uit het onderzoek kwam naar voor dat het syndroom veroorzaakt zou worden door het slecht functioneren van cruciale enzymen. Deze enzymen zijn slapend aanwezig in al onze cellen en worden door het lichaam geactiveerd om virussen aan te vallen en te vernietigen. Men vermoedt dat dit enzym kan ontsporen ten gevolge van een virale infectie, waarna het ook de eigen cellen aanvalt en de werking van het messenger-RNA verhindert. Het messenger-RNA zorgt voor de omzetting van genetische kenmerken in bruikbare eiwitten, nu de werking verhinderd wordt verloopt de recuperatie van eiwitten trager dan normaal, zelfs na een minieme inspanning.
De aandoening waaraan deze subgroep van CVS-patienten lijdt wordt RNase-L Enzyme Dysfunction Disease of REDD genoemd, naar het afwijkende enzym. De symptomen van deze subgroep van CVS-patienten kunnen worden teruggevoerd tot problemen met eiwitaanmaak. Bij deze groep van patienten is CVS hoofdzakelijk een postvirale aandoening (De Ronn, 1998). Om zekerheid te hebben over deze hypothese is een replicatieonderzoek aangewezen, zo kan voorbarig hoerageroep worden voorkomen.
Zeer recent verscheen in De Morgen (1999) een artikeltje waarin melding werd gemaakt van een nieuwe ontdekking in het CVS-onderzoek. Een groep Australische onderzoekers waaronder Richard Burnett ontdekten dat CVS-patienten een lichamelijke afwijking hebben waardoor suikers niet goed omgezet worden in energie. Wanneer deze mensen hun spieren gebruiken, worden de suikers omgezet in melkzuur en dit melkzuur vergiftigt hun lichaam. Ook hier is het wachten op een replicatieonderzoek en meer gegevens alvorens te besluiten tot een uniforme theorie, die alle problemen van alle CVS-patienten verklaart. Tot nu toe is er, ondanks de grote onderzoeksinspanningen, nog geen enkel doorslaggevend pathofysiologisch bewijs geleverd. De symptomen blijven dus grotendeels onverklaard.
3.1.2. Psychosociale en psychopathologische factoren ----------------------------------------------------
Depressie en angst ------------------
Men heeft reeds uitgebreid onderzoek verricht naar de rol van affectieve stoornissen in het ontstaan van CVS. Hieruit blijkt dat ongeveer de helft van de CVS-patienten voldoet aan de criteria voor een depressieve stoornis, zelfs als men vermoeidheid uitsluit. Ook in de voorgeschiedenis van CVS-patienten komen vaak een of meerdere depressieve episodes voor. Verder blijkt dat ongeveer een vierde van de CVS-patienten voldoet aan de criteria voor een angststoornis (Van Houdenhove et al., 1998). Nu is het niet noodzakelijk zo dat de psychiatrische stoornissen die voorkomen bij CVS-patienten een etiologische rol spelen. Psychologische stoornissen kunnen ook een reaktie zijn op lichamelijke klachten of de lichamelijke en psychische klachten van CVS-patienten kunnen berusten op een gemeenschappelijke oorzaak (b.v. een neurobiologisch substraat). Omdat er fenomenologische en farmacologische verschillen zijn tussen depressie bij CVS en de klassieke depressie is het niet gerechtvaardigd beide gelijk te stellen.
Somatisatie -----------
De term somatisatie wordt gebruikt om duidelijk te maken waarom patienten met emotionele stoornissen, naar voor treden met somatische klachten in plaats van met een neerslachtige stemming (Sharpe, 1996).
De prevalentie van somatisatiestoornis ligt bij CVS-patienten veel hoger dan in de algemene populatie. Dit is enigzins te verwachten omdat beide syndromen de aanwezigheid van multipele symptomen vragen. CVS-patienten die voldoen aan de criteria voor somatisatiestoornis, zijn het ernstigst geinvalideerd. Hun functionele klachten zijn ernstiger en meer voorkomend, ze hebben langere ziekteperiodes en zijn waarschijnlijk ook het moeilijkst te behandelen. (Van Houdenhove et al., 1998). De somatisatiehypothese is moeilijk te testen, omdat men zowel evidentie nodig heeft voor de aanwezigheid van een emotionele stoornis als voor de aanwezigheid van somatisatiefactoren. Deze somatisatiefactoren worden nu elk afzonderlijk, kort besproken (Sharpe, 1996)
Uit onderzoek blijkt dat CVS-patienten die naar een medisch specialist stappen met hun klachten, vaak een somatische ziekteattributie hanteren. Ze vinden het moeilijk psychologische en psychiatrische verklaringen van hun symptomen te aanvaarden (Surawy, vermeld in Sharpe, 1996; Wesseley, vermeld in Sharpe, 1996). Van Houdenhove et al. (1998) vermelden daarentegen dat heel wat CVS-patienten hun ziekte ook spontaan in verband brengen met psychische stress, of andere psychosociale factoren zoals emotionele traumata, depressie of angst. Hierdoor maken ze gebruik van zowel een psychische als een somatische ziekteattributie, uit onderzoek is gebleken dat deze houding veel gezonder is dan een louter somatische ziekteattributie (Bleijenberg, 1997; Ray et al., 1995).
Een ander aspect van somatisatie, dat samengaat met lichamelijke attributies, is de focus op lichamelijke symptomen. Uit onderzoek blijkt dat CVS-patienten gevoelig zijn voor lichamelijke sensaties en deze vaak versterken vanuit een eng somatische ziekteattributie (Barsky, vermeld in Sharpe, 1996; Van Houdenhove et al., 1998). Uit onderzoek van Ray (Sharpe, 1996) blijkt trouwens dat focussen op symptomen positief gecorreleerd is met vermoeidheid. Hoewel het een plausibele hypothese is (Surawy, vermeld in Sharpe, 1996), is er tot nu toe te weinig evidentie om te besluiten dat dit een belangrijk proces is bij CVS-patienten.
Een derde deelaspect van somatisatie is het copinggedrag van CVS-patienten. Als patienten hun symptomen zien als indicatoren van een organische ziekte (somatische ziekteattributie), maakt men meestal gebruik van een activiteitsvermijdende coping (Sharpe, vermeld in Sharpe, 1996). Hiertegenover staat een actieve coping, deze bestaat uit het leren leven met de vermoeidheid door het reguleren van inspanningen. Dit gebeurt op twee niveaus. Het eerste niveau bestaat uit het compenseren voor de ervaren vermoeidheid, het tweede niveau bestaat uit het controleren van activiteiten en het controleren van de eisen die gesteld worden aan je mogelijkheden (Ray, Jefferies &Weir, 1995).
Ook verscheidene persoonlijkheidskarakteristieken worden geassocieerd met somatisatie, vooral obsessieve persoonlijkheidskarakteristieken komen sterk naar voor. Uit zowel onderzoeksstudies als klinische ervaring blijkt dat veel personen met CVS neigen naar gedreven, perfectionistische of obsessief- compulsieve persoonlijkheden met een overactieve premorbide levensstijl (Van Houdenhove, Onghena, Neerinckx, & Hellin, 1995).
Somatisatie wordt ook geassocieerd met een zekere gevoeligheid voor het stigma van psychiatrische ziekte. Patienten met CVS zijn mogelijk meer gevoelig voor dit stigma dan anderen (Ware, vermeld in Sharpe 1996). Een andere, mogelijk belangrijke, sociale contextfactor is dat de media de neiging heeft om de nadruk te leggen op organische verklaringen van CVS-symptomen, ten koste van psychiatrische en psychologische verklaringen. Elders wordt gesuggereerd dat somatisatie een cultureel gedefinieerde functie heeft, als sociale communicatie-vorm (Kirmayer, vermeld in Sharpe, 1996). CVS is dan een sociaal aanvaardbare en bijgevolg niet-psychiatrische manier om uiting te geven aan ondraaglijke beroepsdruk en persoonlijke druk (Sharpe, 1996).
Men kan hieruit besluiten dat de aangehaalde psychopathologische verklaringen van CVS plausibel zijn en een zekere mate van empirische steun krijgen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat psychiatrische stoornissen in hoge mate voorkomen bij CVS-patienten. Toch blijft de status van psychologische factoren in het ontstaan van CVS ambigu (Ray, Weir, Cullen, & Phillips, 1992). Naast de reeds bekende psychologische en psychiatrische factoren kunnen ook, minder vaak vermelde, sociale factoren van belang zijn bij CVS (media, stigmatisering, directe omgeving,...). Ondanks de rol van deze psychologische en sociale factoren, mogen we ook de rol van pathofysiologische processen in de tot standkoming van symptomen niet uit het oog verliezen.
3.1.3. Conclusie ----------------
Uit onderzoek naar de etiologie van CVS, blijkt dat er evidentie te vinden is voor functiestoornissen in het autonome zenuwstelsel, voor een tekort in fysisch functioneren, voor niet-specifieke immunologische abnormaliteiten en voor virale infecties als uitlokkende en/of instandhoudende factoren. Pathofysiologische afwijkingen die tot nu toe geidentificeerd zijn, zijn niet essentieel, maar sluiten wel aanwijzingen in voor immunologisch, neurotransmittorisch en neuro-endocrinologisch disfunctioneren. In psychopathologisch onderzoek vinden we evidentie voor een associatie met depressie en angstsyndromen. Gelijkstelling van CVS en depressie is onmogelijk, aangezien beiden verschillen wat betreft de veranderingen in het neuro-endocrien en in het neurotransmitter-systeem. Ook blijkt uit onderzoek en observatie dat patienten ertoe neigen vooral gebruik te maken van een somatische ziekteattributie, wat het verdere verloop van de ziekte kan beinvloeden. Tenslotte kunnen persoonlijkheidsfactoren de kwetsbaarheid voor en het instandhouden van het syndroom in de hand werken. Het lijkt vanzelfsprekend dat we de pathofysiologische studies en de pathopsychologische studies niet als afzonderlijke en rivaliserende benaderingen van CVS moeten zien. Een gecombineerde aanpak neemt multiple etiologische factoren in beschouwing in een biopsychosociale conceptualisatie van het probleem (Sharpe, 1996 ).
3.2. Versterkende en instandhoudende factoren van het chronisch vermoeidheidssyndroom -------------------------------------------------
In de literatuur rond CVS vermeld men regelmatig drie mogelijke instandhoudingshypothesen: de inactiviteitshypothese, de rol van ziekteattributies en de invloed van depressie (Vercoulen, 1991; Van Houdenhove, 1995). Deze drie hypothesen worden achtereenvolgens besproken. Hierna worden kort andere instandhoudende factoren aangehaald die vaak vermeld worden in verband met CVS.
3.2.1. Inactiviteitshypothese -----------------------------
De inactiviteitshypothese betreft het veel voorkomende fenomeen van activiteitsvermijding (cfr. somatisatie). De patient heeft de idee dat beweging schadelijk is en koestert zich bijgevolg in de vermijding van activiteit. Dit resulteert in verminderde fysische en psychische tolerantie. De symptomen gaan voorkomen op progressief lagere niveaus van inspanning, waardoor de patient zich bevestigd voelt in de overtuiging dat de veroorzakende factoren nog steeds aanwezig zijn. Dit resulteert in een vicieuze cirkel van vermijding, vermoeidheid, hulpeloosheid en depressie (Butler, vermeld in Ray et al., 1995; Wessely, vermeld in Ray et al., 1995; Van Houdenhove et al. 1998). Vroeger werd rust voorgeschreven door de behandelende arts. Nu wordt rust enkel nog voorgeschreven in het begin, wanneer de meeste patienten nog met een acute infectie vechten. De verdere behandeling neigt nu naar een progressief opvoeren van de activiteit onder leiding van een kinesietherapeut (Daems, 1995). De doelstellingen moeten realistisch zijn en de activiteit moet stapsgewijs verhoogd worden. Agressieve oefenprogramma's of pogingen om de vermoeidheid weg te trainen zijn gedoemd om te mislukken. Ze zijn een aanleiding tot uitputtingsgevoelens en pijn, wat dan weer aanleiding geeft tot lange rustperiodes en activiteitsvermijding. Zo komt men snel in een vicieuze cirkel terecht, die nog versterkt wordt door de ervaren frustratie over verminderde fysische mogelijkheden (Van Houdenhove et al., 1998).
3.2.2. Ziekteattributies ------------------------
De somatische ziekteattributie die veel CVS-patienten hanteren, speelt niet enkel een rol in de etiologie, maar ook in de instandhouding. Zo vermeldt Bleijenberg (1997) dat de ziekteattributies die CVS-patienten maken een rol spelen bij het klachtenbeloop. Wilson (vermeld in Bleijenberg, 1997) vermeldt dat somatische attributies ongunstig zijn voor het klachtenbeloop, omdat ze leiden tot een verlaging van het activiteitenniveau. Wat op zijn beurt weer leidt tot het voortbestaan van de klachten. Een sterke somatische attributie is dus een klachtenbestendigende factor. Hiertegenover staat dat CVS-patienten die verwachten een positieve invloed te kunnen uitoefenen op hun klachten, een positief klachtenbeloop kennen (Bleijenberg, 1997). Helaas blijkt uit onderzoek van Vercoulen, Swanink, Fennis, Galama, van der Meer en Bleijenberg (1994) dat slechts 39% van de ondervraagde patienten gelooft dat ze zelf iets kunnen doen aan hun klachten, 25% weet het niet en 35% is ervan overtuigd dat ze zelf niets kunnen veranderen. Uit deze onderzoeksresultaten kan men afleiden dat de cognities die CVS-patienten hebben niet altijd gunstig zijn voor het ziekteverloop. Veel patienten gedragen zich hyperwaakzaam en overgevoelig voor allerlei somatische gewaarwordingen, dit zorgt voor een vesterking van onplezierige sensaties (Schweitzer, Robertson, Kelly & Whiting vermeld in Wessely, 1997; Ray et al., 1995). Dit leidt tot nog meer belemmering en tot functionele verzwakking.
3.2.3. Depressie ----------------
Depressie is een prominent symptoom van CVS, maar hoe de relatie tussen CVS en depressie moet begrepen worden is nog onduidelijk. Uit onderzoek blijkt wel dat depressie meer voorkomt bij CVS-patienten dan bij patienten met een chronische neuromusculaire aandoening (respectievelijk 72 en 36 procent) (Daems, 1995). Het is zelfs zo dat ongeveer de helft van de CVS-patienten voldoet aan de criteria voor een depressieve stoornis. Bovendien blijkt dat opvallend veel patienten in het verleden 1 of meer depressieve episodes hebben meegemaakt (Van Houdenhove et al., 1998). Depressie kan bijgevolg de oorzaak zijn van CVS, maar depressie kan ook het gevolg zijn van CVS of depressie kan covarieren met CVS, als ze een gemeenschappelijke oorzaak hebben (Abbey & Garfinkel, 1991). Als we rekening houden met de ernstige beperkingen en de vele frustraties die CVS-patienten ervaren in sociale en fysieke activiteiten, op het werk en in relaties, dan is het niet verwonderlijk dat psychologische symptomen van depressie zo vaak voorkomen bij CVS (Schweitzer, Kelly, Foran, Terry & Whiting, 1995). Depressieve symptomen beperken het sociale en fysieke functioneren nog meer en verhinderen het nemen van nieuwe initiatieven. Dit wordt nog extra in de hand gewerkt door het onbegrip dat deze patienten in hun familiale of professionele omgeving ontmoeten. Vanuit dit gezichtspunt kan depressie als een instandhoudende factor worden beschouwd.
3.2.4. Andere instandhoudende factoren --------------------------------------
Sharpe (1996) formuleert soortgelijke instandhoudende factoren, maar hij breidt het domein een beetje uit. Zo vermeldt hij, naast de reeds besproken factoren ook nog chronische persoonlijke, relationele, en werkgerelateerde moeilijkheden en misinformatie door de media. Hij verwacht dat al deze factoren interageren om zo de pathofysiologische processen, die zich uiten in CVS-symptomen, verder te zetten. Van Houdenhove et al. (1998) vermelden verder nog slaapstoornissen, medisch-sociale en medicolegale conflicten als onderhoudende factoren.
3.3. Predisponerende factoren van het chronisch vermoeidheidssyndroom ---------------------------------------------------------------------
De predisponerende of voorbeschikkende factoren van CVS kunnen opgesplitst worden in twee deelgebieden: negatieve ervaringen en levensstijl (Moritoen, 1997). De negatieve ervaringen kunnen leiden tot een grotere 'angstdispositie', een neiging tot zich onveilig voelen. Onder erfelijkheid en levensstijl verstaan we dat nogal wat patienten roofbouw plegen op zichzelf vooraleer ze ziek worden. Vooral in stressvolle of moeilijke perioden, waarin men een grote prestatiedruk kent, lopen ze op de toppen van hun tenen. De premorbide levensstijl van CVS-patienten wordt vaak besproken in combinatie met hun persoonlijkheid, ook hier worden beide aspecten samen vermeld.
3.3.1. Negatieve ervaringen ---------------------------
Deze -minder vaak vermelde- uitlokkende factor wordt vooral aangehaald door psychodynamisch georienteerde onderzoekers. Zij vertrekken van de propositie dat vroege objectrelaties een kind kunnen beinvloeden op fysiologisch gebied. Zo argumenteert Taylor (Taylor, vermeld in Taerk & Gnam, 1994) dat CVS-patienten zowel een psychologische als een fysiologische kwetsbaarheid vertonen vanuit problemen in hun vroege objectrelaties; v.b. onveilige gehechtheid. Door tekortkomingen (onvoldoende aanwezigheid van de moeder, negatieve gehechtheid tussen moeder en kind, vroegkinderlijke scheiding, ongewenst kind...) in de moeder-kind relatie heeft het kind de spanningsregulerende functies van de moeder niet kunnen internaliseren. CVS-patienten zouden een verhoogde ziektegevoeligheid hebben omdat ze slechts moeilijk hun innerlijk psychologisch en fysiologisch milieu kunnen regelen. Individuen met een dergelijk deficiet van het 'zelf', proberen dit te compenseren door zich erg afhankelijk op te stellen ten opzichte van geidealiseerde anderen. Ze worden pas ziek als er een verstoring van deze geidealiseerde afhankelijkheidsrelaties optreedt. Een bevestiging van deze theorie vinden de auteurs in onderzoeksresultaten van Gunnar (vermeld in Taerk & Gnam, 1994) en in onderzoeksgegevens van Coe, Lubach en Schneider (vermeld in Taerk & Gnam, 1994). Deze rapporteren dat vroege traumatische ervaringen zoals 'scheiding' van significante anderen (b.v. van de moeder), een negatieve impact hebben op respectievelijk de hypothalamo-hypofysaire- adrenocorticale as (HPA-as) en op het functioneren van het immunologisch systeem. Zowel afwijkingen van de HPA-as als van het immunologisch systeem worden gedetecteerd in CVS. Deze psychodynamische benadering zorgt voor een bijzondere invalshoek om de psychologische en fysiologische kwetsbaarheid van CVS-patienten te bekijken. Omdat het onderzoek naar deze psychodynamische verklaring nog niet ver gevorderd is, kunnen er nog geen definitieve conclusies getrokken worden (Taerk & Gnam, 1994). Mogelijke andere extreem negatieve ervaringen die aanleiding geven tot het ontwikkelen van CVS, zijn fysiek en sexueel misbruik (Van Houdenhove L., 1997). Hoewel de psychodynamische benadering en de misbruikhypothese nog niet volledig onderzocht zijn op hun betrouwbaarheid, vind ik beide benaderingen het vermelden waard.
3.3.2. Levensstijl en persoonlijkheid -------------------------------------
CVS-patienten beschrijven zichzelf in de maanden en jaren voor hun ziekte als zeer actieve mensen, zowel op lichamelijk, sociaal als professioneel gebied. Ze zijn altijd met honderden dingen tegelijk bezig, kunnen niet "nee" zeggen en zijn prestatiegericht en perfectionistisch ingesteld. Ze aanvaarden steeds nieuwe verantwoordelijkheden en zijn intens bij hun taak betrokken. Zowel klinische ervaring als systematisch onderzoek onderschrijft dit (Van Houdenhove et al., 1995, Van Houdenhove & Neerinckx, 1998.) Een dergelijke levensstijl kan verklaren waarom vele rehabilitatiepogingen mislukken: patienten willen vaak te veel, te snel doen of voelen zich gefrustreerd, wat dan weer leidt tot inconsistente activiteit (Sharpe, Chalder, Palmer & Wessely, 1997).
Van de overactieve levensstijl van een CVS-patient naar zijn gedreven persoonlijkheid is het maar een kleine stap. Literatuur rond CVS en een gestandaardiseerd onderzoek (Van Houdenhove et al., 1995) suggereren dat een aantal patienten de volgende persoonlijkheidskarakteristieken hebben: hoge interne normen, perfectionisme en een grote toewijding aan de taken die ze ondernemen. Ook bij jonge CVS-patienten vindt men deze eigenschappen terug: ze willen de eerste en de beste van de klas zijn, zijn erg gewetensvol en gedreven (Garralda, 1992).
Het is vanuit deze persoonlijkheidskarakteristieken dat de media CVS is gaan beschrijven als zijnde een 'yuppie-ziekte'. Norma Ware omschrijft CVS-patienten op de volgende manier: "They oversubscribe to social norms that dictate exhaustion as a way of life" (Wessely, 1997). Aangezien een deel van mijn thesisonderzoek de aanwezigheid van een premorbide overactieve levensstijl van CVS-patienten nagaat, worden de levensstijl en de persoonlijkheid van CVS-patienten uitgebreid besproken in Hoofdstuk III.
3.3.3. Andere predisponerende factoren --------------------------------------
In de literatuur vindt men ook nog andere factoren terug waarvan men vermoedt dat ze een rol spelen in de voorbeschiktheid tot CVS. Zo spreekt men van premorbide episodes van majeure depressie (Van Houdenhove et al, 1998), van overgevoeligheid, geringe sociabiliteit, inhibitie, introversie en emotionele instabiliteit. Deze gegevens komen voort vanuit retrospectief onderzoek en moeten bijgevolg met de nodige voorzichtigheid gehanteerd worden (Van Houdenhove, 1991).
3.4. Rol van de familie -----------------------
Met het oog op het onderzoek dat aan deze thesis verbonden is, vestigen we hier slechts kort de aandacht op de familiale aspecten die geassocieerd zijn met CVS. Deze aspecten beslaan zowel de voorbeschikkende, uitlokkende als onderhoudende factoren en worden uitgebreid besproken in het tweede hoofdstuk. Het is een ietwat "vergeten factor" die slechts sporadisch onderzocht wordt, toch is deze factor zeker het vermelden en het verder onderzoeken waard.
4. Behandeling --------------
Vele recente auteurs zijn het er over eens dat de behandeling van CVS-patienten moet gebaseerd zijn op een persoonsgerichte biopsychosociale benadering. Een dergelijke behandeling bestaat vooreerst uit een aantal algemene principes van klinische zorg. Daarnaast maakt men nog een onderscheid tussen twee meer specifieke behandelingen, nl. de farmacologische en de niet farmacologische behandeling (Sharpe et al., 1997; Van Houdenhove et al., 1998).
4.1. Algemene principes -----------------------
De algemene principes van goede klinische zorg, kunnen het best door een ondersteunende en empathische huisarts worden gecoördineerd (van der Meer, 1997). De arts moet in de eerste plaats de realiteit van het ziektegevoel en de klachten van de patient au serieux nemen, net zoals de psychische belasting en de functionele beperkingen die uit de symptomen voortkomen. Ten tweede moet de arts correcte informatie geven aan de patient en naaste betrokkenen, over de multifactoriele aard van het syndroom. Hierbij corrigeert hij eventuele foutieve opvattingen en tracht hij een visie te bieden die leidt tot positieve actie. Ten derde is het noodzakelijk een mogelijke onderliggende angststoornis of depressie te behandelen. Ten vierde moedigt hij de patient aan terug te keren tot een normaal activiteitspatroon, binnen de grenzen van het mogelijke. Ten vijfde begeleidt hij de patient bij beroepsmatige en relationele problemen en ondersteunt hij het zelfvertrouwen van de patient.
4.2. Farmacologische behandeling --------------------------------
Psychofarmaca kunnen enigszins verlichting brengen bij CVS-patienten, maar hebben vaak ook schadelijke neveneffecten. Zo zullen kalmerende middelen de prikkel-baarheid van het zenuwstelsel verminderen, doch op lange termijn werken ze verslavend. Slaapmiddelen hebben dezelfde positieve maar ook dezelfde negatieve effecten als kalmeringsmiddelen. Een bijkomend negatief effect is dat slaapmiddelen geen natuurlijke slaap teweegbrengen en het slaap-waakritme grondig kunnen verstoren op lange termijn (Van Houdenhove et al., 1998).
Antidepressiva zijn uiteraard aangewezen bij CVS-patienten die eveneens aan depressie lijden, maar ze kunnen ook verlichting brengen wanneer een depressieve stoornis afwezig is. Antidepressiva verbeteren immers de werking van het centrale zenuwstelsel, zorgen voor een betere slaap en hebben een positief effect op de draagkracht van de patient. Uit klinische ervaring blijkt dat SSRI's het best getolereerd worden, maar de klinische overeenkomsten tussen CVS en atypische depressie maken ook IMAO's en RIMA's geschikt voor de behandeling van CVS-patienten (Priest, Gimbrett & Roberts, vermeld in Van Houdenhove et al., 1995). Patienten staan vaak een beetje afkerig tegenover de inname van antidepressiva, daarom is een zorgvuldige uitleg en een grondige en langdurige follow-up aangewezen (Sharpe, 1996). Andere middelen zoals speciale dieten, voedings-suplementen, vitamines en mineralen, bepaalde olien, anti-candidamiddelen enz. hebben wetenschappelijk hun werkzaamheid nog niet kunnen aantonen en moeten daarom met de nodige voorzichtigheid worden gehanteerd (Van Houdenhove et al., 1998)
4.3. Fysiotherapie ------------------
Naast een psychofarmaceutische behandeling is een voorzichtige en progressief opgevoerde lichamelijke behandeling aan te raden. Vele CVS-patienten hebben immers een verstoorde relatie met hun lichaam, het functioneert niet langer zoals ze willen. Het is van belang dat ze op een realistische manier en stapsgewijze aan hun lichamelijke conditie blijven werken, om niet in een negatieve spiraal van activiteitsvermijding en fysieke deconditionering terecht te komen. Relaxatieoefeningen hebben een gunstig effect op spierspanning en op de overgevoeligheid van het centrale zenuwstelsel, tegelijkertijd verhogen ze het controlegevoel en het zelfvertrouwen. Ook ademhalingsoefeningen en psychomotorische therapie kunnen de spanning doen afnemen. Daarnaast is gecontroleerde fitnesstraining een must voor CVS-patienten (Van Houdenhove et al., 1998; Sharpe et al., 1998). Belangrijk is dat de patient geinformeerd wordt over een mogelijke initiele toename van de vermoeidheid en over de gevaren van activiteitsvermijding.
4.4. Psychotherapie -------------------
Ook gesprekstherapie kan een positieve invloed hebben op het klachtenverloop en de toestand van de patient. Bij CVS-patienten maakt men meestal gebruik van cognitieve gedragstherapie (CBT) en systeemtherapie. In de CBT zal men trachten de patienten aan te sporen tot een meer helpende ziektevisie en tot het ontwikkelen van efficiente copingstrategieen, verder zal men hen helpen meer vat te krijgen op de problemen waarmee ze geconfronteerd worden. Uit gecontroleerd onderzoek blijkt dat CBT een significante vermindering van vermoeidheidsklachten en functionele beperking tot gevolg heeft. Bovendien nam deze verbetering tijdens de follow-up periode nog steeds toe (Deale, Chalder, Marks & Wessely, 1997; Sharpe et al., 1996). In de systeemtherapeutische sessies werkt men met de partner, de omgeving, het gezin waarin de patient leeft. Door samen aan het probleem te werken kan de verstandhouding binnen het gezin verbeteren en heeft ook de individuele behandeling van de patient meer kans op slagen (Van Houdenhove et al., 1998).
5. Besluit ----------
Sinds de eerste geschriften over CVS, zo'n honderdtal jaar geleden, is CVS het onderwerp van controverse. CVS is immers een ziekte die niet geplaatst kan worden binnen een eng biomedisch kader, waarbinnen een ziekte ofwel psychisch ofwel organisch is. Noch louter psychologische noch louter fysiologische verklaringen kunnen de complexiteit van dit syndroom vatten. Daarom opteren steeds meer wetenschappers voor een multifactoriele biopsychosociale benadering van CVS. Binnen dit multifactoriele denken zijn de psychische en fysische aspecten van een ziekte niet langer mutueel exclusief, maar onderling afhankelijk (Lewis, 1996).
CVS-onderzoekers trachten momenteel hun bevindingen op psychologisch, fysiologisch en sociaal vlak samen te brengen in plaats van elkaars bevindingen te beconcurreren. Zo hopen ze een beeld te creeren van de multipele etiologische mechanismen van CVS.
De causale factoren die een rol spelen bij CVS kunnen worden opgesplitst in drie deelgebieden, de predisponerende, de uitlokkende en de instandhoudende factoren. De predisponerende factoren kunnen zijn: premorbide majeure depressieve episodes, premorbide angststoornissen, persoonlijkheidsfactoren zoals excessieve prestatiegerichtheid, perfectionisme en een overactieve levensstijl.
Onder uitlokkende factoren kan men virale infecties plaatsen, maar ook stresserende levensgebeurtenissen en lichamelijke of psychische overbelasting.
Onder de onderhoudende factoren verstaan we: comorbide emotionele stoornissen, somatische ziekte-attributies, medisch-sociale en medicolegale conflicten, activiteitsvermijding als copinggedrag, slaapstoornissen, chronische persoonlijke, relationele of werkgerelateerde moeilijkheden en foutieve media-informatie over CVS (Van Houdenhove et al., 1998).
Deze veelheid aan factoren staat in voortdurende interactie met elkaar waardoor de symptomen en klachten in stand gehouden worden. Omdat het ontstaan en de instandhouding van de CVS-symptomatologie sterk individueel bepaald is, is het van belang naast de reguliere behandeling aandacht te besteden aan een goede persoonlijke begeleiding.
Een aspect dat de drie causale deelgebieden (voorbeschikkend, uitlokkend en onderhouden) behelst is het familiale functioneren, dit wordt besproken in het volgende hoofdstuk. Samen met de prestatiegerichte persoonlijkheid en de overactieve levensstijl (deze worden besproken in hoofdstuk III) vormt het familiale functioneren de focus van deze thesis. Het uitgevoerde onderzoek is gegroeid uit deze focus en past volkomen in de biopsychosociale visie op CVS. Dit exploratieve onderzoek wil de premorbide overactieve levensstijl van CVS-patienten en het familiale functioneren van CVS-koppels toetsen aan een gematchte controlegroep.
HOOFDSTUK II FAMILIALE ASPECTEN ---------------------------------
1. Inleiding ------------
In het kader van mijn thesisonderzoek wordt er dieper ingegaan op de familiale aspecten die reeds in verband worden gebracht met CVS. Met dit overzicht wordt getracht een zicht te krijgen op de familiale aspecten die een rol kunnen spelen in het ontstaan en in de instandhouding van CVS. Daarnaast wordt ook een beeld geschetst van de reeds bestudeerde invloeden van CVS op het familiale functioneren en op de huwelijksrelatie.
2. Invloed van de familie op het chronisch vermoeidheidssyndroom. -----------------------------------------------------------------
2.1. Kenmerken van het gezin van oorsprong ------------------------------------------
2.1.1. Psychiatrische ziektebeelden bij de ouders en de ruimere familie -----------------------------------------------------------------------
Uit een studie van Grafman, Johnson en Scheffers (1991) blijkt dat men bij het zorgvuldig onderzoeken van CVS-patienten stuit op verhoogd voorkomen van een aantal pre- of comorbide psychiatrische ziektebeelden, vooral depressie. Ook Sharpe et al. (1997) wijzen erop dat een familiegeschiedenis van depressie een indicatie kan zijn voor een genetische kwetsbaarheid en een voorgevormde attitude ten opzichte van psychisch ziek zijn, die eveneens het denken over CVS beinvloedt.
Een andere risicofactor voor het ontwikkelen van CVS, is een familiegeschiedenis van alcoholmisbruik. Swanson, Moore en Nobrega (vermeld in Grafman et al., 1991) onderzochten 100 patienten met vermoeidheidsklachten, soms gingen deze vermoeidheidsklachten gepaard met geassocieerde psychiatrische stoornissen. De ouders van dergelijke patienten vertoonden een beduidend hogere incidentie van alcoholmisbruik dan de ouders van de controlegroep. In een tweede studie die eveneens door Swanson et al. (vermeld in Grafman et al., 1991) werd uitgevoerd, maar dit keer op 55 patienten met chronische vermoeidheid als hoofdklacht, werd ook een hogere incidentie van alcoholmisbruik gevonden in de familiegeschiedenis. Grafman et al. (1991) besluiten hieruit dat alcoholmisbruik een risicofactor kan zijn voor het ontwikkelen van CVS.
Ook Vereker (1992) en Garralda (1992) vestigen de aandacht op een verhoogd risico op CVS, wanneer er fysische of psychiatrische problemen voorkomen bij andere familieleden. Zo voerde Garralda (1992) een exploratieve studie uit bij twee jonge meisjes met CVS, die beiden uit harmonieuze en sterk samenhangende gezinnen kwamen. Bij een zorgvuldiger onderzoek van de familiale gegevens, bleek dat er in de brede familiegeschiedenis van beide meisjes ernstige, psychische en fysische handicaperende ziekten voorkwamen. En niet alleen in de brede familie, ook de moeders van de meisjes presenteerden met functionele somatische klachten (Garralda, 1992).
2.1.2. Het chronisch vermoeidheidssyndroom bij andere familieleden ------------------------------------------------------------------
Bell, Cookfair, Bell, Reese en Cooper (1991) hebben de risicofactoren onderzocht die geassocieerd zijn met CVS in een populatie van kinderen tussen de 6 en 17 jaar. Een bevraagde risicofactor betrof het voorkomen van CVS-symptomen bij andere familieleden. Uit analyse van de resulaten bleek dat de incidentie van CVS-klachten verhoogt, wanneer andere familieleden symptomatisch zijn. Ter verklaring van dit toegenomen risico op CVS halen ze verschillende hypothesen aan: dit kan wijzen op een persoon-tot-persoon transmissie van een besmettelijke factor, op de aanwezigheid van genetische factoren of op een nog niet nader gespecificeerde omgevingsfactor. Hierbij vermelden ze dat al deze hypothesen nog verder onderzoek vereisen (Bell et al., 1991). In verband met het voorkomen van CVS bij zowel ouders als kinderen waarschuwt Dr. Jones voor het 'vulnerable child syndrome', dit is een situatie waarin een kind met een familiale ziektegeschiedenis leert dat ziektegedrag een manier van leven is (Lang, 1997).
2.1.3. Hoogpresterende gezinnen -------------------------------
Uit anekdotisch materiaal (Vereker, 1992) blijkt dat kinderen met CVS vaak uit hoog presterende families komen. Vooral intacte families waar de ouders een succesvolle, hoog professionele of bestuurlijke functie hebben, verhogen het risico dat een van hun kinderen een ernstige of langdurende ziekte ontwikkelt. Men kan veronderstellen dat deze families sterk investeren in hun kinderen en dat zowel de ouders als de kinderen voortdurend de druk tot presteren ervaren. In dergelijke gezinnen is het vaak moeilijk om bij ziekte een energie- of prestatievermindering te aanvaarden.
2.1.4. Gezinsinteracties ------------------------
Garralda (1992) voerde een exploratief ondezoek uit bij een zeer beperkte proefgroep. De twee onderzochte CVS-patienten (meisjes van 12 en 13 jaar oud) komen uit harmonieuze en sterk samenhangende gezinnen, waar men een grote bezorgdheid toont voor elkaars welzijn. Beide families leggen de nadruk op het vermijden van ongemak en zijn trots op de intellectuele prestaties van hun kinderen. Verder vertonen de families van beide meisjes beperkingen in het uitdrukken van hun gevoelens. De families kennen een lage conflicttolerantie en een gebrek aan conflictoplossing. De prestatiegerichte persoonlijkheid van beide meisjes en hun gevoeligheid voor stress gekoppeld aan een inefficiente communicatiestijl over emotionele onderwerpen, maakt het moeilijk om hun angsten te overwinnen. Wanneer de familie vijandig staat ten opzichte van psychologische verklaringen, wordt het voor kinderen helemaal moeilijk om familiale steun te krijgen in de psychologische uitdrukking van conflicten, angsten of spanning. Garralda (1992) maakt hier de veronderstelling dat de meisjes reageren met lichamelijke klachten, nl. CVS, bij gebrek aan psychologische uitdrukkingsmogelijkheden.
Ook Vereker (1992) vermeldt dat families met kinderen die lijden aan CVS mogelijk moeilijk over gevoelens praten. Dit zorgt vooral rond de adolescentie voor problemen, deze periode wordt voor de adolescent zelf immers sterk gekleurd door zijn gevoelens en belevingen. Wanneer ouders deze signalen niet begrijpen of niet willen horen en enkel zien dat ze hun kind "verliezen", kunnen er problemen ontstaan rond de groeiende onafhankelijkheid van hun kind (Vereker, 1992; Garralda, 1992). Een onafhankelijkheid die bij kinderen en adolescenten met CVS al op de helling staat door de afhankelijke positie waarin de ziekte hen brengt.
2.2. Verloop van het chronisch vermoeidheidssyndroom ----------------------------------------------------
2.2.1. Gezinsinteracties ------------------------
De familie of het gezin waarin de CVS-patient woont of opgroeit heeft ook een invloed op het verdere verloop van de ziekte. Deze gezinsinteracties zijn vooral bestudeerd en onderzocht bij kinderen en adolescenten.
Bij kinderen of jongeren (10-19 jaar) met CVS spelen de ouders een zeer belangrijke rol in het ziekteproces. De reacties en attributies die de ouders formuleren ten opzichte van de ziekte van hun kind, bepalen vaak hoe er met de ziekte zelf wordt omgegaan (De Jong, Prins, Fiselier, Weemaes, Meijer-Van Den Bergh & Bleijenberg, 1997). Ouders spelen volgens De Jong et al. (1997) op meerdere manieren een rol in de instandhouding van de CVS van hun kinderen.
Ten eerste spreken we van de rol van attributies. Wanneer ouders ervan overtuigd zijn dat een lichamelijke oorzaak aan de basis ligt van de klachten die hun kind vertoont, zullen zij zelfs normale lichamelijke percepties beschouwen als ziektetekens (De Jong et al., 1997; Vereker, 1992).
Ten tweede is er de rol van de ouders zelf. Wanneer ouders bij zichzelf elke lichamelijke gewaarwording beschouwen als een symptoom van ziekte, hebben ze de neiging dit ook bij hun kinderen te doen. Ouders zijn meestal de eerste hulpverlener en ze bekrachtigen vaak ongewild het ziektegedrag en de hulpeloosheid van hun kind, waardoor CVS instandgehouden wordt. Dit leidt uiteindelijk tot een dusdanige afstemming tussen ouders en hun zieke kinderen, dat beiden nog moeilijk zelfstandig kunnen leven of functioneren. Deze speciale band kan versterkt worden door het onbegrip waarmee de ouders en het zieke kind geconfronteerd worden (De Jong et al, 1997; Vereker, 1992).
Ten derde speelt ook lichamelijke activiteit een rol. De patient en vooral zijn ouders kunnen de indruk hebben, dat ze niets aan de klachten kunnen veranderen. De patient wordt meer en meer ontzien en rust wordt de aanbevolen behandeling. Het kind zakt steeds verder weg in inactiviteit en belandt in een negatieve spiraal van activiteitsvermijding (De Jong et al., 1997; Vereker, 1992).
Ten vierde vermeldt De Jong et al. (1997) de rol van de arts. Wanneer de ouders geloven in een lichamelijke oorzaak van CVS en steeds nieuwe onderzoeken aanvragen, leidt dit vaak tot instandhouding van de klachten. Naarmate de arts meer medische onderzoek verricht en er meer doorverwijzingen worden gedaan, worden de ouders en de patient bevestigd in hun vermoeden dat er echt 'iets' is.
Wanneer een adolescent met CVS niet voor 80-100% herstelt in de eerstvolgende jaren van de ziekte, raadt Dr. Jones (Lang, 1997) de ouders en de arts aan op zoek te gaan naar factoren die de ziekte in stand kunnen houden. Hij vertrekt van de mogelijkheid dat er andere processen aan het werk zijn in de familie, die de ziekte van het kind in stand houden. Van de zes factoren die hij vermeldt zijn er twee expliciet op de familie van toepassing, enkel deze twee worden hier besproken.
Wanneer 1 of beide ouders aan een chronische ziekte lijden, vooral CVS, dan bestaat de mogelijkheid dat het kind het gedrag van de ouder nabootst. Omgekeerd is het ook mogelijk dat de ouder zijn ziektegedrag overdraagt op het kind.
Een tweede familiale factor die het ziektegedrag van het kind in stand kan houden betreft ouderlijke onenigheid binnen het gezin. Het kind kan ervaren dat de ouders minder ruzie maken wanneer het ziek is. Bijgevolg kan het kind zijn ziektegedrag in stand houden om de huiselijke vrede te bewaren. Door ziek te zijn treedt het kind op als een afleidende buffer tussen beide ouders (Lang, 1997; Vereker, 1992). Strickland (vermeld in Jordan, Landis, Downey, Osterman, Thurm, Jason, 1998) vermeldt dat kinderen CVS-symptomen kunnen gebruiken voor primaire of secundaire ziektewinst, om om te gaan met veranderingen of aspecten in hun ontwikkeling, maar ook om het hoofd te bieden aan familiale problemen.
2.2.2. partnerrelatie ---------------------
Het onderzoek dat verricht is naar familiale instandhoudingsmechanismen bij volwassen CVS-patienten, is hoofdzakelijk toegespitst op de partnerrelatie. Sharpe et al. (1997) beschouwen een slechte huwelijksrelatie als een van de vele sociale stressoren die CVS kunnen instandhouden. Paradoxaal genoeg blijkt uit een onderzoek van Schmaling en diClementi (vermeld in Sharpe et al., 1997) dat vermoeidheid toeneemt naarmate het huwelijk meer bevrediging biedt. Een soortgelijke bevinding werd gedaan door Goodwin (1997). Uit haar onderzoek blijkt dat de symptomen van de onderzochte vrouwelijke patienten het sterkst worden beinvloed door het huwelijksgeluk dat hun man ervaart, door het huwelijksgeluk dat ze zelf ervaren en door hun perceptie van het ondersteunende gedrag van hun man. Het ondersteunende gedrag van de man heeft echter een invloed in een onverwachte richting, naarmate de man meer steun biedt, worden de problematische symptomen erger. (Goodwin, 1997).
Sharpe et al. (1997) gaan er vanuit dat het verband tussen beide factoren (vermoeidheid en een bevredigend huwelijk) toe te schrijven is aan overbeschermend en overbezorgd gedrag van de partner naar de patient toe. We kunnen hier veronderstellen dat de aandacht die de patient ontvangt de ziekte in stand houdt. Aangezien de partner een grote rol speelt in het ziektegedrag van de patient, is het voor het welzijn van de patient van belang de partner ook in de behandeling te betrekken (Sharpe et al., 1997).
3. Invloed van het chronisch vermoeidheidssyndroom op het gezinsleven ---------------------------------------------------------------------
3.1. Invloed van het chronisch vermoeidheidssyndroom op gezins-interacties --------------------------------------------------------------------------
Een langdurige ziekte is niet alleen een fysieke beperking en een psychologische belasting voor de patient, ook de familie moet leren omgaan met deze nieuwe component en met de impact ervan op het gezinsleven. Een chronische ziekte verandert vaak de traditionele familiale rollen binnen en gezin en kan heel wat spanningen veroorzaken.
Wanneer ouders geconfronteerd worden met een ernstig en langdurig ziek kind, passen ze hun levensstijl aan aan het verzorgen en bijstaan van dit kind (Turk, Flor & Rudy, 1987). Vanderzalm (1997), moeder van een adolescente met CVS schrijft in The CFIDS Chronicle over deze moeilijke periode en de verandering in haar ouderschap. Ze is zich er bewust van dat adolescentie een tijd is van groeiende onafhankelijkheid, maar dat CVS hun dochter verhindert om dit proces op een normale wijze te doorlopen. Daarom ijvert ze voor Hands-on/Hands-off ouderschap. Je moet je kind kunnen opvangen, omhelzen, steunen wanneer dit nodig is, maar ook kunnen en willen loslaten wanneer hij of zij een betere periode doormaakt. Daarnaast acht ze het van belang dat contacten met leeftijdsgenoten en andere volwassenen worden aangemoedigd. Een adolescent komt immers maar tot onafhankelijkheid en het testen van eigen ideeen en vaardigheden in de wereld van leeftijdsgenoten en in contacten met andere volwassenen (Vanderzalm, 1997).
Uit onderzoek blijkt dat niet alle ouders op deze manier met hun zieke kind omgaan, waardoor er problematieken van overbescherming en wederzijdse afhankelijkheid ontstaan. Getuige hiervan een onderzoek van Pelcovitz, Septimus, Friedman, Krilov, Mandel en Kraplan. (1995). Zij onderzochten 10 meisjesadolescenten met CVS, 10 gezonde meisjesadolescenten en 10 meisjesadolescenten die herstellende waren van kanker. In het eerste deel van het onderzoek werden gedragsproblemen tussen de drie groepen meisjes vergeleken, in een tweede deel werd het familiale functioneren (de familiale interacties) nagegaan. De onderzoekshypothesen luidden als volgt: hogere niveaus van depressie, angst en somatische klachten in de CVS-groep en hogere niveaus van verstrikking, rigiditeit en overbescherming in CVS-families. De resultaten van het eerste deel van het onderzoek toonden dat de CVS-groep hogere scores haalde op het internaliseren van problemen, dit resulteert in angstig en geinhibeerd en overdreven controlerend gedrag. De CVS-groep duidde ook meer items aan die indicatief zijn voor depressie en somatische klachten. Wat het tweede deel van het onderzoek betreft, werden er tussen de drie groepen meisjes geen significante verschillen gevonden op familiaal gebied. De hypothese, dat CVS-families zichzelf als dysfunctioneel zouden omschrijven, kon niet worden aangehouden. De resultaten rond het overbeschermend optreden door de ouders lagen wel in de richting van de hypothese. De CVS-groep en de kankergroep scoorden meer dan dubbel zo hoog dan de controlegroep op de schaal die het beschermend gedrag van de vader meet. Dit suggereert dat chronische ziektes geassocieerd zijn met hoge niveaus van ouderlijke protectie (Pelcovitz et al., 1995). De CVS- en kankeradolescenten staan als het ware aan het begin van de separatie van hun ouders en aan het begin van hun verdere individuatie, maar worden door hun ziekte in een overbeschermende relatie getrokken met hun vader (deze gegevens kwamen naar voor uit de afname van Parental Bonding Instrument).
In een onderzoek van Schweitzer et al. (1995) wordt er gepeild naar de reacties van familieleden van volwassen CVS-patienten, dit onderzoek is 1 van de weinigen in zijn soort. Opvallend is dat 43% van de CVS-subjecten de eerste reactie van hun familieleden als 'niet-aanvaardend' omschrijft. De relationele contacten waren geforceerd en de familieleden toonden zich niet bereid steun en hulp te bieden. Vaak hadden familieleden het er moeilijk mee om de ziekte te aanvaarden als een echte ziekte. Gelukkig meldt de meerderheid (65%) van de CVS-subjecten een omkering van deze onwillige houding tot een begrijpende, ondersteunende en bezorgde houding. Door de ziekte lijkt de afstand tussen het subject en de familie kleiner te worden, de familie groeit naar elkaar toe. De subjecten rapporteren een verbeterde communicatie en een warmere atmosfeer in relaties met familieleden. In 48% van de gevallen beschrijven de subjecten ook hoe de familieleden meer verantwoordelijkheid opnemen voor de taken die normaal door de patient worden gedaan. Ook nemen de familieleden de verzorging op wanneer de patient zich ziek voelt. De geboden ondersteuning en de herverdeling van de rollen werd in 22% van de gevallen te niet gedaan door een boze, lichtgeraakte en gefrustreerde houding van de patient naar de familieleden toe. 30% Van de patienten rapporteerden minder energie te hebben om te besteden aan familiale activiteiten, vooral activiteiten met de kinderen worden vaak verwaarloosd. Een patient verklaart hierover: "I'm not myself, don't want to play with them, lose patience easily 'and' don't want to help them with their homework" (Schweitzer et al, 1995).
3.2. Invloed van het chronisch vermoeidheidssyndroom op de huwelijksrelatie ---------------------------------------------------------------------------
CVS is een chronische ziekte met brede biopsychosociale implicaties, die van de patient zelf en van diens partner en familie een grote aanpassing, soms zelfs een verandering van levensstijl, vraagt. Goodwin (1997) onderzocht het verband tussen de gezondheid van de vrouwelijke CVS-patient en haar huwelijksrelatie. Het uitgangspunt voor deze studie is de ' Familiale Systeemtheorie', de basisassumptie van deze theorie is dat datgene wat een familielid beinvloedt, ook de familie beinvloedt en omgekeerd.
Men kan er dus vanuit gaan dat het huwelijk als subsysteem voortdurend wordt gemodificeerd door reciproke feedback van allerlei aard. Wanneer de vrouw CVS-patient wordt, is dit nieuwe informatie die om aanpassing van het huwelijkssysteem vraagt. Het aangepaste huwelijkssysteem beinvloedt op zijn beurt de gezondheid van de vrouw. Deze verandering in de gezondheid van de vrouw wordt weer nieuwe info voor het huwelijksysteem enzovoort (Goodwin, 1997).
In het onderzoek van Goodwin (1997) worden 131 vrouwelijke CVS-patienten en hun partner ondervraagd over hun huwelijksrelatie. Voor het onderzoeken van de huwelijksrelatie maakt men gebruik van vier schalen: de mate van ervaren empathie, conflict, steun en geluk binnen de relatie.
In deze onderzoekspopulatie ervaren de vrouw-patient en diens partner de huwelijksrelatie op erg gelijkende wijze. Het huwelijksgeluk van deze steekproef ligt boven de ondergrens, maar bevindt zich onder de gemiddelde huwelijksgelukscore. Waarschijnlijk kan dit resultaat worden toegeschreven aan de beperkende invloed die CVS heeft op de seksuele relatie en op het ondernemen van gezamelijke activiteiten.
Uit het onderzoek blijkt dat het aantal symptomen dat de patient percipieert, een inverse invloed heeft op het ervaren huwelijksgeluk. Dus hoe minder symptomen de patient ervaart, hoe groter het ervaren huwelijksgeluk en omgekeerd. Anderzijds geldt ook dat de vrouw-patient minder symptomen zal vertonen als ze zich gelukkig voelt in haar relatie, en meer symptomen als ze zich ongelukkig voelt (Goodwin, 1997).
De vrouw-patient percipieert meer huwelijksconflict naarmate ze meer problematische symptomen ervaart. Verder blijkt dat de mannen die zichzelf als empathisch omschrijven over het algemeen vrouwen hadden die minder klachten rapporteerden (Goodwin, 1997).
Uit dit onderzoek komt naar voor dat ook de huwelijksduur een invloed heeft op het aantal symptomen. Hoe langer het huwelijk reeds standhoudt hoe minder problematisch de symptomen. Dit kan worden toegeschreven aan het gegeven dat de grote aanpassing die CVS vraagt, makkelijker doorstaan wordt naarmate de relatie meer stevigheid heeft. Hieruit volgt dat CVS minder invloed zal hebben op een relatie die reeds lang standhoudt, dan op een huwelijk dat zich nog in de beginjaren bevindt (Goodwin, 1997).
Deze studie biedt een veelheid aan gegevens die verder onderzoek vragen van dit domein. In dit onderzoek zijn enkel paren betrokken waarbij de partner een grote bereidheid toonde tot medewerking. Naar alle waarschijnlijkheid bekomt men andere resultaten wanneer er partners betrokken worden in het onderzoek die slechts met tegenzin hun medewerking verlenen (Goodwin, 1997).
4. Familie en behandeling -------------------------
Uit het voorgaande blijkt dat ouders en familie een belangrijke rol kunnen spelen in het ontstaan en het instandhouden van CVS.
Wanneer men kinderen behandelt kan men de ouders er niet buitenlaten, omdat ze met hun gedrag vaak het ziektegedrag van hun kind bekrachtigen. Het is dus aangewezen de ouders in de behandeling te betrekken en hen te leren het gezonde gedrag van hun kind te bekrachtigen (De Jong et al., 1997). Wanneer ouders geinformeerd zijn en actief meewerken aan de behandeling van hun kind, is de vooruitgang in het genezingsproces veel duidelijker en groter dan wanneer de ouders zich afzetten tegen de behandeling (Vereker, 1992). Daarom is het prioritair, in de behandeling van een jonge CVS-patient, dat de arts de ouders en het kind op een aangename en duidelijke manier grondig informeert en motiveert. Het is van belang dat je als behandelend geneesheer of therapeut het vertrouwen van de ouders wint en dat je van een louter fysische visie beweegt naar een biopsychosociaal begrijpen van de ziekte. Via een interviewgesprek met de hele familie kunnen de therapeuten hun begrip voor de situatie meedelen en de familie uitnodigen tot een discussie over het gevolgde biopsychosociale model (Lask, 1986).
Naast het werken op begrip en biopsychosociaal denken, worden de familiale communicatiepatronen bestudeerd en emotionele onderwerpen besproken (Garralda, 1992). Zo kan men een gezin motiveren tot het inlassen van een zorgenuurtje, waarin het kind alles bespreekt wat het dwarszit. Aan de ouders wordt gevraagd de ziekte van hun kind eveneens ter sprake te brengen op school, zodat leerkrachten en medeleerlingen op de hoogte zijn en de nodige hulp kunnen verlenen (Lask, 1986).
De ouders worden best ook betrokken bij het opvoeren van de lichamelijke activiteit. Ze kunnen bijdragen tot een verminderen van de lichamelijke attributies en het verminderen van de aandacht voor lichamelijke klachten (De Jong et al., 1997). Aangezien familiale prestatiegerichtheid een rol kan spelen in het ontwikkelen en instandhouden van CVS, is het van belang de ouderlijke houding na te gaan met betrekking tot succes en falen. Vaak heeft minstens 1 ouder hoge zelfverwachtingen en een begrijpelijke trots over de prestaties van hun kind. Het is dan van belang aan de ouders en het kind duidelijk te maken dat imperfectie accepteerbaar is, dat nu en dan een mislukking geen kwaad kan (Lask, 1986).
Bij volwassen CVS-patienten is het eveneens van belang dat de familie goed wordt ingelicht over het biopsychosociale denken en CVS en actief wordt betrokken bij de behandeling. Men moet aandacht hebben voor de wijze van omgaan met elkaar en voor familiale bekrachtigingspatronen die het ziektegedrag versterken en chronificeren.
Sociale isolatie en het verlies van waardevolle rollen zijn twee factoren die een grote impact hebben op het verloop van CVS bij volwassenen. Sociale ondersteuning is een belangrijke mediator in het omgaan met de ziektesymptomen en draagt bij tot een positief resultaat (Saltzstein, Wyshak, Hubbuch & Perry, 1998). Omdat de familie meestal de eerste sociale opvang biedt, is het van belang de familie te begeleiden in het ondersteunen van de patient. Een ander fenomeen waarmee een patient wordt geconfronteerd is het verlies van de verschillende rollen die hij opnam binnen het gezin: de rol van huisvrouw, chauffeur voor de kinderen, vader, echtgenote, tuinier,... Een groot deel van deze taken moet herverdeeld worden over het gezin. Daarom is het van belang zowel de patient als de familie te begeleiden in rolflexibiliteit. Rolflexibiliteit versterkt het gevoel van familiaal functioneren en men krijgt een gevoel van controle over de uitdagingen die de ziekte stelt (Schweitzer, Kelly, Foran, Terry & Whiting, 1995).
5. Besluit ----------
Het wetenschappelijk onderzoek naar CVS en familie is nog erg beperkt, toch zijn er reeds enkele indicaties voor de invloed die de familie heeft op het ontwikkelen van CVS. Wanneer in de familie een geschiedenis bestaat van psychiatrische ziekten, alcoholisme, CVS of andere functiebeperkende ziekten, verhoogt het risico op CVS. Gezinnen van kinderen met CVS, zijn vaak hoogpresterende gezinnen met een inefficiente communicatiestijl over emotionele thema's. Mogelijks versterken deze familiale kenmerken eveneens het risico op CVS.
De familie van een CVS-patient kan niet alleen een rol spelen in het ontstaan, maar ook in het verloop van CVS. Vooral bij kinderen is de invloed van de ouders groot. Hoe de ouders met de ziekte omgaan kan een belangrijke instandhoudende factor zijn voor het ziektegedrag van het kind. Anderzijds kan een kinderziekte uitgroeien tot CVS omdat een kind het gedrag van een CVS-ouder kopieert of ziekte gaat zien als een manier van leven. Bij volwassen CVS-patienten blijkt vooral een slechte huwelijksrelatie een sterke instandhoudende factor te zijn. Paradoxaal genoeg is een te grote bezorgdheid van de partner ook niet gewenst, omdat dit de vermoeidheid van de patient doet toenemen.
Chronische ziekten, waaronder CVS, hebben een sterke impact op het familiale functioneren en vragen van de familieleden een grote aanpassing. De eerste reacties van familieleden zijn vaak weinig begripvol. Meestal verandert dit na een tijdje in een beprijpende, ondersteunende en bezorgde houding en wordt de familieband hechter. Het gevaar hierbij is dat men van een beschermende en bezorgde relatie in een patroon van overbescherming, overbezorgdheid en wederzijdse afhankelijkheid terecht komt. Een proces dat noch de patient, noch diens familie ten goede komt.
CVS heeft een ook expliciete invloed op de huwelijksrelatie en omgekeerd. Patienten en hun partners koppelen hun huwelijksgeluk en het voorkomen van conflicten aan het aantal problematische CVS-symptomen. Hoewel de impact van een ziekte zoals CVS altijd groot is, wordt de aanpassing makkelijker doorstaan naarmate de relatie meer stevigheid heeft en van langere duur is.
Aangezien familie op vele manieren invloed uitoefent op het ontstaan en verloop van CVS en op verschillende manieren beinvloed wordt door CVS, is het uitermate belangrijk de familie op een actieve manier te betrekken bij de behandeling.
HOOFDSTUK III LEVENSSTIJL EN PERSOONLIJKHEID ----------------------------------------------
1. Inleiding ------------
Door de opkomst van het biopsychosociale model wordt er de laatste tijd meer en meer aandacht besteed aan de psychosociale factoren die mogelijk een rol spelen in het ontstaan en voortbestaan van CVS. Men heeft zich hierbij vooral gericht op de persoonlijkheidskenmerken en de premorbide overactieve levensstijl van CVS-patienten (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998).
Voor het schrijven van dit hoofdstuk hebben we ons vooral gebaseerd op de tekst 'De ziel uit het lijf' van Van Houdenhove en Neerinckx (1998).
2. Inhoud van de term 'overactiviteit' --------------------------------------
De term 'overactiviteit' is niet zo eenvoudig te vatten, hij omvat verschillende facetten die allemaal in min of meerdere mate meespelen in het overactieve gedrag van een persoon. Daarom worden de meest verwante termen kort aangehaald om zo een beeld te vormen van de inhoudelijke betekenis en de verschillende aspecten van overactiviteit.
2.1. Workaholisme -----------------
In de jaren '80 werd CVS vaak omschreven als de 'yuppie-ziekte.' Het gebruik van deze term heeft ervoor gezorgd dat men CVS ging gelijkschakelen met 'workaholisme.' Machlowitz (1980) omschrijft workaholics als mensen die een intrinsiek verlangen koesteren hard en lang te werken. Hun werkgewoonten overschrijden bijna altijd de vereisten van het werk dat ze uitvoeren. Ook aan de verwachtingen van de persoon met wie of voor wie ze werken wordt meer dan voldaan. De vergelijking van CVS-patienten met workaholics werd lange tijd aangehouden omdat uit prevalentiegegevens naar voor kwam dat de grootste groep CVS-patienten werd aangetroffen in de hogere opleidingsmilieus, en een gemiddelde leeftijd hadden van 30 à 40 jaar. Ondertussen weet men dat het voorkomen van CVS niet beperkt blijft tot deze populatie en dat het bijgevolg niet opgaat om CVS-patienten volledig gelijk te stellen aan de groep van de workaholics, zoals ze bekend staan in het arbeidspsychologische milieu. CVS-patienten kunnen wel beschouwd worden als workaholics wat betreft de 'wijze' waarop men werkt (prestatiegericht en overactief), maar bij CVS-patienten blijft dit niet beperkt tot het arbeidsmilieu.
2.2. Perfectionisme -------------------
Ook perfectionisme wordt vaak in verband gebracht met en is een deelaspect van overactiviteit bij CVS-patienten. Hollender (vermeld in Magnusson, Nias, & White, 1996) definieert perfectionisme als volgt: "De gewoonte van zichzelf en van anderen een hogere prestatiekwaliteit te eisen dan vereist voor de situatie." Magnusson (Magnusson et al, 1996) beschouwt perfectionisme als een stabiele persoonlijkheidstrek, een soort coping strategy die wordt aangenomen als bescherming tegen en antwoord op ouderlijke kritiek. Een vaak vermelde hypothese is dat perfectionisten zijn opgegroeid in een omgeving waar liefde en goedkeuring slechts conditioneel aanwezig waren. Elke fout of mislukking verhoogt het risico op verwerping door de ouders en het verlies van hun liefde. Perfectionisten leven met het gevoel dat hun ouders bepaalde normen en criteria hebben gesteld, waar ze niet aan kunnen beantwoorden. Tekortschieten betekent het verlies van ouderlijke appreciatie en liefde (Frost, Marten, Lahart & Rosenblate, 1990).
Perfectionisme kan worden opgedeeld in normaal of positief perfectionisme en pathologisch of negatief perfectionisme. Vooral negatief perfectionisme, waarbij men sterk twijfelt over acties, is geassocieerd met vermoeidheid. Positief perfectionisme, waarbij men hoge persoonlijke standaards hanteert, zou een beschermend effect hebben tegen vermoeidheid. Uit het onderzoek van Magnusson et al. (1996) kan men concluderen dat er geen probleem is met het hebben van hoge normen, wanneer men gezond is en niet onder druk staat. Maar bij blootstelling aan stressoren, zoals infecties en negatieve levensgebeurtenissen, kan er een discrepantie ontstaan tussen de ideale en de eigenlijke prestatie en kan ook positief perfectionisme een negatieve invloed hebben op de gezondheid. Mensen die worstelen met een negatief perfectionisme komen bij tegenslag al snel in een vicieuze cirkel terecht. Ze worden steeds meer en meer vermoeid, door het steeds opnieuw streven naar nieuwe doelen die ze niet bereiken (Magnusson et al., 1996).
2.3. Type-A-gedrag ------------------
In een onderzoek van Ware (vermeld in Lewis, 1996) herkenden verschillende CVS-patienten zich in de kenmerken van type-A-gedrag en benoemden zichzelf spontaan als type-A-personen. Iemand vertoont type-A-gedrag wanneer hij competitief, agressief/vijandig, snel en ongeduldig is en de neiging heeft zich in twee of meer activiteiten tegelijk te engageren. De negatieve gezondheidsgevolgen van type-A-gedrag worden weerspiegeld in het hoge aantal type-A-persoonlijkheden met hartproblemen. Type-A-gedrag zou het meest voorkomen wanneer er een discrepantie is tussen de persoon zelf en de hoge persoonlijke normen die hij vooropstelt voor activiteiten (op het zelf gericht perfectionisme). Naast 'op het zelf gericht perfectionisme' kunnen we ook spreken van 'sociaal voorgeschreven perfectionisme'. Deze laatste vorm van perfectionisme omvat de perceptie dat significante anderen onrealistische verwachtingen opleggen aan de persoon zelf, met negatieve invloed op het type-A-individu (Flett, Hewitt, Blankstein & Dynin, 1994).
3. Prevalentie van een premorbide overactieve levensstijl ---------------------------------------------------------
3.1. Anekdotische gegevens --------------------------
Uit verscheidene studies rond CVS blijkt dat patienten zich vaak omschrijven of omschreven worden als overactief, perfectionistisch, strevend naar controle, altijd bezig en prestatiegericht. Voor hun ziekte vertoonden vele CVS-patienten een sterke betrokkenheid bij alles wat ze ondernamen, zowel op lichamelijk, sociaal als professioneel gebied. Ze werden voortdurend in beslag genomen door met elkaar wedijverende verplichtingen en hanteerden hierbij hoge interne normen. Ze waren gericht op actie en resultaten en erg perfectionistisch ingesteld. Ze konden moeilijk "nee" zeggen tegen activiteiten en hulpvragen en verkeerden bijgevolg vaak in tijdsgebrek. In een onderzoek van Ray, Jefferies, Weir, Hayes, Simon, Akinbade en Marriott (1998) verwezen 49 van de 60 CVS-patienten (82%) naar hun overactieve levensstijl, hun gedrevenheid tot handelen en de vele eisen en verantwoordelijkheden op het werk en in het huishouden. We kunnen spreken van een erg prestatiegerichte en perfectionistische persoonlijkheid die zichuit in een overactieve levensstijl. Hun werkweken bleven niet bij de gebruikelijke 38 uur, maar breidden uit naar 60 tot 80 uur. Naast hun professionele activiteiten namen ze vaak ook nog de zorg voor de kinderen of een zieke ouder op zich, volgden avondles enz. Sommige patienten vertonen hierbij de neiging zichzelf weg te cijferen, ze kunnen geen grenzen stellen aan de eisen van anderen (Van Houdenhove & Neerinckx., 1998; Daems, 1995; Wessely, 1997). De media maken vaak gebruik van de term 'yuppie-griep' wanneer men over CVS spreekt. Door het gebruik van deze term legt men sterk de nadruk op het voorkomen van prestatiegerichte en perfectionistische kenmerken bij CVS-patienten.
CVS-patienten met een grote premorbide actiegerichtheid kunnen slechts moeilijk hun ziekte accepteren. Ze waren nooit tevreden met minder dan de volle 100% en worden dan plots geconfronteerd met de beperkingen van CVS. Door hun voorheen erg actieve levensstijl is het niet altijd evident om op een adequate wijze met deze ziekte om te gaan. Het is voor CVS-patienten niet eenvoudig om inspanningen te doseren en niet in excessen te vallen. Veel gehoorde uitspraken van CVS-patienten zijn dan ook: "Als ik het niet goed kan doen, dan kan ik het even goed niet doen" of "CVS-patienten werken tot ze erbij neervallen terwijl anderen in bed kruipen bij de minste hoofdpijn of verkoudheid ... luie mensen krijgen geen CVS." Patienten zelf schrijven hun ziekte soms toe aan 'teveel willen doen'. Ze omschrijven hun levensstijl als "burning the candle at both ends" of "leading an overloaded life" (Ray et al., 1998).
3.2. Kinderen en prestatiegerichtheid -------------------------------------
Bij kinderen en jongeren met CVS wordt eenzelfde overactieve persoonlijkheid beschreven. Garralda (1992) beschrijft twee kinderen met CVS-symptomatologie. Bij beide meisjes constateert men dat ze sterk de nadruk leggen op presteren, dat ze hoge gedragsstandaarden aanhouden en getekend worden door een groot plichtsbewustzijn. Dit zet hen onder ernstige druk wat betreft hun schools presteren en hun gedrag. Vaak wordt dit versterkt door de hoge verwachtingen van de familie. Reeds in de 19de eeuw werden de hier omschreven kenmerken zoals ouderlijke strengheid, overambitie bij kinderen en overdreven inspanningen bij studenten gezien als oorzaken van cerebrale neurasthenie (Klein & Last, vermeld in Garralda, 1992). Lask (1986) heeft geprobeerd een antwoord te vinden op de volharding waarmee sommige fysieke symptomen bij kinderen blijven bestaan. Deze symptomen hebben een duidelijke oorzaak zoals een letsel of een virale infectie, maar de volharding waarmee ze blijven bestaan en de impact van de symptomen op de gezondheid zijn volledig buiten proportie. Een van de veel voorkomende symptomen bij deze groep kinderen, die vooral uit meisjes bestaat, is vermoeidheid. Bij de vele overeenkomsten tussen deze kinderen hoort ook 'de neiging overal goed in te zijn,' daarom worden ze 'high-achieving children' genoemd. Het zijn vaak kinderen die zeer hoge verwachtingen stellen aan zichzelf en het haten om minder dan de beste te zijn. Ze ontkennen en verbergen hun angsten in verband met hun prestaties, omdat het onaanvaardbaar is je zorgen te maken en omdat je andere mensen er niet mee moet lastigvallen. De familie van deze kinderen treedt op als rolmodel; ook zij gaan conflicten zoveel mogelijk uit de weg. Naar hun kind toe brengt de familie de boodschap dat het vooral belangrijk is dat je je best doet. Het hoog presterende kind blijft haar best doen en gunt zichzelf weinig. Deze kinderen zijn zelden tevreden met hun prestatie die meestal reeds boven het gemiddelde ligt (Carter, Kronenberger, Edwards, Michalczyk & Marshall, 1996).
3.3. Operationalisering -----------------------
In 1995 publiceerden Van Houdenhove et al.(1995) als eersten een studie die premorbide hyperactiviteit operationaliseerde. Met behulp van de Vragenlijst voor Habituele Actiebereidheid (HAB) werd de graad van de premorbide action-proneness gemeten. De resultaten van een groep van 35 CVS-patienten werd vergeleken met een groep met chronische musculoskeletale pijn, een groep met chronische organische problemen en een psychiatrische controlegroep. Na analyse van de resultaten blijkt dat de CVS-groep significant hoger scoorde op actiegerichtheid dan de organische en psychiatrische groep, maar dat het resultaat van de CVS-groep vergelijkbaar was met dat van de chronische pijngroep. Deze resultaten sluiten aan bij de anekdotische verhalen van een premorbide overactieve levensstijl bij CVS-patienten (Van Houdenhove et al., 1995; Van Houdenhove & Neerinckx, 1998). In een latere studie (Neerinckx et al., vermeld in Van Houdenhove & Neerinckx., 1998) worden vergelijkbare waarden gevonden wat betreft de actiebereidheid van CVS-patienten. In dit onderzoek wordt ook een omgekeerde relatie aangetoond tussen de habituele actiebereidheid van CVS-patienten en hun habituele angstniveau, zoals gemeten met de zelfbeoordelingsvragenlijst (van der Ploeg & Spielberger, 1980). In een derde studie van Neerinckx, Van Houdenhove en Onghena (vermeld in Van Houdenhove & Neerinckx, 1998) wordt een alternatieve interpretatie uitgetest. Het onderzoek vertrekt van de idee dat CVS-patienten zichzelf voorstellen als personen met een overactieve voorgeschiedenis, uit vrees anders als een psychiatrisch geval te worden aanzien. Om dit na te gaan wordt de mate van overeenkomst berekend tussen de HAB-scores van de CVS-groep zelf en de HAB-scores die ze krijgen toebedeeld door derden (partners of ouders). Na een statistische analyse blijkt dat er geen significant verschil bestaat tussen beide scores. De alternatieve interpretatie die gebruikt werd als uitgangspunt voor deze studie kan bijgevolg in twijfel getrokken worden (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998).
Een deel van mijn thesisonderzoek sluit aan bij deze studies naar premorbide actiebereidheid.
4. Waarom hebben mensen een overactieve levensstijl? ----------------------------------------------------
Zonet hebben we enkele begrippen besproken die samenhangen met of deel uitmaken van een overactieve levensstijl, doch kunnen we veronderstellen dat de pathogene impact van deze levensstijl niet alleen samenhangt met het overactief zijn op zich, maar vooral met dat wat mensen ertoe beweegt overactief te zijn (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998).
4.1. Maatschappelijke invloed -----------------------------
Een factor die mogelijk een grote bijdrage levert aan het aanhouden van een overactieve levensstijl is onze huidige westerse maatschappij. Zij spoort ons aan tot prestatiegericht denken en drijft ons tot grote inspanningen, presteren is immers 1 van de grootste prioriteiten geworden. Dit geldt zowel voor mannen, vrouwen als kinderen. Toch kunnen we veronderstellen dat vrouwen hiervan het grootste slachtoffer zijn. Ze gaan meer en meer drukke jobs of activiteiten buitenshuis combineren met het huishouden, de opvoeding van de kinderen en vaak ook nog de zorg voor 'zieke' familieleden (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998). Vrouwen kiezen meer en meer voor een job buitenshuis vanuit financieel oogpunt, vanuit een verlangen naar zelfstandigheid en gelijkberechtiging. Toch zijn vrouwen met een baan en een gezin per dag gemiddeld twee tot drie uur meer kwijt aan het huishouden en aan de kinderen dan hun man. Hoewel uit een Brits onderzoek blijkt dat vrouwen vaker dan mannen aangeven dat gezinsverantwoordelijkheid een zekere samenhang heeft met vermoeidheid, lijken ze zich niet te realiseren hoeveel tijd ze 'tussendoor,' in gedachten of in realiteit, besteden aan taken thuis. Mogelijk geeft de dubbele belasting die in onze maatschappij vooral door vrouwen ervaren wordt, aanleiding tot klachten rond vermoeidheid (Wemekamp, 1992). Vrouwen met een dergelijke drukke dagtaak zien vaak niet in dat ze te veel van zichzelf vragen. Ze hebben immers alles wat ze willen: een job, een man, kindjes, een eigen huis, enz. Deze vrouwen negeren zo lang mogelijk dat ook het lichaam van een vrouw die gestudeerd heeft en maatschappelijk succesvol is beperkingen heeft (Wemekamp, 1992).
4.2. Opvoeding en familiale relatiepatronen -------------------------------------------
Ook vanuit opvoedingsperspectief kunnen er aanleidingen worden gevonden voor later overactief gedrag. Wanneer kinderen van jongs af aan worden aangemoedigd tot steeds betere prestaties op school, in de sportvereniging, de jeugdbeweging, enz. dan beinvloedt dit de manier waarop het kind later met activiteit en rust zal omgaan. Ouders zenden zeer snel boodschappen uit naar hun kinderen, omtrent hun verwachtingen en verlangens (Machlowitz, 1992). Deze kinderen worden vaak enkel beloond als ze erin slagen de ouderlijke verwachtingen te bevredigen. Als deze vorm van aanmoediging wordt doorgedreven, is het mogelijk dat een kind gaat veronderstellen dat liefde voorwaardelijk is (eenzelfde hypothese werd geformuleerd onder de hoofding perfectionisme). Het wordt nog moeilijker voor het kind als het aan de steeds groeiende verwachtingen van de ouders voldoet of ze overschrijdt, dan moet het immers nog verder mikken. Dit is een zichzelf herhalend patroon, want hoe meer je bereikt hoe meer er van je verwacht wordt. Een ouderlijk rolmodel dat steeds in beweging is, kan bij een kind een gevoel van schuld creeren bij elk beetje luiheid dat het bij zichzelf merkt (Machlowitz, 1992).
In minder welstellende milieus en in gezinnen met veel kinderen, worden kinderen vaak al op jonge leeftijd belast met allerlei taken; gaande van huishoudelijk werk tot de zorg voor kleinere broertjes of zusjes of de verzorging van een langdurig ziek familielid. In beide gevallen beinvloedt dit de persoonlijkheidsontwikkeling van het kind. Iemand die van kindsbeen af gedwongen is te presteren of hard te werken, zal als volwassene ook op een dergelijke manier met activiteit omgaan. Vanuit deze voorgeschiedenis kan men begrijpen dat CVS-patienten wel eens zeggen: "Ik heb in heel mijn leven niet anders gekend dan werken." (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998)
4.3. Copinggedrag voor angst ----------------------------
Mensen storten zich vaak op hun werk, een sport of andere bezigheden om zo de aandacht af te leiden van moeilijkheden, angsten, spanningen of depressieve gevoelens (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998). Sommige psychotherapeuten zijn ervan overtuigd dat mensen hun angsten onder controle kunnen houden door zich obsessief op hun werk te storten. Obsessieve rituelen zijn immers een grote bron van geruststelling en veiligheid voor angstige mensen (Machlowitz, 1992). Vooral personen die vroeger misbruikt of mishandeld zijn geweest en bijgevolg een hoog habitueel angstniveau hebben, nemen hun toevlucht tot hyperactiviteit als copingmechanisme (Van Houdenhove et al., 1998).
4.4. Psychodynamische verklaring --------------------------------
Ook psychodynamische factoren kunnen een rol spelen bij patienten met een hoge premorbide activiteit. Van Houdenhove (1986) vermeldt een aantal hypothesen in verband met psychodynamische factoren die een rol spelen bij chronische pijnpatienten. Aangezien er veel overeenkomsten zijn tussen het chronische pijnsyndroom en het chronisch vermoeidheidssyndroom, kunnen bij CVS dezelfde factoren een rol spelen.
Niet vervulde afhankelijkheidsbehoeften. De afhankelijkheidsbehoeften van het kind worden niet vervuld omdat het reeds op jonge leeftijd een grote bijdrage moet leveren aan het gezinsfunctioneren (door een zieke of gestorven ouder). Deze kinderen worden hierdoor gedwongen tot hyperactiviteit en worden ernstig gefrustreerd in hun afhankelijkheidsbehoeften. Als reactie hierop ontwikkelen ze een compensatorische pseudo-onafhankelijke levensstijl waarin hyperactiviteit een van de belangrijkste karakteristieken is. Ze zetten zich volledig in voor het welzijn van de ander en cijferen zichzelf hierbij volledig weg. Door hun ziekte lijken ze te zeggen: "Nu is het mijn beurt om verzorgd te worden."
Overdreven lichamelijk narcisme. Veel chronische pijnpatienten benadrukken de lichamelijke kracht en uithouding die ze voor hun ziekte bezaten. Door de gevoelens van lichamelijke omnipotentie en onkwetsbaarheid steunde hun zelfwaardering volledig op hun lichamelijke integriteit. Een plots letsel of een plotse ziekte zorgt voor een onaanvaardbaar narcistisch letsel dat het zelfwaardegevoel van de chronische pijnpatient drastisch naar beneden haalt.
Fallische rivaliteit. Premorbide hyperactiviteit zou bij vrouwen ook kunnen worden toegeschreven aan een problematisch verlopen vrouwelijke identificatie. Vrouwen met een niet goed verlopen identificatie beklemtonen dat ze vroeger uitblonken in sport en dat ze zware arbeid konden verrichten en dit alles even goed als mannen. Het letsel dat de chronische pijn veroorzaakt wordt ervaren als een deprivatie of castratie van hun fantasmatische mannelijkheid.
Masochisme. In interviews omschrijven sommige pijnpatienten hun werk als een progressieve vorm van zelfvernietiging, anderen omschrijven het eerder als een continue zelfopoffering. Nog andere patienten beschouwen hun werk als een activiteit die sterk verbonden was met zelfbestraffing. Door hard te werken kunnen ze de ondraaglijke schuldgevoelens die ze met zich meedragen goedmaken. In al deze patienten kan men een masochistische basisattitude beschouwen als een belangrijke determinant voor hun chronisch pijnprobleem.
Perfectionisme. Ook hier wordt perfectionisme aangehaald als mogelijke bepalende factor. Mensen die overactief zijn vanuit perfectionistisch oogpunt, kunnen gesitueerd worden in de context van een obsessioneel-compulsieve persoonlijkheidsstructuur. Werken wordt door deze patienten gelijk gesteld met een onvermijdelijke plicht die men moet vervullen volgens de hoge normen van hun superego. Deze personen vinden het moeilijk zich zowel fysisch als mentaal te ontspannen. Door hun ziekte kunnen ze zichzelf eindelijk eens wat rust gunnen.
5. Hoe draagt premorbide overactiviteit bij aan het chronisch vermoeidheidssyndroom? ---------------------------------------------------
Een hyperactieve levensstijl wordt door sommige mensen gehanteerd als een intrapsychisch regulatiemechanisme, zo komen ze tot een vorm van psychisch evenwicht. Wanneer dit psychisch evenwicht verstoord wordt is dit een ideale voedingsbodem voor chronisch lichamelijk ziektegedrag. CVS-patienten die zich voor hun ziekte vanuit een vroegkinderlijk gemis 'onvoorwaardelijk' inzetten voor anderen lijken nu de rollen te willen omkeren. Ze veranderen hun onuitputtelijke activiteit in passief-regressief ziektegedrag, waarbij de pijn en de vermoeidheid mogelijk in stand worden gehouden door primaire en secundaire ziektewinst. Ze vluchten als het ware in de ziekte, omdat ze de druk en voortdurende belasting niet meer aankunnen (Van Houdenhove et al., 1995).
Een andere hypothese die vanuit cognitief perspectief naar voor wordt geschoven is dat CVS een aanvaardbare zelf-beperkende strategie aanbiedt. Deze hypothese vertrekt van de idee dat het gebruik van een externe (somatische) belemmering die een persoon verhindert te presteren, voor CVS-patienten een aanvaardbaar excuus is voor "het niet meer kunnen" (Van Houdenhove et al, 1995). Fysische klachten worden veel gebruikt als zelf-beperkende strategie (somatische attributie), het lichaam valt immers buiten de persoonlijke verantwoordelijkheid van het individu (Van Houdenhove et al., 1995). Deze attributiestrategie heeft natuurlijk ook een schaduwzijde. Een organische ziekteattributie leidt vaak tot copingstrategieen zoals activiteitsvermijding en rusten (Sharpe, 1996). Dit resulteert in een verstrikking in de zelf-beperkende strategie die patient aanwendt (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998).
Mensen die overactief gedrag vertonen als vlucht voor hun problemen, kunnen door de confrontatie met een ernstig letsel of een infectie in moeilijkheden geraken. De persoon bevindt zich plots in een toestand waar eenzelfde mate van activiteit onmogelijk of op zijn minst ernstig beperkt is. De gevoelens van angst, onzekerheid, onrust, spanning en depressie die normaal onderdrukt worden door 'een voortdurend bezig zijn', hebben nu vrij spel en dreigen de patient te overspoelen. Door allerlei tussenliggende mechanismen zoals verstoorde slaap, hypertensie, hyperventilatie en autonome arousal, worden de reeds aanwezige pijn- en/of vermoeidheidsklachten in stand gehouden (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998).
Ook wordt soms aangehaald dat de voortdurende overactiviteit een stressfactor op zich is, die leidt tot zowel psychische als fysische uitputting. Hierbij zou er in de hypothalamo-hyposfysaire-adrenocorticale as een ingrijpende neurohormonale en immunologische verstoring ontstaan, die eventueel in combinatie met een virale ziekte, het CVS-patroon op gang brengt (Demitrack vermeld in Van Houdenhove & Neerinckx, 1998). Deze benadering van overactiviteit en CVS vertoont overeenkomsten met het burn-outsyndroom (Freudenberger, 1974) uit de hulpverlenings- en sociale sector en met het overtrainingssyndroom uit de sportgeneeskunde. Het burn-outsyndroom wordt omschreven als een fenomeen van emotionele uitputting ten gevolge van te grote werkdruk of stress. Dit syndroom werd in het verleden vaak in verband gebracht of zelfs gelijkgesteld met CVS, dit werd in de hand gewerkt door het gegeven dat CVS vaak werd aangetroffen bij verplegend personeel en artsen in ziekenhuizen.
6. Besluit ----------
Er is reeds heel wat anekdotische evidentie te vinden rond het samen voorkomen van een premorbide overactieve levensstijl, prestatiegerichtheid en CVS. Toch blijft het gecontroleerd onderzoek naar het samen voorkomen van deze factoren beperkt. Overactiviteit blijft een vaag gedefinieerd begrip dat uit verschillende facetten lijkt te bestaan. Voor een juiste inschatting van het belang van deze factor is een verdere uitdieping noodzakelijk. Enkel door een juiste definiering van overactiviteit in al haar dimensies en door dit gecontroleerd te onderzoeken kunnen er geldige uitspraken gedaan worden over deze predisponerende factor voor CVS.
In mijn thesisonderzoek wordt een replicatiestudie uitgevoerd met de HAB, ditmaal worden de CVS-patienten vergeleken met een gematchte controlegroep. De resultaten van de HAB zullen nadien in verband worden gebracht met familiale aspecten.
DEEL II EXPLORATIEF ONDERZOEK NAAR ACTIEBEREIDHEID EN FAMILIALE FACTOREN ----------------------------------------------------------------------------
1. Probleemstelling -------------------
In hoofdstuk 1 van het eerste deel van deze thesis werd de etiologie van CVS besproken vanuit biopsychosociaal oogpunt. Steeds meer artsen verkiezen deze multifactoriele benadering van ziekte en gezondheid boven de eng biomedische visie. Het biopsychosociale denken maakt een onderscheid tussen predisponerende, uitlokkende en instandhoudende factoren. Dit onderscheid maakt een dieper inzicht in CVS mogelijk, zonder te vervallen in een dualistisch ziektedenken.
In hoofstuk 2 werden de huidige bevindingen over CVS en familie verzameld. Het merendeel van deze bevindingen steunt op onderzoek uitgevoerd bij kinderen en hun ouders. Hoewel het onderzoek nog beperkt is, wijzen de resultaten vaak in eenzelfde richting en kunnen voorzichtige conclusies worden getrokken in verband met predisponerende en instandhoudende familiale factoren. In het derde hoofdstuk werden de levensstijl en persoonlijkheid van CVS-patienten besproken. Uit de gevoerde onderzoeken blijkt dat CVS-patienten vaak perfectionistische en prestatiegerichte persoonlijkheden zijn met een grote premorbide actiebereidheid.
In dit exploratief onderzoek vergelijken we de premorbide actiebereidheid en het familiale functioneren van CVS-patienten met een zorgvuldig gematchte controlegroep. Aan de hand van dit vergelijkend onderzoek willen we, ten eerste, nagaan of CVS-patienten en hun gezinnen anders functioneren dan gezonde controlegezinnen die gematcht zijn qua geslacht, leeftijd, opleiding en huwelijksduur. Vanuit de overtuiging dat CVS niet alleen het leven van de patient en zijn familie beinvloedt, maar ook omgekeerd, groeide de idee dat CVS-gezinnen misschien anders functioneren dan gezonde gezinnen.
Wanneer we verschillen in gezinsfunctioneren willen nagaan, moeten we vertrekken van een duidelijk omlijnd concept. Een dergelijk omvattend kader vonden we in de Gezinsklimaatschaal-II van Jansma en de Coole (1995), een vragenlijst gebaseerd op de Family Environment Scale van Moos (1974). De schalen van de test zijn gebaseerd op een sociaal-ecologisch referentiekader, dat ervan uitgaat dat individueel gedrag tot stand komt onder invloed van de wisselwerking van de persoon en zijn omgeving. Het sociale klimaat van een omgeving kan volgens Moos (vermeld in Jansma en de Coole, 1995) geconceptualiseerd worden door middel van drie dimensies.
Een eerste dimensie is de relatiedimensie. Deze betreft de kwaliteit van interpersoonlijke relaties. Hieronder wordt verstaan: de mate waarin mensen die deel uitmaken van een omgeving elkaar steunen en helpen; de mate van spontaniteit, de mogelijkheid om gevoelens te uiten en tenslotte de mate waarin boosheid, agressie en conflict openlijk geuit worden. Deze drie aspecten van de relatiedimensie worden gevat in de termen cohesie, expressiviteit en conflict.
Een tweede dimensie wordt de persoonlijke groei- of doelgerichtheidsdimensie genoemd. Hier wordt de nadruk gelegd op persoonlijke groei: de mate van interesse in deelname aan sociale, culturele en recreatieve activiteiten en de nadruk die gezinsleden leggen op ethische en normatieve onderwerpen. Deze dimensie bestaat uit twee aspecten die worden gelabeld als sociale orientatie en normen.
De derde en laatste dimensie is de systeemhandhavings- en systeemveranderings- dimensie. Deze omvat: de mate waarin een heldere organisatie en struktuur aanwezig is, de mate waarin er duidelijkheid is in verwachtingen, de mate van reactie op verandering en de mate van controle die uitgeoefend wordt. Deze gezinsaspecten worden samengevat in de termen organisatie en controle. De dimensies van Moos vertonen verwantschap met de dimensies die Fisher (vermeld in Jansma en de Coole, 1985) en Olson, Sprenkle en Russel (vermeld in Jansma en de Coole, 1985) vonden in verband met het gezinsfunctioneren. Wanneer we het gezinsfunctioneren bekijken doorheen de concepten die Moos ons aanbiedt, verwachten we enerzijds dat CVS-gezinnen meer georganiseerd zijn en meer belang hechten aan controle en normen dan gezonde gezinnen, anderzijds verwachten we dat CVS-gezinnen minder expressief zijn en minder sociaal georienteerd.
Vanuit de moeilijkheden en beperkingen die CVS meebrengt voor zowel patient als gezin, verwachten we dat CVS-gezinnen meer ontevredenheid zullen vertonen ten opzichte van hun huidige gezinsfunctioneren dan gezonde gezinnen. Binnen CVS-gezinnen zal vooral de patient een groot verschil laten zien tussen de ervaring van het huidige gezinsfunctioneren en de voorstelling van het ideale functioneren. Dit veronderstellen we omdat de patient meer en directer hinder ondervindt van de CVS-symptomen dan de partner. De patienten ervaren de lichamelijke beperkingen, de vermoeidheid en de psychische belasting die CVS met zich meebrengt. De partners komen slechts indirect in contact met CVS, zij hebben enkel de ervaring te leven met een partner met CVS.
Ten tweede gaan we na of CVS-patienten inderdaad een actievere, meer prestatiegerichte en perfectionistische levensstijl kenden, dan gezonde personen met hetzelfde geslacht, hetzelfde opleidingsniveau, dezelfde leeftijd en een gelijke huwelijksduur. Het veelomvattende concept 'overactieve levensstijl' wordt geoperationaliseerd in de term 'habituele actiebereidheid'. Deze term omhelst het min of meer constante gedragskenmerk van een persoon om zich in een bepaalde mate, die hem van anderen onderscheidt en die relatief is ten opzichte van zijn geestelijke en lichamelijke capaciteiten, in te zetten (Dirken, 1970). Hoewel het begrip habituele actiebereidheid slechts een beperkt deel van de overactieve levensstijl omvat zoals die beschreven wordt bij CVS-patienten, kan het toch enige mate van ondersteuning bieden aan de hyperactiviteitshypothese.
In een derde onderzoeksdimensie hebben we aandacht voor een mogelijke relatie tussen een overactieve levensstijl en ontevredenheid met het huidige gezinsfunctioneren. We gaan ervan uit dat CVS-patienten met een erg grote premorbide actiebereiheid slechts moeilijk hun ziekte en de gevolgen ervan kunnen accepteren. Hun activiteitsniveau daalt drastisch, ze moeten vaker rusten en ook binnen het gezin spelen ze niet langer een actieve rol, een frustrerende positie voor mensen die vroeger amper stil konden zitten. We vermoeden dat mensen met een een dergelijke actieve levensstijl meer onvrede zullen vertonen met het huidige gezinsfunctioneren dan mensen die laag tot niet overactief waren.
Voor zover ons bekend, zijn we de eersten die een dergelijk gematcht onderzoek doen naar het ervaren gezinsfunctioneren en gewenste gezinsfunctioneren van CVS-patienten. Ook het onderzoek naar premorbide actiebereidheid is het eerste in zijn soort dat met een gematchte gezonde controlegroep wordt uitgevoerd. Met dit onderzoek trachten we een bijdrage te leveren aan het reeds verrichte onderzoek rond actiebereidheid en vooral aan de beperkte onderzoeken naar het familiale functioneren bij CVS-patienten.
2. Methode van onderzoek ------------------------
2.1. Deelnemers ---------------
2.1.1. Recrutering ------------------
De onderzoeksgroep bestaat uit 30 CVS-patienten en 30 CVS-partners. Deze patienten kregen de diagnose CVS op as 3 van de DSM-IV, na een multidisciplinaire diagnostische screening in de kliniek van Pellenberg. Een 60-tal CVS-patienten werd telefonisch gecontacteerd, waarbij hen gevraagd werd of zij en hun partner bereid waren hun medewerking te verlenen aan dit thesisonderzoek. Indien ze telefonisch toestemden, werd hen per post een pakketje met vragenlijsten, een begeleidende brief en een gefrankeerde enveloppe toegestuurd. Een viertal deelnemers en hun partners kregen de vragenlijsten overhandigd in de kliniek. Van de 60 gecontacteerde CVS-patienten waren er 48 bereid mee te werken aan het onderzoek. Van de 48 verstuurde en overhandigde pakketjes met vragenlijsten zijn er 32 volledige en correct ingevulde pakketjes teruggekomen.
De controlegroep bestaat uit 30 controlekoppels. Elk controlekoppel werd gematcht aan een CVS-koppel qua geslacht, leeftijd, opleiding en huwelijksduur. De recrutering gebeurde via familie, vrienden en kennissen. De enige voorwaarde om tot de controlegroep te behoren, was de afwezigheid van ernstige lichamelijke of psychische klachten. De controlegroep kreeg dezelfde vragenlijsten toegestuurd als de onderzoeksgroep, eveneens met een begeleidende brief en een gefrankeerde en geadresseerde enveloppe.
2.1.2. Demografische kenmerken ------------------------------
In de onderzoeksgroep zitten 20 vrouwelijke CVS-patienten en 10 mannelijke. In de gematchte controlegroep vinden we een gelijke verdeling van 20 vrouwelijke controlepersonen en 10 mannelijke. Hieruit volgt dat er in beide groepen 20 mannelijke en 10 vrouwelijke partners zitten. De gemiddelde leeftijd van de CVS-patienten bedraagt 42.87 jaar en die van de CVS-partners 43.67 jaar. In de controlegroep is de gemiddelde leeftijd van de controlepersonen 43.13 jaar en die van de controlepartners 44.13. De schommeling in leeftijd tussen de onderzoeksgroep en de controlegroep is te wijten aan het werken met leeftijdscategorieen van 5 jaar.
Alle personen in de onderzoeksgroep en in de controlegroep zijn gehuwd. In de onderzoeksgroep bedraagt de gemiddelde huwelijksduur 18.73 jaar, met een spreiding tussen 2 jaar en 36 jaar. De controlepersonen zijn gemiddeld 19.23 jaar gehuwd met een spreiding tussen 3 en 41 jaar.
Het opleidingsniveau is, over zowel de onderzoeksgroep als de controlegroep, als volgt verdeeld: van de patientengroep volgden er 7 algemeen secundair onderwijs (ASO), 17 een beroeps of technische opleiding (BSO of TSO) en 6 een scholing aan een hoge school of universiteit (HOU). Van de partnergroep volgden er 6 algemeen secundair onderwijs, 17 een beroeps of technische opleiding en 7 een hogere opleiding (Zie tabel 3).
Tabel 3 Demografische kenmerken ------------------------------------------------------------ CVS-pat CVS-part Contrpers Contrpart ------------------------------------------------------------ Geslacht 20V 10M 20V 10M 10M 20V 10M 20V Gemiddelde leeftijd 42.87 j 43.67 j 43.67 j 44.33 j Opleidings- niveau 7 ASO 6 ASO 7 ASO 6 ASO 17 BSO 17 BSO 17 BSO 17 BSO TSO TSO TSO TSO 6 HOU 7 HOU 6 HOU 6 HOU Huwelijksduur 18.73 jaar 19.23 jaar ------------------------------------------------------------
3. Materiaal ------------
Aan elk van de 30 CVS-patienten en aan elk van de 30 gematchte controlepersonen werden drie vragenlijsten voorgelegd; de Habituele Actiebereidheidsvragenlijst (HAB) van Dirken (1970), de Gezinsklimaatschaal-II (GKS-II) en de Gezinsklimaatschaal-II-wens (GKS-II-wens) van Jansma en de Coole (1995). De 30 partners van de CVS-patienten en de 30 gematchte controlepartners kregen enkel de GKS-II en de GKS-II-wens voorgelegd.
De GKS-II is gebaseerd op de Amerikaanse 'Family Environment Scale' (FES) van R.H. Moos (1974). De oorspronkelijke FES, bestond uit 99 vragen en 9 schalen, de huidige GKS-II bestaat uit 77 ja/nee-vragen en 7 schalen. Het gezinsklimaat wordt geoperationaliseerd in de schalen cohesie, expressiviteit, conflict, organisatie, controle, normen en sociale orientatie. De FES werd ontworpen om de wijze waarop mensen het klimaat van een sociale omgeving ervaren, in kaart te brengen. De GKS-II is geinspireerd op deze test en bevraagt de door de gezinsleden ervaren kwaliteit van de wijze waarop ze met elkaar en met hun sociale omgeving omgaan.
De GKS-II-wens bestaat uit dezelfde 77 ja/nee-vragen als de GKS-II, enkel bevraagt de GKS-II-wens de gewenste gezinssituatie van de verschillende gezinsleden.
Op basis van de GKS-II en de GKS-II-wens kan de discrepantie berekend worden tussen de reele gezinssituatie en de gewenste gezinssituatie, zo krijgt men een beeld van de veranderingen die gezinsleden wensen met betrekking tot het huidige gezinsfunctioneren.
De HAB (Dirken, 1970) bestaat uit 50 zelfbeschrijvende items die informeren naar de actiebereidheid van de deelnemer en gescoord worden met akkoord/niet akkoord. Aangezien we vooral belangstelling hebben voor de premorbide actiegerichtheid van de CVS-patient, werd deze vragenlijst in de verleden tijd geformuleerd. Deze gewijzigde versie werd reeds voor onderzoek gebruikt in 1987 door Van Houdenhove, Stans en Verstraeten (Van Houdenhove et al.,1987). Ook de controlepersonen kregen de HAB in de verleden tijd aangeboden, ze kregen hierbij de instructie deze in te vullen met betrekking tot hun huidige functioneren. Aan de gewijzigde versie van de HAB werden 18 items toegevoegd, maar deze werden niet in de analyse betrokken.
In een begeleidende brief werd voldaan aan de informatieplicht en werd gewezen op de vrijheid van deelname. In deze brief werd de absolute anonimiteit en confidentialiteit gegarandeerd en werd vermeld dat persoonlijke informatie enkel gebruikt zou worden voor de classificatie van gegevens. De vragenlijsten konden in een reeds gefrankeerde en geadresseerde enveloppe worden teruggestuurd. De deelnemers moesten zo geen financiele kosten maken en konden de enveloppe gesloten terugsturen. Aan de controlepersonen werd de kans geboden om de vragenlijsten onder een fictieve naam in te vullen. Deze mogelijkheid werd gecreeerd omdat ook personen uit familiale en vriendenkring hun medewerking hebben verleend aan het onderzoek.
4. Concrete hypothesen ----------------------
1. CVS-koppels behalen een significant hogere score op de GKS-II-schalen organisatie, controle en normen en een significant lagere score op expressiviteit en sociale orientatie dan de controlekoppels. 2. De discrepantie tussen GKS-II en GKS-II-wens is significant groter bij CVS-koppels dan bij de controlekoppels. 3. Binnen de CVS-koppels is de discrepantie tussen GKS-II en GKS-II-wens significant groter bij de patient dan bij de partner. Binnen de controlekoppels verschillen de controlepersoon en diens partner niet significant in de discrepantie tussen GKS-II en GKS-II-wens. 4. De CVS-patienten scoren significant hoger op premorbide actiebereidheid dan de controlepersonen. 5. a. Hoe correleert de HAB met de GKS-II, de GKS-II-wens en de discrepanties tussen GKS-II en GKS-II-wens? b. Wanneer men de HAB-scores van de CVS-patienten opdeelt in een hoog- en een laaggroep, blijkt dat de groep die hoog scoort op actiebereidheid een significant grotere discrepantie vertoont tussen GKS-II en GKS-II-wens dan de laaggroep. In de groep van controlepersonen levert dit geen significant verschil op. c. Wanneer men de HAB-scores van CVS-patienten en controlepersonen verdeelt in een hoog- en een laaggroep op basis van het klinisch gemiddelde, zal de hooggroep een grotere discrepantie vertonen tussen GKS-II en GKS-II-wens dan de laaggroep.
5. Resultaten -------------
5.1. Statistische analyse -------------------------
Om de verschillende hypothesen te testen, wordt gebruik gemaakt van de Student t-toets. Wanneer de patientengroep vergeleken wordt met de controlegroep wordt er gebruik gemaakt van een tweezijdige t-toets voor onafhankelijke steekproeven. Met deze toets wordt nagegaan of CVS-koppels significant verschillen van controlekoppels wat betreft organisatie, controle, normen, expressiviteit en sociale orientatie. Op dezelfde manier wordt gecontroleerd of CVS-koppels significant verschillen van controlekoppels in de discrepantie tussen GKS-II en GKS-II-wens. Met behulp van deze toetsingsmethode kon ook het al dan niet bestaan van een significant verschil in actiebereidheid tussen CVS-patienten en controlepersonen worden opgespoord. Tenslotte wordt met de tweezijdige t-toets voor onafhankelijke steekproeven nagegaan of de discrepantie tussen GKS-II en GKS-II-wens van de HAB-hooggroep significant verschilt van de discrepantie van de HAB-laaggroep.
Met een tweezijdige t-toets voor afhankelijke steekproeven wordt nagegaan of binnen CVS-koppels de discrepantie tussen GKS-II en GKS-II-wens significant groter is bij de patient dan bij de partner. Deze hypothese wordt statistisch getest met een F-toets. Omdat de resultaten van een F-toets identiek zijn aan de resultaten van een t-toets (F = t2), worden de resultaten weergegeven als t-toets gegevens. Er wordt steeds gekozen voor tweezijdige t-toetsen, ook wanneer de hypothesen een bepaalde richting van verschil voorspellen. De test blijft zo gevoelig voor een verschil in beide richtingen en er kan rekening worden gehouden met zowel significant hogere als significant lagere resultaten.
Om na te gaan of de CVS-patient een significant grotere discrepantie vertoont tussen de volledige GKS-II en de volledige GKS-II-wens, dan de partner, wordt gebruik gemaakt van een multivariate t-toets. Tenslotte wordt er gebruik gemaakt van een correlationele analyse om de correlaties tussen HAB, GKS-II en GKS-II-wens te kennen. Het is belangrijk te vermelden dat de bekomen scores geen reele situatie weerspiegelen. De scores geven een beeld van de subjectieve beleving van het familiale functioneren en van de ervaren actiebereidheid.
5.2. Gemiddelde scoringswaarden -------------------------------
Wanneer men de ruwe gemiddelde scores van de verschillende subgroepen bekijkt met hun respectievelijke significanties, kan men hier enkele algemene tendensen uit afleiden (zie tabel 4).
Eerste tendens. Voor alle subgroepen liggen de scores op de GKS-II-wens schalen hoger dan de scores op de GKS-II schalen. Uitzondering op de regel is de schaal conflict, deze wordt hoger gescoord op de GKS-II dan op de GKS-II-wens.
Een tweede algemene tendens laat zien dat de CVS-patienten lager scoren op de GKS-II dan de controlepersonen, behalve op de schaal conflict. Het verschil in GKS-II scores tussen patientengroep en controlepersonen is enkel significant op de schalen expressiviteit (t(58)= 3.20, p<.005), controle (t(58)= 2.18, p<.05) en sociale orientatie (t(58)= 7.13, p<.0005).
Een derde tendens toont dat ook de CVS-partners over het algemeen lager scoren op de schalen van de GKS-II dan de controlepartners. Deze resultaten zijn significant verschillend voor de schalen controle (t(58)= 2.03, p<.05) en sociale orientatie (t(58)= 4.06, p<.0005).
Een vierde tendens toont dat de patientengroep ook op de GKS-II-wens significant lagere scores haalt dan de controlepersonen. Deze significantie toont zich op de schalen expressiviteit (t(58)= 2.93, p<.005), organisatie (t(58)= 2.28, p<.05), controle (t(58)= 2.81, p<.05) en sociale orientatie (t(58)= 3.83, p<.0005). De CVS-partners behalen op de GKS-II-wens eveneens lagere scores dan de controlepartners. Significante verschillen vinden we op de schalen expressiviteit (t(58)= 2.02, p<.05), controle (t(58)= 2.27, p<.05) en sociale orientatie (t(58)= 3.56, p<.005).
tabel 4 Gemiddelde ruwe scores voor de 4 subgroepen op de GKS-II en de GKS-II-wens -------------------------------------------------------------------------- CVSpat contrpers P CVSpart contrpart P -------------------------------------------------------------------------- GKS-II
Cohesie 8.30 9.17 .10 8.57 9.07 .31 Expressiviteit 6.73 8.70 .00** 7.03 7.80 .22 Conflict 3.47 2.67 .20 3.10 2.83 .65 Organisatie 8.23 9.03 .15 8.50 8.73 .65 Controle 7.50 8.73 .03* 7.60 8.53 .04* Normen 8.17 8.27 .84 8.50 8.73 .62 Soco 4.73 8.27 .00*** 5.13 7.50 .00***
GKS-II-wens
Cohesie 9.43 9.97 .14 9.33 9.60 .46 Expressiviteit 7.83 9.30 .00** 7.90 8.80 .04* Conflict 2.33 1.50 .10 1.97 1.73 .56 Organisatie 9.90 10.60 .02* 9.37 9.97 .14 Controle 8.03 9.43 .00* 7.77 8.83 .02* Normen 8.50 8.77 .57 8.20 8.83 .21 Soco 6.63 8.87 .00*** 6.00 8.07 .00** -------------------------------------------------------------------------- * p< .05, ** p< .005, *** p< .0005
5.3. Hypothese 1 ----------------
Op de GKS-II behalen CVS-koppels gemiddeld een significant hogere score op de schalen organisatie, controle en normen en een significant lagere score op de schalen expressiviteit en sociale orientatie dan de controlekoppels.
Na de tweezijdige t-toets voor onafhankelijke steekproeven wordt deze hypothese bevestigd voor de schalen expressiviteit en sociale orientatie, maar niet voor de schalen organisatie, controle en normen (zie tabel 5).
De t-test procedure op koppelniveau wijst erop dat de CVS-koppels (n=30) een gemiddelde ruwe score van 6.88 behalen op de expressiviteitsschaal, terwijl de controlekoppels (n=30) op de schaal expressiviteit een gemiddelde ruwe score van 8.25 behalen. Dit zorgt voor een significant verschil in de verwachtte richting (t(58)= 2.50, p<.05).
Op de schaal sociale orientatie behalen de CVS-koppels een gemiddelde ruwe score van 4.93, terwijl de controlekoppels een gemiddelde ruwe score behalen van 7.88. Het verschil tussen beide scores is significant (t(58)= 6.32, p<.0001). De schalen normen en organisatie tonen geen significant verschil tussen de CVS-koppels en de controlekoppels (t(58)norm= 0.37, p>.05; t(58)organ= 1.03, p>.05).
Tabel 5 Gemiddelde GKS-II scores op koppelniveau -------------------------------------------------------------------------- GKS-II CVS Contr P -------------------------------------------------------------------------- Cohesie 8.43 9.12 .14 Expressiviteit 6.88 8.25 .02* Conflict 3.28 2.75 .33 Organisatie 8.37 8.88 .31 Controle 7.55 8.63 .03* Normen 8.33 8.50 .72 Soco 4.93 7.88 .00** -------------------------------------------------------------------------- *p<.05, **p< .0001
Opmerkelijk is dat de schaal controle een significant verschil vertoont in de richting tegengesteld aan de verwachting. De CVS-koppels halen een gemiddelde ruwe score van 7.55, terwijl de controlekoppels een gemiddelde ruwe score behalen van 8.63 (t(58)= 2.29, p<.05). Hieruit volgt dat de CVS-koppels significant lager scoren op de schaal controle dan de controlekoppels.
5.4. Hypothese 2 ----------------
CVS-koppels vertonen een significant grotere discrepantie tussen de GKS-II en de GKS-II-wens, dan de controlekoppels. De verwachte richting van het verschil is negatief: de GKS-II score ligt algemeen genomen lager dan de GKS-II-wens score.
De uitgevoerde tweezijdige t-toets bevestigt deze hypothese slechts gedeeltelijk.
tabel 6 Discrepantiescores van de CVS-koppels en de controlekoppels -------------------------------------------------------------------------- GKS-GKSW CVS Contr P -------------------------------------------------------------------------- Cohesie -0.95 -0.67 .50 Expressiviteit -0.98 -0.80 .69 Conflict 1.13 1.13 1 Organisatie -1.27 -1.40 .75 Controle -0.35 -0.50 .54 Normen -0.02 -0.30 .27 Soco -1.38 -0.58 .04* -------------------------------------------------------------------------- *p< .05
De resultaten wijzen in de richting van de hypothese op de schalen cohesie (t(58)= 0.67, p>.05) en expressie (t(58)= 0.41 p>.05), maar deze discrepanties zijn niet significant. Het verschil tussen GKS-II en GKS-II-wens is enkel significant groter bij de CVS-koppels wat betreft de schaal sociale orientatie (t(58)= 2.09, p<.05) Het gebrek aan significantie is niet te wijten aan een temperende invloed van de partners op het discrepantieverschil van CVS-patient en controlepersoon. Dit blijkt uit een bijkomende analyse die werd uitgevoerd op de patientengroep en de controlepersonen, los van hun partners. De tweezijdige t-toets voor onafhankelijke steekproeven laat voor de patienten en hun controlepersonen eveneens enkel significantie zien voor de schaal sociale orientatie (t(58)= 3.15, p< .005). De t-toets uitgevoerd op de twee partnergroepen toont voor geen van de schalen een significant discrepantieverschil.
5.5. Hypothese 3 ----------------
Binnen CVS-koppels is de discrepantie tussen GKS-II en GKS-II-wens significant groter bij de patient dan bij de partner. Binnen controlekoppels wordt er geen significant verschil verwacht in de discrepantie tussen GKS-II en GKS-II-wens.
Voor een analyse van de discrepanties per schaal, werd gebruik gemaakt van een tweezijdige t-toets voor afhankelijke steekproeven. Binnen de CVS-koppels (n=30) vertoont de patient (n=30) een significant grotere discrepantie tussen GKS-II en GKS-II-wens op de schalen organisatie (t(29)= 2.13, p<.05), normen (t(29)= 2.48, p<.05) en sociale orientatie (t(29)= 3.35, p<.01) dan de partner. Voor de schalen cohesie, expressiviteit, conflict en controle wordt geen significantie gevonden.
De analyse geeft geen significant verschil in discrepantie aan tussen GKS-II schalen en GKS-II-wens schalen bij controlepersoon en controlepartner.
Voor een discrepantie-analyse per test, werd er een multivariate t-toets gebruikt. Zo kunnen we nagaan of de volledige discrepantie tussen de GKS-II en de GKS-II-wens significant groter is voor CVS-patienten dan voor hun partners. Wilks'Lambda levert ons een waarde van 0.50 met de volgende vrijheidsgraden S=1, M=2.5 en N=10.5. Omgezet levert dit een F-waarde van 3.26 die significant is op p<.05 niveau (F(7,23)= 3.26, p<.05). Dus, de CVS-patienten vertonen een significant grotere discrepantie tussen de totaalscores van GSK-II en GKS-II-wens, dan hun partners. De controlepersonen en hun partners vertonen geen significant verschil in discrepantiescores (F(7,23)= 0.88, p>0.05).
5.6. Hypothese 4 ----------------
CVS-patienten scoren significant hoger op de HAB dan controlepersonen. De groep CVS-patienten (n=30) behaalt een gemiddelde premorbide actiebereidheidsscore van 37. De groep controlepersonen (n=30) behaalt een gemiddelde actiebereidheidsscore van 31.27. Hieruit volgt dat de gemiddelde premorbide actiebereidheid van CVS-patienten significant hoger ligt dan de actiebereidheid van de zorgvuldig gematchte controlepopulatie (t(58)= -2.88, p<.05).
5.7. Hypothese 5 ----------------
Deel a ------
De HAB blijkt een significante positieve correlatie te vertonen met de GKS-II schaal normen (r(58)=0.28, p<.05) en een significant negatieve correlatie met de schaal sociale orientatie (r(58)= -0.67, p<.005). Op de GKS-II-wens hebben zowel de schaal normen (r(58)= 0.30, p<.05) als de schaal sociale orientatie (r(58)= -0.30, p<.05) een significante correlatie met de HAB. De HAB vertoont geen significante correlatie met de discrepantie tussen GKS-II en GKS-II-wens (p>.05).
Deel b ------
Wanneer de HAB-scores van de CVS-patienten worden onderverdeeld in een hoog- en een laaggroep, zal de discrepantie tussen de GKS-II en de GKS-II-wens significant groter zijn in de hooggroep dan in de laaggroep.
Voor deze hypothese is geen evidentie te vinden. De hooggroep (n=15) vertoont op geen van de 7 schalen een discrepantie die significant groter is dan de discrepantie van de laaggroep (n=15). De resultaten wijzen wel in de richting van de hypothese voor de schalen cohesie, expressie, conflict, organisatie en sociale orientatie. Hier is de discrepantie tussen de GKS-II en de GKS-II-wens steeds groter bij de hooggroep, maar de discrepantie is nooit significant groter.
In tegenstelling tot wat we verwachten vertoont de controlegroep wel enige mate van significantie. Op de schaal expressiviteit behaalt de hooggroep een gemiddelde score van 0.13 en de laaggroep een gemiddelde score van -1.33. Dit zorgt voor een significant verschil op .05 niveau (t(28)= -2.33, p<.05).
tabel 7 Gemiddelde verschilscores tussen de GKS-II en de GKS-II-wens over de HAB- hoog- en laaggroep -------------------------------------------------------------------------- CVS-patienten Controlepersonen -------------------------------------------------------------------------- GKS-GKSw hoog laag P hoog laag P -------------------------------------------------------------------------- cohesie -1.33 -0.93 .64 -0.93 -0.67 .43 expressiviteit -1.87 -0.33 .11 0.13 -1.33 .02* conflict 1.20 1.08 .87 1.80 0.53 .07 organisatie -1.87 -1.47 .63 -2.00 -1.13 .26 controle -0.40 -0.67 .58 -0.47 -0.93 .27 normen -0.20 -0.47 .62 -0.47 -0.53 .87 soco -2.33 -1.47 .23 -0.53 -0.67 .73 -------------------------------------------------------------------------- *p< .05
Deel c ------
Wanneer de HAB-scores worden samengebracht in 1 groep en worden opgesplitst volgens het klinische HAB-gemiddelde in een hooggroep (n=45) en een laaggroep (n=15), zal de discrepantie tussen de GKS-II en de GKS-II-wens significant groter zijn in de hooggroep dan in de laaggroep. Deze hypothese wordt niet bevestigd (p>.05).
tabel 8 Gemiddelde discrepantiescores voor de HAB-hoog- en laaggroep -------------------------------------------------------------------------- Hooggroep Laaggroep P -------------------------------------------------------------------------- GKS-GKSW
cohesie -1.13 -0.47 .21 expressiviteit -0.78 -1.07 .67 conflict 1.36 0.53 .18 organisatie -1.76 -1.20 .39 controle -0.47 -1.07 .10 normen -0.47 -0.27 .61 soco -1.27 -1.20 .89 --------------------------------------------------------------------------
6. Bespreking -------------
6.1. Gemiddelde scoringswaarden -------------------------------
De gemiddelde ruwe scores op de GKS-II en de GKS-II-wens, over de vier subgroepen, geven reeds enkele algemene tendensen aan met betrekking tot het ervaren familiaal functioneren. Met het patientmodel trachten we hun perceptie van het gezinsfunctioneren te exploreren terwijl ze persoonlijk ervaring hebben met CVS. Het partnermodel wordt gebruikt om hun ervaring van het gezinsfuntioneren te exploreren met de ervaring een partner te hebben met CVS. Door gebruik te maken van twee visies krijgen we een duidelijker beeld van de relatie tussen CVS en het gezinsfunctioneren. Deze visies worden vergeleken met twee gematchte controlegroepen die geen ervaring hebben met CVS of een andere chronische ziekte. Elke groep behaalt hogere scores op de GKS-II-wens dan op de GKS-II. Hieruit kunnen we afleiden dat alle onderzochte personen streven naar verandering binnen het gezin. Ze willen globaal genomen, een grotere onderlinge betrokkenheid ervaren tussen de gezinsleden, een makkelijker uiten van gevoelens en meningen, een betere organisatie van regels, taken en plichten, meer controle van de gezinsleden op elkaar, een duidelijker mening over normen en waarden en een grotere betrokkenheid op de sociale omgeving. Hiertegenover staat dat ze allemaal streven naar minder conflicten binnen het gezin.
Wanneer we de verschillende subgroepen met elkaar vergelijken blijkt dat de CVS-patienten beduidend lager scoren op de GKS-II subtesten, dan de controlepersonen. De CVS-patienten ervaren meer conflicten binnen het gezin, maar minder cohesie, expressie, organisatie, controle, normen en sociale orientatie, dan de controlepersonen. Deze verschillen zijn significant met betrekking tot de ervaren contacten met de sociale omgeving, de expressie van gevoelens en emoties en de onderlinge controle die gezinsleden op elkaar uitoefenen.
Dat CVS-patienten minder sociaal georienteerd zijn is toe te schrijven aan hun functiebeperkende ziekte, waarbij het contact met vrienden en kennissen vaak als eerste sneuvelt. Uit een onderzoek van Schweitzer et al. (1995) komt naar voor dat CVS-patienten zowel een reductie in het aantal vrienden kennen als een reductie in de hoeveelheid tijd die in het gezelschap van anderen wordt doorgebracht. Vaak gaat dit verlies aan vrienden samen met een gebrek aan begrip of aanvaarding van CVS. Voor 69% van deze CVS-populatie ging het lijden aan CVS gepaard met een beperking van hun sociale relaties tot enkele zeer goede, ondersteunende en begrijpende vrienden. Deze sociale contacten nemen niet enkel af omdat anderen minder contact zoeken, maar ook omdat de CVS-patient zelf de energie niet heeft om sociale contacten te onderhouden (Schweitzer et al., 1995). Dat de aanwezigheid van die enkele goede vrienden erg belangrijk kan zijn blijkt uit een onderzoek van Saltzstein, Wyshak, Hubbuch en Perry (1998). Uit hun onderzoek komt naar voor dat een positieve zelf-prognose significant geassocieerd is met de aanwezigheid van sociale steun. Ook vinden ze evidentie voor een associatief verband tussen een verbetering van de CVS-symptomen en de aanwezigheid van sociale steun. De gunstige invloed van sociale steun op gezondheid, stress en ziekte wordt eveneens uitgebreid beklemtoond door Taylor (1995). Wanneer mensen sociale steun ervaren kunnen ze de stress en moeilijkheden, die gepaard gaan met het lijden aan een ernstige chronische ziekte, beter hanteren.
In verschillende studies met kinderen (Garralda, 1992; Vereker, 1992) komt naar voor dat CVS-patienten het moeilijk hebben met het uiten van gevoelens, hier lijkt dit ook voor volwassenen bevestigd te worden. Hoe een beperkte expressiviteit en CVS met elkaar verbonden zijn is nog niet onderzocht. Het is niet duidelijk of het openlijk en direct bespreekbaar stellen van gevoelens en meningen bemoeilijkt wordt door CVS of dat problemen met expressiviteit voorafgaan aan CVS. Verder onderzoek is hier aangewezen.
Ten slotte komt uit de gegevens naar voor dat de CVS-patienten minder controle ervaren binnen het gezin dan de controlepersonen. Omdat we hier niet kunnen terugvallen op reeds gepubliceerde onderzoeken, kunnen we enkel hypothetische veronderstellingen formuleren die met de nodige voorzichtigheid moeten worden benaderd. Een mogelijke verklaring is dat een lagere controle-ervaring bij CVS-patienten teruggaat op de verschillende aanpassingen die een gezin ondergaat ten gevolge van de impact van CVS. De organisatie van het gezin kan sterk veranderen onder invloed van een chronische ziekte, waardoor de controle op de activiteiten van de verschillende gezinsleden afneemt. Men kan eveneens veronderstellen dat er minder controle zal worden uitgeoefend door de CVS-patient zelf omdat deze minder mobiel is en minder actief kan participeren aan het gezinsleven. Misschien wordt CVS beschouwd als een externe factor die het functioneren en het gezinsleven in grote mate bepaalt, waardoor het eigen controlegevoel afneemt. We kunnen ook niet uitsluiten dat een verminderde controle een gezinskenmerk is dat voorafging aan CVS in plaats van een gevolg te zijn van deze ziekte. Hoewel we op basis van de vaak beschreven actiegerichte en perfectionistisch ingestelde CVS-persoonlijkheid en levensstijl eerder een hoge premorbide controle zouden verwachten binnen deze gezinnen.
Opmerkelijk is dat niet alleen de CVS-patienten minder cohesie, expressiviteit, organisatie, controle, normen en sociale betrokkenheid ervaren, maar ook hun partners. Hoewel de CVS-partners hun gezinsfunctioneren anders ervaren dan de controlepartners is er enkel significantie voor een lagere sociale betrokkenheid en minder controle. We kunnen veronderstellen dat het gezin als geheel minder uithuizig wordt en minder sociale contacten onderhoudt wegens de veranderingen die ze kennen ten gevolge van een gezinslid dat lijdt aan CVS. De CVS-partner ervaart minder controle binnen het gezin dan de controlepartner. Dit kan te wijten zijn aan de verandering in gezinsorganisatie, waardoor een controle op elkaars handelen afneemt. We kunnen het ook toeschrijven aan de extra takenpakket dat de partner krijgt toebedeeld, wanneer de patient niet langer in de mogelijkheid is dit in te vullen. Door deze extra belasting blijft er mogelijks weinig tijd over voor het controleren van de andere gezinsleden. Opnieuw kunnen we niet uitsluiten dat een lage controle reeds voorafging aan CVS.
Hoewel de scores van het gewenste gezinsfunctioneren voor alle subgroepen hoger liggen dan de scores van het huidige gezinsfunctioneren, zijn er tussen de subgroepen nog steeds verschillen. Het gewenste gezinsfunctioneren van CVS-patienten en hun partners ligt op enkele gebieden significant lager dan het gewenste gezinsfunctioneren van hun respectievelijke controlegroepen. We moeten opnieuw voorzichtig zijn met interpretaties, aangezien deze personen misschien premorbide aan CVS ook andere verwachtingen en wensen hadden wat betreft het gezinsfunctioneren.
De CVS-patienten wensen significant minder expressiviteit, organisatie, controle en sociale orientatie dan de controlepersonen. Het minder expressief zijn van CVS-patienten kan er toe bijdragen dat ze op wensniveau minder streven naar de mogelijkheid openlijk en direct te spreken over meningen en gevoelens. CVS-patienten hechten in hun ideale of gewenste gezinsfunctioneren ook significant minder belang aan organisatie dan hun controlepopulatie. Een plausibele verklaring voor dit verschil ligt in de invloed die CVS kan hebben uitgeoefend op de gezinsorganisatie. Regels, taken en plichten kunnen een behoorlijke verandering hebben ondergaan. Zo veronderstellen we dat vooral de taakverdeling een sterke wijziging kan ondergaan onder invloed van CVS. In een onderzoek van Schweitzer et al. (1995) vermelde 48% van de onderzochte CVS-patienten dat familieleden de verantwoordelijkheid opnemen voor taken die zij anders uitvoerden. Een dergelijke rolherverdeling kan met zich meebrengen dat CVS-patienten realiseren dat een flexibeler taakorganisatie eveneens werkbaar en efficient is, waardoor ze minder gaan streven naar een strikte gezinsorganisatie dan mensen die een dergelijke ervaring niet hebben.
Verder streven CVS-patienten minder controle en sociale betrokkenheid na buiten het gezin dan de controlegroep. Het streven naar minder controle kan voortkomen vanuit de ervaring dat het gezin ook functioneert zonder dat de gezinsleden een controlerende invloed uitoefenen op elkaars doen en laten. Het nastreven van minder sociale betrokkenheid, kunnen we mogelijks verklaren door de grote sociale betrokkenheid die CVS-patienten vaak voorafgaand aan hun ziekte vertoonden. Van Houdenhove et al. (1995) vermelden dat CVS-patienten naast een overactieve levensstijl waarin ze streefden naar perfectie en prestaties, vaak erg sociaal gedreven en bekommerd waren. Ze stelden hoge eisen aan interpersoonlijke relaties en waren steeds bezig met 'dingen doen' voor anderen (Lewis, Cooper en Bennett, 1994). Ze maakten graag anderen gelukkig en konden moeilijk 'nee' zeggen.Vanuit deze typering van CVS-patienten kunnen we veronderstellen dat ze, nu ze ziek zijn, inzien dat een dergelijke sociale inzet niet langer houdbaar is. Ze kunnen besluiten dat een verandering van levensstijl noodzakelijk is en bijgevolg minder sociale betrokkenheid wensen dan de controlepersonen die een dergelijke ervaring niet kennen. Ware (vermeld in Lewis et al., 1994) vond evidentie voor een algemene vertraging in de levensstijl van CVS-patienten, we kunnen veronderstellen dat daar ook een vermindering van sociale betrokkenheid bijhoort. Ook reakties van onbegrip, ongeloof en irritatie uit de sociale omgeving van CVS-patienten kunnen ervoor zorgen dat men niet alleen nu minder sociale contacten heeft (Schweitzer et al., 1995), maar dat men ook in de toekomst liever een veilige afstand hanteert naar sociale contacten en sociale betrokkenheid toe. De CVS-partner wenst significant minder expressie van gevoelens en emoties, minder controle binnen het gezin en minder sociale betrokkenheid dan de controlepartners. We kunnen hier opnieuw de redeneringen gevolgd bij de patient toepassen op de partner.
6.2. Hypothese 1 ----------------
In literatuur en in onderzoeken rond CVS wordt herhaaldelijk melding gemaakt van een moeilijk uiten van gevoelens (Garralda, 1992; Vereker, 1992) en een verlies of verminderen van sociale contacten (Schweitzer et al., 1995) bij CVS-patienten. De gemiddelde scoringswaarden van de hier onderzochte patientenpopulatie wijzen eveneens in de richting van minder expressiviteit en minder sociale betrokkenheid dan de controlepopulatie. Anderzijds wordt in literatuur rond prestatiegerichtheid en CVS vermeld dat CVS-patienten premorbide een grote actiebereidheid vertoonden en taken perfectionistisch benaderden (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998). Naar aanleiding van deze laatste, hoofdzakelijk anekdotische gegevens verwachten we een sterk georganiseerd en gecontroleerd gezinsfunctioneren met veel aandacht voor de normen die de gezinsleden hanteren. De schaal normen van de GKS-II is een samenvoeging van de schaal prestatiegerichtheid en de schaal normen en waarden van de GKS. Daarom kunnen we niet alleen op basis van verhoogde normgerichtheid een hoge score verwachten, maar ook op basis van een prestatiegerichte levensstijl.
Omdat we ervan uitgaan dat zowel de patient als diens partner en kinderen een invloed ondervinden van CVS, wordt hier het huidige gezinservaren van de CVS-koppels vergeleken met het huidige gezinservaren van de gematchte controlekoppels.
Uit deze vergelijking komt naar voor dat CVS-koppels significant minder expressief zijn dan controlekoppels. Dit kan wijzen op een gezinsklimaat waar weinig ruimte en mogelijkheid wordt geschonken aan het uiten van gevoelens en aan het uitwisselen van meningen. Toch moeten we opletten met dergelijke interpretaties, aangezien uit de ruwe gemiddelde scores bleek dat vooral de patient melding maakt van een beperkte expressiviteit. Verder geven CVS-koppels aan dat ze een beperking ervaren in sociale contacten. Hier geven zowel patient als partner aan dit als een beperking te ervaren en kunnen we veronderstellen dat het hele gezin minder sociale betrokkenheid kent. Aangezien de koppels gematcht zijn aan elkaar qua leeftijd, geslacht, opleiding en huwelijksduur, kunnen we aannemen dat CVS aan de basis ligt van het het verschil in expessiviteit en sociale orientatie dat CVS-koppels en controlekoppels vertonen.
In tegenstelling tot wat we verwachten is het gezinsfunctioneren niet sterker georganiseerd in CVS-gezinnen met betrekking tot regels, taken en verplichtingen en zijn ze ook niet meer normgericht dan de gematchte controlepopulatie. De controlekoppels ervaren significant meer controle binnen het gezin dan de CVS-koppels, een bevinding die lijnrecht tegen onze hypothese ingaat. Verklaringen voor dit resultaat liggen niet voor de hand en zijn louter speculatief. Zo kunnen we veronderstellen dat de controle door de impact van CVS op het gezin, is afgenomen. Een afspraak zal makkelijker worden verzet of afgezegd naargelang de toestand van de patient, het toezicht op de kinderen neemt af omdat men zich niet in staat voelt voortdurend op hen betrokken te zijn. Dit laatste wordt enigszins teruggevonden in een onderzoek van Schweitzer et al. (1995). Van de onderzochte CVS-patienten verklaart 30% dat ze minder energie hebben voor familiale activiteiten, vooral activiteiten samen met de kinderen vragen te veel energie. Mogelijk vergt het uitvoeren van controle op het doen en laten van de verschillende familieleden te veel energie van de patient zelf en ook van diens partner. We mogen niet vergeten dat de partner van een CVS-patient vaak een verzwaring van zijn takenpakket kent. Naast het buitenhuiswerk, komen er vaak extra huishoudelijke taken bij die eerst door de patient werden uitgevoerd. Ook de verzorging en begeleiding van de kinderen komt meer terecht op de schouders van de CVS-partner. We kunnen veronderstellen dat controle 1 van de eerste ouderlijke functies is die aan belang inboet in extreme omstandigheden zoals ernstige ziekte. Mogelijks zijn deze gegevens ook een indicatie voor het multidimensionele karakter van overactiviteit. We kunnen ervan uitgaan dat controle en overactiviteit nog twee duidelijk onderscheiden concepten zijn, waaruit volgt dat een overactieve levensstijl niet noodzakelijk gepaard gaat met een sterke behoefte aan controle.
6.3. Hypothese 2 ----------------
CVS is een ernstige functiebeperkende ziekte die niet enkel beperkingen oplegt aan de patient maar aan het hele gezinssysteem (Goodwin,1997). Vanuit deze bewering verwachten we dat CVS-koppels een grotere ontevredenheid tonen met het huidige gezinsfunctioneren en streven naar meer verandering dan controlekoppels. De ideale gezinssituatie van de koppels die geconfronteerd werden met CVS zou volgens onze hypothese meer afwijken van hun huidige gezinsfunctioneren dan bij koppels die geen ernstige functionele beperkingen ervaren. Deze hypothese wordt enkel bevestigd met betrekking tot het sociale functioneren. De onderzochte CVS-koppels streven vanuit het huidige gezinsfunctioneren naar een significant grotere betrokkenheid op de sociale omgeving dan de onderzochte controlekoppels. We kunnen hierbij veronderstellen dat CVS-gezinnen vooral streven naar een grotere sociale berokkenheid, omdat dit in het huidige gezinsfunctioneren als een gemis wordt ervaren. In de controlegezinnen, waar deze mogelijkheid niet extern door ziekte beknot wordt, zijn beperkte sociale contacten eerder een keuze dan een door ziekte opgelegd verlies. De betrokken CVS-koppels streven ook naar meer onderlinge samenhang dan de controlekoppels en ze verlangen naar meer openheid in het uiten van hun gevoelens en meningen. Doch, de CVS-koppels wensen dit niet in siginificant groter mate dan de controlekoppels, zodat we hieruit geen duidelijke conclusie kunnen trekken.
6.4. Hypothese 3 ----------------
Binnen de CVS-gezinnen verwachten we dat vooral de patient de beperkingen van CVS ervaart en verlangt naar een ideale gezinssituatie waarin de ziekte geen beknotting geeft van mogelijkheden. Uit de gegevens blijkt dat CVS-patienten in hun ideale gezinssituatie streven naar significant meer organisatie, meer normen en meer sociale betrokkenheid dan hun partners. De wens naar meer sociale betrokkenheid komt vermoedelijk voort vanuit de sociale beperkingen die ze ervaren. Aangezien vooral de patient het risico loopt in een sociaal vacuum terecht te komen en een grotere mate van beperking ervaart, is het niet verwonderlijk dat patient en partner hier significant van elkaar verschillen. De partner beschikt over het algemeen over meer sociale bewegingsvrijheid dan de patient, de partner is nog meer uithuizig en voelt bijgevolg minder de behoefte aan meer sociale contacten.Blijkbaar wensen CVS-patienten ook een betere hantering van regels, taken en verplichtingen binnen het gezin dan de partners. Dit kan men toeschrijven aan een gemis aan betrokkenheid in het gezin, het niet meer kunnen instaan voor taken die eerst tot hun takenpakket behoorden en het minder greep hebben op wat er al dan niet wordt gedaan. Wanneer een nieuwe taakverdeling nodig is binnen een gezin omdat 1 van de leden voor langere tijd ziek is, kan dit vooral in het begin vrij stroef verlopen. Zo lezen we bij Schweitzer et al. (1995) dat de rolherverdeling in 22% van de onderzochte gevallen werd teniet gedaan door een kwade, gekrenkte en gefrustreerde houding van de CVS-patient naar familieleden toe. Schweitzer et al. (1995) besluiten uit hun onderzoek dat het verlies van waardevolle rollen een diepgaande impact heeft op het leven van CVS-patienten. We kunnen veronderstellen dat het gemis aan een actieve betrokkenheid bij de gezinsorganisatie ervoor zorgt dat CVS-patienten dit meer nastreven dan hun partners die nu vaak actiever betrokken zijn bij de gezinsorganisatie dan voordien. De onderzochte groep CVS-patienten geeft ook aan meer belang te willen hechten aan het denken over normen en waarden dan hun partners. Omdat de schaal normen ook het aspect prestatiegerichtheid omvat, kunnen we veronderstellen dat dit mede zorgt voor een hoge wensscore op normen.
Wanneer we het volledige gezinsfunctioneren zoals het ervaren wordt door de patient vergelijken met de ervaring van de partner, blijkt dat de patient significant meer verandering wenst. We kunnen veronderstellen dat de patient meer in onvrede leeft met de ervaring die hij heeft van het huidige gezinsfunctioneren en vandaaruit meer verandering wil. Deze onvrede kunnen we toeschrijven aan de beperkingen die CVS oplegt aan het functioneren van een persoon, uiteindelijk ondervindt de patient de meeste ongemakken van deze chronische ziekte. Zoals verwacht worden er geen significante verschillen gevonden tussen de controlepersoon en diens partner. Dit versterkt onze indruk dat de gevonden significanties bij de CVS-patient en diens partner toe te schrijven zijn aan de aanwezigheid van CVS binnen het gezin.
6.5. Hypothese 4 ----------------
CVS-patienten worden vaak omschreven als prestatiegerichte en perfectionistische mensen met een buitengewone inzet die neigt naar overactiviteit (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998; Wemekamp, 1992; Lewis, 1996, Sharpe et al., 1997; Ray et al., 1998). Dergelijke beweringen steunen veelal op klinische ervaring, aangezien systematisch onderzoek naar de premorbide levensstijl van CVS-patienten nog steeds schaars is. In 1994 onderzochten Lewis, Cooper en Bennett de aanwezigheid van type-A-gedrag bij CVS-patienten, ze ontdekten dat CVS-patienten inderdaad erg gedreven zijn, met een actieve levensstijl. In 1995 verschijnt er een eerste studie die specifiek gericht was op actiebereidheid. Met behulp van de Vragenlijst voor Habituele Actiebereidheid, werden de vele klinische indrukken op systematische en gecontroleerde wijze bevestigd (Van Houdenhove et al.,1995). Na deze studie volgden er in 1996 en 1997 nog twee studies van Neerinckx et al. (vermeld in Van Houdenhove & Neerinckx, 1998) die de resultaten van de eerste studie verder ondersteunen.
In de reeds gevoerde onderzoeken, werd de premorbide actiebereidheid van CVS-patienten steeds vergeleken met de premorbide actiebereidheid van patienten met chronisch-organische of chronisch-psychiatrische aandoeningen of met chronische pijn. Dit thesisonderzoek vergelijkt voor het eerst de premorbide actiebereidheid van een CVS-groep met de actiebereidheid van een zorgvuldig gematchte gezonde controlegroep. We stellen we vast dat de ondervraagde CVS-patienten premorbide een grotere actiebereidheid vertonen dan de controlepatienten en deze resultaten kunnen niet verklaard worden door geslacht, leeftijd, opleidingsniveau of huwelijksduur. Dit onderzoek bevestigt nogmaals wat anekdotisch al zo vaak werd vastgesteld, CVS-patienten zijn meer actiebereid dan anderen.
6.6. Hypothese 5 ----------------
Het eerste deel van deze hypothese maakt ons duidelijk dat mensen met een hoge actiebereidheid, meer normgericht zijn en minder sociaal georienteerd. Het positieve verband tussen actiebereidheid en normgerichtheid kan worden toegeschreven aan het aspect prestatiegerichtheid dat deel uitmaakt van de schaal normen. Anderzijds is het mogelijk dat mensen met een hoge actiebereidheid veel belang hechten aan de normen die er binnen het gezin gehanteerd worden. Het negatieve verband met sociale orientatie kan wijzen op een gepreoccupeerd zijn met werk, taken en verplichtingen. Een dergelijk druk bezig zijn, kan een negatieve invloed hebben op de tijd die genomen wordt voor ontspanning en voor sociale contacten.
Vanuit de grote actiebereidheid die CVS-patienten premorbide toonden, redeneerden we dat voor mensen met een erg grote actiebereidheid de stap naar geen of een erg beperkte activiteit het grootst moest zijn. We gingen ervan uit dat deze subgroep zich moeilijker kan aanpassen aan een leven vol functionele beperkingen en dat de impact op het gezinsfunctioneren bij deze patienten groter is dan bij CVS-patienten met een relatief lage premorbide actiebereidheid. We veronderstelden dat ze vanuit een grotere onvrede met het huidige gezinsfunctioneren zouden streven naar meer verandering. We vinden geen evidentie voor deze hypothese, al wijzen enkele resultaten wel in de verwachte richting. Mensen die premorbide een erg grote actiebereidheid toonden, streven naar meer samenhang binnen het gezin, naar een directere expressie van gevoelens en meningen tussen de gezinsleden, naar een betere organisatie van regels, taken en verplichtingen en naar een grotere betrokkenheid op de sociale omgeving, maar deze resultaten zijn niet significant. Aangezien de redenering achter de hypothese van functionele beperking niet kan gevolgd worden voor de controlegroep, verwachten we geen significante verschillen aan te treffen tussen de mensen met een grote actiebereidheid en diegenen met een lage actiebereidheid. Tegen onze verwachting in treffen we wel een significant verschil aan; de hoge actiebereidheidsgroep verlangt minder expressiviteit in het gewenste gezinsfunctioneren, terwijl de lage actiebereidheidsgroep meer expressiviteit verlangt. Een verklaring voor dit verschil hebben we niet. We kunnen enkel veronderstellen dat mensen met een hoge actiebereidheid, het praten over gevoelens en het uiten van hun meningen als een overbodig of vervelend iets beschouwen dat ze liefst zo beperkt mogelijk houden.
Deel c ------
We stelden onszelf vervolgens de vraag of actiegerichtheid op zich, los van een klinische diagnose aanleiding zou geven tot een verschil in discrepantie tussen het huidige en het gewenste gezinsfunctioneren. We vreesden voor een plafondeffect in deel b van hypothese 5, omdat CVS-patienten reeds een hoge actiebereidheid kennen. Een opsplitsing bij CVS-patienten zou ons een heel hoge actiebereidheidsgroep opleveren en een hoge actiebereidheidsgroep. De differentiatie tussen beide groepen zou wel eens erg klein kunnen zijn en de resultaten minder betrouwbaar. We kozen daarom voor een opsplitsing volgens klinisch gemiddelde over de groepen heen. Hierbij veronderstelden we dat de CVS-patienten automatisch tot de hooggroep zouden behoren. Deze werkwijze levert evenmin een significant resultaat. Blijkbaar is het niet zo dat prestatiegerichtheid op zich het gezinsfunctioneren beinvloed, net zo min als prestatiegerichtheid binnen de CVS-groep een invloed uitoefent op het gezinsfunctioneren. We concluderen hieruit dat de mate van actiebereidheid geen invloed heeft op de mate van tevredenheid over het gezinsfunctioneren. Het is niet zo dat hoog actiegerichte mensen naar meer verandering streven in het gezin, dan laag actiegerichte mensen.
6.7. Beperkingen van het onderzoek ----------------------------------
Deze studie kent een aantal beperkingen en de resultaten moeten dan ook met de nodige voorzichtigheid geinterpreteerd worden.
Een eerste beperking die we kunnen aanhalen met betrekking tot het gevoerde exploratieve onderzoek is dat het geen causaal etiologisch conclusies mogelijk maakt. We kunnen enkel vaststellen dat er een verband is tussen CVS en bepaalde factoren van het gezinsfunctioneren, maar we kunnen niets zeggen over de aard en richting van het verband. Om causaal etiologische conclusies mogelijk te maken is er naast een prospectieve studie ook een retrospectieve studie noodzakelijk.
Een tweede beperking is dat we voor de gegevens over levensstijl en overactiviteit steunen op een retrospectief onderzoek naar actiebereidheid. Ten eerste omvat de premorbide overactieve levensstijl van CVS-patienten veel meer aspecten dan kan worden gevat in de term actiebereidheid. Ten tweede kunnen retrospectieve beoordelingen over het premorbide activiteitsniveau onbetrouwbaar zijn, ze kunnen een vertekening zijn van de werkelijkheid ten gevolge van CVS. Tegenevidentie voor een vertekende zelfbeschrijving vinden we bij Neerinckx et al. (1997), hun onderzoek wees uit dat er geen significant verschil bestond tussen de gemiddelde HAB-scores van de patienten en de beoordeling door betekenisvolle derden (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998). Ten derde hebben we voor dit onderzoek de retrospectieve actiebereidheidsgegevens van CVS-patienten vergeleken met de huidige actiebereidheidsgegevens van controlepersonen. Hoewel er geen oplossing voorhanden is voor een dergelijke methodologische tekortkoming, is het wel een vermelding waard.
Ten derde moeten we vermelden dat het gebruik van vragenlijsten slechts een beperkt beeld geeft van het onderzochte domein. De GKS-II en de GKS-II-wens bestrijken maar een klein aspect van het gezinsfunctioneren, waardoor er slechts beperkte conclusies kunnen getrokken worden. De onderzoeksgroepen zijn vrij klein, waardoor de gegevens met de nodige voorzichtigheid moeten geinterpreteerd worden. Verregaande conclusies met betrekking tot de CVS-populatie in het algemeen zijn op basis van dit onderzoek niet mogelijk. Dit onderzoek naar het gezinsfunctioneren is een van de eersten in zijn soort, waardoor de bekomen resultaten met de nodige waakzaamheid moeten geinterpreteerd worden. Wel zijn de bevindingen van dit onderzoek een aanzet voor later, meer gespecificeerd onderzoek. Het verdient aanbeveling dat de verschillende aspecten van het huidige gezinsfunctioneren meer in detail worden onderzocht, waarbij men nagaat of deze aspecten in het premorbide gezinsfunctioneren op dezelfde manier vertegenwoordigd werden. Met een onderzoek dat zowel het premorbide, het huidige en het ideale gezinsfunctioneren nagaat, kan men de impact van CVS op het gezinsfunctioneren nagaan.
Een pluspunt van het hier gevoerde onderzoek is dat niet alleen de patienten onderzocht werden, maar ook hun partner. Door zowel het patientmodel als het partnermodel te hanteren konden we het gezinsfunctioneren exploreren vanuit het standpunt van mensen die persoonlijk ervaring hebben met CVS en vanuit het standpunt van mensen met de ervaring een partner te hebben met CVS. Dit leverde ons een meer genuanceerd en uitgebreider beeld van het gezinsfunctioneren, dan een patientonderzoek alleen zou hebben gedaan.
Een tweede pluspunt is de zorgvuldige matching die werd doorgevoerd naar de controlegroep toe. Voor zover ons bekend is er voor het eerst een onderzoek gevoerd naar gezinsfunctioneren en CVS met een controlegroep die zowel voor de patient als diens partner gematcht werd naar geslacht, leeftijd, opleiding en huwelijksduur.
7. Besluit ----------
Op basis van de onderzoeksgegevens kunnen we ervan uitgaan dat CVS-gezinnen en gezonde gezinnen, die gematcht zijn qua geslacht, leeftijd, opleidingsniveau en huwelijksduur, verschillen in de beleving van het gezinsfunctioneren. We gaan er vanuit dat CVS hierin een belangrijke rol speelt, zoniet de hoofdrol.
1. Een indicatie voor een verschil in gezinsfunctioneren tussen CVS-koppels en controlekoppels, vinden we in de expressiviteit en sociale betrokkenheid die CVS-koppels significant (p<.05 en p<.0001) minder ervaren dan controlekoppels en in het significant minder ervaren van controle (p<.05) binnen CVS-gezinnen. Hier tegenover staat dat er, tegen onze verwachting in, geen significant verschil is tussen CVS-koppels en controlekoppels in de ervaren organisatie en normen (p>.05).
2. We vinden ook enige evidentie voor een significant groter verschil tussen het huidige en het gewenste gezinsfunctioneren bij CVS-koppels dan bij controlekoppels. De ervaren sociale betrokkenheid binnen CVS-gezinnnen verschilt in die mate van de gewenste sociale betrokkenheid dat de discrepantie tussen beide significant groter is dan bij controlekoppels (p<.05).
3. De verwachting dat CVS-patienten een significant groter verschil zouden vertonen tussen het huidige gezinsfunctioneren en het gewenste, wordt globaal bevestigd (p<.05). De CVS-patient blijkt vooral wat betreft de familiale organisatie (p<.05), de familiale normen (p<.05) en de sociale betrokkenheid (p<.01) van het gezin een significant groter discrepantie te vertonen dan de partner. Voor de schalen cohesie, expressiviteit, conflict en controle worden geen significante verschillen gevonden tussen CVS-patient en partner.
4. We vinden, in aansluiting bij voorgaande onderzoeken, dat de premorbide habituele actiebereidheid van de CVS-patienten significant groter is dan de huidige actiebereidheid van de controlepersonen (p<.05).
5. Tenslotte vinden we significante correlaties tussen actiebereidheid en normen en tussen actiebereidheid (p<.05) en sociale orientatie (p<.005). Uit deze gegevens blijkt dat een hogere actiebereidheid samenhangt met een hogere normgerichtheid en met een lagere sociale orientatie. Voor een verdere invloed van de mate van actiebereidheid op het gezinsfunctioneren konden we geen evidentie vinden. CVS-patienten met een hoge premorbide actiebereidheid vertoonden geen grotere discrepantie tussen het huidige en het gewenste gezinsfunctioneren (p>.05). Ook een algemene hoge actiebereidheidsgroep, los van enige klinische diagnose, kent geen grotere discrepantie tussen het huidige en het gewenste gezinsfunctioneren dan een lage actiebereidheidsgroep (p>.05). Totaal onverwacht blijken de hoog actiegerichte controlepersonen, significant minder expressiviteit na te streven dan de laaggroep. Het is zelfs zo dat de hooggroep van de controlepersonen minder expressiviteit wenst dan ze momenteel ervaart (p<.05).
We kunnen dus concluderen dat CVS-gezinnen en gezonde gezinnen verschillen in de subjectieve beleving van expressiviteit, sociale orientatie en normgerichtheid binnen het gezin. Verder willen CVS-patienten meer verandering in gezinsorganisatie, normen en sociale orientatie dan hun partners. Ons onderzoek bevestigt nogmaals de grote premorbide actiebereidheid van CVS-patienten, maar levert geen evidentie voor een invloed van het actiebereidheidsniveau op het gezinsfunctioneren.
De meeste verklaringen voor de bevindingen gedaan tijdens dit onderzoek, zijn louter speculatief. Omdat de verklaring vaak puur hypothetisch zijn moeten ze met de nodige voorzichtigheid benaderd worden. Bijkomend onderzoek is nodig om tot sluitende conclusies te komen.
DEEL III BESLUIT ------------------
Met deze verhandeling trachtten we een wetenschappelijk gefundeerde bijdrage te leveren tot de huidige kennis over de relatie tussen CVS, het familiale functioneren en actiebereidheid. We kaderden dit thesisonderzoek binnen het multifactoriele, biopsychosociale denken. Dit kader heeft aandacht voor zowel de predisponerende, de uitlokkende als de onderhoudende factoren. We kozen voor een verder onderzoeken van twee psychosociale factoren, namelijk de habituele actiebereidheid van CVS-patienten en hun gezinsfunctioneren. Het onderzoek is louter exploratief en laat geen conclusies over de richting van beinvloeding toe, het toont ons enkel of er relaties aanwezig zijn tussen CVS, habituele actiebereidheid en het gezinsfunctioneren.
Uit de aan het onderzoek voorafgaande literatuurstudie komt naar voor dat er heel wat anekdotisch materiaal bestaat voor de aanwezigheid van een premorbide, overactieve levensstijl bij CVS-patienten. Enkele onderzoeken bevestigen dit, maar het onderzoek is nog steeds schaars. In literatuur over CVS en familie komen aspecten zoals een verminderde expressiviteit en weinig sociale contacten regelmatig terug, doch het systematisch onderzoek naar deze en andere factoren van het gezinsfunctioneren is nog steeds zeer beperkt. Onderzoekers wijzen er steeds op dat meer onderzoek nodig is, helaas blijft het familiale functioneren een hoofdzakelijk onontgonnen gebied.
In ons eigen onderzoek hebben we aan de hand van twee gezinsvragenlijsten 30 CVS-patienten en hun partners en 30 zorgvuldig gematchte controlepersonen en hun partners onderzocht op het familiale functioneren. Daarnaast werden de 30 CVS-patienten vergeleken met de 30 controlepersonen wat betreft hun habituele actiebereidheidsniveau. Voor zover ons bekend is dit de eerste maal dat er een dergelijk gecontroleerd onderzoek wordt gevoerd naar het ervaren gezinsfunctioneren van CVS-patienten en hun partners. Ook het onderzoek naar habituele actiebereidheid zou voor het eerst met een zorgvuldig gematchte gezonde controlegroep plaatsvinden.
* We kunnen vaststellen dat CVS-gezinnen beduidend minder mogelijkheden ervaren voor het direct en openlijk uiten van hun gevoelens en meningen. Dit blijkt een aspect van het gezinsfunctioneren te zijn dat vooral de patient ervaart en waarin deze graag verandering zou brengen. Naast de subjectieve beleving van een beperkte expressiviteit, ervaren CVS-koppels een ernstige beknotting van hun sociale functioneren in vergelijking met gezonde koppels. Niet alleen ervaren ze dit als een enorme beperking, ze streven ook naar een significant grotere verandering op dit gebied dan de controlekoppels. Een mogelijke verklaring is dat gezonde koppels geen externe beperking van hun sociale betrokkenheid ervaren, waardoor ze ook niet gaan streven naar meer sociale contacten. Hoewel CVS-koppels qua sociale orientatie een significante afwijking vertonen tussen het huidige en het gewenste gezinsfunctioneren, stellen zowel CVS-patient als partner zich tevreden met een gewenst sociaal niveau dat onder dat van gezonde controlepersonen ligt. We kunnen veronderstellen dat CVS-patienten en hun partners ook de nadelen van intensieve sociale contacten hebben leren kennen waardoor ze nu het liever rustiger aan doen en de nodige afstand bewaren. Een opvallend gegeven is dat controlekoppels aangeven meer controle te ervaren dan de CVS-koppels, ook op wensniveau streven controlepersoon en diens partner naar significant meer controle dan de CVS-patient en diens partner. We kunnen veronderstellen dat CVS-koppels onder invloed van de veranderingen die CVS met zich meebrengt minder controle konden uitoefenen, iets wat uiteindelijk niet als een tekort ervaren wordt. De lage scores op controle en de hoge op actiebereidheid wijzen op het multidimensionele karakter van de term overactiviteit. We kunnen concluderen dat een grote behoefte aan controle niet onder het concept overactiviteit valt.
* Ook binnen het CVS-koppel, tussen de patient en diens partner, blijken er significante verschillen te zijn. Zo blijkt dat CVS-patienten meer normen, meer sociale betrokkenheid en een betere gezinsorganisatie wensen dan CVS-partners. We kunnen de behoefte aan meer normen toeschrijven aan het aspect prestatiegerichtheid dat in deze factor aanwezig is. Dat de patient meer sociale betrokkenheid wenst is begrijpelijk vanuit de sociale beperkingen die vooral zij ervaren. De patient heeft minder sociale bewegingsvrijheid dan de partner. Het feit dat de patient minder of niet meer actief kan deelnemen aan de gezinsorganisatie, kan ervoor zorgen dat de patient meer verandering zou willen dan de partner die na CVS vaak een grotere rol gaat spelen in de organisatie van het familiale functioneren. We kunnen besluiten dat de patient meer beperkingen ervaart en meer ontevredenheid vertoont dan de partner en van daaruit streeft naar meer verandering in het globale gezinsfunctioneren
* Ons onderzoek bevestigt nogmaals dat CVS-patienten een grotere actiebereidheid hebben dan controlepersonen, een indicatie voor een meer actieve premorbide levensstijl.
* Uit verder onderzoek merken we dat een hoge actiebereidheid gepaard gaat met meer belang voor normen en waarden binnen het gezin en een verminderde sociale orientatie. Toch blijken hoog actiebereide CVS-patienten niet meer ontevredenheid te tonen met hun huidige gezinsfunctioneren dan laag actiegerichte patienten, iets wat verwacht werd op basis van het moeilijker verwerken van de beperkingen die CVS met zich meebrengt. Ook los van een mogelijke CVS-diagnose vinden we geen invloed van een hoge actiebereidheid op het gezinsfunctioneren. De hypothese dat mensen met een hoge actiebereidheid ook binnen het gezinsfunctioneren naar steeds meer streven wordt niet bevestigd. Tegen onze verwachtingen in vinden we dat hoog actiegerichte controlepersonen minder expressiviteit verlangen dan laag actiegerichte gezonde personen. Dit beantwoordt aan het alexithemie-concept. Mogelijk vinden ze het spreken over emoties en meningen een overbodigheid die beter ingevuld kan worden door actief bezig zijn, niet denken maar doen.
Concluderend kunnen we stellen dat onze resultaten wijzen op een verschil in gezinsfunctioneren tussen CVS-patienten en partners en tussen CVS-koppels en controlekoppels. Het lijkt ons daarom aangewezen in de klinische praktijk zeker de partner en indien mogelijk ook het gezin te betrekken bij de behandeling. Wetenschappelijk bekeken vraagt het familiale functioneren van CVS-patienten nog veel onderzoek. Niet alleen het huidige gezinsfunctioneren, maar ook het premorbide gezinsfunctioneren verdienen hierbij de aandacht, zo kunnen causale conclusies over CVS en familie getrokken worden. De gegevens leveren opnieuw een bewijs voor de overactieve levensstijl van CVS-patienten, waar op anekdotische basis reeds veel evidentie bestond. Deze overactieve levensstijl zou in de klinische praktijk via cognitieve herstructurering kunnen gemodelleerd worden. Toch vraagt ook dit domein nog verder onderzoek. Hiervoor heeft men een onderzoeksinstrument nodig dat aandacht heeft voor de specifieke aspecten van de overactieve levensstijl van CVS-patienten.
Dat we geen invloed vinden van de mate van actiebereidheid op het gezinsfunctioneren, kan eveneens een uitnodiging zijn tot verder onderzoek.
Aangezien het hele gebied rond familiaal functioneren en overactiviteit onderzoekswetenschappelijk een beetje stiefmoederlijk in de kou staat, zou een verder onderzoek van deze psychosociale factoren een aanvulling zijn voor het reeds gevoerde onderzoek naar CVS.
REFERENTIES -----------
Abbey, S.E., & Garfinkel, P.E. (1991). Chronic fatigue syndrome and depression: cause, effect, or covariate. Reviews of Infectious Diseases, supplement 1, S73-S83
Bell, K.M., Cookfair, D., Bell, D.S., Reese, P., & Cooper, L. (1991). Risk factors associated with chronic fatigue syndrome in a cluster of pediatric cases. Reviews of Infectious Diseases, supplement 1, S32-S38
Bleijenberg, G. (1997). Attributies en chronische vermoeidheid. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 31, 1510-1512.
Carter, B.D., Kronenberger, W.G., Edwards, J.F., Michalczyk, L., & Marshall, G.S. (1996). Differential diagnosis of chronic fatigue in children: behavioral an emotional dimensions. Journal of Developmental and Behavioral Pediatrics, 17, 16-21
Daems, W. (1995). Altijd moe. EOS, 6, 36-44
Deale, A., Chalder, T., Marks, I. & Wessely, S. (1997). Cognitive behaviour therapy for chronic fatigue syndrome: a randomized controlled trial. American Journal of Psychiatry, 154, 408-414.
De Jong, L., Prins, J., Fiselier, Th., Weemaes, C., Meijer-Van den Bergh, E., & Bleijenberg, G. (1997). Het chronisch vermoeidheidssyndroom bij jongeren. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 31, 1513-1516.
De Ronn, A. (1998, 14 april). Chronisch Vermoeid: doorbraak of hersenschim? De Morgen, p. 9.
Dirken, J.M. (1970). De vragenlijst voor Habituele Aktie Bereidheid: Handleiding, Normen, Betrouwbaarheid en Validering. Groningen: Wolters-Noordhoff nv.
Flett, G.L., Hewitt, P.L., Blankstein, K.R., & Dynin, C.B. (1994). Dimensions of perfectionism and type A behaviour. Journal of Personal and Individual Differences, 16, 477-485.
Freudenberger, H.J. (1974). Staff burn-out. Journal of social issues, 30 (1), 159-165.
Frost, R.O., Marten, P., Lahart, C., & Rosenblate, R. (1990). The dimensions of perfectionism. Cognitive Therapy and Research, 14, 449-468.
Fukuda, K., Straus, S.E., Hickie, I., Sharpe, M.C., Dobbins, J.G., & Komaroff, A. (1994). The chronic fatigue syndrome: A comprehensive approach to its definition and study. Annals of Internal Medicine, 121, 953-959.
Garralda, M.E. (1992). Severe chronic fatigue syndrome in childhood: a discussion of psychopathological mechanisms. European Child and Adolescent Psychiatry, 1, 111-118.
Goodwin, S.S. (1997). The marital relationschip and health in women with chronic fatigue and immune dysfunction syndrome: views of wives and husbands. Nursing Research, 46, 138-146.
Grafman, J., Johnson, R., & Scheffers, M. (1991). Cognitive and mood-state changes in patients with chronic fatigue syndrome. Reviews of Infectious Diseases, supplement 1, S45-S52.
Holmes, G.P. (1991). Problems in Design and Analysis: Defining the Chronic Fatigue Syndrome. Reviews of Infectious Diseases,supplement 1, S53-S55.
Jansma, J.B.M., & de Coole, R.L. (1996). GKS-II: gezinsklimaatschaal: Handleiding. Lisse: Swets & Zeitlinger B.V.
Jordan, K. M., Landis, D.A., Downey, M.C., Osterman, S.L., Thurm, A.E., & Jason, L.A. (1998). Chronic fatigue syndrome in children and adolescents: A review. Journal of Adolescent Health, 22, 4-18
Komaroff, A.L., & Buchwald, D. (1991). Symptoms and Signs of Chronic Fatigue Syndrome. Reviews of Infectious Diseases,supplement 1, S8-S11.
Lang, K. (1997). AACFS Conference: Pediatric CFS. The CFIDS Chronicle, 10, 84-87.
Lask, B. (1986). The high-achieving child. Postgraduate Medical Journal, 62, 143-145.
Lewis S. (1996). Personality, stress and chronic fatigue syndrome. In Cooper, C.L. (Ed.). Handbook of stress, medicine and health (pp. 233-248). Boca Raton: CRC Press Inc.
Lewis, S., Cooper, C.L., & Bennet, D. (1994). Psychosocial factors and chronic fatigue syndrome. Psychological Medicine, 24, 661-671.
Machlowitz, M. (1980). Workaholic: Living with them, working with them. Reading, MA: Addison-Wesley.
Magnusson, A.E., Nias, D.K.B., & White, P.D. (1996). Is perfectionisme associated with fatigue? Journal of Psychosomatic Research, 41, 377-383.
McCully, K., Sisto, S.A., & Natelson, B.H. (1996). Use of Exercise for Treatment of Chronic Fatigue Syndrome. Sports Medical, 21, 35-48.
Moritoen, J. (1997, juli). Chronische vermoeidheid is geen ingebeelde ziekte. Fit en gezond, pp. 68-71.
Moos, R.H. (1974). Family Environment Scale. Preliminary manual. Palo Alto, CA: Consulting Psychologists Press
Pelcovitz, D., Septimus, A., Friedman, S.B., Krilov, L.R., Mandel, F., & Kaplan, S. (1995). Psychosocial correlates of chronic fatigue syndrome in adolescent girls. Journal of Developmental and Behavioral Pediatrics, 16, 333-338.
Ray, C., Weir, W.R.C., Cullen, S., & Phillips, S. (1992). Illness perception and symptom components in chronic fatigue syndrome. Journal of Psyhosomatic Research, 36, 243-256.
Ray, C., Jefferies, S., & Weir, W.R.C. (1995). Coping with chronic fatigue syndrome: illness responses and their relationship with fatigue, functional impairment and emotional status. Psychological Medicine, 25, 937-945.
Ray, C., Jefferies, S., Weir, W., Hayes, K., Simon, S., Akinbade, F., Marriott, P. (1998). Making sense of chronic fatigue syndrome: patients' accounts of onset. Psychology and Health, 13, 99-109.
Saltzstein, B.J., Wyshak, G., Hubbuck, J.T., & Perry, J.C. (1998). A naturalistic study of the chronic fatigue syndrome among women in primary care. General Hospital Psychiatry, 20, 307-316.
Schweitzer, R., Kelly, B., Foran, A., Terry, D., & Whiting, J. (1995). Quality of life in chronic fatigue syndrome. Social Science and Medicine, 41, 1367-1372.
Sharpe, M. (1996). Chronic Fatigue Syndrome. The Psychiatric Clinics of North America, 19, 549-573.
Sharpe, M., Chalder, T., Palmer, I., & Wessely, S. (1997). Chronic fatigue syndrome. A practical guide to assessment and management. General Hospital Psychiatry, 19, 185-199.
Sharpe, M., Hawton, K., Simkin, S., Surawy, C., Hackmann, A., Klimes, I., Peto, T., Warrell, D. & Seagroatt, V. (1996). Cognitive behaviour therapy for chronic fatigue syndrome: a controlled trial. Britisch Medical Journal, 312, 22-26.
Straus, S.E. (1991). Background: History of Chronic Fatigue Syndrome. Reviews of Infectious Diseases, 13, supplement 1, S2-S7
Swanson, D.W., Moore, G.L., & Nobrega, F.T. (1978). Family history of alcoholism in patients with chronic fatigue. Journal of Clinical Psychiatry, 39, 754-755.
Taerk, G., & Gnam, W. (1994). A psychodynamic view of the chronic fatigue syndrome. The role of object relations in etiology and treatment. General Hospital Psychiatry, 16, 319-325.
Taylor, S. (1995). Moderations of the stress experience. Health Psychology (pp.255-293). McGraw-Hill, New York.
Turk, D.C., Flor, H., & Rudy, T.E. (1987). Pain and families. I. Etiology, maintenance, and psychosocial impact. Pain, 30, 3-27
van der Meer, J.W.M. (1997). Chronische-vermoeidheidssyndroom. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 31, 1507-1509.
van der Meer, J.W.M., & Elving, L.D. (1997). Moe met drieentwintig oe's. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 31, 1505-1507.
van der Ploeg, H.M., & Spielberger, C.D. (1980). Handleiding bij de Zelfbeoordelingsvragenlijst (ZBV). Lisse: Swets & Zeitlinger.
Vanderzalm, L. (1997). The parents' corner: Hands-on/hands-off parenting. The CFIDS Chronicle, Supplement 1;Youth Allied By CFIDS, VI-VII.
Van Houdenhove, B. (1986). Prevalence and psychodynamic interpretation of premorbid hyperactivity in patients with chronic pain. Psychotherapy and Psychosomatics, 45, 159-200.
Van Houdenhove, B. (1991). Het chronische vermoeidheidssyndroom: visie van een liaison-psychiater. Tijdschrift voor Geneeskunde, 47, 1431-1349.
Van Houdenhove, B. (1995). Aanvullingen bij de cursus psychologie, deel 3 faculteit geneeskunde. Niet gepubliceerde tekst, Katholieke Universiteit Leuven.
Van Houdenhove, B., Fischler, B., & Neerinckx, E. (1998). Het chronisch vermoeidheidssyndroom: eindpunt van een multifactorieel proces. Neuron, 3, 31-38.
Van Houdenhove, B. Neerinckx, E. (1998). De ziel uit het lijf... Verhoogt een overactieve levensstijl de vatbaarheid voor het chronische-vermoeidheidssyndroom? Tijdsschrift voor Psychiatrie, 4, 212-220.
Van Houdenhove, B., Ongehena, P., Neerinckx, E., & Hellin, J. (1995). Does hight 'action-proneness' make people more vulnerable to chronic fatigue syndrome? A controlled psychometric study. Journal of Psychosomatic Research, 39, 633.
Van Houdenhove, B., Stans, L. & Verstraeten, D. (1987). Is there a link between 'pain-proneness' and 'action-proneness'? Pain, 29, 113-117.
Van Houdenhove, L. (1997). Speelt misbruik een rol bij chronisch vermoeidheidssyndroom en fibromyalgie? Niet gepubliceerde licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, Leuven.
Vercoulen, J.H., Swanink, C.M., Fennis, J.F., Galama, J.M., van der Meer, J.W., & Bleijenberg, G. (1994). Dimensional assessment of chronic fatigue syndrome. Journal of Psychosomatic Research, 38, 383-392.
Vereker, M.I. (1992). Chronic fatigue syndrome: a joint paediatric-psychiatric approach. Archives of Disease in Childhood, 67, 550-555.
Wemekamp, H. (1992). Ik moe? Dat kan niet. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 30, 1433-1435.
Wessely, S. (1997). Chronic fatigue syndrome: a 20th century illness? Scandinavian Journal of Work, Environment and Health, Supplement 3, 17-34.
Moe zijn is een ziekte: De oorzaken van het chronische vermoeidheidssyndroom (CVS) (1997, 6 augustus). Knack, p. 79.
Onderzoekers vinden oorzaak van vermoeidheidsziekte. (1999, 25 mei). De Morgen, p. 21
Ga terug
|