|
|
Rolverlies en identiteitsopbouw bij CVS-patienten -------------------------------------------------
Tweede licentie sociologie Universiteit Gent. afrondingsjaar 2002-2003 Door: Leen van de Bergh
Inhoudstafel Voorwoord
Inleiding
Hoofdstuk 1: Ziekte en gezondheid als sociale fenomenen 1.1. De sociologie van ziekte en gezondheid 1.1.1 Parsons en de ziekenrol 1.1.2 Kritiek op de ziekenrol
1.2. Chronische ziekten 1.2.1 Anselm Strauss: grondlegger van de sociologie van chronische ziekten 1.2.2 Chronische ziekten als biografische disruptie? 1.2.3 Het chronisch vermoeidheidssyndroom 1.2.3.1 De diagnose 1.2.3.2 Onderzoek naar oorzaken 1.2.3.3 Behandelingen 1.2.3.4 De discussie 1.2.3.5 Sociale implicaties 1.2.3.6 Naar een biopsychosociale, patientgerichte benadering van CVS
1.3 Invloed vanuit de sociale psychologie 1.3.1 Het zelfconcept 1.3.2 Self-efficacy, coping-strategieen en het belang van sociale steun 1.4 Ziektefasen 1.4.4 De zoektocht naar het verloren zelf 1.4.2 Statusverloop 1.4.3 Abnormaliteit versus normalisatie 1.4.4 Chronische patienten in vier ziektefasen 1.4.5 Aanpassing is troef
Hoofdstuk 2: Onderzoek 2.1 Probleemstelling 2.1.1 De illegitieme status van CVS 2.1.2 Het standpunt van de patient 2.1.3 Het maatschappelijk belang van onderzoek naar CVS 2.2 Doelstelling 2.3 Onderzoeksvragen en verwachtingen 2.4 Methodologie 2.4.1 Kwalitatief of Kwantitatief? 2.4.2 Grounded Theory en Life Histories 2.5 Voorbereidingen op het onderzoek 2.5.1 De rekrutering van de respondenten 2.5.2 De vragenlijst 2.6 De interviews 2.7 Beschrijving van de respondenten 2.8 Beperkingen
Hoofdstuk 3: Een Typerend Statusverloop? 3.1 De ervaring van abnormaliteit 3.1.1 Lichaamsverandering en de radicale in vraagstelling van het zelf 3.1.2 Controleverlies, Rolverlies en aantasting van de identiteit 3.1.3 De zoektocht naar hulp en de impact van de diagnose 3.1.4 Coping-strategieen in de fase van abnormaliteit 3.1.4.1 Ontkenning 3.1.4.2 Impression-Management 3.1.4.3 Verzet 3.1.4.4 Ontgoocheling, Woede en ontreddering 3.1.4.5 Stilte na de storm: isolatie, zelf-absorptie en CVS als master-status
3.2. Normalisering 3.2.1 Confrontatie met de werkelijkheid en erkenning van de ziekte 3.2.2 Aanpassing 3.2.2.1 Identiteitsdoelstellingen onder de loep 3.2.2.2 Overgave 3.2.3 Nieuwe inzichten en Identiteitsopbouw 3.3 Besluit
Hoofdstuk 4: Een Beinvloedbaar Identiteitsproces? 4.1 Mate van aantasting van de identiteit 4.1.1 Self-efficacy 4.1.2 Rolverlies 4.1.3.1 Tijdstip van de diagnose 4.1.3.2 Correctheid 4.1.4 Onbegrip
4.2 Sociale steun 4.2.1 Emotionele steun 4.2.1.1 De partner 4.2.1.2 De familie 4.2.1.3 Vrienden 4.2.1.4 Lotgenoten 4.2.2 Informationele steun 4.2.2.1 De arts 4.2.2.2 De patientenvereniging
4.2.3 Materiele steun 4.2.3.1 De financiele situatie 4.2.3.2 Financiele erkenning van invaliditeit 4.2.4 Ondersteuning van het zelf 4.3 Besluit
Hoofdstuk 5: Algemeen Besluit en Discussie
Bibliografie
Bijlagen Model 1: Statusverloop bij CVS-patienten Model 2: Determinanten van het proces van statusverloop bij CVS-patienten Brief van minister van sociale zaken Frank Vandenbroucke over het chronisch vermoeidheidssyndroom vragenlijst Begeleidende brief
Voorwoord
Neen, beste lezer. Het tot stand komen van deze thesis is niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. En dan heb ik het niet over de bereidwilligheid van mijn respondenten om mee te werken aan dit onderzoek, of over de luisterbereidheid van mijn promotor. Wat ik wel bedoel is dat de verkennende aard van het onderzoek me hopeloos op het verkeerde pad heeft gebracht, om me vervolgens in de chaos, dan toch het licht te laten zien. De afname van diepte-interviews heeft er echter wel voor gezorgd dat het maken van deze thesis een zeer boeiende ervaring is geweest, en dat ik nu kan zeggen dat ik dezelfde methode zou hanteren indien ik opnieuw een onderzoek zou uitvoeren.
Het feit dat ik na een jaar het onderwerp nog steeds met een zeker enthousiasme kan benaderen, heb ik ongetwijfeld te danken aan een aantal mensen. Eerst en vooral wil ik mijn promotor professor Dr. Piet Bracke bedanken. Niet alleen voor de begeleiding van dit werk, maar ook omdat hij mij een sterke interesse voor de sociologie van ziekte en gezondheid heeft bijgebracht. Vervolgens ben ik alle respondenten die mij te woord stonden ongelooflijk dankbaar. Het spreekt voor zich dat zonder hun bereidwilligheid dit werk nooit tot stand had kunnen komen. Tenslotte ook een bedankje aan mijn ouders, omdat ze me de kans geven te doen wat ik wil doen, en aan iedereen die keer op keer mijn overpeinzingen, gedachtekronkels en wanhoopskreten moesten aanhoren.
Veel leesgenot...
Leen.
Inleiding ---------
Wanneer mensen in onze samenleving ziek worden, en hierdoor hun taken en hun functies niet langer naar behoren kunnen uitoefenen, bestaat de mogelijkheid terug te vallen op de steun van familie en vrienden, en op het systeem van sociale zekerheid dat gebaseerd is op maatschappelijke solidariteit. Omdat anderen een beentje bijspringen, kunnen zieken zich als het ware voor een tijdje aan de kant zetten, tot ze weer beter zijn. Deze inname van de ziekenrol, die in de jaren vijftig werd geformuleerd door Talcott Parsons, werd jaren lang niet in vraag gesteld, en lijkt ook vandaag nog steeds vanzelfsprekend. Aangezien tijdens de twintigste eeuw, onder andere omwille van het hogere welvaartsniveau, chronische ziekten een sterke opmars kenden, en acute ziekten voorbijstaken als belangrijkste doodsoorzaak, gingen sociologen zich terecht de vraag stellen in hoeverre patienten ook beroep kunnen doen op langdurige sociale steun. Een inherent kenmerk van de ziekenrol is immers dat door de patient zijn onafhankelijkheid te ontnemen, deze gestimuleerd wordt om zo snel mogelijk weer beter te worden, waarop hij zo snel mogelijk weer in staat is zijn functies uit te oefenen. Gezondheid is in dit opzicht functioneel voor de werking van de maatschappij (Parsons, 1952). Zonder deze laatste uitspraak van Parsons in vraag te willen stellen, stelt men wel vast dat chronisch zieken niet in staat zijn hun oude capaciteiten te herstellen, en opnieuw mee te draaien in de prestatiemaatschappij zoals voorheen. Bovendien willen zij deze rol niet heel de tijd innemen, omwille van het feit dat elke onafhankelijkheid verdwijnt, en de identiteit hierdoor onvermijdelijk wordt aangetast. Vanuit die maatschappelijke evolutie bekritiseren medische sociologen, die chronische ziektebeleving bestuderen, de ziekenrol van Parsons.
Wanneer een patient aan een chronische ziekte lijdt die door de geneeskunde niet erkend wordt als legitieme ziekte, is de inname van de ziekenrol bovendien helemaal niet vanzelfsprekend. In de twintigste eeuw verschijnen een aantal chronische ziekten waarvan de fysieke oorzaken, ondanks talrijk wetenschappelijk onderzoek, verre van duidelijk zijn. Patienten die hier aan lijden, leven met een dubbele onzekerheid. Enerzijds weten ze naar de toekomst toe niet wat er zal gebeuren, omdat er geen effectieve behandeling voor handen is. Wie zal er voor hen blijven zorgen? In welke mate zal de ziekte invaliderend evolueren? Hoe lang zal men blijven leven? Hoe lang zal men de pijn kunnen blijven verdragen? Deze vorm van onzekerheid kenmerkt de meeste chronische ziekten. (Radley, 1994:143) Anderzijds weten deze patienten ook niet precies wat hun lijden veroorzaakt. Er wordt naar ziekteverklaringen gezocht, in de eerste plaats bij zichzelf, maar ook bij hun omgeving. Omdat de geneeskunde in het duister tast, heeft de patient het gevoel niet te kunnen terug vallen op de instantie waarvan hij steeds heeft verwacht oplossingen aan te reiken in verband met gezondheidsproblemen. De onzekerheid in verband met langdurige ondersteuning wordt hierdoor versterkt. Omdat de geneeskunde nog steeds het meeste aanzien heeft naar de buitenwereld toe, in verband met het legitimeren van een ziekte, kan dit ernstige gevolgen hebben voor het sociale leven van de patient wanneer dit niet gebeurt. Naast rolverlies, afhankelijkheid en onzekerheid, tasten negatieve reacties als onbegrip en stigmatisatie, die voortkomen uit het gebrek aan legitimering, de identiteit van de patient verder aan.
Het chronisch vermoeidheidssyndroom is een voorbeeld van een chronische ziekte die zich in de schemerzone bevindt wat betreft wetenschappelijke legitimiteit. Pas sinds twee jaar worden een aantal behandelingen financieel erkend door het riziv. (zie brief Vandenbroucke, p.146) Ondanks wetenschappelijk onderzoek blijven de oorzaken van CVS onbekend. De diagnose wordt gesteld op basis van de uitsluiting van andere aandoeningen en op basis van een aantal vastgestelde criteria. Zo moet men minstens zes maanden uitgeput zijn, en last hebben van minsten vier symptomen uit een lijst. Spierpijn, allerlei ontstekingen, evenwichtsproblemen en concentratiestoornissen komen het vaakst voor. Omwille van het feit dat de symptomen zo divers zijn, en dat de link naar een oorzaak onbekend is, spreekt men van een syndroom. Omdat onderzoek geen duidelijke oorzaken aantoont, omdat de ziekte vrij onzichtbaar is en omdat vermoeidheid het belangrijkste symptoom is worden mensen die lijden aan CVS sterk geconfronteerd met onbegrip vanuit hun omgeving. Eerst en vooral begrijpen ze zelf niet wat er aan de hand is. Wanneer er ook geen begrip komt vanuit de geneeskunde neemt de in vraag stelling van het zelf toe. Daarenboven vertaalt dit gebrek aan legitimatie vanuit de geneeskunde, zich naar een algemene pejoratieve ziekterepresentatie van het chronisch vermoeidheidssyndroom in de maatschappij. Dit wil zeggen dat, onder andere via de media, de betekenis die mensen geven aan het ziektebeeld wordt beinvloed door ruimere socio-politieke en wetenschappelijke processen. Voor Jan met de pet, zijn mensen die lijden aan CVS in de meeste gevallen gewoon lui. De patient wordt geconfronteerd met de reactie dat iedereen wel moe is op het einde van de dag, maar dat men zich daar niet zoveel moet door laten leiden, want door niets te doen kom je als het ware vanzelfsprekend in een negatieve spiraal terecht. Maar mensen met CVS zijn niet zomaar wat moe. Ze zijn constant uitgeput. Ze zijn als het ware hun energie ergens verloren geraakt, en hebben de energie en de kennis niet om ze terug te vinden. De geneeskunde kent het antwoord ook niet. In plaats van het begrip te krijgen waaraan men zich bij het innemen van de ziekenrol verwacht, stoot de patient op heel wat onbegrip vanuit zijn omgeving.
Hier komen we opnieuw bij de vraag of chronische patienten, en zeker chronische patienten die lijden aan een illegitieme ziekte, op langdurige sociale steun kunnen rekenen. Aangezien we weten dat slechts bepaalde therapieen die CVS-patienten volgen worden terugbetaald, en wanneer we de afkeuring die door veel patienten wordt ervaren in rekening nemen, lijkt dit niet het geval te zijn. Als dan ook de inname van de ziekenrol niet vanzelfsprekend is, dan bestaat er een sterk vermoeden dat de identiteit van CVS-patienten sterk wordt aangetast. De identiteit krijgt namelijk vorm door de uitoefening van verschillende rollen. Wanneer men de taken die aan deze rollen verbonden zijn niet meer kan uitoefenen, is rolverlies en daarmee ook de aantasting van de identiteit een onvermijdelijk gevolg van de ziekte. Wat gebeurt er wanneer mensen hun rollen verliezen, niet op sociale ondersteuning kunnen rekenen en er geen andere rol in de plaats komt? Of wordt de ziekenrol ook door chronische patienten ingenomen? Op welke manier wordt de identiteit aangetast? Is er sprake van blijvende aantasting, of kan de patient op een of andere manier de ziekte een plaats geven in zijn oude rollenpatroon? Hoe verloopt dit identiteitsproces? Hoe ziet de inname van de ziekenrol eruit?
Met het stellen van deze vragen komen we tot de kern van dit onderzoek over het chronisch vermoeidheidssyndroom. Omdat een chronische ziekte als CVS voor patienten een negatieve levensgebeurtenis is (Bury, 2001), waarvan ze gedurende hun verdere leven de gevolgen van dragen, kan een medische invalshoek niet voldoende zijn. De ziekte beinvloedt alle aspecten van hun verdere leven, en de patient zal, in plaats van zich in te wentelen in de ziekenrol, zijn oude taken en rollen juist zo goed mogelijk willen, en moeten blijven uitoefenen. Het aanhouden van de oude levensstijl is evenwel uit den boze omdat de handicap dit niet zal toestaan. Effectieve aanpassingsstrategieen kunnen chronische patienten wel weer een zekere greep geven over hun leven, waardoor zelfzorg en zelfstandigheid volgens Kralik worden bevorderd. (Kralik, 2002) Dit is belangrijk om de maatschappelijke kost die langdurige zorgverlening met zich meebrengt onder controle te houden. Deze strategieen liggen echter niet zomaar op tafel, en zijn bovendien niet veralgemeenbaar. Daarom moet volgens Anselm Strauss, de grondlegger van de sociologie van chronische ziekten, sociologisch onderzoek, de specifieke wijze blootleggen waarop een bepaalde chronische ziekte een impact heeft op het dagelijkse leven van een patient. Hierbij moet gebruik worden gemaakt van kwalitatief onderzoek, omdat enkel diepgaand, individueel verworven materiaal de blik van de onderzoeker met betrekking tot identiteitsbeleving bij anderen kan verruimen. Het is immers de patient zelf, die door een proces van vallen en opstaan het best weet wat voor hem persoonlijk de meest geschikte manier is om met zijn ziekte om te gaan. Vervolgens moeten uit deze individuele ziekteverhalen gemeenschappelijke feiten, strategieen en denkwijzen worden getrokken.
In navolging van Strauss is dit onderzoek in de eerste plaats een verkenning van het onderzoeksveld, en kadert het binnen de interpretatieve symbolisch interactionistische traditie. Ziektebeleving en identiteitstransformaties gaan immers over het geven van betekenissen. Dit geven van betekenissen gebeurt echter niet in een sociaal vacuum. Hoewel persoonlijkheidskenmerken ongetwijfeld een rol spelen bij de interpretatie van levensgebeurtenissen, kunnen we de invloed van betekenisvolle anderen en de sociale context waarin de interpretatie gebeurt, niet negeren. Daarom kan dit onderzoek ook binnen de sociologische sociale psychologie worden geplaatst. Deze stroming besteedt immers aandacht aan de wijze waarop sociale invloed en sociale cognitie de identiteit beinvloeden, en de manier waarop de context hierbij van belang is. ( Branaman, 2001:13) Binnen de sociologische sociale psychologie kiezen we echter niet voor de structurele variant, maar volgen we in navolging van Blumer en Goffman, de interactionele versie.
In de sociologie bestaat er weinig onderzoek naar de ziektebeleving bij patienten die lijden aan het chronisch vermoeidheidssyndroom. In sociologische tijdschriften vond ik twee artikels over CVS en sociale steun (Kelly, 1999) (Millen, 1998), twee over de relatie tussen de arts en de patient (Banks & Prior, 2001)(Cooper, 1997), 1 over de levenskwaliteit van mensen met CVS (Schweitzer, 1995) en 1 in verband met coping-strategieen (Ray, 1993). Andere artikels in verband met CVS werden gepubliceerd in psychologische, psychiatrische, biomedische en verpleegkundige tijdschriften.
Ondanks de verkennende aard van het onderzoek, tekenen zich twee grote onderzoeksvragen af. Ziektebeleving onderzoeken is immers te ruim en te vaag. Omwille van de eerder aangehaalde problemen in verband met rolverlies, de betwiste geschiktheid van de inname van de ziekenrol en de aantasting van de identiteit, stellen we ons in de eerste plaats de vraag welk identiteitsproces patienten met CVS doormaken. Hoewel het ziekteverloop voor elke patient anders is, omdat hij onder andere met andere symptomen te kampen heeft, kunnen we toch veronderstellen dat in het algemeen, de eerder besproken inherente kenmerken van het ziekteverloop, (onzekerheid, onvoorspelbaarheid, illegitieme status, onzichtbaarheid...) een gelijkaardige invloed hebben op de identiteitsbeleving van CVS-patienten. De eerste onderzoeksvraag luidt daarom als volgt: Resulteert de interactie tussen het ziekteverloop en de identiteitsbeleving in een aantal duidelijk omlijnde identiteitsfasen of statussen, waarin de meeste CVS-patienten vroeg of laat terecht komen? Zo ja, welke vorm nemen deze dan aan?
Indien er op deze eerste onderzoeksvraag bevestigend kan worden geantwoord, vragen we ons vervolgens af waardoor de overgang van de ene fase naar de andere wordt beinvloed. Hoe kan men met andere woorden eventueel inspelen op dat statusverloop? Deze vraag is belangrijk. Kralik stelt immers dat chronische ziekten meer dan ooit de uitdaging zijn voor het komende millennium. Chronische patienten leggen immers een aanzienlijke druk op het systeem van sociale zekerheid en thuisverpleging. (Kralik, 2002) Wanneer het mogelijk zou zijn om door het stimuleren van bepaalde factoren, het statusverloop waarin patienten terecht komen in de positieve richting te draaien, en hierdoor zelfzorg en mantelzorg gemakkelijker te maken, dan kan dit een belangrijke verlichting betekenen voor de financiele draagkracht van het sociale vangnet.
Inzicht is daarom nodig in het verloop van de identiteitsfasen waarin chronische patienten ten gevolge van hun ziekte terecht komen, en in de determinanten van dit proces. Positieve fasen kunnen op die manier worden gestimuleerd, en negatieve fasen kunnen worden afgeremd.
Opdat deze twee onderzoeksvragen beantwoord zouden kunnen worden werd inderdaad gebruik gemaakt van kwalitatief onderzoek. De doelstelling van dit onderzoek is om met behulp van 18 semi-gestructureerde interviews bij CVS-patienten, en op basis van theorie, een hypothese te stellen in verband met statusverloop bij CVS-patienten. Parsons en Strauss vormen de theoretische basis, waarop ook andere auteurs die chronische ziekten bestuderen, zich inspireren. Ondanks het feit dat beide auteurs grondleggers zijn in de sociologie van ziekte en gezondheid, wordt bij de eigenlijke verwerking van de gegevens vooral gebruik gemaakt van opvolgers als Bury, Charmaz, Ebaugh, Radley, Kralik en Herbette. Omdat het niet de bedoeling is van dit onderzoek om een bepaalde theorie te toetsen, wordt nergens een uitgebreide theorie van deze auteurs besproken. Zij werden veeleer geraadpleegd ter verklaring van bepaalde ontwikkelingen die vorm kregen tijdens de analyse van de interviews.
In een eerste hoofdstuk wordt een korte schets gebracht van de voornaamste ontwikkelingen binnen de medische sociologie tijdens de twintigste eeuw. Vanzelfsprekend vertrekken we vanuit Parsons, aangezien hij wordt beschouwd als de grondlegger van deze discipline, en aangezien we willen weten of de inname van de ziekenrol niet geldig is voor chronische patienten. Omdat deze thesis over chronische ziektebeleving gaat, kunnen we vervolgens niet om de critici van Parsons heen. Vooral Strauss geeft hier de toon aan. Vanuit de schets van de sociologie van chronische ziekten, gaan we dieper in op het chronisch vermoeidheidssyndroom als voorbeeld van een illegitieme chronische ziekte. Wanneer is men chronisch vermoeid? Welke zijn de belangrijkste diagnostische criteria? Welk onderzoeken werden er reeds verricht? Zijn er behandelingen? En binnen welk wetenschappelijk discours kan een ziekte als CVS worden geplaatst? Na een schets te hebben gegeven over de ontwikkelingen binnen de medische sociologie, gaan we te raden bij de sociale psychologie. Hier vinden we vooral auteurs die zich bezig houden met het ontwikkelen van theoretische concepten in verband met identiteitsbeleving. Laten we immers niet uit het oog verliezen dat de doelstelling van dit onderzoek ligt in het nagaan van de interactie tussen ziekteverloop en identiteitsbeleving. We kunnen dus niet rond de betekenis van begrippen als het zelf, de persoonlijkheid en de identiteit. Bovendien blijken een aantal sociaal- psychologische begrippen als self-efficacy en empowerment, later zeer belangrijk. Tenslotte werd er gezocht naar auteurs die zich specifiek richten op de interactie tussen ziekteverloop en identiteitsbeleving. Deze auteurs werden onder andere geraadpleegd om iets meer te weten te komen over ziektefasen, aanpassingsstrategieen en statusverloop.
In hoofdstuk 2 wordt het methodologisch kader geschetst waarbinnen dit onderzoek te situeren valt. Er wordt dieper ingegaan op de betekenis van kwalitatief onderzoek, grounded-theory en life-histories, maar ook op de manier waarop de respondenten werden gerekruteerd en waarop de interviews werden afgenomen en verwerkt. Hoofdstuk 3 behandelt volledig de eerste onderzoeksvraag, terwijl hoofdstuk 4 gewijd is aan de tweede onderzoeksvraag. Om de rode draad doorheen de gedachtegang, die in de twee hoofdstukken wordt opgebouwd, niet te verliezen, bevinden zich in de bijlagen twee modellen die respectievelijk hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 schematisch weergeven. Tenslotte worden in het algemeen besluit de belangrijkste dingen nog even op een rijtje gezet. Vanzelfsprekend worden hierbij de beperkingen en de verdere onderzoeksmogelijkheden van dit onderzoek niet geschuwd.
Hoofdstuk 1: Ziekte en gezondheid als sociale fenomenen -------------------------------------------------------
1.1. De sociologie van ziekte en gezondheid --------------------------------------------
Tot het begin van de twintigste eeuw is men er, onder invloed van biomedische wetenschappers, van overtuigd dat een ziekte het resultaat is van een organische pathogeen. Er wordt verondersteld dat alle ziekten een afwijking zijn van de normale biologische functies, dat ze een specifieke biologische oorzaak hebben, dat ze kenmerkend zijn voor de menselijke soort en onveranderlijk in tijd en ruimte. De geneeskunde beschouwt zichzelf als een wetenschappelijk neutraal beroep dat niet beinvloed wordt door bredere sociale, culturele en politieke krachten. (Kesler, 1995: 548) Dit standpunt in verband met ziekte en gezondheid is kenmerkend voor het biomedische model. In de jaren vijftig komt dit biomedische model in het westen onder hoogspanning te staan. Er worden heel wat kritieken geformuleerd, die onder andere het gevolg zijn van de shift van acute infectieziekten als belangrijkste doodsoorzaak, naar chronische ziekten. Het resultaat hiervan is dat er een nieuw perspectief ontstaat in verband met gezondheid.
Men veronderstelt nu dat een ziekte, naast biomedische, ook psychosociale determinanten heeft. Verder is men er nu van overtuigd dat definities van ziekte en gezondheid veranderen doorheen de tijd, en dat ze samenhangen met de verandering van socioculturele en biologische definities. Tenslotte is het medische beroep, in plaats van een neutrale instantie, een institutie die vormgeeft aan de ideeen van haar clienten. (Cooper, 1997: 188)
En van de critici op het biomedische model is Dubois. Hij definieert ziekte als een normale reactie op een abnormale omgeving. Gezondheid is volgens hem variabel over tijd, en varieert naargelang de veranderende vereisten van de omgeving. Voor Dubois is gezondheid hierdoor een aanpassing van het individu aan zijn omgeving. (Cooper, 1997: 188) Ook voor Talcott Parsons zijn ziekte en gezondheid geen louter biologische verschijnselen, maar zijn het sociale fenomenen die functioneel zijn voor het behoud van het sociale systeem. Teveel ziekte, en een te lage graad van gezondheid is disfunctioneel voor een maatschappij, aangezien ziek zijn betekent dat men zijn sociale rollen niet meer kan uitoefenen. Omdat de maatschappij belang heeft bij de minimalisering van de ziektegraad, kan ziekte niet alleen worden beschouwd als een extern gevaar dat enkel door de maatschappij ondergaan kan worden, maar moet het worden opgevat als een integraal deel van het sociale evenwicht zelf. Parsons definieert ziekte als een verstoring van het "normale" functioneren van het gehele individu, wat wil zeggen dat zowel zijn organisch systeem, als zijn persoonlijke en sociale aanpassingsvermogen zijn aangetast. Ziekte wordt volgens hem gedeeltelijk biologisch en gedeeltelijk sociaal bepaald. (Parsons, 1952:431) Sinds de eerste helft van de twintigste eeuw worden ziekte en gezondheid dus ruimer opgevat dan louter biologische toestanden. In navolging van Berger en Luckman, worden ze gepercipieerd als sociale constructies van de werkelijkheid. Volgens Young (1981) moet er een onderscheid worden gemaakt tussen 'disease' aan de ene kant en 'illness' aan de andere kant. Illness kan beschouwd worden als de sociale en culturele reactie van de patient op symptomen; disease is de subjectieve, cultureel gebonden beoordeling van de 'echtheid' van de ziekte van de patient door de arts. Deze beoordeling is gebaseerd op een mix van empirische observaties en theoretische, intersubjectieve, bediscussieerde, ideologische kennis. (Cooper, 1997: 188)
Wanneer een strikte test of duidelijke biomedische ondersteuning van de diagnose uitblijft, is het mogelijk dat deze beoordeling van 'echtheid' problematisch wordt voor de arts. Dit kan leiden tot het definieren van een ziekte als psychosomatisch, of als een vorm van simulatie. Ondanks de verschuiving naar een biopsychosociale benadering van ziekte en gezondheid, is de aanwezigheid van adequate verklarende of diagnostische biomedische data nog steeds zeer belangrijk, opdat bepaalde condities door de medische wereld als een ziekte worden aanvaard. Wanneer men literatuur doorneemt in verband met het chronisch vermoeidheidssyndroom, springt de, hiervan gevolg zijnde, sterke focus op het vinden van een biomedische verklaring, onmiddellijk in het oog. De indruk ontstaat dat het hele debat in verband met CVS enkel hier rond draait. Er kan echter worden verondersteld dat de zoektocht van de patient veel omvattender is dan het vinden van deze biomedische oorzaak. Bovendien lijkt men vergeten te zijn dat voor vele ziektes een volledige biologische verklaring ontbreekt. Om de grotere legitimiteit van sommige van deze ziektes te verklaren, is het van belang dat men inziet dat ook onder invloed van socio-politieke processen, ziekterepresentaties grondig kunnen veranderen. Zo bespreekt Fox de transformatie van de ziekteperceptie van Alzheimer. Terwijl men eind jaren 80 nog wantrouwig staat ten opzichte van deze duistere, mysterieuze medische diagnose, wordt Alzheimer in de Verenigde Staten vandaag beschouwd als 1 van de belangrijkste doodsoorzaken. Het is belangrijk dat men gaat inzien dat naast het vinden van biomedisch bepalende factoren, een andere voorwaarde voor de legitimatie van een ziekte, de verandering is in de betekenis die mensen aan een ziekte geven. Omdat socio-politieke processen aan de grondslag liggen van een algemene verandering in betekenis, moet er meer worden geinvesteerd in sociaal- wetenschappelijk onderzoek dat naar de aard van deze socio-politieke processen peilt. (Millen, 1998:130)
1.1.1 Parsons en de ziekenrol -----------------------------
Het percipieren van ziekte en gezondheid als sociale fenomenen lag aan de oorsprong van de medische sociologie. In de sociologie is Parsons 1 van de eersten die, onder andere ziektebeleving en de relatie tussen de arts en zijn patient, verder heeft onderzocht. Vooral zijn formulering van de ziekenrol is een belangrijke bijdrage aan de jonge discipline. (Kronenfeld, 2001: 1,4,9) Parsons wijst erop dat ziek zijn niet enkel een fysische ervaring is, maar ook een socio-culturele, omdat het mensen confronteert met bepaalde geinstitutionaliseerde verwachtingen die vasthangen aan hun sociale rollen maar die door de ziekte niet kunnen worden ingelost. (Parsons, 1952:428) Hierdoor kan ziek zijn niet louter herleid worden tot een tijdelijke fysische conditie, maar neemt de patient volgens Parsons een ziekenrol in. Deze ziekenrol heeft vier kenmerken. De zieke persoon wordt eerst en vooral tijdelijk ontslagen van zijn sociale plichten en verantwoordelijkheden (1). Dit vereist de validatie van anderen. In de eerste plaats van geneeskundigen, die de macht en de autoriteit hebben om legitimiteit te verschaffen aan de ziektebeleving van het individu. De zieke persoon kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor zijn ziekte omdat hij niet beter kan worden enkel en alleen op basis van zijn wil.(2) Om zo snel mogelijk weer beter te worden is hij echter wel verplicht om technisch competente hulp te zoeken, waardoor een relatie wordt aangegaan met een arts. Deze relatie wordt volgens Parsons gekenmerkt door asymmetrie wat betreft kennis, competentie, autoriteit en macht, in het voordeel van de arts. De patient neemt in de relatie een afhankelijke, onderdanige positie in, waarbij er van hem volledige medewerking wordt verwacht (3). Het recht op onafhankelijkheid wordt voorbehouden aan gezonde mensen. Dit moet van de ziekenrol een onwenselijke, en dus tijdelijke toestand maken. De patient zal beter willen worden omdat hij zo zijn verloren onafhankelijkheid weer kan opnemen (4). Hierdoor is voor Parsons de ziekenrol functioneel voor het behoud van het sociale systeem. Door de nadruk te leggen op de afhankelijkheid van de relatie met de arts wordt de kans op de vorming van een subcultuur van bepaalde patienten immers gereduceerd. Dit is noodzakelijk omdat dergelijke subcultuur het afhankelijkheidsgevoel minder problematisch zou kunnen maken. Verder is het beter dat zieken geisoleerd blijven zodat de verspreiding van aanvaarde afhankelijkheid en andere anti-sociale waarden, die met ziekte gepaard gaan, wordt verhinderd. (Parsons, 1952:436-437)
1.1.2 Kritiek op de ziekenrol ------------------------------
Bij het lezen van de formulering van de ziekenrol door Parsons, zullen heel wat rare gezichten getrokken worden. Deze kan dan ook op verschillende manieren worden bekritiseerd. Bij voldoende wilskracht en met de juiste medische hulp, lijkt genezing voor Parsons een vaststaand feit. Hiermee negeert hij het bestaan van talloze chronische ziekten, waarbij men nooit helemaal beter wordt, ondanks de sterke wilskracht van vele patienten. De langdurige aard van een chronische ziekte verandert de ziektebeleving van de patient fundamenteel. (Radley, 1994:138) De opheffing van taken en verantwoordelijkheden die kenmerkend zijn voor de ziekenrol, zijn verbonden aan de tijdelijke aard van een acute ziekte. Chronische patienten worden helemaal niet ontslagen van hun verantwoordelijkheden, maar moeten juist proberen door te gaan met hun normale leven, voor zover ze dit kunnen. Langdurige en officiele ondersteuning zijn immers vaak afwezig. (Herbette, 2002) Het feit dat ze dit zo goed mogelijk proberen zorgt er, samen met de onzichtbaarheid van vele chronische ziekten, voor dat de patient dikwijls op heel wat onbegrip stuit in zijn sociale omgeving. Naast onbegrip is ook diagnostische en therapeutische onzekerheid een inherent kenmerk van chronische ziekten. (Radley, 1994:143) Een gevolg hiervan laat zich voelen in de structuur van de relatie tussen de patient en de arts. Praktische, alledaagse problemen waarmee de patient wordt geconfronteerd, worden beter begrepen door mensen die zich in dezelfde situatie bevinden. Vooral de afwezigheid van een behandeling of het uitblijven van genezing maken de rol van de arts min of meer overbodig. Een afname van de afhankelijkheid van de patient kan hiervan een gevolg zijn. Eigen aan chronische ziekten is het feit dat de patient de autoriteit van de arts, uit het model van Parsons, uitdaagt. ( Crossley, 1998: 510) Parsons gaat in verdediging door te stellen dat de relatie arts-patient onvermijdelijk asymmetrisch is, omdat ze kadert binnen een sociale structuur waarin hierarchische posities van macht, autoriteit en prestige zijn betrokken. (Parsons, 1975) Het is echter niet zozeer deze ongelijkheid waar critici zich aan storen. Problematisch zijn veeleer het gebrek aan reciprociteit in de theorie van Parsons over de relatie arts-patient, en zijn ongeldige assumptie dat deze relatie complementair en functioneel zou zijn. Bloor en Horobin stellen daarom dat deze relatie, vooral bij chronische patienten, heel variabel is, dat ze niet overeenstemt met het 'ideale patient/ ideale arts scenario' en dat ze, in plaats van complementair te zijn, vol potentiele conflicten zit. (Crossley, 1998:511)
1.2. Chronische ziekten -----------------------
1.2.1 Anselm Strauss: grondlegger van de sociologie van chronische ziekten ---------------------------------------------------------------------------
Binnen de medische sociologie neemt de sociologie van chronische ziekten een apart onderdeel in. In verband met chronische ziekten is vooral Anselm Strauss een sociologisch pionier, die baanbrekend werk leverde op het vlak van ziektebeleving. Op het einde van de jaren 50 beginnen enkele sociologen van de Universiteit van Chicago, zoals onder andere Goffman, Davis en Roth, ziekte te bestuderen vanuit het standpunt van de patient. In plaats van passief en onderdanig te zijn, worden patienten vanaf dan beschouwd als actieve actoren in de relatie met hun arts. Tussen beiden is een 'clash' van perspectieven niet ondenkbaar. In 1975 brengt Strauss, samen met Glaser, het book 'Chronic Illness and the Quality of Life' uit. Het boek schetst de mogelijke grondlijnen van een sociologie van ziektebeleving. Hun aandacht gaat naar 'de manier waarop mensen erin slagen hun leven zo normaal mogelijk te leven, wanneer ze met een ziekte worden geconfronteerd'. De nadruk ligt zeer sterk op de sociale en psychologische aspecten van het leven met een chronische ziekte. Omgaan met een chronische ziekte moet volgens deze sociologen begrepen en onderzocht worden door aandacht te besteden aan de levenscontext van de patient. Strauss legt hiermee de basis voor studies over ziektebeleving, zowel in de sociologie als in de antropologie. Het werk van Strauss is een uitdaging voor het publieke gezondheidsbeleid omdat het onder andere pleit voor een gedetailleerd sociologisch onderzoek van specifieke ziektebeelden. Hoewel chronische ziekten gekenmerkt worden door een aantal gemeenschappelijke dimensies, zoals de eerder genoemde onzekerheid en langdurigheid, beinvloeden diverse chronische ziekten het leven van mensen immers op verschillende manieren. (Conrad & Bury, 1997: 373-376)
Het is dus van belang dat er sociologische aandacht gaat naar de bijzondere aard van de verschillende chronische ziekten. Strauss begrijpt ten zeerste dat deze aard sociaal is, en dat zonder ze te bestuderen in de context waarin de ziekte wordt beleefd, moderne maatschappijen nooit in staat zullen zijn de uitdaging van de 21ste eeuw, namelijk het voldoende ter beschikking stellen van aangepaste steun en verzorging aan chronische patienten, aan te gaan. Door in hun onderzoek aandacht te besteden aan het veld, en meer specifiek aan het individu binnen dat veld, behoren Strauss en zijn collega's tot de interactionistische traditie. Hun onderzoek is kwalitatief. Concepten en theorieen worden ontwikkeld op basis van vaststellingen in de praktijk. Hiermee staan Strauss, en ook Glaser, bekend voor het ontwikkelen van 'Grounded Theory'. In 'Unending Work and Care: Managing Chronic Illness at Home' (Corbin & Strauss, 1988) erkent Strauss het belang van de familie in de zorgverlening aan chronische patienten. Om te beschrijven wat verwantschapsrelaties betekenen voor de chronisch zieke persoon, ontwikkelt hij het concept 'kin work'. Voor het eerst wordt er zowel aandacht besteed aan de visie van de patient, als aan het standpunt van de familieleden. (Conrad & Bury, 1997: 373-376)
1.2.2 Chronische ziekten als biografische disruptie? -----------------------------------------------------
Een andere basisauteur in de medische sociologie van chronische ziekten is Mike Bury, sinds zijn definiering in 1982, van een chronische ziekte, als een biografische disruptie of als een kritische situatie. Chronisch ziek zijn is volgens hem een ervaring waarbij de structuren van het alledaagse leven, alle vanzelfsprekendheden, en de ondergelegen, verzwegen kennis waarop deze gebaseerd zijn, diepgaand worden verstoord. Het betekent immers dat men pijn, lijden, en misschien de dood, moet aanvaarden als een permanent deel van zijn leven, terwijl deze zaken vroeger werden beschouwd als veraf, of als een probleem van anderen. Omwille van de ervaring van een diepgaande verstoring van het alledaagse leven, wordt een chronische ziekte in dit opzicht beschouwt als een levensgebeurtenis. De toegenomen aandacht voor ziekte als een levensgebeurtenis, leidt tot een meer lichamelijke invulling van oude sociologische onderwerpen. Zo ijveren Kelly en Field (1996) voor een meer lichamelijke benadering van chronische ziekten. Ze wijzen erop dat biologische en fysische factoren, sociologisch belangrijk zijn omdat ze een inbreuk betekenen op het zelf, beperkend kunnen zijn met betrekking tot sociale (inter)actie en mogelijk leiden tot een noodzakelijke identiteitsreconstructie. (Williams, 2000:41) Ook volgens deze auteurs is het theoretisch gezien alvast relevant een chronische ziekte sociologisch te benaderen.
Volgens Bury laat een biografische disruptie zich gelden in een aantal kenmerkende fasen die aan chronische ziekten kunnen worden gekoppeld. Eerst en vooral worden vanzelfsprekende veronderstellingen en gedragingen plots ongeldig. Deze 'wat is er met me aan de hand?'-fase wordt gekenmerkt door constante aandacht voor het lichaam en door het zoeken van hulp. Pijn wordt door patienten ervaren als een vorm van lichamelijke vervreemding of bedrog. Wanneer men vervolgens weet wat er fout loopt gaat men zich afvragen waarom het hem juist moet overkomen en waarom het juist nu moet zijn. Bij deze herdenking van de biografie, ervaart men disrupties of breuken in de verklaringsschema's die men normaalgezien inschakelt in een crisissituatie. In deze fase worden er vragen gesteld waarop niemand echt een antwoord heeft. De studie van ziektevertellingen en de studie van de symboliek die mensen gebruiken om de breuk tussen hun lichaam, hun zelf en de maatschappij te herstellen, is hier belangrijk omdat ze nieuwe inzicht en oplevert in de betekenis en de ervaring van chronische ziekten. In een laatste fase gaat de patient praktisch reageren op deze inbreuken. (Bury, 2001:263) Dit betekent dat hij middelen gaat mobiliseren om in te spelen op de veranderde situatie.
Een sociologische focus op biografie wil zeggen dat we de betekenis van een gebeurtenis, en de context waarin deze plaatsvindt, niet zomaar van elkaar kunnen loskoppelen. De betekenis van een ziekte kan voor de patient zowel over de praktische gevolgen van de ziekte gaan, als over de symboliek die hij eraan toekent. Door niet enkel aandacht te hebben voor de problemen waarmee chronische patienten worden geconfronteerd, maar ook voor de verschillende manieren van reactie op de ziekte als biografische disruptie, is de medische sociologie pas echt in staat tot ziektebeleving door te dringen. (Williams, 2000:43)
Het definieren van een chronische ziekte als een biografische disruptie impliceert aandacht voor de wijze waarop de patient met deze ziekte of kritische situatie omgaat. Er moet volgens Bury een onderscheid worden gemaakt tussen 'coping', 'strategy' en 'style'. Coping kan worden beschouwd als een cognitief proces waarin het individu leert hoe hij de gevolgen van de chronische ziekte het best kan tolereren of verdragen. Bondig weergegeven, kan coping beschouwd worden als het in staat zijn tot het behouden van een zeker gevoel van eigenwaarde en levensbetekenis, ondanks de symptomen van de ziekte en hun effecten. Strategie duidt op de praktische handelingen die mensen stellen als reactie op de ziekte. Hier is de strategische mobilisatie van middelen van belang. Stijl verwijst tenslotte naar de manier van algemeen reageren. Hoewel het begrip dicht aanleunt bij de twee voorgaande termen, ligt de focus hier op de variaties in de symbolische betekenissen die mensen aan hun ziekte geven, en op de eigenheid van de sociale praktijken van mensen uit de verschillende segmenten van het culturele systeem. In navolging van Bourdieu wijst Bury op twee verschillende stijlen van reageren, namelijk verzoening of aanpassing, en actieve ontkenning. Verzoening kan plaats vinden wanneer men deel uitmaakt van een flexibel rolsysteem en wanneer men vrijuit kan praten over de manier waarop er met de symptomen wordt omgegaan. Ontkenning betekent het innemen van een stijl waarbij men in opstand komt tegen de ziekte. Dit kan zich uiten door middel van een vrij extreme toename van engagement in de alledaagse activiteiten, en kan worden gestimuleerd door een omgeving waar de mogelijkheid tot open communicatie eerder beperkt is. (Williams, 2000:43)
Het concept biografische disruptie is een belangrijk en duurzaam begrip in de sociologie van chronische ziekten. Het heeft de aandacht gevestigd op zowel de betekenis van een ziekte voor de patient als op de gevolgen ervan. Uiteindelijk heeft het begrip ervoor gezorgd dat ook de specifieke stijlen van aanpassing, de praktische strategieen en de verschillende manieren van coping, nu belangrijke onderwerpen zijn binnen de sociologie van chronische ziekten. Bovendien heeft het concept bijgedragen tot een toegenomen betrokkenheid of mondigheid van de chronisch zieke patient zelf. Het grootste deel van de chronische ziektebeleving gebeurt immers in stilte, en liefst achter gesloten deuren. (Williams, 2000:45)
1.2.3 Het chronisch vermoeidheidssyndroom ------------------------------------------
Dat ziektebeleving ook bij CVS-patienten grotendeels achter gesloten deuren plaatsvindt, werd bevestigd in de interviews. Waarschijnlijk is dit bij deze patienten meer uitgesproken dan bij andere chronische patienten, omwille van de nog steeds erg controversiele aard van de ziekte. Tijdens de twintigste eeuw weigert de westerse geneeskunde verschillende syndromen te erkennen als legitieme organische ziekte of als 'normale' ziekte. Het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) valt onder deze niet legitieme ziekten, die gedefinieerd worden in termen van symptomen omwille van het ontbreken van een duidelijke etiologie.
1.2.3.1 De diagnose --------------------
De term chronisch vermoeidheidssyndroom is relatief jong. Hij verscheen voor het eerst in 1988 als een voorstel van de 'United States Centers for Disease Control' om een werkdefinitie te formaliseren voor een geheel van symptomen die tot dan toe op verschillende manieren werd benoemd, en die aan verschillende oorzaken werden toegeschreven. (Straus, 1996:831) Als reactie op de onduidelijkheid in verband met de diagnose (owv gebrek aan oorzaak en therapie en diversiteit van symptomen), werd in 1994 de bestaande definitie van het chronisch vermoeidheidssyndroom herzien en vereenvoudigd, en werden criteria vastgesteld waaraan men moet voldoen om gediagnosticeerd te worden als CVS -patient. De definitie van de 'United States Centers for Disease Control and Prevention' wordt, internationaal gezien, het meest gebruikt. Men moet minstens gedurende zes maanden onophoudelijk uitgeput zijn, en te kampen hebben met minstens vier symptomen uit een vastgestelde lijst. Geheugenverlies, spierpijn, ademhalingsmoeilijkheden, hoofdpijn, keelpijn, slaapproblemen en diverse ontstekingen zijn enkele veel voorkomende voorbeelden van symptomen. (Afari & Buchwald, 2003:222) Medische of psychiatrische verklaringen voor de uitputting sluiten de diagnose van CVS uit. Omgekeerd is CVS een uitsluitingsdiagnose. Enkel wanneer alle andere mogelijke diagnoses weerlegt zijn, kan de patient ervoor in aanmerking komen. Dit impliceert dat de meeste patienten, in de aanloop naar de diagnose, een lijdensweg van onnoemelijk veel onderzoeken moeten ondergaan. Bovendien moet de diagnose toegekend worden op basis van consensus tussen verschillende experts. (Afari & Buchwald, 2003:221)
De diagnose moet vroegtijdig worden gesteld, met als doel het identificeren van fysische handicaps en het elimineren van mogelijke psychiatrische stoornissen of andere psychische en sociale hindernissen. Er moet door alle partijen worden gestreefd naar 'functioneel herstel' van de patient. (Aylward, 1996:885) In 1998 werd in het Verenigd Koninkrijk een nieuwe werkgroep opgestart rond het chronisch vermoeidheidssyndroom of myalgische encephalomyelitis. Naast de vereiste symptomen, werd er ook op andere vlakken een zekere consensus gecreeerd tussen wetenschappers, huisartsen en patientenvertegenwoordigers. De conclusie van het rapport is dat CVS/ME een 'vrij algemene, klinische conditie is, die ernstige, en vaak langdurige ziekte en invaliditeit kan veroorzaken, en die een aanzienlijke sociale impact kan hebben op het individu en zijn familie'. Verder is men het erover eens dat de ziekte 'beide geslachten kan treffen, en voorkomt in alle leeftijdscategorieen.' Het rapport stelt tenslotte dat 'het niet langeraanvaarbaar is dat artsen beweren dat ze niet geloven in CVS/ME'. (Clark, e.a., 2002:97)
1.2.3.2 Onderzoek naar oorzaken --------------------------------
Ondanks de zekere recente eensgezindheid, heerst er met betrekking tot de aard van de ziekte nog heel wat onduidelijkheid. De diagnose is immers gebaseerd op symptomen in plaats van op oorzaken, die ondanks heel wat wetenschappelijk onderzoek onduidelijk blijven. Omdat medische standaardtesten er niet in slagen duidelijke afwijkingen op te sporen, werd lange tijd door de wetenschap verondersteld dat de aanleiding voor de verschillende symptomen niet fysisch kon zijn. Hoewel psychologische en sociale factoren aanwezig zijn, kunnen deze echter niet alleen verantwoordelijk worden gesteld, omdat ze niet bij alle patienten voorkomen, en omdat ze in de meeste gevallen eerder gevolg dan oorzaak zijn. (Mulube, 1996:839) Patienten hebben er alle belang bij dat de oorzaken van hun ziekte zo snel mogelijk worden gevonden. Het geeft hun ziektestatus immers een zekere legitimiteit. Door het gebrek aan gekende oorzaken wordt het onderscheid tussen niet-kunnen en niet-willen zeer klein. Omdat niet-willen sociale steun niet rechtvaardigt, hebben patienten er belang bij dat er algemeen wordt erkent dat CVS leidt tot niet-kunnen. 'Niet-kunnen' is echter enkel gerechtvaardigd als een duidelijk meetbare hindernis (virus, doorbloedingtekort, zenuwgeleidingsstoornis e.d.) het functioneren van het instrument (het lichaam) verstoort. Wanneer deze hindernis of oorzaak wordt aangetoond, vervalt elke schuld of verantwoordelijkheid van de patient, worden ziektegevoel en ziektegedrag vanzelfsprekend en krijgt de patient een label van echtheid en (financiele) erkenning. (Neerinckx, 1997:340) Maar ook wetenschappers hebben belangen bij het onderzoek naar CVS. De bloeiende geneesmiddelenindustrie kan immers enkel een gepast medicijn ontwikkelen wanneer de oorzaken gekend zijn. Waarom is de motivatie bij bepaalde instanties dan zo klein om middelen te investeren in onderzoek naar CVS?
Beweren dat er helemaal niet in onderzoek wordt geinvesteerd zou onjuist zijn. Verschillende theorieen over de pathofysiologie van het chronisch vermoeidheidssyndroom zijn door wetenschappers reeds naar voren gebracht. Oude theorieen stellen dat het verschijnen van de symptomen het gevolg is van een acute virale ziekte ofwel van een psychiatrische stoornis. Recenter onderzoek is genuanceerder. Het toont abnormaliteiten aan in de hersenstructuur, in de neuroendocriene reacties, in het slaapsysteem en in het immuniteitstelsel. Ondanks deze resultaten, blijven de bevindingen vrij marginaal en geisoleerd. De interacties en relaties tussen elkaar zijn niet onderzocht. Vele onderzoekers zijn ervan overtuigd dat de etiologie van CVS multifactorieel is en complex. Omdat werd aangetoond dat familieleden van mensen met CVS meer kans hebben op dezelfde ziekte, dan familieleden van patienten met een andere ziekte, nam de aandacht voor de erfelijkheid van CVS toe. Als gevolg hiervan zijn de recente genetische studies.Tweelingstudies en gezinsinterviews op grote schaal zijn hiervoor geschikte onderzoeksmethoden. (Walsh e.a., 2001) (Hickie e.a., 1999) (Farmer e.a., 1999)
Verschillende symptomen, zoals de uitputting, het geheugenverlies en de hoofdpijn, suggereren verder dat het centraal zenuwstelsel betrokken kan zijn in de pathofysiologie van het syndroom. Neuropsychologische studies, neuroendocriene studies en autonome activiteitstudies worden daarom uitgevoerd. Verder bestaat er veel onderzoek naar disfuncties in het immuniteitsstelsel, maar zonder veel resultaat. Ondanks onderzoek naar het Epstein-Barr virus, herpes, hepatitis C, enterovirussen en retrovirussen als triggers van CVS, bestaat er geen consistent bewijs dat CVS het gevolg is van een specifieke infectie. Het is wel mogelijk dat een heterogene groep van infecties de symptomen van CVS kunnen opwekken. Chronisch vermoeide patienten vermelden meer problemen met het in slaap vallen, hebben meer last van onderbroken slaap en slapen meer overdag, dan gezonde mensen of mensen met een andere ziekte. Maar resultaten van polysomnografie tonen geen consistente of diagnostische slaapstoornissen aan. Toch blijkt dat sommige mensen met CVS-symptomen lijden aan slaap apnea, wat behandelbaar is, en een diagnose van CVS uitsluit. Sommige onderzoekers geloven dat een slaapstoornis de meest over het hoofd geziene medische diagnose is bij CVS-patienten. Ze benadrukken wel het onderscheid tussen uitputting en slaperigheid. (Manu e.a., 1994) Verder hebben mensen met CVS vaak te kampen met bewegingintolerantie. Zelfs de kleinste inspanning tot fysische activiteit leidt tot een beduidende verergering van de vermoeidheid of van de andere symptomen. De reactie van patienten is dat ze meer, en langere rustpauzes inlassen. Een aantal studies focussen zich daarom op het effect van het, onder begeleiding, geleidelijk opdrijven van het activiteitenniveau. Hoewel de bevindingen geen duidelijkheid brengen omtrent de rol van activiteitencapaciteit als oorzaak van CVS, suggereren ze wel dat de perceptie van toegenomen inspanning, van verminderde activiteit en van het intreden van een verminderde fysische conditie, de symptomen van CVS kan bestendigen. Tenslotte zijn er studies die peilen naar de mogelijkheid van psychiatrische stoornissen als oorzaak van CVS. Omdat een consistente fysiologische oorzaak tot nu toe niet werd geidentificeerd, stellen sommige onderzoekers dat de oorzaak van CVS hoofdzakelijk van psychiatrische aard is. Dit wordt ondersteund door de hogere prevalentie bij CVS-patienten van leeftijdsgebonden stemmingsstoornissen als depressie, melancholie en hypochondriasis (de neiging om zich niet bestaande kwalen in te beelden of bestaande ziektetoestanden sterk te overdrijven waardoor een lusteloze stemming ontstaat). Ook veralgemeende angst komt meer voor. De simpele co-morbiditeit van angst en CVS wijst er echter niet op dat CVS de fysische manifestatie is van een angststoornis. Dit geldt ook voor het veelvuldig voorkomen van depressies bij CVS-patienten. Verschillende onderzoeken hebben aangetoond dat CVS geen specifieke vorm van depressie is, maar dat beiden aparte entiteiten zijn. Terwijl symptomen van depressie ook terugkomen bij CVS, is het omgekeerde niet waar. Zo zijn keelpijn en opgezwollen klieren niet typisch voor een psychiatrische stoornis. Ten tweede is het symptomenpatroon van CVS-patienten onderling niet gelijklopend. Daarenboven wordt een ernstige depressie geassocieerd met een centrale opwaartse regulatie van de HPA axis, die resulteert in een licht hypercortisolisme. Bij het chronisch vermoeidheidssyndroom wordt integendeel een centrale neerwaartse regulatie waargenomen. Ten vierde heeft men een ander slaappatroon vastgesteld bij mensen die aan een depressie lijden. Verder hebben antidepressiva bij CVS-patienten (zonder depressie) geen effect. Tenslotte moet er rekening gehouden worden met het feit dat vele CVS-patienten zichzelf niet als depressief percipieren, en zich niet kunnen inbeelden waarom ze aan een depressie zouden lijden. Als er sprake is van depressie of van depressieve symptomen, dan moet er worden nagegaan of deze aan CVS vooraf gingen of dat ze vorm kregen tijdens het ziekteverloop. Angst en depressie worden in deze visie beschouwd als de meest voorkomende en normale emotionele reacties op een medische ziekte. (Afari & Buchwald, 2003:223-226)
1.2.3.3 Behandelingen ----------------------
Omwille van de onduidelijke etiologie, de diagnostische onzekerheid en de heterogeniteit binnen de populatie van CVS-patienten, bestaat er geen afgebakende, efficiente behandeling voor CVS. Bestaande deeltherapieen zijn in het algemeen gericht op het verminderen van de impact van de symptomen en op het verbeteren van het functioneren. Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen farmacologische en niet-farmacologische behandelingen. Onder de niet-farmacologische behandelingen is de cognitieve gedragstherapie het meest gekend. Deze therapie gaat ervan uit dat cognitieve en gedragsmatige factoren een rol spelen in het bestendigen van de symptomen. Het doel van de therapie is het verhogen van het activiteitenniveau en het aanleren van effectieve manieren om met de ziekte om te gaan (coping-strategies). (Van Houdenhove & Vervaeke, 1989:97) Ook relaxatie, counseling en aangepaste aerobic worden toegepast. (Afari & Buchwald, 2003:228) De cognitieve gedragstherapie en de graduele oefeningtherapie zijn echter bekritiseerd geweest door de patientenverenigingen omwille van erg negatieve beoordelingen van patienten en omwille van de beperkte bewijsbasis van de effectiviteit ervan. Bovendien trekken sommigen de begrijpelijke, maar foute conclusie dat het succes van beide behandelingen een psychologische oorzaak van de ziekte impliceert. Het rapport van de werkgroep rond CVS in 1998 onderschrijft een aanvullende benadering op de bestaande therapieen, die 'pacing' wordt genoemd. 'Pacing' of de 'stap-voor-stap'- benadering, stelt het belang van evenwicht tussen activiteit en rust voorop, met als doelstelling het maximaliseren van herstel en het bevorderen van 'self-empowerment' of zelf-bemachtiging. (Clark e.a., 2002:97) Zoals andere patienten met een chronische ziekte, waarbij de medische wereld onvoldoende antwoorden kan bieden, maken CVS-patienten ook gebruik van alternatieve behandelingen. Kruidentherapieen, multivitaminen, energiesessies, speciale dieten en het nemen van magnesiumsulfaat zijn enkele voorbeelden. Studies over de effectiviteit van dergelijke alternatieve therapieen zijn ook hier zo goed als onbestaande. Omdat de oorzaken en behandelingen inzake CVS niet duidelijk zijn afgebakend, zijn zelfhulpgroepen en patientenverenigingen van groot belang. Ze voorzien patienten van informatie en creeren een zeker gemeenschapsgevoel. (Humphreys, 1997:13) Het uiteindelijke doel van deze organisaties is echter het promoten van voortdurend onderzoek in functie van een adequate behandeling. (Afari & Buchwald, 2003:229)
1.2.3.4 De discussie ---------------------
Gegeven de wetenschappelijk onzekere context, hebben verschillende takken van de geneeskunde (ook buiten de klassieke geneeskunde) tegengestelde theorieen ontwikkeld over de mogelijke oorzaak van het chronisch vermoeidheidssyndroom. Deze theorieen zijn gebaseerd op de vraag of het syndroom hoofdzakelijk psychisch of fysisch van aard is. Een gevolg van deze verdeeldheid uit zich onder andere op het vlak van de verschillende definities en classificaties die men in het verleden aan de ziekte heeft gegeven. Dit is niet zomaar een voorbeeld van een twist in verband met de juiste woordkeuze, maar wijst op serieuze onenigheden. Degenen die het syndroom willen psychologiseren worden beschuldigd van het bestaan van de term "chronisch vermoeidheidssyndroom". Mensen die overtuigd zijn van de fysische aard van de ziekte staan erop dat men naar de ziekte verwijst met de term ME, of myalgische encephalomyelitis. Hoewel een biomedische naam in het algemeen de symbolische legitimatie vertegenwoordigt van de ideologie van expertise (Habermas, 1970:81), lijkt ME als ziektelabel, te dienen als symbool voor de usurpatie van macht van dokters door patienten. Voorstanders van de psychologische benadering bevinden zich meer langs de zijde van de artsen, terwijl de meeste patienten zweren bij de fysische aard van de ziekte, en liever ME gebruiken. ME zou veroorzaakt worden door gebreken in het immuunsysteem, anderen spreken over een bepaald virus dat aan de oorsprong zou liggen. Als patienten aan een depressie lijden is dit volgens voorstanders van het fysische model te wijten aan de psychologische, emotionele en sociale gevolgen van de ziekte. (Ray, 1992:101) Voorstanders van de psychologische variant stellen dan weer dat een diagnose als ME een bewerkbaar label is, dat de patient aan zichzelf toekent om zijn emotionele en psychologische ellende te legitimeren als een organische ziekte. (Wessely, 1990, 1994) (Cooper, 1997:186-190) Vanwaar deze revival van dualistisch en simplistisch hokjesdenken naar aanleiding van het onderzoek rond het chronisch vermoeidheidssyndroom? Volgens Neerinckx dreigt de discussie over CVS, die een wetenschappelijke confrontatie van hypothesen hoort te zijn, te vervallen tot een strijd van klassieke vooroordelen omtrent de psychiatrie, die versterkt wordt door onmiskenbare belangenconflicten. Zoals eerder werd vermeld ijveren patientenverenigingen voor het bestaan van fysische disfuncties die aanleiding geven tot CVS, omdat de ziekte dan pas wordt erkend, en het gevoel van schuld en verantwoordelijkheid wordt weggenomen. Bovendien genereren nieuwe en relatief frequent voorkomende mysterieuze ziekten onderzoeksfondsen. Men kan zich volgens Neerinckx moeilijk aan de indruk onttrekken dat voor een aantal Amerikaanse onderzoeksgroepen het overeind houden van een virale en/of immunologische hypothese van vitaal belang is. (Neerinckx, 1997:340)
1.2.3.5 Sociale implicaties ----------------------------
Men kan zich de vraag stellen waar de individuele patient dan staat in de hele wirwar van onzekerheid, onduidelijkheid en gebrek aan wetenschappelijke eensgezindheid. Enerzijds biedt de biopsychosociale ziektetheorie een behandelingsperspectief, maar geeft het nog steeds het gevoel gestigmatiseerd te worden als 'psychiatrisch geval'. Bovendien wordt de patient gestimuleerd te kiezen voor een strikt somatische benadering, door de boodschap dat hij wel degelijk het slachtoffer is van een 'echte' ziekte, en dat de ultieme diagnostische test binnenkort wordt gevonden. De somatische ziektetheorie bespaart de patient van een psychiatrisch stigma, maar biedt anderzijds slechts het perspectief van 'uitzichtloos wachten tot het over gaat'. Bovendien kan hij met behulp van deze theorie zijn arts of de controlegeneesheer vaak niet overtuigen van het bestaan van zijn ziekte, omdat elke significante organische afwijking ontbreekt. (Neerinckx, 1997:341) Wanneer we weten dat mensen in het algemeen niet overweg kunnen metfundamentele onzekerheid, is het niet verwonderlijk dat negatieve gevolgen als angst en depressiviteit veel voorkomend zijn bij CVS-patienten, die in plaats van verder geholpen te worden, in de kou blijven staan, en zelf hun besluiten moeten trekken. De perceptie van deze gevoelens houdt de ziekte in stand, en leidt tot negatieve sociale implicaties voor de patient. Een vroege en correcte diagnose is onontbeerlijk om deze negatieve gevolgen zo beperkt mogelijk te houden. (Clark e.a. 2002:359)
Een van de belangrijkste moeilijkheden waar CVS-patienten in vele landen mee worden geconfronteerd is het feit dat behandelingen officieel niet worden erkend door de ziekenfondsen. Patienten worden hierdoor uitgesloten van toegang tot sociale voordelen, ziekteverzekering en ziekenzorg. Verder kan de partiele legitimiteit van CVS en de onduidelijke berichtgeving in de media ertoe leiden dat het leed van de patient en zijn familie sterk toeneemt. Patienten worden vaak gestigmatiseerd als luieriken, profiteurs en psychisch gestoord. Dit heeft een negatieve impact op de sociale steun die ze ontvangen. (Millen, Peterson & Woodward, 1998:128) Later zal worden aangetoond dat een gebrek aan sociale steun nefast is voor een optimaal ziekteverloop.
1.2.3.6 Naar een biopsychosociale, patientgerichte benadering van CVS ----------------------------------------------------------------------
In de nabije toekomst lijkt het van onmiskenbaar belang dat er eensgezindheid wordt gecreeerd tussen de verschillende betrokken partijen. Bij de ontwikkeling van een zo effectief mogelijke behandeling tegen het chronisch vermoeidheidssyndroom, moet de patient centraal staan. De aanhoudende belangenconflicten die leiden tot meer onduidelijkheid, komen hem immers niet ten goede. Patienten hebben behoefte aan begrip, aan een luisterend oor, aan aangepaste begeleiding en therapie en aan sociale en praktische steun. Educatie over het belang van het in rekening nemen van sociale en psychologische factoren is hierbij noodzakelijk. Patientenverenigingen mogen deze factoren niet zomaar naast hun neerleggen. Een biopsychosociale aanpak lijkt immers de meest belovende perspectieven te bieden. Dergelijke benadering heeft aandacht voor de rol die de interactie tussen sociale, gedragsmatige en emotionele factoren speelt bij het aanhouden van de fysische symptomen. Er wordt hierbij geenszins geinsinueerd dat CVS een ingebeelde ziekte zou zijn, of dat enkel psychische factoren aan de grondslag liggen. (Straus,1996:832) Ook het rapport van de werkgroep rond CVS stelt dat in het verloop van verschillende sessies, een vertrouwelijke, niet-authoritaire arts, de patient moet motiveren een constructieve, therapeutische alliantie aan te gaan. Hierin moet aandacht worden besteed aan de bedachtzame toepassing van enkele laboratorische testen, het geven van symptomatische medicatie, de bemoediging van de uitoefening van graduele oefeningen en de progressieve terugkeer naar de school of de werkvloer. (Straus, 1996:833)
Volgens de ME-vereniging, de belangrijkste patientenvereniging in Belgie, zijn er in Belgie ongeveer 15000 mensen gediagnosticeerd met CVS. Verschillende respondenten beweren echter dat er veel meer mensen aan het syndroom zouden lijden, maar dat velen niet in de statistieken zijn opgenomen, omdat niemand de diagnose ooit heeft vastgesteld. Op de mogelijke oorzaken en symptomen van de ziekte wordt verder niet meer ingegaan, omdat het weinig zinvol is binnen een sociologisch kader.
1.3 Invloed vanuit de sociale psychologie ------------------------------------------
Omdat een chronische ziekte, zoals Bury zegt, een allesomvattende disruptie betekent van het alledaagse leven, kan ziektebeleving niet los gezien worden van veranderingen in de identiteit. Aangezien we later zullen zien dat deze onvermijdelijk wordt aangetast ten gevolge van een ziekte als CVS, zijn we verplicht dieper in te gaan op het onderscheid tussen begrippen als het zelf, de persoonlijkheid en de identiteit. Omdat deze begrippen vooral een centrale plaats innemen in de sociale psychologie, gaan we hiervoor bij deze discipline te rade. De bron van het meeste sociaal-psychologisch onderzoek ligt in het symbolisch interactionisme, en in enkele cognitieve en sociale leertheorieen. Wanneer we ziektegedrag en gezondheidsgedrag zo volledig mogelijk willen begrijpen, kunnen we niet voorbij gaan aan een aantal psychosociale factoren. Naast het belang van sociale relaties en steun, in verband met de mate waarin iemand in staat is op een positieve manier om te gaan met een ziekte, heeft immers ook de persoonlijkheid van het individu hierop een invloed. Volgens psychologen verwijst de persoonlijkheid in het algemeen naar de verschillende psychologische kenmerken, motivaties, disposities en stijlen van denken en voelen. Wanneer we spreken over persoonlijkheid moeten we aandacht besteden aan het zelf. Het zelf is immers dat deel van de persoonlijkheid waarvan we ons bewust zijn. (Gecas & Burke, 1995:41-59)
1.3.1 Het zelfconcept ---------------------
Gecas (1982) stelt dat ons zelfconcept de som is van het geheel van de gedachten en gevoelens over onszelf als object of subject. Turner (1976) wijst op het zelf als een gevoel van ruimtelijke en temporele continuiteit, en maakt een onderscheid tussen het essentiele zelf en het zelf als louter voorkomen en gedrag. We mogen het zelf niet verwarren met onze identiteit. De identiteit is het meest publieke deel van het zelf. Identiteit verwijst naar de betekenissen die anderen aan ons toeschrijven. (Gecas & Burke, 1995:41-59) Stryker pleit voor meer aandacht voor het verband tussen het zelf en de maatschappij. Het zelf bestaat volgens hem uit een hierarchische structuur van identiteiten, die elk verbonden zijn aan een rol binnen de sociale structuur. Dit doet hij in navolging van McCall en Simmons (1966), die met behulp van het begrip 'role-identity' personen aan sociale structuren linken. Marcus duidt op het bestaan van zelf-schema's in het bespreken van de intrapersoonlijke benadering van het zelf. Hij ziet het zelf als een cognitieve structuur. De functie van zo een zelfschema is zelf-relevante informatie in een situatie herkennen, interpreteren en verwerken. In 1981 wijst Taijfel tenslotte met zijn 'Social Identity Theory' op het belang van het lidmaatschap van een groep, en de gevolgen ervan voor de relaties tussen personen en groepen. Groepen zijn volgens hem zeer relevant voor het begrijpen van de identiteit. (Gecas & Burke, 1995:41-59)
1.3.2 Self-efficacy, coping-strategieen en het belang van sociale steun ------------------------------------------------------------------------
Terwijl het zelf vroeger vooral als een product van sociale invloed werd beschouwd, vat men het zelf tegenwoordig steeds meer op als iets actief. Het is een kracht die het individuele functioneren, de sociale interactie en de omgeving beinvloedt. Men spreekt in dit verband van het actieve zelf. Gelijklopend met deze ontwikkeling, zijn de toegenomen aandacht voor de motivationele aspecten van het zelf, de sterkere nadruk op de door het zelf gebruikte verdedigingssystemen, en de verhoogde interesse voor emoties en hun connectie met zelfcognitie en gedrag. (Gecas & Burke, 1995:41-59) Dit is interessant omdat later zal worden nagegaan wat het belang is van motivationele aspecten, als self-efficacy en zelfvertrouwen, bij de ziektebeleving van de CVS -patient, die ervoor ijvert gewaardeerd te worden als actieve actor in de relatie met zijn arts. Ook zullen in verband met de aantasting van de identiteit, veel gebruikte zelfverdedigingssystemen als impression-managment en ontkenning, onder de loep worden genomen. Ook naar het verband tussen emoties, gedrag, en de link met bepaalde ziektefasen waarin CVS -patienten mogelijk terecht komen zal aandacht uitgaan.
Vooral self-efficacy is een belangrijke determinant is van de ziektebeleving bij chronische patienten. Door de toegenomen aandacht voor het actieve zelf in de sociaal-psychologische literatuur in het algemeen, wordt er bijna vanzelfsprekend meer aandacht geschonken aan de daarmee samenhangende mate van handelingsdoeltreffendheid, of self-efficacy van een individu. In de context van de sociologie van chronische ziekten, waarin de patient wordt beschouwd als actief individu, moeten we dit begrip van naderbij bekijken. Vooral Bandura is hieromtrent van groot belang. Hij definieert self-efficacy als de meest directe uitdrukking van het zelfconcept als sociale kracht, of als het ervaren van het gevoel dat men zijn omgeving kan beinvloeden. Volgens hem is self-efficacy een belangrijke factor in gezondheids-gerelateerd gedrag, omwille van de positieve invloed ervan op het welbevinden van de patient. Seligman wijst in zijn theorie van de aangeleerde hulpeloosheid op de link tussen self-efficacy en depressie. Men zou meer kans hebben op depressie wanneer men gelooft dat zijn eigen handelingen geen invloed hebben op het veranderen van zijn eigen levensomstandigheden. (Gecas & Burke, 1995:41-59) In feite wijst dit begrip op het belang van het behoud van controle over het eigen leven.
Om effectief te kunnen functioneren in deze wereld zijn mensen volgens Lecky steeds op zoek naar een coherent zelfbeeld. Swann stelt in de 'Self- verification Theory' dat mensen gemotiveerd worden om hun zelfbeeld te bevestigen omdat dat hen het gevoel geeft dat de wereld voorspelbaar en controleerbaar is. Mensen zijn volgens de 'Interpersonal Congruence Theory' bovendien ook op zoek naar sociale relaties die congruent zijn met hun zelfconceptie. Congruente sociale relaties stabiliseren de zelfconceptie en maken ze resistent voor verandering. In de 'Self-discrepancy Theory' behandelt Higgins de gevolgen van mislukte zelfverificatie. Deze theorie is van groot belang wanneer het zelfconcept bij CVS -patienten wordt besproken, aangezien ze voortdurend met deze discrepantie worden geconfronteerd. Volgens Higgins veroorzaken discrepanties tussen het actuele zelf en het ideale of sociaal gewenste zelf, emotionele reacties en een sterke motivatie om deze discrepantie te verminderen. Terwijl de discrepantie tussen het actuele zelf en het ideale zelf depressie kan veroorzaken, heeft de discrepantie tussen het actuele zelf en het sociaal gewenste zelf sociale angst, negatie en stress tot gevolg. Om hun gewaardeerde zelfconceptie te behouden gaan mensen zich daarom laten meeslepen door misvattingen en misleidingen. Wanneer men weet dat iets over zichzelf waar is, maar wanneer men tezelfdertijd gelooft dat het niet waar is, kunnen we spreken van zelfbedrog. Zelfbedrog is een voorbeeld van een vaak gebruikt verdedigingsmechanisme door het zelf. (Gecas & Burke, 1995:41-59) Aangezien patienten met CVS op veel onbegrip in verband met hun ziekte stuiten, en om eerder genoemde redenen de ziekenrol niet kunnen innemen, zullen zij proberen hun normale rollen zo goed mogelijk te blijven uitoefenen, om zo het sociaal gewenste zelf in stand te houden. Omwille van het verlies van fysische capaciteiten zullen zij echter onvermijdelijk worden geconfronteerd met controleverlies en zelfbedrog.
In verband met de aard van het zelfconcept moeten we tenslotte wijzen op de invloed van anderen. Volgens de interactionistische traditie zien mensen zichzelf immers zoals ze denken dat anderen hen zien. Zo is het mogelijk dat iemand met CVS van zichzelf vindt dat hij nutteloos en lui is, omdat hij denkt dat anderen hem zo waarnemen, doordat hij er vroeger misschien zelf zo over dacht. We belanden hier bij de kern van de labellingtheorie van Becker. (Branaman, 9-11) Stereotypen bezitten een vaak onopgemerkte kracht. Ze kunnen sociale relaties zo beinvloeden dat er een realiteitsillusie wordt gecreeerd. Op basis van stereotypes wordt het persoonlijk verleden van de persoon door de omgeving herdacht, zodat deze stereotypes worden bevestigd. (Snyder, 32-34) Enkele bedenkingen zijn echter op hun plaats. Omdat een individu geen passief wezen is, kan het niet zijn dat het zelfconcept enkel afhankelijk is van anderen. Men moet zich daarom afvragen wanneer iemands zelfconcept afhankelijk is van de waardering die hij krijgt van anderen. Mensen zouden gevoeliger zijn voor de waardering van anderen wanneer ze zichzelf onzeker voelen. (Gecas & Burke, 1995:41-59) Ook dit is belangrijk om weten, aangezien voor mensen met een onduidelijke ziekte als CVS, onzekerheid een zeer grote rol speelt in hun ziektebeleving.
De keerzijde van sociaal onbegrip en stigmatisatie, is sociale steun. Over het positieve belang van sociale steun zijn vele auteurs het eens. Levine definieert sociale steun als de beschikbaarheid van mensen op wie we kunnen terugvallen, van mensen die ons waarderen en van ons houden, en waarvan we weten dat ze om ons geven. Er bestaan twee zienswijzen in verband met het bestaan van sociale steun. Volgens een eerste, structurele perspectief, verwijst sociale steun naar het sociale netwerk waarin we ons bevinden. Vooral het aantal sociale relaties wordt als indicator beschouwd voor de mate van sociale integratie. Een tweede, functioneel perspectief is kwalitatief van aard en meet de perceptie bij een individu van de beschikbaarheid van sociale steun. Algemeen bestaan er vier types van sociale steun. Naast emotionele, materiele en informationele steun, wordt ook de ondersteuning van het zelfvertrouwen (esteem support) als een vorm van sociale steun beschouwd. Volgens Kaplan vermindert sociale steun de kans op gezondheidsproblemen omdat het een stress -buffer creeert. Sarason stelt dat sociale steun mensen in staat stelt meer effectieve 'coping' -strategieen te ontwikkelen. Ook een hoger zelfvertrouwen, een grotere algemene levenstevredenheid en een hogere pijngrens zijn enkele gevolgen. Bovendien leidt de aanwezigheid van sociale steun ertoe dat mensen sneller in staat zijn hulp te vragen wanneer ze in moeilijkheden verkeren. Volgens Coyne en Mahler (1993) is het effect van sociale steun echter niet noodzakelijk positief. De impact van sociale steun hangt af van de persoon die het geeft en de manier waarop hij dit doet. Zo kunnen echtgenoten die te weinig steun geven, of overbezorgd zijn, chronisch zieken juist stress bezorgen. Omdat ze vaststelt dat chronische patienten vaak geconfronteerd worden met negatieve reacties uit hun nabije omgeving, stelt Herbette zich terecht de vraag in welke mate sociale steun aanwezig blijft, wanneer de ernst van een gebeurtenis, en de lengte van de impact ervan, toenemen. (Herbette, 2002) Tenslotte is de hoeveelheid en de kwaliteit van de sociale steun die iemand geeft, afhankelijk van zijn overtuigingen met betrekking tot de etiologie van de ziekte. Wanneer de zorgverlener ervan overtuigd is dat de oorzaak fysisch van aard is, zal hij meer sociale steun verlenen en omgekeerd. (Kelly, 1999:21) De onduidelijke etiologie van CVS en het feit dat de fysische en de psychische component tegenover elkaar worden gesteld, zijn extra motivaties om het belang van sociale steun na te gaan bij het ziekteverloop van CVS- patienten.
Wanneer we vertrekken van de stelling dat de patient een actief deelnemer is aan de therapeutische alliantie, en dat hij recht heeft op inspraak en respect, gaan we ervan uit dat hij bepaalde strategieen hanteert om zo goed mogelijk met zijn ziekte te leven. Voortaan zullen we de term 'coping' gebruiken wanneer we hier over spreken. Laten we bovendien de doelstelling van het onderzoek niet uit het hoofd verliezen. In eerste instantie willen we de interactie nagaan tussen het ziekteverloop van een illegitieme chronische ziekte als CVS, en de identiteitsbeleving die hiermee gepaard gaat. Deze resulteert volgens Strauss in een aantal fasen, waarin patienten specifieke copingstrategieen hanteren om met de ziekte om te gaan. Volgens Lipowsky kan men 'coping' omschrijven als de cognitieve en motorische activiteiten die een zieke persoon uitoefent om zijn lichamelijke en psychische integriteit te beschermen, om het verlies van capaciteiten te herstellen en om tegemoet te komen aan onomkeerbaar ingetreden beperkingen. Coping omvat probleemgerichte, oplossinggerichte en emotiegerichte omgangstrategieen. Het uiteindelijke doel ervan is het reguleren van de stresserende emoties die ontstaan ten gevolge van de ziekte. (Ray, Weir, Stewart, Miller & Hyde, 1993:385) Positieve strategieen als praten en bewegen hebben een positieve impact op het ziekteverloop en kunnen worden aangeleerd. (Millen, 1998:136) Omdat enkel de patienten zelf kunnen aanwijzen welke technieken of strategieen een weldadig effect hebben op hun ziekteverloop, is het van belang na te gaan welke coping-strategieen specifiek door CVS-patienten worden toegepast.
1.4 Ziektefasen ----------------
Nu we een duidelijker zicht hebben op de evolutie van de sociologie van chronische ziekten, op de betekenis van het chronisch vermoeidheidssyndroom, en op relevantie van een aantal sociologische en sociaal-psychologische begrippen in verband met de identiteit, kunnen we ons toespitsen op de interactie van het ziekteverloop en de identiteitsbeleving bij chronische patienten in het algemeen. Omdat in dit verband geen kant en klare theorieen voor handen zijn, worden theorieen geraadpleegd over verschillende aspecten van de interactie tussen identiteitsverlies en negatieve levensgebeurtenissen. Onderwerpen als rolpatronen, statusverloop, normaliteit, abnormaliteit en aanpassing blijken hierbij relevant. Later zal worden getracht om, op basis van het gevoerde onderzoek, deze theoretische concepten in een hypothese van een identiteitstheorie te gieten, en af te stellen op de specificiteit van de ziektebeleving bij CVS-patienten.
1.4.4 De zoektocht naar het verloren zelf -----------------------------------------
Eerst stellen we ons de vraag op welke manier chronische ziekten en identiteitsbeleving samenhangen. Een chronische ziekte is een bedreiging voor de integriteit van het zelf. Omwille van lichamelijk verlies, worden oude vanzelfsprekendheden in verband met het functioneren van het lichaam immers onderuitgehaald. Omdat het lichaam verbonden is met de identiteit en het zelf, heeft fysische degradatie een impact op het zelf en de identiteit. (Charmaz, 1995:157) De geest en het bewustzijn, die deel uitmaken van het zelf, worden beinvloed door lichamelijke gevoelens, simpelweg omdat ze in het lichaam liggen ingebed. Langdurig lichamelijk verlies tast het zelfbewustzijn hierdoor onvermijdelijk aan. Bovendien wordt door fysische aftakeling ook de behoorlijke uitoefening van de verschillende rollen die de persoon inneemt, onmogelijk. Ook door dit rolverlies wordt de identiteit, die ontstaat uit de uitoefening van verschillende rollen, aangetast. De betekenis die men aan dit verlies toekent, wordt bepaald door een aantal veronderstellingen over het lichaam, die vorm hebben gekregen door de manier waarop de persoon verschillende levensgebeurtenissen, in de loop van zijn biografie, heeft geinterpreteerd. Negatie, minimalisatie, erkenning, aanpassing en opname van de ziekte in een soort nieuwe identiteit zijn enkele manieren waarmee chronische patienten met de aanval op hun zelf en op hun identiteit om kunnen gaan. Chronische patienten ervaren deze fasen meestal op verschillende tijdstippen van hun ziekteverloop. Afhankelijk van de situatie waarin ze verkeren, kunnen deze reacties natuurlijk en noodzakelijk zijn. Er bestaat echter een verschil in de evolutie waarop verschillende mensen deze fasen doormaken. Sommige chronische patienten zullen de ziekte nooit aanvaarden, terwijl anderen vrij snel komen tot de opbouw van een nieuwe identiteit, waarvan de ziekte een cruciaal onderdeel is. In welke fase deze mensen ook zitten, ze zullen steeds op zoek zijn naar een waardevolle invulling van hun verloren zelf. Sommige zoeken deze in het behoud van hun vroegere identiteit, voor anderen neemt deze nieuwe identiteit juist een tegengesteld karakter aan. (Charmaz, 1995:658)
1.4.2 Statusverloop --------------------
Voorgaande korte bespreking van een aantal strategieen die patienten gebruiken om de confrontatie met een ziekte gemakkelijker te maken, kan niet los worden gezien van rolverlies en statusverandering. Een chronische ziekte kan mensen dwingen tot een ongewenste, onomkeerbare en opgelegde verandering van status. Omwille van het verlies van verschillende rollen dat hiermee samenhangt, loopt de patient immers het risico dat de omgeving hem enkel in functie van zijn handicap definieert waardoor de ziekte als het ware een master-status gaat vormen. Omdat de omgeving bovendien snel vergeet wie hij vroeger was, wordt statusverandering, als gevolg van een chronische ziekte, door de patienten dan ook meestal beschouwd als een statusdegradatie. Het concept van statusverandering bestaat sinds het werk van Arnold Van Gennep aan het begin van vorige eeuw (1908). Sindsdien hebben verschillende sociologen en antropologen aan de ontwikkeling van dit begrip bijgedragen. Een van de basisauteurs hieromtrent is Strauss (1968). (Lewis, 1999:88) In hun boek 'Status Passages' (1971) ontwikkelen Strauss en Glaser een formele theorie van statusverloop. Een verandering van status kan een beweging naar een ander deel van de sociale structuur betekenen, maar ook verlies of winst van privilege, invloed of macht. Verandering in gedrag, identiteit en tenslotte in het zelfconcept, zijn hiervan een mogelijk gevolg. Omkeerbaarheid, tijdelijkheid, vorm, wenselijkheid, contextgebondenheid en meervoudigheid zijn volgens de auteurs zes belangrijke, onderling verbonden eigenschappen van het proces van statusverandering. Wanneer we een statusverandering beoordelen met behulp van een evaluatie van deze eigenschappen, zijn we in staat de aard van het statusverloop meer volledig te analyseren. (Strauss & Glaser, 1971:9)
In 'Becoming an ex' (1988) onderzoekt Ebaugh, die voortbouwt op de theorie van Strauss en Glaser, het aanpassingsproces dat inherent is aan een verandering van status. Een verandering van status is vaak het gevolg van het innemen van een andere rol. Omdat de identiteit uit de uitoefening van een aantal rollen bestaat, kan statusverandering ook het gevolg zijn van een verandering in de identiteit, of er juist aan de oorzaak van liggen. Aangezien CVS -patienten genoodzaakt zijn heel wat rollen op te geven, is het interessant na te gaan of ook zij statusverandering ervaren, en te kijken welke vorm deze dan aanneemt.
Voor we het proces van rolverlies bespreken is het noodzakelijk even dieper in te gaan op het begrip 'rol' zelf. Sinds het ontstaan van de sociologie en de psychologie zijn wetenschappers steeds geinteresseerd geweest in rolgedrag. In feite bestond het begrip 'sociale rol' reeds veel vroeger. Schrijvers merkten onder andere zeer snel op dat gedrag vaak meer wordt bepaald door de maatschappelijke positie die men wordt verondersteld in te nemen, in plaats van door persoonlijke kenmerken. Of zoals Shakespeare wist te vertellen, "All the world's a stage, and all the men and women merely players". Net zoals acteurs elk hun bepaalde rol hebben, nemen we in het dagelijkse leven specifieke posities in. En net zoals acteurs een bepaald script volgen, volgen wij een bepaalde weg, die ons wordt voorgeschreven door de cultuur waarin we leven. Merton stelt dat elk individu in een bepaald rollenpatroon (role-set) zit, dat een samenstelling is van de verschillende rollen die hij of zij uitoefent. Elke rol is verbonden met een aantal specifieke taken, verwachtingen en normen. Een rol oefent men daarom nooit geisoleerd uit. Individuen worden met rolverwachtingen geconfronteerd door hun rolpartner. Zo verwacht men bijvoorbeeld van een moeder dat zij haar kinderen zo goed mogelijk opvoedt. De invulling van 'zo goed mogelijk' is afhankelijk van de heersende normen in een bepaalde cultuur. Er bestaan twee benaderingen in de sociologie met betrekking tot de rol. Structuralisten staan voor het role-taking perspectief. Ze beschouwen sociale rollen als patronen van gedragsmatige verwachtingen die geassocieerd zijn met bepaalde posities in de sociale structuur. Het individu internaliseert de bestaande verwachtingen uit het sociale systeem, en neemt daardoor zijn rol in. (Merton, 1957a) (Parsons, 1961) Het sociaal interactionistische perspectief focust zich op de manier waarop individuen betekenissen bespreken en bediscussieren opdat ze in staat zijn nieuwe rollen te ontdekken en zich erin te engageren. Gebaseerd op hun subjectieve percepties coordineren individuen hun handelingen met de geanticipeerde verwachtingen van anderen. Naarmate de situatie verandert veronderstelt dit 'role-making' proces een voortdurend creatief aanpassingsvermogen. Role-making is een voortdurend proces van denken, voelen, waarnemen, evalueren en beslissingen nemen. Hoewel individuen door structurele condities beperkt worden, worden rollen gecreeerd en herbeschouwd wanneer individuen ze interpreteren. (Mead, 1934) (Turner, 1976) (Meltzer, Petras, Reynolds, 1975) Volgens Ebaugh kan een adequate beschouwing van het proces van rolverlies enkel wanneer beide perspectieven worden geintegreerd. Er kan niet worden ontkend dat rolverwachtingen ingebed liggen in de sociale structuur, en dat we door middel van socialisatie deze verwachtingen internaliseren. Anderzijds engageren individuen zich in het proces van role-making, wat wil zeggen dat ze rolverwachtingen op een creatieve manier interpreteren en dat ze deze verwachtingen voortdurend aanpassen aan de gegeven situatie. Binnen een bepaald kader van bestaande rolverwachtingen maken individuen zelf keuzes en passen ze hun gedrag en hun zelfconcept aan elkaar aan. (Ebaugh, 1995:17) Het geintegreerde perspectief van Ebaugh op rolgedrag wordt hier overgenomen. CVS -patienten worden in de eerste plaats zelf geconfronteerd met verlies, en zullen dit verlies met behulp van het geven van bepaalde betekenissen, dus ook gedeeltelijk zelf verwerken. Ze kunnen hierbij echter onmogelijk ontkomen aan de invloed van de sociale structuur waarin ze zijn gesocialiseerd.
Ebaugh spitst zich niet toe op statusverandering ten gevolge van chronische ziekten, maar zoekt naar het gemeenschappelijk proces van rolverlies. Rolverlies is een sociaal basisproces dat vooral de laatste 30 jaar meer in de belangstelling kwam staan. Vroeger kwamen rolveranderingen immers minder frequent voor, door de lagere mobiliteit waarover mensen beschikten. Het begrip is belangrijk omdat het ons toelaat conflict en sociale interactie te begrijpen. De verwachtingen en normen vanuit de omgeving zijn immers eerder gerelateerd aan de sociale verwachtingen die geassocieerd waren met de vorige rol, in plaats van met de nieuwe rol. Het begrip 'Ex' in de titel, legt nadruk op dit contrast met de vorige rol. Men past niet meer in de oude sociale structuur. De maatschappij plaatst het individu echter wel in de sociale structuur op basis van wie hij vroeger was. De betrokken persoon voelt zich hierdoor mis begrepen. Bovendien leidt dit ook tot het ontstaan van maatschappelijke stereotypes. Het individu wordt steeds geconfronteerd met het feit dat hij ooit deel uitmaakte van een bepaald rollenpatroon. Role-exit vereist een aanpassing van zowel het individu als van zijn significante anderen. Het is daarom een uniek sociaal proces, dat geenszins betekent dat men de bepaalde rol nooit heeft uitgeoefend. Mensen die een andere status innemen, hebben nog steeds voeling met mensen uit hun vroegere rollenpatroon. Tezelfdertijd leggen ze nieuwe contacten, met mensen die vroeger geen deel uitmaakten van dat rollenpatroon. Mensen die zich in dezelfde situatie bevinden ontwikkelen vaak een subcultuur. Hierin vinden ze steun bij elkaar en proberen ze met de labels en stereotypen vanuit de maatschappij om te gaan. (Ebaugh, 1998:1-3)
Ten gevolge van rolverandering komen mensen volgens Ebaugh in een specifiek identiteitsproces terecht. Ebaugh onderscheidt drie belangrijke tendensen in dit proces, namelijk disengagement, desidentificatie en socialisatie. Cumming en Henry omschrijven disengagement als de wederzijdse terugtrekking van het individu en de mensen die passen in het oude rollenpatroon van het individu. De band tussen het individu en de maatschappij verzwakt, omwille van de verminderde betrokkenheid van beiden. Een gevolg hiervan is dat de sociale omgeving minder verwacht van het individu, waarop deze zich op zijn beurt, meer en meer gaat afsluiten van zijn omgeving. (Ebaugh, 1998:4) Bij chronische patienten ligt de oorzaak van deze dalende betrokkenheid bij hun sociale omgeving, in hun verminderde fysische capaciteit tot normaal functioneren. In die zin is hun statusverandering ongewenst. De term 'disengagement' lijkt daarom minder geschikt voor het aanduiden van de eerste fase in het identiteitsproces ten gevolge van een chronische ziekte. Hoewel de term duidt op het gepaardgaande rolverlies en de toename van sociale isolatie in die eerste fase, schuilt er in het begrip een zweem van gewilde afname van betrokkenheid. Chronische patienten zijn echter niet minder geengageerd om hun oude rollen naar behoren uit te voeren, maar worden door de ziekte hiertoe genoodzaakt.
Op basis van het onderzoek dat ze voerde, kwam Ebaugh tot vier fasen waarin mensen terecht komen wanneer ze een bepaalde rol verlaten. In een eerste fase worden twijfels ervaren bij het engagement dat men wil of kan leveren bij het uitoefenen van zijn rol. Deze fase is noodzakelijk om tot een herinterpretatie te kunnen komen van situaties die vroeger vanzelfsprekend leken. Men realiseert zich dat de dingen niet zijn zoals ze lijken, en er worden nieuwe betekenissen aan bepaalde dingen gegeven. Deze fase is een geleidelijk proces. Het individu ervaart in eerste instantie een algemene ontevredenheid, en is pas later in staat specifiek te formuleren wat er fout loopt. Het proces vangt aan voor men er zich van bewust is, en kan jaren duren. Twijfels bij roluitoefening kunnen ontstaan doordat men ervaart dat men niet meer past in de organisatorische, sociale context waarin men leeft. Ook bepaalde gebeurtenissen kunnen tot twijfels leiden en tot het in vraag stellen van zichzelf. Wanneer men zich bewust wordt van deze twijfels volgt een periode waarin men op zoek gaat naar alternatieven om de dissatisfactie weg te nemen. Dit kan leiden tot het negeren van de twijfels, het vertonen van een sterker engagement in de normale bezigheden, het uit de weg ruimen van ogenschijnlijke hindernissen, en het evalueren van andere rollen. Dit proces van het zoeken naar alternatieven is noodzakelijk comparatief van aard. Verschillende rollen worden vergeleken in termen van hun kosten en baten. Hoewel deze beoordeling in feite een bewust en rationeel proces is, zijn er heel wat spontane, onbewuste, emotionele en irrationele elementen betrokken. Na een bepaalde periode van twijfels en afweging van verschillende alternatieven, komt het individu tot een punt in het proces van rolverandering, waarop hij een duidelijke en definitieve beslissing neemt om uit zijn oude rollenpatroon te stappen. Deze beslissing hangt meestal samen met een bepaald keerpunt in het leven van het individu. Een keerpunt is een gebeurtenis die ervoor zorgt dat men zich bewust wordt van het feit dat oude handelingspatronen vervuld zijn, gefaald hebben, onderbroken zijn geworden, of niet langer persoonlijke voldoening geven. Deze bewustwording zorgt ervoor dat het individu beslist zijn leven een andere wending te geven. Meestal gaat dergelijke beslissing gepaard met een vorm van uiterlijke expressie. Het nemen van ontslag of het in gang zetten van een scheidingsprocedure zijn hiervan enkele voorbeelden. Keerpunten hebben drie belangrijke functies voor het individu dat een rolverandering ondergaat. De ervaring van een keerpunt wordt een reden voor het aankondigen van cruciale beslissingen die het individu voor zichzelf heeft gemaakt, aan zijn sociale omgeving. Een tweede functie van het keerpunt is het verminderen van cognitieve dissonantie. Volgens Festinger (1957) is cognitieve dissonantie het resultaat van de spanning die ontstaat wanneer een persoon wordt geconfronteerd met twee tegengestelde of onverenigbare percepties. Sociaal psychologen stellen dat mensen steeds nood hebben aan een evenwicht en een harmonie in de percepties van hun wereldbeeld. Mensen zijn op zoek naar een coherent beeld van hun omgeving, van zichzelf en van de belangrijke mensen in hun leven. Problemen ontstaan wanneer in deze percepties contradicties worden ervaren. Dissonantie wijst niet zozeer op de objectieve tegenstellingen die door een buitenstaander kunnen worden waargenomen, maar is het resultaat van de beleving van het individu van de contradicties die hij ervaart. Concreter kan dissonantie het resultaat zijn van een tegenstelling tussen het zelfconcept en het vertoonde gedrag. Wanneer we weten dat gedrag onder andere bepaald wordt door lichamelijke capaciteiten, kunnen we stellen dat dissonantie kan ontstaan uit de tegenstelling die een chronische patient ervaart tussen zijn geest die veel wil, en lichaam dat weinig kan uitvoeren. Om verder te kunnen zal het individu deze cognitieve resonantie moeten verminderen, zodat zijn handelingen verantwoord kunnen worden en in overeenstemming kunnen worden gebracht met zijn waarden en meningen. Doordat het keerpunt leidt tot het publiek maken van een aantal cruciale beslissingen in verband met de uitoefening van zijn rollenpatroon, zal het individu tezelfdertijd deze beslissingen trachten te verantwoorden door er bepaalde betekenissen aan te geven, waardoor de cognitieve dissonantie die hij zelf ervaart kan afnemen. Tenslotte zorgt een keerpunt ervoor dat een individu emotionele en sociale middelen mobiliseert, die hem van pas zullen komen bij het volbrengen van zijn role-exit. Volgens Ebaugh zijn gevoelens van vreugde, euforie, opluchting en vrijheid kenmerkend voor de periode die volgen op het keerpunt.
Ebaugh vernoemt ook het moment van leegte dat wordt ervaren. Het tijdstip waarop de leegte in het proces van rolverandering overheerst varieert. Soms wordt er leegte ervaren voor het keerpunt, soms tijdens de fase waarin alternatieven worden afgewogen, en anderen ervaren de leegte vooral na het keerpunt. De ervaring van leegte kan best worden omschreven als een periode waarin gevoelens van angst, eenzaamheid, waardeloosheid en toekomstige onzekerheid overheersen. Het beperken van het gevoel van leegte en het proces van aanpassing en van het aannemen van een nieuwe sociale identiteit zijn gemakkelijker wanneer mensen bruggen hebben gelegd naar hun oude rollen. Deze kunnen verband houden met de job, de familie, vrienden en hobby's. Er lijkt een verband te bestaan tussen het aantal linken en de kwaliteit ervan enerzijds, en de graad van rolaanpassing en geluk na de exit anderzijds. Omdat Ebaugh niet spreekt over rolverandering, specifiek bij chronische patienten, valt het echter af te wachten of het onderhouden van contacten uit het vroegere rollenpatroon ook voor hen vruchtbaar is. Zeker is dat een ondersteunende en begripvolle reactie van familie en vrienden belangrijk is voor een gunstig verloop van het aanpassingsproces. Ook hier blijkt opnieuw de positieve impact van sociale steun. De laatste fase van het exit proces, is het creeren van en het aanpassen aan de ex-rol. De ex-rol is een uniek sociaal fenomeen omdat de verwachtingen, normen en de identiteit die ermee zijn geassocieerd, niet zozeer verbonden zijn aan de nieuwe rol, maar wel aan de verwachtingen, sociale verplichtingen en normen die gerelateerd zijn aan de vroegere rol. Daarom mag de oude identiteit bij het aannemen van een nieuwe, niet worden vergeten. Nergens zijn zelfbeeld en zelftransformatie meer verweven met sociale verwachtingen dan bij de ex-rol. Het essentiele dilemma dat wordt ervaren bij de ex-rol is de spanning tussen zelfdefinitie en sociale verwachtingen. Het tijdstip waarop de sociale omgeving het individu niet meer enkel beschouwt in termen van een ex, maar verder kijkt, is een belangrijk moment. De meerderheid van de respondenten uit de studie van Ebaugh worstelde na de inname van de ex-rol met zes factoren, namelijk de zelfpresentatie na de rolverandering, de sociale reacties, intieme relaties, veranderende vriendschappen, het contact met groepsleden en andere exen, en de overlap van de oude identiteit. (Ebaugh, 1988) Op deze pijnpunten wordt later dieper ingegaan, wanneer er wordt gekeken naar het verloop van de identiteitstransformatie die CVS-patienten doormaken.
1.4.3 Abnormaliteit versus normalisatie ----------------------------------------
Een andere benadering van identiteitstransformatie ten gevolge van rolverlies, vinden we in een onderzoek in Australie, bij 180 chronische patienten. Hier kwamen abnormaliteit en normalisatie naar voren als twee belangrijke fasen in de chronische ziektebeleving. Abnormaliteit treedt in vanaf het moment dat patienten met de ziektesymptomen worden geconfronteerd, en alle vanzelfsprekende assumpties in vraag worden gesteld. Een allesomvattende onvoorspelbaarheid daagt de stabiliteit van het alledaagse leven uit, waardoor het gevoel van algemene vertrouwdheid wordt doorprikt. De patient belandt in een zeer dynamische en energieverbruikende fase, die gekenmerkt wordt door gevoelens van disruptie, isolatie en verlies. Het toekomstbeeld stuikt in elkaar, en de reeds uitgestippelde levensweg wordt overhoop gegooid. Hierdoor ervaart de patient ernstig controleverlies. Vooral op het ogenblik wanneer de diagnose wordt gesteld, dreigt hij zijn stem te verliezen in het biomedische discours. Verlies wordt in elk aspect van zijn leven ervaren. Volgens Kralik domineert zelf-absorptie in deze fase het levensperspectief van de patient omdat er bijna uitsluitend aandacht wordt gericht op de ziekte en op zichzelf. Hoewel hier vroeg of laat van af moet worden gestapt, gaat men er van uit dat deze zelfgerichtheid noodzakelijk is, om de overgang naar normalisatie mogelijk te maken. (Kralik, 2002:146)
Er komt immers een moment waarop men in staat is verder te gaan, en het leven weer in handen te nemen. Dit transitieproces van abnormaliteit naar normaliteit, gaat over het omkeren van de buitenaardsheid van de ziekte in een vertrouwd deel van het leven. Dit vereist persoonlijke inspanning en reflectie over de eigen ziektebeleving. Hoe komen mensen ertoe om zich hiervoor in te spannen? Belangrijk bij dit proces zijn de gelijklopende verhalen van lotgenoten. Door middel van de interpretatie van de ervaring van anderen, wordt zelfreflectie immers gestimuleerd. Verder kan het vertellen van verhalen leiden tot een validatie van het zelfconcept omdat men het gevoel heeft dat er geluisterd wordt. Ook Kralik stelt dat de aanwezigheid van sociale steun in het algemeen een positieve invloed heeft op de transitie naar normaliteit, en op de controle die ervaren wordt door de chronische patient. Anderen zijn dus in staat het normalisatieproces te stimuleren. (Kralik, 2002:145)
Enkele kenmerken van het stadium van normaliteit zijn een zekere herovering door de patient van controle over zijn leven. Volgens Kralik betekent dit niet dat men de ziekte heeft aanvaard, maar eerder dat men erin slaagt zijn leven weer in handen te nemen en een andere, diepere perceptie te ontwikkelen van het zelf. De ziekte wordt een onderdeel van het leven. Er worden actief keuzes gemaakt om het leven weer inhoud en vorm te geven. Ook erkennen patienten in deze fase dat er steeds fluctuaties zullen zijn in hun toekomstige ziekteverloop, en dat ook deze schommelingen bij hun nieuwe, alledaagse leven horen. Terwijl de patient zijn lichaam lange tijd heeft verwaarloosd, omdat hij het beschouwde als een verrader, staat de patient opnieuw open voor lichaamsverzorging en gevoelens van zelfliefde. Tenslotte wijst Kralik op het belang voor de patient van informatie en van het aanleren van specifieke vaardigheden. Deze hebben een invloed op het verloop van de verschillende identiteitstransities ten gevolge van een chronische ziekte. Op welke manier dit effect geldt wordt niet behandeld. Een belangrijk onderdeel van een succesvol beheer van een chronische ziekte, is de ontwikkeling van een persoonlijk gezondheidsplan. Het is in het dagelijkse leven, volgens een proces van 'trials and errors', dat mensen over hun ziekte leren. Ze ontdekken de valkuilen van het delicate evenwicht waarin ze zich bevinden, waardoor een zekere voorspelbaarheid ontstaat, die naar een bepaalde mate van controle leidt. Deze is noodzakelijk voor het behoud van het aangepaste zelfconcept. Omdat terugval naar de hel van de abnormaliteit steeds mogelijk is, is het noodzakelijk dat gezondheidswerkers de patient permanent bijstaan in het streven naar en het behouden van normaliteit. Om dit proces te vergemakkelijken is het volgens Kralik noodzakelijk dat gezondheidswerkers begrijpen hoe een chronische patient komt tot de integratie van de ziekte in zijn identiteit. (Kralik, 2002:146) Hier ligt meteen de praktische relevantie van het onderzoeken van de identiteitsbeleving ten gevolge van het chronisch vermoeidheidssyndroom.
1.4.4 Chronische patienten in vier ziektefasen -----------------------------------------------
Terwijl Kralik in haar onderzoek bij chronische patienten tot twee grote fasen komt, maakt Herbette in haar onderzoek een onderscheid tussen vier belangrijke ziektefasen waarin chronische patienten mogelijk terechtkomen. In een eerste stadium worden patienten geconfronteerd met de betekenis van ziek zijn in de maatschappij. Ze beseffen hier dat ze een nieuwe status bezitten, namelijk die van zieke persoon, en dat ze als zieke persoon leven in een wereld van gezonde mensen. Als reactie op deze vaak moeilijke confrontatie gaan patienten zich voor een bepaalde tijd terugtrekken uit de wereld van gezonde mensen. Sociale contacten worden vermeden, en tegenover familie en vrienden zwijgt men liever, omdat men het gevoel heeft dat ze het toch niet zullen begrijpen. Op een bepaald moment kiezen patienten er echter voor om weer voor zichzelf op te komen, en zichzelf niet meer weg te cijferen uit de maatschappij. Ze komen tot het inzicht dat ze zijn wie ze zijn, en dat hun sociale omgeving hen ook zo moet aanvaarden. Prioriteiten worden gesteld, en er wordt weer aandacht aan zichzelf en aan bepaalde sociale contacten gegeven. In deze derde fase gaat de patient een herdefinitie creeren van zichzelf en van zijn relaties met anderen. Hierna is hij tenslotte in staat een nieuwe identiteit op te bouwen. De ziekte wordt aanvaard als een onderdeel van het nieuwe leven, er wordt afstand genomen van de negatieve houding van anderen, en de patient heeft het gevoel dat hij weer iemand is, dat hij iets betekent voor zichzelf en voor zijn sociale omgeving. (Herbette, 2002:53)
1.4.5 Aanpassing is troef --------------------------
Een laatste auteur die besproken wordt in verband met ziektefasen, is Kathy Charmaz. Volgens haar is aanpassing uiteindelijk de belangrijkste strategie die chronische patienten aanwenden bij hun zoektocht naar een waardevolle invulling van het verloren zelf. Aanpassing aan een ziek lichaam betekent dat men de spanning moet wegnemen tussen het lichaam en het zelf, die door de chronische ziekte wordt veroorzaakt. Patienten willen wel veel, maar kunnen niet. Dit leidt tot een soort frustratie, die echte aanpassing in de weg staat. Het betekent ook dat men naast verlies en lijden, een kans moet geven aan het ervaren van integratie en verbondenheid. Er kan enkel van succesvolle adaptatie worden gesproken wanneer de patient met zijn ziekte kan leven, zonder er enkel voor te leven. Men moet de ziekte, ondanks haar bestaan, ook los kunnen laten. Aanpassing aan een ziekte omvat drie grote fasen. Eerst en vooral ervaart de patient zijn lichaam dat aan het veranderen is. Dit houdt in dat het bestaan van de fysische beperkingen, en daarmee ook de ziekte, worden erkend, en dat er rekenschap wordt gegeven van de invloed van de veranderingen en van de symptomen op het dagelijkse leven. Op dit moment in het ziekteverloop vergelijken chronische patienten hun huidige lichaam met hun oude lichaam, en wegen ze de kosten en de risico's af die ze oplopen bij het uitoefenen van heel gewone handelingen. Vaak ervaren patienten niet zomaar een lichaamsverandering, maar is er sprake van een radicale breuk tussen het lichaam en het zelf. De term lichaamsvervreemding lijkt hier meer op zijn plaats. Het lichaam wordt beschouwd als een mislukte machine die hersteld moet worden, of als een te overmeesteren obstakel. In het ergste geval ervaart de patient zijn ziek lichaam als een dodelijke vijand. Verdriet en woede om het lichamelijk verlies, zijn normale reacties die vaak voorkomen in deze ziektefase. Deze worden intenser naarmate de ziekte het lichaam gaat overheersen. De patient ervaart verlies van controle over zijn lichaam doordat zijn onvoorwaardelijk vertrouwen erin wordt geschonden. Meer vernietigend voor het zelfconcept zijn echter de gepaardgaande gevoelens van schuld en schaamte omdat de patient er niet in slaagt te voldoen aan de gemeenschappelijke culturele standaarden van de tijdloosheid van het perfecte lichaam, en van het correcte voorkomen. Voor een bepaalde tijd kunnen chronische patienten een duidelijke scheidingslijn trekken tussen hun zieke lichaam en hun zelfconcept. Dit is cruciaal omdat negatieve gevoelens zo minder doordringen tot het zelfbeeld. Maar slechts in zeldzame situaties is het mogelijk ook echt met de scheidingslijn te leven, en zal men de negatieve gevoelens onder ogen moeten komen. Meestal wordt in deze fase ook de diagnose gesteld. De initiele opluchting die teweeg wordt gebracht, slaat over in de ervaring van het erkennen van de diagnose en het achterhalen van de betekenis ervan. Patienten zijn vanaf dan in staat op de ziekte te reageren. Hierbij zijn er twee mogelijkheden. Ofwel vechten ze tegen de ziekte, ofwel worstelen ze met de ziekte. Wanneer ze ertegen vechten wordt de ziekte beschouwd als een vijand die verslaan moet worden. De patient hoopt zo zijn oude identiteit te behouden, en het verloren zelfgevoel te herstellen. Kenmerkend is dat hij een leven met beperktere mogelijkheden, of een identiteit die voor hem minder waardevol is, niet kan aanvaarden. Patienten kunnen ook met de ziekte in de clinch gaan. Ze vechten er dan voor om hun lichaam zo goed mogelijk te laten functioneren, en op die manier hun leven zo 'normaal' mogelijk te houden. Uiteindelijk leidt dit tot de integratie van het veranderde lichaam in hun leven en in hun zelfconcept. Deze twee strategieen worden gebruikt wanneer de patient de controle over zijn ziekte en zijn lichaam wil heroveren. Dat tijd alle wonden heelt is volgens Charmaz waar. Niet omdat ze verdwijnen met de tijd, maar wel omdat men op een bepaald moment leert zijn wonden te overleven. Voordat er echter sprake kan zijn van integratie, is het noodzakelijk dat de patient inziet dat de ziekte chronisch is van aard. Zolang hij dit niet beseft, zal hij in staat zijn de ziekte in de marge van zijn zelfconcept te plaatsen, waardoor zijn lichaam wordt geobjectiveerd.
Uiteindelijk stoppen mensen met hun lichaam af te meten tegen perfectie. Het zieke lichaam wordt vertrouwd, en geeft aan sommigen zelfs een zeker gevoel van comfort. Dit gevoel van vertrouwdheid en comfort neemt toe wanneer behandelingen lijken te werken. Het zieke lichaam wordt zo voorspelbaar en beheersbaar. De patient ervaart een proces van vereniging van het veranderde lichaam en het zelf. Deze eenheid heeft echter grenzen. Zieke mensen hebben vaak het gevoel dat ze hun deel miserie hebben gehad, en dat ze de positieve periode verdienen. Nieuwe, onverwachte symptomen kunnen dan shockerend zijn. Het onbekende en de onzekerheid die eigen zijn aan verschillende chronische syndromen, zijn voor veel patienten een belangrijke oorzaak van de angst die zij ervaren. (Charmaz, 1995:662-673)
Niet alle chronische patienten lijden aan een ziekte die serieuze zichtbare gevolgen met zich meebrengt. Doordat deze mensen uiterlijk gezond lijken kan hun geloofwaardigheid in de relatie met hun arts worden ondermijnd. (Charmaz, 1995:662-673) Vooral vrouwen hebben het vaak moeilijk in dergelijke omstandigheden serieus genomen te worden. Zelfs de mensen die het dichtst bij de patient staan kunnen het gewicht van de ziekte, omwille van de onzichtbaarheid, dikwijls niet begrijpen, en verwachten daardoor dat de patient in staat is te functioneren zoals dat ooit het geval was. Jeugdigheid en schoonheid maken de onzichtbare ziekte nog meer onzichtbaar. Omgekeerd kan zichtbaarheid van de symptomen negatieve gevolgen hebben voor de zelfwaardering van de patient. De spanning tussen onzichtbaar- en zichtbaarheid wordt duidelijk. Gevoelens die met een zichtbare ziekte gepaard gaan, hebben een invloed op de identiteitsdoelstellingen van zowel mannen als vrouwen. Wanneer mannen hun veranderd voorkomen niet meer kunnen verbergen, trekken ze zich vaak terug, waardoor heel wat plannen niet meer kunnen worden volbracht. Vrouwen trekken zich minder vaak terug, maar komen in interviews veel meer terug op het probleem van het veranderde uiterlijk. (Kralik, 2002:146)
Dat een chronische ziekte roet in het toekomstige eten gooit van de meeste patienten, is ondertussen meer dan duidelijk. Voordat chronische patienten een nieuwe identiteit kunnen opbouwen, is het daarom noodzakelijk dat ze hun toekomstige identiteitsdoelstellingen bijschaven en aanpassen aan hun mogelijkheden. In deze fase is het belangrijk dat we kijken naar de manier waarop de sociale context de keuzes hieromtrent beinvloedt. Doordat de identiteit bestaat uit de uitoefening van een aantal rollen, heeft men bepaalde verbintenissen en verantwoordelijkheden. De manier waarop een individu deze invult, heeft een sterke impact op zijn beslissingen in verband met zijn identiteit. Opdat identiteitsdoelstellingen kunnen veranderd worden, moet er rekening worden gehouden met (1) individuele definities, (2) de verwachtingen van significante anderen en (3) interacties tussen beiden. (Charmaz, 1995:662-673) Opdat de patient de grenzen van de nieuwe, beperktere doelstellingen niet zou overschrijden is aanzienlijk veel sociale steun noodzakelijk, zowel formeel als informeel. Vooral de steun van de partner is van essentieel belang. Mannen zijn minder geneigd dan vrouwen om taken over te nemen van hun zieke partner. Bovendien zijn mannen in staat zich emotioneel sneller af te sluiten van hun partner, en zetten ze de relatie sneller stop. Voor emotionele en praktische ondersteuning doen chronisch zieke vrouwen daarom meer beroep op hun volwassen kinderen, vrienden en thuishulp. Leeftijd, geslacht, tewerkstelling en de relationele status geven vorm aan de context waarin chronisch zieken hun identiteitsdoelstellingen veranderen. Ze zijn echter niet allesbepalend. (Charmaz, 1995)
Identiteitsdoelstellingen verschijnen en veranderen door middel van subjectieve en sociale betekenissen. Zieke mensen offeren bepaalde deelidentiteiten op ten voordele van het behoud van andere, meer gewaardeerde onderdelen van de identiteit. Hierbij maakt de patient een rationele afweging van kosten en baten. Wanneer de kosten bij de uitoefening van een bepaalde activiteit, voor hun lichaam en hun intieme relaties, hoger zijn dan de winst, zal hij deze activiteit, die samenhangt met een bepaalde rol, opgeven. Na zulke identiteitsafwegingen, proberen mensen hun identiteitskeuze te herdefinieren op een positieve manier.
Wanneer de patient niet meer constant zijn fysische grenzen probeert te verleggen en wanneer hij in staat is de jacht naar controle over zijn ziekte op te geven, is er ten slotte sprake van overgave aan het zieke lichaam. Overgave betekent dat men zich bewust is van zijn ziekte, en dat men bereid en opgelucht is in het verwerkingsproces te stappen. Hierdoor worden lichaamsgevoelens weer opgenomen in het zelf. Objectivering maakt plaats voor subjectivering. Overgave wil geenszins zeggen dat de hoop op toekomstige verbetering verdwijnt. Het is een actief, bewust proces. Hierdoor onderscheidt overgave zich van opgave of van onderworpenheid aan de ziekte. Wanneer patienten de hoop en de strijd opgeven, worden ze overwelmd door angst, passiviteit en depressiviteit. De ziekte heeft dan als het ware de strijd gewonnen. Er is enkel sprake van overgave als deze gewild is door de patient. Als gevolg van volledige overgave is de patient in staat een nieuwe eenheid te ervaren tussen het lichaam en het zelf. Overgave aan de ziekte opent de weg naar een transformatie van het zelf. De patient komt tot frisse, nieuwe inzichten over zichzelf en over zijn situatie. Het zieke lichaam wordt opgenomen in een nieuwe identiteit. Als gevolg hiervan kan een nieuw gevoel van verbondenheid en eenheid ontstaan. Doordat er bovendien energie vrijkomt, die voordien werd gestoken in de drang naar controle over de ziekte, is de patient in staat te groeien in spiritualiteit. Hiermee komen we aan het einde van het aanpassingsproces, met als resultaat een toegenomen gevoel van zelfverantwoordelijkheid. (Charmaz, 1995:662-673)
Door de informatie uit de interviews te integreren in de besproken literatuur over identiteit, rolverlies, statusverandering en 'coping'-strategieen, wordt er een basis gecreeerd waarop conclusies getrokken zullen worden in verband met de aard van het proces van ziekteverloop en identiteitsbeleving bij CVS - patienten. In navolging van Strauss onderzoeken we of we kunnen spreken van typische ziektefasen waarin CVS -patienten vroeg of laat terecht zullen komen. Aangezien de ene, sneller dan de andere, de verschillende fasen doorloopt, zullen we nagaan wat de belangrijkste determinanten in dit proces zijn. Volgens Charmaz is statusverloop bij chronische patienten afhankelijk van hun fysische conditie en van de sociale middelen waarover ze beschikken. (Charmaz, 1995:661)
Hoofdstuk 2: Onderzoek ----------------------
2.1 Probleemstelling ---------------------
Op basis van voorgaande literatuur, kan het opzet van dit onderzoek verduidelijkt en verantwoord worden. Dit onderzoek is ontstaan vanuit een zekere voeling met de maatschappelijke problematiek rond het chronisch vermoeidheidssyndroom.
2.1.1 De illegitieme status van CVS ------------------------------------
Het chronisch vermoeidheidssyndroom is een voorbeeld van een ziekte die door de westerse geneeskunde nog steeds niet volledig wordt erkend als legitieme organische ziekte, of als 'normale' ziekte. De oorzaak hiervan is dat CVS gedefinieerd wordt in termen van symptomen omwille van het ontbreken van een duidelijke etiologie. Vooral het feit dat vermoeidheid het hoofdzakelijke kenmerk is, maakt dat patienten in hun omgeving op veel onbegrip stuiten. (Neerinckx, 1997:340) Vele mensen redeneren dat iedereen wel eens moe is. Omdat de vaak goed geinformeerde patient de autoriteit van de arts aantast, botst hij ook in de medische wereld vaak op muren. Een gevolg hiervan is dat patienten zich gaan isoleren, en dat de ziektebeleving meestal achter gesloten deuren plaatsvindt. Dit komt in de interviews sterk naar voren. Aangezien in de literatuur op het weldadige effect van sociale steun wordt gewezen, kan deze isolatie als problematisch worden beschouwd. De verhoging van de bespreekbaarheid en de geloofwaardigheid van CVS is een eerste belangrijke voorwaarde, opdat de patient in staat is de ziekte een plaats te geven in zijn leven. Het is belangrijk dat men gaat inzien dat naast het vinden van biomedisch bepalende factoren, een andere voorwaarde voor de legitimatie van een ziekte, de verandering is in de betekenis die mensen aan een ziekte geven. Omdat socio-politieke processen aan de grondslag liggen van een algemene verandering in betekenis, moet er meer worden geinvesteerd in sociaal-wetenschappelijk onderzoek dat naar de aard van deze socio- politieke processen peilt. (Millen, 1998:130)
2.1.2 Het standpunt van de patient -----------------------------------
Vanuit de opvatting dat de betekenis van een ziekte, en daarmee ook haar legitimiteit, sociaal wordt geconstrueerd, wordt het chronisch vermoeidheidssyndroom in dit onderzoek beschouwd als een sociaal verschijnsel. Ondanks de in vraag gestelde 'echtheid' van CVS als ziekte, wordt hier het Thomas-theorema (1927) gevolgd. "If men define their situations as real, they are real in their consequences." Concreet wil dit zeggen dat CVS-patienten niet alleen hun ziekte ervaren, maar ook de sociale gevolgen ervan. Omwille van het grote onbegrip waarop deze mensen echter stuiten, worden zij geconfronteerd met een discrepantie tussen hun actuele zelf en het sociaal gewenste zelf. Dit leidt ertoe dat de patient constant een gebrek aan noodzakelijke zelfbevestiging en identiteitsverlies ervaart. (Gecas & Burke, 1995:41-59) Daarenboven wordt de patient niet alleen in zijn eigen omgeving met onbegrip geconfronteerd, maar is hij onderworpen aan onbegrip, onzekerheid, discussie en winstbejag in de medische wereld. Ondanks de verschuiving naar een biopsychosociale aanpak van chronische ziekten wordt er in de praktijk nog steeds over het hoofd van de patient gediscussieerd in plaats van met de patient. Omdat biologische en fysische factoren een inbreuk op het zelf betekenen, beperkend kunnen zijn met betrekking tot sociale interactie en leiden tot een noodzakelijke identiteitsreconstructie, is er sociologische aandacht nodig voor de effecten van een chronische ziekte op de identiteit van de patient. (Kelly & Field, 1996)
2.1.3 Het maatschappelijk belang van onderzoek naar CVS --------------------------------------------------------
Volgens Strauss is het van belang dat er sociologische aandacht gaat naar de bijzondere aard van specifieke chronische ziekten. Hij begrijpt dat deze aard sociaal is, en dat zonder ze te bestuderen in de context waarin de ziekte wordt beleefd, moderne maatschappijen nooit in staat zullen zijn de uitdaging van de 21ste eeuw, namelijk het voldoende ter beschikking stellen van aangepaste steun en verzorging aan chronische patienten, aan te gaan. (Strauss & Glaser, 1967)
2.2 Doelstelling -----------------
Vanuit de probleemstelling is het mogelijk een duidelijker licht te werpen op de doelstelling van dit onderzoek. Heel precies valt deze echter niet af te bakenen, omwille van de exploratieve aard van het onderzoek. Zeker in de sociologie zijn er weinig studies terug te vinden in verband met het chronisch vermoeidheidssyndroom. Opdat CVS een grotere mate van legitimiteit kan verwerven, is het noodzakelijk dat de pejoratieve betekenis die aan de ziekte wordt gekoppeld, verandert. Deze studie moet vooral een bijdrage leveren aan een dieper en specifieker ziekte-inzicht in het chronisch vermoeidheidssyndroom. Hierbij lijkt een patientgerichte benadering het meest geschikt. Door de patienten zelf uitgebreid aan het woord te laten, wordt er gepoogd een zo genuanceerd mogelijk beeld weer te geven van de betekenis van CVS voor de mensen die er tenslotte zelf mee te maken hebben. Aangezien chronische ziekten toenemen in frequentie en in diversiteit, is het verder belangrijk dat gezondheidswerkers kunnen bijdragen aan een positieve ziekteverwerking van de patient. Wanneer zij zicht hebben op de identiteits- en lichaamsbeleving die CVS-patienten ondergaan, kunnen zorgverleners patienten en hun familie bijstaan in het aanleren van zelfzorg, waardoor de patient in staat is opnieuw een zekere mate van controle te ervaren over zijn eigen leven. (Kralik, 2002:146) Wanneer chronische patienten in staat zijn grotendeels zelfstandig te leven, is de maatschappelijke kost op lange termijn vanzelfsprekend lager.
2.3 Onderzoeksvragen en verwachtingen --------------------------------------
Wanneer we de ziektebeleving bij patienten willen bestuderen moeten er duidelijke onderzoeksvragen worden geformuleerd. Het onderwerp op zich is immers veel te vaag en enorm ruim. Vertrekkend van het idee dat chronische patienten onvermijdelijk rolverlies ervaren, en dat dit verlies niet kan worden opgevuld met het innemen van de ziekenrol, komen we vanzelf bij het onderwerp identiteit. Verwacht wordt dat patienten omwille van rolverlies met een aantasting van de identiteit worden geconfronteerd. Hoe gaat de patient hiermee om? Is er na verloop van tijd sprake van een zekere heropbouw van een nieuwe identiteit? Hoe moeten we ons deze nieuwe identiteit voorstellen? Welke persoonlijkheidskenmerken veranderen het sterkst?
Een eerste grote onderzoeksvraag luidt als volgt: "Is er sprake van een aantal duidelijk omlijnde identiteitsfasen waarin de meeste CVS-patienten tijdens hun ziekteverloop vroeg of laat terecht komen, en zo ja, welke vorm nemen deze dan aan?" Op basis van de verschillende betekenissen die door de patienten aan de ziekte worden gegeven, en met behulp van relevante literatuur hieromtrent, trachten we een antwoord te vinden op deze vraag. Deze eerste vraag heeft expliciet betrekking op de het standpunt van de patient.
Indien er inderdaad sprake is van een bepaald patroon in de interactie tussen ziekteverloop en identiteitsbeleving, moeten we ons afvragen waardoor het verloop van de ene fase naar de andere wordt bepaald. Dit vormt meteen de tweede onderzoeksvraag. Op basis van de literatuur wordt verwacht dat de invloed van sociale steun hierbij van zeer groot belang is. Er wordt nagegaan welke rol de partner, de familie, vrienden, de geneeskunde en lotgenoten spelen bij de ziektebeleving van de patient. Een andere hypothese luidt als volgt: Hoe vroeger de diagnose wordt gesteld, hoe positiever de invloed ervan op het ziekteverloop en op de identiteitsbeleving. Deze hypothese kan in verband gebracht worden met de contacten tussen de patient en de geneeskunde. Indien de patient wordt geconfronteerd met minder onbegrip, zal zijn identiteit minder sterk zijn aangetast, en zal hij in staat zijn sneller tot een integratie te komen van de ziekte in zijn nieuwe zelf. Dit stuk is eerder structuralistisch van aard omdat het de invloed nagaat van sociale omgevingsfactoren. Dit verandert echter niets aan de interactionistische benaderingswijze van het onderzoek. Zoals eerder werd aangehaald, kunnen we immers niet echt tot de ziektebeleving doordringen, indien de context en de betekenis van een ziekte als biografische disruptie, los worden gezien van elkaar. (Williams, 2000:43)
2.4 Methodologie -----------------
Vertrekkend vanuit de kritiek op Parsons, verlaten we bij het onderzoeken van de ziektebeleving bij CVS -patienten de functionalistische traditie, en wordt gebroken met de geldigheid van de ziekenrol. Aangezien ziektebeleving wordt beschouwd als een identiteitsproces, vertrekt deze thesis vanuit een symbolisch interactionistische invalshoek. De patient als actief individu staat hierbij centraal. We gaan na welke symbolen hij gebruikt bij het interpreteren van de ziekte, en tot welke betekenissen en veranderingen dit kan leiden in verband met zijn perceptie van de ziekte.
2.4.1 Kwalitatief of Kwantitatief? -----------------------------------
Gezien de probleemstelling en de onderzoeksvragen, was het snel duidelijk welk type onderzoek ik zou toepassen. Aangezien het onderzoek kadert binnen een symbolisch interactionistische traditie, is kwalitatief onderzoek het meest geschikt. De term kwalitatief slaat op de beschrijving en de interpretatie van eigenschappen, terwijl de term kwantitatief verwijst naar het meten van de hoeveelheid waarin deze eigenschappen voorkomen. Volgens Giddens levert het onderscheid kwalitatief-kwantitatief echter meer misverstanden op dan verheldering. Er mag volgens hem geen scherp onderscheid worden gemaakt tussen beiden, aangezien elk onderzoek kwalitatieve en kwantitatieve aspecten heeft. Elke onderzoeker beschrijft, vergelijkt en telt. (Giddens, 1984:337)
In dit onderzoek zal er inderdaad op bepaalde momenten worden nagegaan "hoeveel" respondenten aan bepaalde eigenschappen voldoen. Aangezien er echter wordt gepeild naar ziektebeleving, kunnen we niet om de interpretatieve, kwalitatieve aard van dit onderzoek heen. Strauss en Glaser stellen dat het symbolisch interactionisme een actietheorie is waarin bij het verklaren van sociale verschijnselen de nadruk wordt gelegd op interacties, symbolen en hun betekenissen. (Strauss & Glaser, 1967) Onderzoekers die werken vanuit deze traditie hebben volgens hen een voorkeur voor onderzoekssituaties waarin interacties en symbolen in hun natuurlijke uitingsvormen kunnen worden geobserveerd. Naast observaties zijn diepte- interviews een geschikt instrument om kwalitatieve data te verzamelen. ('t Hart e.a., 1998:103) Minichiello e.a. beschrijven het doel van diepte-interviews als volgt: "... in-dept interviewing is conversation with a specific purpose, a conversation between researcher and informant focussing on the informant's perception of self, life and experience, and expressed in his or her own words. It is the means by which the researcher can gain access to, and subsequently understand, the private interpretations of social reality that individuals hold." (Minichiello e.a., 1991, p.87) Als type van onderzoek werd gekozen voor exploratief onderzoek. Er bestaat immers geen duidelijk omlijnde theorie over de interactie tussen ziekteverloop en identiteitsbeleving bij CVS-patienten, dus is een toetsend onderzoek vrijwel onmogelijk. Als de probleemstelling een samenhangvraag bevat, dan ligt het volgens Baarda voor de hand verkennend onderzoek te doen. De doelstelling hierbij is het formuleren van een hypothese; het gaat hierbij niet enkel om het verkennen van een veld of om het beschrijven van verschijnselen. Het is te vroeg om een nieuwe theorie te ontwikkelen of een bestaande theorie toe te passen en in het verlengde daarvan scherpe hypothesen te formuleren. Toch begin je bij exploratief onderzoek volgens hem ook niet van nul. De onderzoeker heeft op basis van verschillende deeltheorieen, en op basis van praktisch inzicht bepaalde verwachtingen, maar is hier nog niet zeker van. De werkwijze van het onderzoek is geen strikt proces, maar is er een van vallen en opstaan. (Baarda & de Goede, 1997:79) Ook in dit onderzoek werden verschillende mogelijke verbanden nagegaan, ideeen uitgewerkt en veronderstellingen aangepast aan de resultaten.
2.4.2 Grounded Theory en Life Histories ----------------------------------------
Voorgaande werkwijze kan geplaatst worden binnen de Grounded-Theory benadering van Strauss en Glaser. Grounded theory wijst op het verschijnen van theoretische inzichten of concepten bij het analyseren van het kwalitatief verzameld materiaal. De analyse van de data bestaat uit een aantal progressieve fasen. Wanneer uit de data blijkt dat er bepaalde theoretische lacunes zijn, worden er bijkomende gegevens verzameld die specifiek peilen naar de tekortkomingen in het theoretisch kader, waardoor het mogelijk wordt dit kader te vervolledigen. Uiteindelijk stelt deze werkwijze de onderzoeker in staat een theorie te ontwikkelen. (Strauss & Glaser, 1967) Uiteraard is het niet mogelijk om het onderzoek volledig te baseren op de Grounded-Theory benadering. Het zou nogal hoog gegrepen zijn om de ontwikkeling van een sociologische theorie over het chronisch vermoeidheidssyndroom als doel te stellen. Deze werkwijze vraagt voldoende middelen en tijd. Toch kunnen we enkele relevante voorbeelden aanhalen, die getuigen van het feit dat dit onderzoek zich binnen de geest van Strauss en Glaser heeft ontwikkeld. Zo werden inderdaad theoretische veronderstellingen aangepast aan de resultaten, en evolueerde de vraagstelling in de interviews naarmate er meer interviews werden afgenomen.
Het onderzoek werd beinvloed door een tweede onderzoeksmethode. In de jaren '30 en '40 werd de 'life-history'- methode veelvuldig gebruikt aan de University of Chicago. De methode geeft ervaringen en definities weer, zoals ze door een persoon, een groep of een organisatie worden geinterpreteerd. De basisassumptie achter de methode is dat elk individu de wereld op een verschillende manier definieert. Opdat sociologen in staat zouden zijn deze definities te verklaren en in verband te brengen met sociaal gedrag, moeten ze de betekenis achterhalen van de gebeurtenissen die mensen ervaren. Sinds de formulering van Thomas en Znaniecki (1927) van hun theorema, 'if men define situations as real, they are real in their consequences', heeft de subjectieve definitie van een situatie de bovenhand genomen op de objectieve situatie. In dit opzicht bepaalt de perceptie van een situatie het gedrag van een individu. Opdat we gedrag zouden kunnen begrijpen is het dus noodzakelijk dat we deze subjectieve betekenissen in rekening nemen. Levensverhalen hebben als doel het proces vast te stellen volgens welk individuen omstandigheden interpreteren en hun gedrag hierdoor laten beinvloeden. Hierbij wordt bijzonder aandacht geschonken aan de opeenvolging van gebeurtenissen in de tijd, de sociale context waarin deze gebeurtenissen plaatsvinden, de interpretaties die het individu aan de gebeurtenissen geeft, en aan de manier waarop dit alles de overtuigingen en het gedrag van het individu bepaalt. De nadruk ligt hierbij veel meer op het bestuderen van perspectieven, onderhandelingen en relaties, in plaats van op de analyse van de impact van statische structuren op menselijk gedrag. De uitdaging ligt in de afbakening van die processen die gedrag veralgemeenbaar maken naar verschillende contexten en situaties, of met andere woorden in het specifieren van algemene sociale processen. In tegenstelling tot het nagaan van de volledige levensgeschiedenis, wordt er in dit onderzoek gebruik gemaakt van een 'onderwerpgebonden levensgeschiedenismethode', omdat enkel dieper ingegaan wordt op het leven van de respondent sinds hij ziek is geworden. De vragen in het interview spitsen zich specifiek toe op gebeurtenissen, attitudes en gedrag dat wordt geassocieerd met de ziektebeleving van de respondent. De hier gebruikte onderzoeksmethode is net als de meeste levensgeschiedenissen retrospectief. (Ebaugh, 1988:31)
2.5 Voorbereidingen op het onderzoek -------------------------------------
2.5.1 De rekrutering van de respondenten -----------------------------------------
Het onderzoek is gebaseerd op semi-gestructureerde diepte-interviews met 18 CVS patienten. Mijn verwachting was dat ik ongeveer 20 interviews zou afnemen. Om respondenten te vinden die wilden meewerken aan het onderzoek heb ik me in april 2002 aangesloten bij de grootste patientenvereniging in Vlaanderen, de Me-Vereniging. Vervolgens werd er contact gezocht met patienten in juni 2002, via een oproep tot medewerking aan het onderzoek, in het driemaandelijkse tijdschrift 'Mededeling'. Mededeling is een tijdschrift voor en door CVS patienten, uitgegeven door de Me-Vereniging. Aangezien de meeste CVS patienten bij deze vereniging zijn aangesloten, leek deze weg me het meest geschikt om zoveel mogelijk patienten te bereiken. Tijdens de zomer kwamen ongeveer 25 reacties binnen, vooral via e-mail, maar ook enkelen via de post. Omwille van de exploratieve aard van het onderzoek, werden er aan de respondenten geen voorwaarden gesteld in verband met leeftijd, geslacht, opleiding en dergelijke. De steekproef heeft geen toevalsbasis, omdat ze bestaat uit vrijwillige reacties. Op de reacties werd onmiddellijk een bevestigend antwoord teruggestuurd. Ergens in november werd een brief opgestuurd met meer uitleg over de precieze doelstelling van het onderzoek, en met een bijgesloten, voorlopige vragenlijst. Begin december heb ik met de meeste respondenten telefonisch een concrete datum vastgelegd voor de afname van het interview. Aangezien de respondenten verspreid wonen over heel Vlaanderen, werden gemiddeld twee a drie interviews per week afgenomen, waardoor het onderzoek eind januari werd beeindigd. Omwille van tijdsdruk konden er slechts 18 van de 25 respondenten worden geinterviewd. Via email werden de overige respondenten bedankt voor hun interesse, en werd een verklaring gegeven voor het feit dat hun interviews niet zouden doorgaan.
2.5.2 De vragenlijst (zie ook bijlagen p.148) -----------------------------------------------
Op basis van het eerder gevoerde literatuuronderzoek bleek dat een aantal onderwerpen, in verband met chronische ziektebeleving, bij verschillende auteurs steeds terugkwam. Het belang van sociale steun, het cruciale tijdstip van de diagnose, de drang naar controle, het behoud van het zelfbeeld, gevoelens van angst en onzekerheid, enz. zijn hiervan enkele voorbeelden. Na enkele inleidende vragen over een aantal standaardvariabelen als geslacht en leeftijd, werd er gepeild naar het effect van ziekterepresentatie door middel van volgende vragen:
* "Besteedde je voor je ziek werd veel aandacht aan ziekte en gezondheid?" * "Had je voor je ziek werd al van CVS gehoord?"
Volgens klinische psychologen zouden mensen die uit zichzelf veel bezig zijn met ziekte en gezondheid immers meer kans maken om ook ziek te worden, zij het al dan niet ingebeeld. Hierbij moet meteen de opmerking worden gemaakt dat het eerder uit nieuwsgierigheid was dat deze vragen werden gesteld. Ik ga er immers van uit dat er, ongeacht de fysische of psychische oorzaak van de ziekte, een grote groep mensen, omwille van socio-politieke processen, over het hoofd wordt gezien in onze maatschappij, en dat het hoog tijd is dat, in het gekibbel, deze mensen zelf aan het woord komen.
In navolging van de twee, eerder besproken, perspectieven in verband met sociale steun, werd er in de volgende vragen zowel gepeild naar het aantal relaties waarvan de respondent deel uitmaakt, als naar zijn perceptie van de sociale steun waarop hij kan rekenen. Terwijl de eerste vraag een beeld geeft of de persoon een dicht netwerk rond zich heeft, of eerder geisoleerd leeft, wijzen de twee volgende vragen op de perceptie van de aanwezigheid van sociale steun. * "Vertel eens iets over jezelf." (leeftijd, opleiding, gezinssituatie, vriendenkring, hobby's,...) * "Ervaar je op dit moment een groepsgevoel?Vanuit welke hoek?" * "Krijg je de steun die je verwacht?" "Vanuit welke hoek schiet deze steun tekort?"
Een ander bepalend onderwerp in verband met identiteitsverlies is het belang van het behoud van een zekere mate van gevoel van self-efficacy. Hiernaar werd gepeild door middel van volgende vragen:
* "Beschouw jij jezelf als iemand die afhankelijk is van anderen?" "Waarom?" * "Heb je het gevoel dat je controle hebt op de dingen die rond je gebeuren?" * "Als iets niet gaat, vraag je dan hulp?" "Aan wie?" "Heb je dat moeten leren?"
Om voldoende informatie te verzamelen over de onderzoeksvraag in welke fasen CVS-patienten mogelijk terecht komen, werd er veel aandacht besteed aan zelfperceptie, gepaardgaande gevoelens, ideeen over de ziekte en manieren waarmee de respondent met de ziekte omgaat in zijn alledaagse leven. Volgende vragen leken hiervoor relevant:
* "Omschrijf je ziekteverloop." * "Welke kenmerken van CVS zijn voor jou het belangrijkst, en waarom?" * "Wat vind je van volgende uitspraak: Door CVS ervaart men rolverlies". * "Wat komt er in de plaat van het verlies van je rollen? Hoe vul je het gevoel van leegte op?" * "Vertel eens iets over angst, onzekerheid, trots en schaamte." * "Hoe beinvloeden deze gevoelens je zelfbeeld?" * "Werd je mannelijkheid/vrouwelijkheid door de ziekte ondermijnd?" * "Heb je het gevoel dat CVS je identiteit aantast? Hoe ging je hier in het begin mee om? Herinner je je bepaalde verdedigingsstrategieen die je gebruikte om hier tegen in te gaan?" * "Heb je het gevoel dat je de ziekte op een bepaald moment hebt aanvaard? Wanneer?" * "Is je identiteit veranderd? Omschrijf dit nieuw zelfbeeld." * "Met welk symbool zou jij deze ziekte omschrijven?"
Ook werden enkele vragen gesteld die de tweede onderzoeksvraag moesten verhelderen. Door welke factoren wordt de overgang van de ene ziektefase naar de andere bepaald? Hiervoor ga ik er, op basis van literatuur, van uit dat, naast de mate van sociale steun, ook het tijdstip en de correctheid van de diagnose van groot belang zijn. Daarom werd de respondent gevraagd uitgebreid te vertellen over het verloop van de mededeling van de diagnose, de eerste impact ervan, de betekenis, de gevolgen etc. In het kader van de literatuur over de relatie tussen de arts en de patient, werd gevraagd iets te vertellen over de contacten van de respondent met de geneeskunde. Hierop waren de reacties in het algemeen negatief. De meeste respondenten raakten zeer opgewonden, en konden over het onderwerp, naar eigen zeggen, blijven vertellen. De vraag naar de contacten met de geneeskunde was ook een vraag die peilt naar sociale steun, en naar de controverse waarin het chronisch vermoeidheidssyndroom nog steeds is gehuld. Andere vragen hieromtrent luidden als volgt:
* "Werd je na de diagnosestelling voldoende verder geholpen wat betreft informatievoorziening? Zo ja, door wie? Zo neen, bij wie zocht je dan een antwoord op je vragen?" * "Beschrijf de reactie vanuit je omgeving." * "Hoe ervaar je tegenstellingen tussen de eisen vanuit de maatschappij en de beperkingen die je lichaam je oplegt?" * "Is je beeld over de maatschappij veranderd?"
Verder werd er op een directe wijze gevraagd de belangrijkste merkpunten te geven in het ziekteverloop tot op vandaag de dag. Dit met als doel de schakelmomenten tussen de verschillende ziektefasen te achterhalen. Tenslotte werd er gepeild naar het begrip 'ziektewinst' met de vraag of CVS voor de patient ook iets positiefs heeft bijgebracht. Indien de respondent hierop bevestigend antwoordde werd er voorzichtig gepeild naar de beleving van spiritualiteit. Dit onderwerp werd in de loop van het onderzoek bijkomend aangesneden, omdat reeds verschillende voorgaande respondenten op het belang ervan hadden gewezen. Dit is een voorbeeld van de werkwijze van Strauss en Glazer. Uit de voorgaande interviews verscheen een onderwerp dat voor de ziektebeleving van CVS-patienten blijkbaar niet onbelangrijk is, maar waarvan ik enkel op basis van het literatuuronderzoek het belang niet kon inschatten.
2.6 De interviews ------------------
De eigenlijke dataverzameling gebeurde tussen november 2002 en februari 2003. Alle interviews werden opgenomen met een dictafoon, en dezelfde dag nog uitgetypt. Dit om zoveel mogelijk informatie te bewaren. De interviews werden op 1 uitzondering na, allemaal afgenomen bij de respondent thuis, en duurden tussen 45 minuten en 2 uur. Omwille van praktische haalbaarheid werden de respondenten slechts 1maal geinterviewd. Alle vragen waren open vragen, en werden in een volgorde gesteld die afhankelijk was naargelang het verloop van het gesprek. Dit wil zeggen dat de interviews semi-gestructureerd zijn, of met andere woorden, dat de belangrijkste vragen vastliggen, de volgorde echter niet. Bovendien is het mogelijk bij de ene respondent dieper in te gaan op bepaalde vragen, die bij de andere respondent nauwelijks worden aangesneden. Een voorbeeld hiervan is de vraag die peilt naar het verlies van vrouwelijkheid of mannelijkheid. Terwijl vele respondenten hierop gewoon met neen antwoordden, vatten enkele respondenten de vraag op als een vraag naar seksualiteitsbeleving, en gingen zij hier zeer diep op in.
De interviews werden geanalyseerd met behulp van het computerprogramma Nvivo.
2.7 Beschrijving van de respondenten -------------------------------------
Omwille van het behoud van de privacy kregen op uitzondering van enkelen, alle respondenten een fictieve naam. Sommige namen werden behouden, omdat de respondent er uitdrukkelijk op stond. De belangrijkste verschillen tussen de respondenten die geinterviewd werden, hebben betrekking op hun leeftijd, relationele status en de periode sinds de ziekte is uitgebroken. Deze periode is niet dezelfde als het tijdstip waarop de diagnose CVS werd gesteld. Beiden zijn van belang voor de ziektebeleving van de patient. Vermoed wordt dat vooral de lengte van de periode tussen het uitbreken van de ziekte en het stellen van de diagnose een belangrijke impact heeft op de identiteitsbeleving en het ziekteverloop, aangezien deze periode gekenmerkt wordt door een sterke mate van onzekerheid, en van het in vraag stellen van de eigen identiteit.
De leeftijd van de respondenten varieert van 21 jaar tot 64, met een gemiddelde van 44 jaar. In de steekproef zijn de veertigers het sterkst vertegenwoordigd (6), gevolgd door de vijftigers (5), de dertigers (4) en twee twintigers. Een persoon is ouder dan zestig. Zeven van de achttien respondenten zijn mannelijk. Dit komt ongeveer overeen met de geslachtsverhouding in de officiele populatie CVS-patienten. (3/4 vrouwen) Een derde van de steekproef is alleenstaand (6), waarvan 3 personen gescheiden zijn. Tien patienten zijn getrouwd en twee personen hebben een relatie, waarvan 1 een lat-relatie.
Met betrekking tot opleiding kan enkel worden gewezen op de desbetreffende diversiteit bij de respondenten. Enkele voorbeelden zijn verpleegkunde, vergelijkende cultuurwetenschappen, graduaat biochemie, hoofdmagazijnier, germaanse, psychologie, officier bij de gerechtelijke politie, sociaal assistent,... Aangezien de steekproef te gering is, en omdat mensen uit alle lagen van de bevolking hebben gereageerd, wordt niet verder ingegaan op het aspect opleiding en sociale klasse.
De helft van de respondenten is langer dan tien jaar ziek, de andere helft is ziek geworden tussen 1992 en 2001. Twee respondenten vermeldden dat ze reeds ziek zijn sinds hun jeugd. Ook wat betreft het tijdstip van de diagnose zijn er opmerkelijke verschillen. Voor acht respondenten bedraagt de periode tussen het uitbreken van de ziekte en het stellen van de diagnose langer dan vijf jaar, waarvan bij 1 persoon de diagnose nooit is gesteld geweest. Vier patienten wisten daarentegen zeer snel, dit wil zeggen binnen een jaar na het uitbreken van de symptomen, dat ze CVS hadden. Opvallend is dat het gaat om personen die pas na 1997 ziek zijn geworden.
2.8 Beperkingen ----------------
Omwille van de verkennende aard van het onderzoek, werden er aan de respondenten geen voorwaarden gesteld in verband met leeftijd, geslacht, opleiding en dergelijke. Een gevolg van deze manier van werken is dat daardoor standaardisatie of generalisatie onmogelijk is. Verder gebeurde de rekrutering van de respondenten op basis van vrijwillige reacties. Ondanks de uniciteit van het verwerkingsproces bij alle 18 personen, missen we op deze manier waarschijnlijk toch de patienten die nog in een ontkenningsfase verkeren. Deze mensen doen er alles aan om de ziekte te negeren, en zullen vandaar ook niet geneigd zijn erover te willen praten, laat staan te willen worden geinterviewd. Aangezien deze thesis gaat over ziektebeleving in de verschillende ziektefasen, is het belangrijk te weten dat we over de ontkenningsfase enkel informatie kunnen halen door met de respondenten over hun verleden te praten. Dit brengt ons bij het retrospectieve karakter van het gevoerde onderzoek. Om de betekenis van een gebeurtenis in het verleden te achterhalen is het de enige, en dus de meest geschikte manier van werken. We mogen de beperkingen die retrospectief onderzoek met zich meebrengt echter niet uit het oog verliezen. Zo is het mogelijk dat het geheugen van de respondent hem in de steek laat. Bovendien heeft de huidige situatie waarin de respondent zich bevindt, onvermijdelijk een invloed op zijn perceptie van gevoelens en identiteitsfasen in het verleden. Met het Thomas-theorema in het achterhoofd is de objectiviteit van de herinnerde gebeurtenis echter minder belangrijk dan de subjectieve betekenis voor de persoon in kwestie. Dit is een zeer belangrijk uitgangspunt van mijn thesis. Ongeacht de wetenschappelijke en maatschappelijke legitimiteit van het chronisch vermoeidheidssyndroom, heeft deze ziekte voor zovele patienten echte gevolgen, en moeten dezen daarom in rekening worden gebracht.
Hoofdstuk 3: Een Typerend Statusverloop? ----------------------------------------
Na de bespreking van het theoretisch en methodologisch kader waarbinnen dit onderzoek zich situeert, moeten we ons afvragen waartoe dit alles leidt. Om de twee gestelde onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden, is het nodig dat we ons toespitsen op de interactie tussen het ziekteverloop van de patient met CVS, en zijn identiteitsbeleving. Hiervoor baseer ik me hoofdzakelijk op het verzamelde kwalitatief onderzoeksmateriaal. Er wordt echter ook teruggegrepen naar de eerder geschetste theorieen en aangehaalde theoretische concepten, om de gedachtegang die ontstond tijdens de analyse van de interviews, theoretisch te staven. Omdat de opgebouwde gedachtegang vrij uitgebreid is, bevindt er zich in de bijlagen een schematisch overzicht dat handig kan zijn ter verduidelijking. (Model 1, p.145) Ik ben me ervan bewust dat wat volgt enkel een indicatie van een mogelijke identiteitstheorie kan zijn. De verhalen van 18 CVS-patienten kunnen geenszins representatieve resultaten opleveren voor de hele CVS-populatie. Omwille van de sociologische leemte met betrekking tot het onderwerp kan echter worden gesteld dat er nood is aan verkenning van het terrein, waartoe mijns inziens, het gevoerde onderzoek in staat is. Gezien de aard van de interviews, bevatten deze een rijkdom aan informatie. Het is echter niet haalbaar alle mogelijke nuanceringen die de respondenten aanhaalden weer te geven. Omdat dit onderzoek streeft naar het ontdekken van bepaalde algemene patronen is dit ook niet de bedoeling. Er wordt wel geprobeerd om in verband met bepaalde theoretische begrippen steeds contrasterende attitudes weer te geven, wanneer deze zich uitsprekend voordoen onder de respondenten.
De rode draad doorheen dit hoofdstuk is de vraag of de interactie tussen het ziekteverloop van een patient met CVS en de identiteitsbeleving die hiermee gepaard gaat, resulteert in een aantal kenmerkende fasen. Het is relevant deze vraag te stellen omdat het antwoord onduidelijk is. Omwille van de diversiteit van de symptomen en omwille van het onvoorspelbaar karakter van het ziekteverloop is het immers mogelijk dat CVS-patienten geen gemeenschappelijke fasen van ziektebeleving doormaken. In eerste instantie werd aan de respondenten gevraagd of er voor hen hiervan sprake is. De respondenten zijn met betrekking tot deze vraag echter verdeeld. Op de vraag of er voor haar hiervan sprake is antwoordt Marlies het volgende:
- 'Niet echt. Weet je wat het is, de ene keer overweegt de vermoeidheid, de andere keer de hoofdpijn... Je moet je iedere keer weer verleggen, je kan er zelf niet aan uit. De ene keer mankeert dit, de andere keer dat. Ik kan dat eigenlijk verstaan dat een huisdokter er geen weg mee kan, specialisten kunnen er geen weg mee.'-
Ook Kristof staat sceptisch ten opzichte van het bestaan van een aantal duidelijk omlijnde ziektefasen:
- 'Ik denk wel dat dat een beetje door elkaar loopt, het hangt ook van je ziektetoestand af. Als je je goed voelt, dan is het gemakkelijker om de ziekte te aanvaarden dan als je in een slechte periode zit...'-
Anderen zijn er juist van overtuigd dat om te herstellen een aantal fasen moeten worden doorlopen.
Linda: - 'Wat ik ook altijd deed was mijn verdriet onderdrukken, want je hebt verdriet eh. Ik vind, iemand die zijn gezondheid kwijt is, dat is juist hetzelfde gelijk een dierbare verliezen. Voor mij bestaat er weinig verschil. Ik zie een vriendin van mij, die is haar zoon verloren, zij maakt hetzelfde mee als ik indertijd, maar zij maakt dat plots mee, bij mij is dat veel geleidelijker gegaan. Maar het is een rouwproces, je kan het niet anders noemen. Dat is soms heel erg. Maar ik stak dat altijd weg, ik wou niet dat iemand dat zag. Ook voor het gezin te sparen. Je moet er niet rondlopen als een zombie, je voelt je wel zo, maar je mag dat niet laten merken eh. En de psycholoog heeft dan gezegd, je moet dat een beetje toelaten, op dat punt was ik wel verstandig genoeg, dat ik wist dat ik niet te lang mocht wenen, want dan kon ik niet meer stoppen, en dan is het helemaal om zeep.'-
Krista: - 'Ik heb de ziekte nooit aanvaard. Ik erken die fases van ontkenning en aanvaarding en rouw,... Ik herken die heel sterk bij mezelf.'-
Overeenkomsten met het rouwproces worden gemaakt, omdat volgens patienten 'ziek zijn betekent dat je dat wat je het meest dierbaar is, namelijk je eigen gezondheid, verliest.' Een verwerkingsproces dat bestaat uit verschillende fasen is volgens sommige respondenten noodzakelijk om de aantasting van de identiteit ten gevolge van het verlies van de gezondheid te herstellen. In een brochure voor CVS-patienten schrijft Anne-Marie, een CVS-patiente die zeer actief is in verband met de bewustmaking rond CVS, dat drie grote fasen worden doorlopen naarmate de patient zijn ziekteproces doorgroeit. De eerste fase noemt zij de crisisfase. Deze komt sterk overeen met de fase van abnormaliteit die Kralik beschrijft. Vervolgens stelt zij dat geleidelijk aan een aanvaardingsproces intreedt, om ten slotte tot een toestand van integratie te komen. Ook voor haar is ziektebeleving in de eerste plaats een rouwproces.
Ondanks de gemaakte nuanceringen, en ondanks de uniciteit van de ziektebeleving van elke patient, kunnen we mijns inziens de theorie van Kralik volgen dat chronische patienten evolueren van een periode waarin alle zekerheden worden doorprikt, naar stabilisering en normalisering. Dit onderscheid tussen abnormaliteit en normaliteit, en de voortdurende zoektocht naar een evenwicht tussen beiden komt immers in elk interview naar voren. Deze twee fasen worden door Kralik slechts ruw geschetst, en dienen hier daarom enkel als uitgangspunt. De verdere uitdaging van het onderzoek ligt in het verfijnen van deze fasen, en in de afstemming ervan op de specifieke ervaring van CVS-patienten.
Volgens Radley zijn aanpassing en normalisering maatschappelijk gewenst. Van patienten wordt verwacht dat ze zich 'niet laten kennen', en zich 'zo goed en zo snel mogelijk, moeten aanpassen.' (Radley, 1994:158) Het feit dat ook hier een gedachtegang wordt opgebouwd die uitmondt in normalisering, mag echter niet worden beschouwd als een pleidooi voor normaliteit, enkel omwille van dit maatschappelijk 'nut'. Uit de interviews blijkt dat de fase van abnormaliteit voor de patient op lange termijn onhoudbaar is, en dat er automatisch normalisering zal plaatsvinden. Omwille van een verhoging van de zelfstandigheid van de patient die hiervan het gevolg is, is normalisering inderdaad ook maatschappelijk gewenst. Er wordt echter niet van uitgegaan dat de patient niet ziek mag zijn, of dat aanpassing iets vanzelfsprekends is, integendeel. De fase van abnormaliteit, die noodzakelijk vooraf gaat aan normalisering, wordt daarom van naderbij bekeken.
3.1 De ervaring van abnormaliteit ----------------------------------
Uit alle interviews blijkt dat patienten de ziekte eerst en vooral interpreteren als een radicale verandering in hun leven of zoals Bury het zei, als een biografische disruptie. Alles wordt in vraag gesteld, in de eerste plaats omwille van het feit dat men in het dagdagelijkse leven niet meer op het eigen lichaam kan rekenen.
3.1.1 Lichaamsverandering en de radicale in vraagstelling van het zelf -----------------------------------------------------------------------
Patienten worden met hun ziekte geconfronteerd nog voor de diagnose is gesteld. Kathy Charmaz stelt dat chronische patienten geleidelijk aan ervaren dat hun lichaam aan het veranderen is. Men heeft last van bepaalde symptomen die het dagelijkse leven verstoren, en men wordt ernstige fysische beperkingen gewaar. (Charmaz, 1995:662) Sommige patienten kunnen echter een concreet moment aanduiden waarop ze ziek zijn geworden. (Afari & Buchwald, 2003:222) Zo vertelt Anne-Marie over het begin van haar ziekte:
- 'Ik ben van de ene op de andere dag ziek geworden, echt zo van wham. Achteraf kan je altijd zeggen van ja, ik had signalen zoals migraine-aanvallen, hartkloppingen, het zijn allemaal stress signalen, en dat werd altijd maar meer en meer,... maar toen, ik kan echt zeggen nen dag dat ik omgevallen ben op het werk. (...) Dan lag ik hier in bed, totaal bewegingsloos, ik kon geen vin niet meer verroeren van vermoeidheid en alles irriteerde mij mateloos...'-
Andere patienten kunnen niet alleen een moment aanduiden waarop de symptomen verschenen, maar weten het begin van hun ziekte ook toe te schrijven aan een bepaalde gebeurtenis. Deze gebeurtenis wordt de 'trigger' genoemd die de, waarschijnlijk reeds sluimerend aanwezige ziekte, ten volle doet uitbreken.
Lies: - 'In juni 2001, gingen wij op reis naar Senegal. Voor die tropische reis moest ik zes vaccins hebben. Dat moest allemaal zeer snel gebeuren, omdat het zo'n last-minute toestand reis was. Dus heb ik zes vaccins op twee dagen gehad. En euh, het resultaat was dat ik direct een hele week erge griep had daarop, en erge pijnen. Redelijk plots kwam dat allemaal, dat ik zei van het is hier oorlog in mijn lichaam, er is hier iets dat niet juist is. Nu ja, achteraf, na al die maanden, weet ik wel dat het ongeveer het stomste is dat je kan doen om die beesten in 1 keer in je lichaam te stompen, maar kom... Dus mijn immuunsysteem is daar op een of andere manier op gecrasht. En dan ben ik toch op reis geweest, drie weken naar Senegal. Maar daar is dat dus allemaal alleen maar erger geworden. Ik kreeg allerlei vreemde dingen, mijn klieren waren opgezwollen, ik was grieperig, iedere dag stond ik op met spierpijn... Ge denkt dan dat dat komt omdat je in een ander land bent, nog wat grieperig van die vaccins, je stelt je daar nog niet echt vragen bij. Maar na zo'n drie weken, toen dat ik thuis kwam, realiseerde ik me van dat is hier niet echt normaal meer.'-
CVS is een uitsluitingsdiagnose omdat de aandoening gekenmerkt wordt door een gebrek aan duidelijke fysische oorzaken. Dit wil zeggen dat patienten eerst onderzocht worden op andere aandoeningen. Doordat het resultaat op de vele testen die ze moeten ondergaan meestal negatief is, wordt de CVS-patient geconfronteerd met een aanhoudende onzekerheid over zijn toestand, en een toename van onvrede.
Dirk: - 'En mijne baas begreep dat niet eh dat ik zoveel ziek was, ik zei, ik wil u niet beledigen, maar ik weet niet wat dat ik heb. Die verstond dat dan wel hoor, dan ben ik thuis geweest van kerstmis tot april, en dan ben ik daar moeten stoppen, maar ik versta dat wel, dieje mens kan ook niet verder eh. En onderzoeken dat ik heb laten doen, scans, hart, alles, maar niets,... De dokter zei dat ik een hart had van ene van 35 jaar, maar dat was ne moeilijke tijd eh, dat ze niets vonden... (...) ...Ik had daar problemen mee eh, dat ik niet wist wat ik had. Op de duur denkt ge, ligt het aan mij? Ligt het aan mijn voeding? Ik had al tien keer gevraagd, ik rook al van mijn 16, ligt het daaraan?'-
De patient wordt met zijn ziektetoestand geconfronteerd, maar vindt geen wetenschappelijke erkenning vanuit de medische wereld, wat onbegrip veroorzaakt in zijn sociale omgeving. Alle vanzelfsprekende assumpties worden in vraag gesteld, en een allesomvattende onvoorspelbaarheid daagt de stabiliteit van het alledaagse leven uit. Deze toestand van onwetendheid leidt tot de radicale in vraag stelling van zichzelf. (Kralik, 2002:146)
May: - 'Het eerste half jaar lag ik plat. Ik wist niet wat ik mij moest voorstellen. Gelukkig heb ik vrienden of kennissen die me op weg hebben geholpen naar de ME-Vereniging. Want ik dacht dat ik dement werd. Zoveel dingen klopten niet meer. Ik, die zoveel vergaderingen voorzat en teksten schreef, en dat was al een paar jaar bezig, kon soms uren doen over een tekst. Terwijl vroeger op het bedrijf, als er dan iets te doen was, dan was dat van, May, gij schrijft wel iets...En toen ik naar daar (de me-vereniging) belde, is dat een enorme hulp geweest, want achteraf gezien, had die toestand van onwetendheid blijven aanslepen, dan begrijp ik mensen die in opperste ellende iets doen en het beeindigen. Dat zijn helemaal geen gekken. Dat is echt het niet meer zien zitten. Wat is met mij aan de hand?'-
Mischa: - 'Ik heb ook wel ooit getwijfeld aan mezelf, van dat zit niet goed, ik ben verkeerd,... want dat drammen ze erin eh, dat het aan jezelf ligt.'-
Chronische patienten ervaren niet zomaar een verandering in hun lichaam, maar eerder een radicale breuk tussen hun lichaam en het zelf. Een gevoel van lichaamsvervreemding ontstaat doordat het zelf bij de uitvoering van de gewenste handelingen niet meer op het lichaam kan rekenen. De patient ervaart een gevoel van verlies van controle over zijn eigen lichaam, en hierdoor onvermijdelijk ook over de inrichting van zijn leven. (Charmaz, 1995:664)
3.1.2 Controleverlies, Rolverlies en aantasting van de identiteit -------------------------------------------------------------------
Omdat de fysische beperkingen die de ziekte met zich mee brengt, de patient confronteert met het feit dat hij niet meer in staat is bepaalde handelingen, activiteiten en taken uit te voeren, is hij genoodzaakt een beroep te doen op anderen, wat zijn afhankelijkheid vergroot. Ook dit veroorzaakt controleverlies of het gevoel dat men zijn eigen leven niet meer in handen heeft. Door de aard van de ziekte hebben CVS-patienten bovendien geen vat op het verloop van de ziekte zelf. De onvoorspelbaarheid van het chronisch vermoeidheidssyndroom wordt door de meerderheid van de respondenten vermeld als een belangrijk typisch probleem, waardoor enige dagplanning op voorhand onmogelijk is.
Annemie: - 'Het moeilijkste is vind ik dat dat niet constant is. Dat gaat zo in golven van beter en slechter, en soms zijn die golven korter en soms langer. Maar ge weet in feite nooit hoe dat je je morgen gaat voelen. En dat beperkt ergens je sociaal leven. Ik plan niet meer zo graag als vroeger. Vroeger, gepland om met vriendinnen weg te gaan, te gaan winkelen of naar concerten te gaan, eh, ik plande wel graag vanalles. En nu, ge doet dat nog wel, omdat ge ergens ook wel moet eh, alle, ik bedoel, ge zijt daar toch nog ergens aan gebonden, mensen hebben nog verwachtingen...'-
Op die manier stimuleert, naast lichaamsvervreemding en afhankelijkheid, ook deze onvoorspelbaarheid het gevoel van controleverlies. De wijze waarop controleverlies wordt ervaren, verschilt naargelang het individu, zowel wat betreft de inhoud als op het vlak van intensiteit. Een algemeen gevoel van controleverlies is echter voor de meerderheid van de respondenten (13) een probleem.
May: - 'Ik heb op een moment tegen iemand gezegd dat ik liever iets concreets gehoord had, waartegen ik nog kon vechten, of wat kon aan doen. Dat was heel cru, ik besefte dat, maar dat was om een beeld te geven van hoe ellendig ik mij voelde. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik zelf iets niet in de hand had. En dat kan ik nooit met niks hebben, dat ik het niet onder controle heb. De studies van mijn kinderen enzo, ik moest het onder controle hebben, en nu had ik niets meer, alles ontglipte me.'-
De gevolgen van controleverlies kunnen verstrekkend zijn. Eerst en vooral wordt de patient er zelf mee geconfronteerd. Door het verlies van controle over het eigen lichaam en over het dagdagelijkse leven, en door de hierdoor toegenomen afhankelijkheid van anderen, ervaart de patient een vermindering van handelingsdoeltreffendheid of 'self-efficacy'. Omdat dit een gevoel van machteloosheid en minderwaardigheid creeert, in de zin van 'als ik iets vraag of zeg luistert toch niemand', kan de gewaarwording van een vermindering van self-efficacy, bij de patient ernstige identiteitsproblemen veroorzaken. (Gecas & Burke, 1995 :41-59) Naast de aantasting van de identiteit, zijn conflicten tussen de patient en zijn omgeving meer dan waarschijnlijk, aangezien ook de omgeving de afgenomen handelingsdoeltreffendheid gewaar wordt. De echtgenoot herkent zijn of haar partner niet meer of heeft het gevoel er niet meer te kunnen op rekenen. Ook kinderen weten snel wanneer er van de situatie te profiteren valt. Daar bovenop komt dat ten opzichte van officiele instanties patienten dikwijls als de 'zwakkere' tegenpartij worden beschouwd, waardoor deze zich beledigd voelt. Tegelijkertijd heeft hij echter de energie niet om zijn standpunt te verdedigen. Uit volgende getuigenissen blijkt dat controleverlies aan de basis kan liggen van zware interpersoonlijke en maatschappelijke conflicten.
Anne-Marie: - '...ik heb het idee gehad, controle over de symptomen dus eh. Migraine-aanvallen, braakneigingen, je weet niet meer wat je moet eten en wat niet, je hebt daar totaal geen controle over. Maar ook bijvoorbeeld maatschappelijk, ge zijt nog aan het werk, ge weet dat ge CVS hebt, en toch zit de ziekenkas achter je veren, van ja, je moet weer voltijds gaan werken, en is er je werkgever, die zegt van ja, het moet hier gedaan zijn met dat ziek zijn, en dan heb ik het gevoel dat ik alles aan het verliezen ben, en dat heeft me ertoe aangezet om verschillende stappen te ondernemen,... En euh, nu heb ik nog veel conflicten thuis, dat is een enorm probleem geweest. De kinderen stellen de pubertijd uit als de moeder niet aanwezig is he, en dus ja, als ik weer beter werd en mijn rol weer begon te spelen, begonnen die te rebelleren, en daar zie ik nu nog geweldig van af, ik ben nu nog altijd aan het overleven hier thuis, en ik ben zover mijn controle verloren, ik had geen macht meer, ik had niets meer te zeggen. Ze zeiden dat ik niets moet zeggen, dat ik een psychiatrisch geval was, dat ik maar in mijn zetel moest gaan zitten, alle, ik bedoel, zo hebben ze me hier behandeld. Zowel mijn kinderen als mijn man vonden dat ik iets meer mankeerde dan alleen maar CVS, terwijl dat, alle ja,...'-
Bart: - ' ...en de bureaucratische pesterijen. Voor alles wat je vraagt moet je papierkes hebben, je kan je echt niet inbeelden, van ziekenfondsen, en van het ene bureautje naar het andere gestuurd worden, dat is ook... Je komt iets vragen en het wordt je onder je neus gewreven, zo zeggen ze bij ons, dat je iets komt vragen, dat je derderangsburger bent. Ze spelen met u. Je moet op een bepaalde bureau zijn, en het sluitingsuur is twaalf uur 's middags, en je komt daar om 11.30u toe, en dan zijn ze al gesloten omdat er nog zoveel volk zit, en omdat ze zeker willen zijn dat ze om twaalf uur kunnen sluiten. En dan 's namiddags is er geen zituur, en dan moet je de volgende dag terug komen, en ze houden dan geen rekening met het feit dat je je moeilijk kan verplaatsen of dat je daar grote inspanningen voor moet doen, en dat is ook controleverlies. Machteloosheid. (...)
Anderen blijken minder problemen te hebben met het verlies van controle. Zo antwoordde Dirk op de vraag of hij het gevoel had dat hij controle verloor op de dingen die rond hem gebeurden het volgende:
- 'Neen, nooit. Voor mij is er een ander leven begonnen de dag, 23 november, ik ga het nooit vergeten, dat ze die diagnose hebben gesteld. Dan ben ik al beginnen denken van ik moet dat gaan doen en dat....'-
Ook Alex lijkt hiermee niet zoveel problemen te hebben.
- 'Ik heb nog tamelijk alles goed onder controle, juist dat een probleem dat er momenten zijn dat je je zo rot voelt dat je je leven even moet stopzetten.'-
Uit het feit dat de laatste twee respondenten telkens mannen waren, mag geen verkeerde conclusie worden getrokken, in de zin van 'mannen behouden bij ziekte nog steeds hun macht'. Slechts twee van de zeven mannelijke respondenten vermeldden dat zij geen last hebben van controleverlies. Van de elf vrouwen zijn dit er drie, onder andere de vrouw uit de volgende getuigenis. Dit behoud van gevoel van controle, ondanks de verhoogde afhankelijkheid, kan worden verklaard doordat bepaalde factoren het niveau van handelingsdoeltreffendheid op peil lijken te houden.
Krista: -' Ik heb familiezorg, en die mensen komen hier een paar keer per week helpen, en je bent daar afhankelijk van. (...) Ik denk soms van oh als mijn moeder wegvalt, wat moet ik dan doen, want zij lost zo af en toe wel eens iets op voor mij. Maar het is wel zo dat ik het gevoel heb dat die mensen ergens ook afhankelijk zijn van mij. Dus mijn moeder die belt dan graag eens om iets te vertellen, of ze moet op internet en vraagt dan of ik iets voor haar wil opzoeken, of mijn helpsters zitten bijvoorbeeld emotioneel in de knoei en zeggen dan van ik wil eens babbelen ofzo. Die dingen zijn belangrijk, dat je ook eens iets mag terugdoen. En als je dat kunt en mag doen, valt het nog wel mee. Daarom heb ik graag dat mensen het blijven vragen, of ik iets voor hen kan doen. Met die fotografie ook, dan vroeg de helpster van familiehulp of ik haar kaartjes voor de eerste communie van haar dochter wou maken, dat ik dat mag doen is belangrijk. Als ik dat niet zou mogen doen, dan zou ik me rot voelen. Of dat mijne man zegt van wil je dat vandaag eens doen, want... En dan heb ik het gevoel, van ja, zonder mij zou het toch niet gelukt zijn.'-
Het gevoel van controleverlies kan worden beschouwd als een teken van rolverlies. De fysische invaliditeit van de patient zorgt ervoor dat de uitoefening van alledaagse taken, die verbonden zijn aan specifieke rollen, geleidelijk aan onmogelijk wordt, waardoor hij de greep erover kwijt raakt. Hierdoor verliest de patient zijn functies en rollen in de maatschappij, wat hem het gevoel geeft 'niemand meer te zijn', of waardoor met andere woorden, de identiteit wordt aangetast. Op de vraag of er ten gevolge van de ziekte rolverlies werd ervaren, reageerden alle respondenten, meestal overtuigd, instemmend.
Rani: - 'Eigenlijk valt op een heel deel gebieden de identiteit weg. Ik was hoofdopvoedster, dat was ik niet meer. Ik was voor mijn moeder een belangrijk persoon, omdat ik de enige dochter ben, en dichtbij woon. En ik ging vroeger al eens een handje toesteken, we gingen samen winkelen enzo. Dat kon ik niet meer, ik kon mijn eigen dingen niet meer doen, dat van een ander dus ook niet meer. Voor veel mensen was ik degene die initiatieven nam om bv naar de Night of the Proms te gaan, kon ik ook niet meer. Uiteindelijk wat schiet er nu eigenlijk nog over? Daar ga je over nadenken, wat schiet er nu eigenlijk nog over? Ah ja, die daar moe op de zetel ligt.'-
Uit de analyse blijkt dat het verlies van de moederrol, de partnerrol en de rol van geldwinner voor de meeste problemen zorgt. Zo weegt voor vrouwen met CVS, het feit dat ze niet de moeder kunnen zijn die ze willen zijn zwaar door, omdat ook hun kinderen hieronder lijden.
Imke: - '...het hangt ervan af of je een rol hebt in een gezin hebt. Maar ik heb hier mijn gezin, ik ben moeder en echtgenoot, en ik heb het gevoel dat ik dat niet kan doen. Ik voel mij absoluut geen goede moeder. Mijn kindje was nog maar geboren, en ik moest het al naar de onthaalmoeder doen,... Ik vind dat verschrikkelijk erg. Je voelt je geen goede echtgenote, geen goede moeder.. Je zit voor een stuk met een schuldgevoel, omdat je niet kan doen wat er van je verlangd wordt. Je ziet het ook vaak aan mijn kinderen. Ja, wij gaan nooit op reis, en zij komt dan van 'Emily is naar Turkije geweest, en die is naar de zee geweest'... Ik kan dit niet. Wat kan ik doen, ik kan een keer met hun naar de bibliotheek gaan, als ik daar al geraak, omdat het daar rustig is, want van geroezemoes, wordt ik echt zot. Ik kan mijn kinderen niet opvoeden gelijk ik wil. Als Justine ambetant begint te doen, alle, ik ga het cru zeggen, dan zal ik snel zeggen, hier, steekt u ne snoep in uw mond en zwijgt. Ik doe dat natuurlijk niet zo, maar als ze echt vervelend zijn, dan geef ik veel gemakkelijker toe aan hen, van ja, kijkt maar tv. Dat is enorm moeilijk, ik kan eigenlijk niet consequent zijn, dat is bijna onmogelijk. En ja, kinderen weten dat rap eh.'-
Minder vaak wordt er spontaan verteld over het verlies van de rol als seksuele partner. Toch mogen de relationele en emotionele gevolgen van dit verlies niet worden onderschat.
Linda: - '(...) en dan de seksualiteit. Dat vind ik een vreselijk probleem. (...) , ik wilde weten hoe andere mensen staan tegenover hun partner en hoe ze seksualiteit beleven. Maar toen ik het vroeg aan de dokter, dan zei ze dat ze dat niet kon vragen. Awel, 't is heel serieus. Ge hebt gewoon geen goesting meer, ge hebt altijd pijn, wat plezier is er dan nog aan? Op het moment zelf doe je het tegen je goesting. De lust is weg. Ik heb nog gevraagd aan mijn dokter of er niets voor bestaat. Ik heb er nog naar gezocht in mijn boeken, naar lustopwekkende middelen,.. (...) ik zei, luister, ik kan met mijn man niets meer doen. Ik wil niet meer. Ik zeg, op de duur is het verkrachting, ik kan dat niet meer aan. Ah ja zegt ze, het is onze plicht als vrouw om onze man zijn goesting te geven. En ik keek zo... dat was nu een ding dat ik nog nooit gehoord had, en zeker niet van een dokter..., en ze is zij maar een paar jaar ouder als ik. Dat is dus een zwaar probleem. Dat is uw leven eigenlijk eh. Iemand die alles kwijt is, levenslust, werklust, het komt allemaal op hetzelfde neer eh, want levenslust komt van de seksualiteit. Als je dat kwijt bent, wat heb je dan nog...? Dat vind ik een zware handicap.'-
Tenslotte reageerden, met betrekking tot rolverlies, twee personen genuanceerder op de impact ervan.
Lies: (27) - 'Ik vind dat je dat zeker niet mag overdrijven. Want er zijn echt veel mensen die dat goed begrijpen wat ik allemaal heb, en die dan zeggen van, ik vind het ongelooflijk wat dat jij nog allemaal doet. Maar toch verander je wel, het is zever, dat kan niet anders. Ik was zo gekend als iemand die enorm actief was, enorm bezig en ambitieus, dus.. Dat kan ik nu niet meer zijn, toch niet in die mate dat ik het zou willen zijn. Ik kan nog iets bereiken, maar natuurlijk in gedoseerde mate.'-
Xavier: (21) - 'Soms had ik echt wel het gevoel van, ja, mijn vrienden, ze komen wel naar mij enzo, maar eigenlijk, hoor ik daar niet bij. Eigenlijk zit ik hier niet op mijn plaats, eigenlijk hoor ik hier niet bij. Dus, dat is wel... Ook bij mijn vrienden op school..; ik was altijd zo een beetje de dommerik, de onnozelaar, ... en die rol valt ook wel weg. (...) 't Is eigenlijk wel logisch dat je je zelfvertrouwen een beetje kwijtgeraakt, en dat je jezelf een beetje als mindere beschouwt. Ik wil niet zeggen dat dat zo zwaar doorweegt ofzo, maar het hoort er toch wel bij.'-
Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat voor jongeren of jong volwassenen, omwille van het feit dat ze minder rollen uitoefenen, rolverlies minder zwaar doorweegt. Dit wil echter niet zeggen dat hun identiteit door de ziekte minder wordt aangetast. Verder onderzoek bij jongeren met CVS zal dit moeten uitwijzen. Dat de identiteit door dergelijk rolverlies wordt aangetast, wordt niet enkel in de literatuur gesteld, maar ook in de interviews bevestigd. Wanneer de rollen die men in de maatschappij inneemt wegvallen, en er niet onmiddellijk iets in de plaats komt, lijkt er van het zelf niet veel meer over te blijven.
Mischa: - 'Ik heb besloten om in januari op reis te gaan, alleen, naar Spanje. We zullen wel zien, val ik op de grond, dan moeten ze me maar oprapen. Waar ik vroeger dan vanalles ging bezoeken, dan zet ik me nu in de zetel, voor de rest zullen we wel zien. Wat de laatste jaren gebeurd is heeft me mijn persoonlijkheid veel kwaad gedaan. Die zelfzekere vrouw ben ik niet meer, ik ben enorm bang geworden, ook omdat je constant valt enzo. Je wordt er zo onzeker van. Neem nu dat er geen toilet is, ...'
Mischa is niet alleen wanneer ze zegt dat ze bang is geworden en dat gevoelens van angst en onzekerheid met de ziekte gepaard gaan. Deze angst en onzekerheid lijken echter geen prominente gevoelens tijdens het hele ziekteverloop, maar komen vooral terug tijdens de fase van abnormaliteit. Dit kan worden verklaard door de onzekerheid die in deze fase dominant is. Het is immers gekend dat onder andere onzekerheid aan de basis ligt van angst. (Paez, e.a., 1995 :197)(Schneiderman e.a., 1989:200)
Krista: - 'Ik ben bijvoorbeeld bang dat mijn man gaat sterven, ik heb geen beroep. Als mijn man wegvalt heb ik geen inkomen, dan kan ik hier niet blijven, want de boerderij kan ik niet doen. Ik denk voortdurend, als mijn kinderen later kinderen hebben, mijn moeder komt nu efkes helpen, maar ik ga mijn kinderen misschien niet kunnen gaan helpen. Ik ben bang om oud te worden, ik voel me ook oud nu. Ik heb ook met momenten zware angstaanvallen gehad, angst om de angst. Ik hoop ook, dat is nu wel beter, maar ik heb periodes dat ik zo angstig ben dat ik op den duur angstig ben om angst te hebben. Je gaat ook elke nacht slapen met de angst van ga ik morgen wel doen wat ik moet doen?'-
Gevoelens van angst en onzekerheid floreren niet bij iedereen even sterk. In de interviews lijken de mannen minder uitgesproken angst te ervaren dan de vrouwen. .
Alex: - 'Angst heb ik niet. Van niks of van niemand. Neen, absoluut niet. Ik heb nog niet gezegd wat ik vroeger van werk gedaan heb, maar ik was dus commissaris van het hoog comite van toezicht, officier van de gerechtelijke politie. Aanhoudingen, huiszoekingen, arrestaties, achtervolgingen, al wat er aan de pas komt. De nodige stress, maar ook de nodige ontspanning. Dan ernaast die autosport, waarvan iedereen, ook ik in de eerste plaats, besef dat het heel gevaarlijk is, nooit gene angst gehad. Nooit, nooit. En ook in dit kader heb ik mezelf er nooit op betrapt dat ik zei van ik ben toch bang van... ongerustheid natuurlijk wel eh. Als ik zie wat ik daar juist zij, dat het aantal slechte dagen altijd maar toeneemt in verhouding met het aantal goede dagen, dan kijk je wel een beetje vooruit op termijn, dat je zegt van hoe gaat dit in feite aflopen...'-
Alex is echter de enige respondent die duidelijk stelt dat hij geen angst ervaart. In het algemeen bevestigen de respondenten dat gevoelens als onzekerheid, verdriet, controleverlies, ontreddering en angst, de fase van abnormaliteit kenmerken. Omdat deze gevoelens het zelfbeeld grondig aantasten, doordat ze het individu confronteren met de discrepantie tussen zijn werkelijke en ideale zelf, zal deze trachten het zelf te verdedigen, door de gepaardgaande gevoelens in eerste instantie te onderdrukken. Ook andere verdedigingsstrategieen zijn in deze fase mogelijk. Dit brengt ons bij de verschillende manieren om met de gevolgen van de ziekte om te gaan in de periode van abnormaliteit.
3.1.3 De zoektocht naar hulp en de impact van de diagnose ----------------------------------------------------------
Of mensen medische hulp zoeken hangt af van de zwaarte van de symptomen en van de manier waarop deze worden ervaren. Wanneer deze symptomen vrij mild zijn, worden ze vaak toegeschreven aan persoonlijke gebeurtenissen die niet bedreigend zijn. Men poogt de symptomen hierdoor te normaliseren. (Radley, 1994:142)
Lies: - 'Ik kreeg allerlei vreemde dingen, mijn klieren waren opgezwollen, ik was grieperig, iedere dag stond ik op met spierpijn... Ge denkt dan dat dat komt omdat je in een ander land bent, nog wat grieperig van die vaccins, je stelt je daar nog niet echt vragen bij.'-
Enkel wanneer de symptomen blijven terugkeren, en erger worden, beslissen mensen de hulp van een arts in te roepen. Vaak koppelt men deze beslissing vast aan de vaststelling dat men bepaalde activiteiten niet meer kan uitvoeren. (Radley,1994:142)
Mischa: - 'Dan in 90 zijn we verhuisd, mijn moeder is ondertussen gestorven, ik ben gaan sukkelen met mijn nieren, en dat kost ook allemaal energie, maar ik deed maar voort he. Ja, de kinderen kwamen in hun pubertijd, en mijn man verloor zijn werk... wij deugden allemaal niet meer, je kan je voorstellen met die mannen, het was drie tegen 1. En dan in januari 92, daar lag ik. Gedaan ermee, ik kon niet meer ademen, niet meer recht, twee passen en dat was het. Alles deed pijn, ik kon niet meer eten, mijn haar niet meer kammen,... Ja en dan in het begin heb ik natuurlijk nog gedacht van kijk het is een depressie ofzo, en dan hebben ze alles onderzocht, omdat ik ook pijn aan mijn nieren had. Dan hebben ze me binnenste buiten gedraaid. Niks functioneerde nog, en toch scheelde er eigenlijk niets, maar ik kon amper op mijn benen staan.'-
Wat Mischa op einde van de paragraaf vertelt is meteen een volgend probleem waarmee CVS-patienten worden geconfronteerd. Als de patient met CVS besluit zich te laten onderzoeken, worden niet onmiddellijk oorzaken gevonden. Hoewel de patient zich ziek voelt, en niet meer vooruit kan, stelt de arts in eerste instantie geen, ofwel een verkeerde diagnose. Hierdoor wordt de patient als het ware in een toestand van onzekerheid overgelaten aan zichzelf, met interne conflicten als gevolg.
Krista: - ' Bij het RIZIV werd gezegd dat ik ziek was omdat mijn man lager gediplomeerd was dan ik, en dat ik, dat het niet kon dat iemand die universitair geschoold was zich kon uitleven in een beroep als boerin. Ik had daar geen voldoening in, daarom moest ik naar de psychiater. Die psychiater moest dan lachen met die diagnose. Tegen hem moest ik mijn leven vertellen, ja, dat ik op kot vriendjes gehad had, en dat waren voor hem tekenen dat ik een borderline-persoonlijkheid-stoornis had. Dat is een stoornis die tussen neurotisch en psychotisch zit. Mensen die verslaafd zijn aan alcohol, drugs, seks, die graag heel snel rijden, die geen vaste relaties kunnen opbouwen of houden, dus, ... Ik denk dat iedereen ergens hier wel in past hoor. Als je een lijn hebt, dan zal iedereen op die lijn wel ergens een bepaalde score halen, en ik denk dat je dat over elke neurose of psychose kan zeggen. En, dat die man met zijn vakjestheorie... (...) Ik ben 13 jaar samen met mijn man, en ik heb nog geen zware verliefdheid gehad dus.. Alle, mijn huisarts lag onder zijn bureau van het lachen met die diagnose. Maar dat is het moeilijke van ons probleem. Dat al naargelang de invalshoek van de dokter of de therapeut, kunnen ze wel altijd iets vinden, en willen ze dan ook dat je daaraan beantwoordt, en het feit dat je daar niet helemaal in past of dat je daar vragen bij hebt, is voor hen dikwijls het teken dat je het zeker hebt. Ik zei tegen die psychiater, ik had dan bij een vereniging voor geestesgestoorden wat informatie over de stoornis opgevraagd, en als ik dat las, dan dacht ik maar jong, dat ben ik niet! Dat zijn dus mensen die 13 scholen hebben, die 24 jobs hebben, die in geen jeugdbeweging kunnen blijven, die geen enkel vriendschap kunnen opbouwen...Ik ging de week nadien terug naar die man en zei, dokter met alle respect, maar herken me daar niet in. Ja zei hij, dat is het grootste bewijs dat je het hebt. Dat heb je eigenlijk bij heel veel dokters, dat men vanuit de invalshoek die men heeft je ergens in wil laten passen. Alle, en ook, wat ik ook moeilijk eraan vind, is dat je zelf dokter moet spelen.'-
Een foute diagnose laat vaak ernstige schade na bij de patient, zeker wanneer deze de patient psychisch gelabeld heeft:
Mischa: - ' Ik ben eigenlijk stilletjes aan beter geworden, na de psychiatrie, maar kom, het was iedere dag knokken tegen de pijn, tegen de vermoeidheid, tegen het onbegrip. Natuurlijk het feit dat ik daar zat heeft me een grote stap achteruit gebracht door een sterke stempel op me te drukken. Want je wordt bekeken, ... als je eruit komt, alsof je een buitenaards wezen bent, dat hier in de maatschappij komt, dat vond ik heel verschrikkelijk. En dat is een element dat het nog maar eens belastender maakt eh.'-
Omdat medische legitimatie nog steeds een belangrijke voorwaarde is voor de inname van de ziekenrol kan het ontbreken hiervan problematische gevolgen hebben. Het feit dat CVS-patienten in eerste instantie hun arts niet kunnen overtuigen van de echtheid van hun ziekte, en het feit dat de arts de symptomen vaak toeschrijft aan psychische problemen, betekent voor hen een belediging van hun persoon. (Radley,1994:143)
Bart: - 'Hier is de interne geneeskunde samen met de psychosomatica, dus ze beginnen direct u te bombarderen met de psychosomatische aanpak, en dat haat ik dus. Je krijgt ook altijd het gevoel dat je er zelf schuld aan hebt, zo van het zal wel aan uw levensstijl liggen, of heb je geen verborgen psychische problemen of dit of dat. Niet echt een aanbod geven van dat zijn de mogelijkheden, maar u direct in een bepaalde richting sturen wat je niet wil. Ze stelden dat niet zo direct voor maar het was in de richting van gedragstherapie en antidepressiva, terwijl ik helemaal niet depressief was.'-
Wanneer de diagnose uiteindelijk toch wordt gesteld, brengt dit voor de meeste respondenten een sterk gevoel van opluchting mee. De ziekte heeft eindelijk een naam, en men weet dat er dus nog mensen moeten zijn die zich in dezelfde situatie bevinden. Bovendien staat de sociale omgeving meer begrijpend ten opzichte van de patient wanneer deze medische erkenning krijgt. (Radley,1994:143)
Op de vraag wat de eerste impact was van de diagnosestelling werd het volgende geantwoord:
Dirk: - 'Oh dat was, opluchting, 200 kilo viel er van mij, ik ben opgelucht al fluitend naar huis gegaan. Echt waar, ondanks de pijn, eindelijk na zeven jaar weten wat er was. Echt waar.'-
Veerle: - '... ik was, ik kon wenen van geluk toen de dokter zei dat ik CVS had. Ik dacht, eindelijk heeft het een naam. Want ik dacht of ik heb een hersentumor, want de ene moment kan ik bijna alles en de andere moment bijna niets of ik dacht ik heb een geestesziekte die je niet aan mij kan zien, maar ik moet eigenlijk in een gesticht zitten... Ik kon er geen weg mee, ik kon het niet omkaderen. Dus ik was feitelijk zeer opgelucht met de diagnose, het heeft een naam en er zijn er nog.'-
Respondenten die de ziekte reeds kenden voor ze zelf ziek werden, reageerden minder positief:
Rani: - '... er werd mij al maanden ervoor gezegd of ik geen CVS had, onder andere door die vriendin. Ik had zoiets van spreek het woord niet uit, ik wil het niet geweten hebben, absoluut niet. Dat was het laatste wat ik wou, noem het een depressie of eender wat je wil, maar geen CVS. Omdat zij het had, en omdat ik wist hoe haar evolutie was gegaan. Ik wou het niet hebben, ik dacht ik weiger het gewoon. En toen de diagnose gesteld was was het eerst een grote teleurstelling natuurlijk, maar langs de andere kant ook een beetje opluchting, omdat ik eindelijk wist wat ik mankeerde. En dat ik tegen de rest kon zeggen wat ik had, want ik kon tot dan alleen symptomen aangeven, en nu kon ik een naam geven, en dat was wel een opluchting.
Omdat de patient eindelijk weet wat hij heeft, zal hij zijn toekomst weer beginnen vormgeven. Dit gaat bij de meeste respondenten gepaard met herhaaldelijke ontgoochelingen, omdat hij zo snel mogelijk wil verder leven, zonder de tijd te nemen zich aan de eigenheid van de ziekte aan te passen. Patienten met CVS zullen eerst moeten inzien dat hun ziekte chronisch en onvoorspelbaar is van aard. Dit impliceert dat planning onmogelijk wordt, en dat men zijn leven dus op een andere manier zal moeten inrichten dan de rationele dagindeling uit het vroegere leven. Vanzelfsprekend verloopt dit niet van een leien dakje, en doorloopt het individu verschillende 'negatieve' fasen die gekenmerkt worden door specifieke coping-strategieen.
3.1.4 Coping-strategieen in de fase van abnormaliteit ------------------------------------------------------
Laten we even terug grijpen naar de betekenis van coping-strategieen of eenvoudig gezegd, de manieren die mensen aanwenden bij het omgaan met hun ziekte. Lipowsky omschrijft 'coping' als de cognitieve en motorische activiteiten die een zieke persoon uitoefent om zijn lichamelijke en psychische integriteit te beschermen, om het verlies van zijn capaciteiten te herstellen en om tegemoet te komen aan onomkeerbaar ingetreden beperking. (Ray e.a., 1993:385) Ook op het onderscheid dat Bury maakt tussen coping, strategie en stijl, moeten we even terugkomen. Voor Bury is coping een cognitief leerproces, waarin de patient leert hoe hij de gevolgen van de chronische ziekte het best kan tolereren of verdragen. Nog anders gesteld kan coping worden beschouwd als het in staat zijn tot het behouden van een zeker gevoel van eigenwaarde en levensbetekenis. Strategie duidt dan op de praktische handelingen die mensen stellen om tot coping in staat te zijn. Stijl verwijst naar de algemene manier van reageren. Gemakshalve noemen we volgende verschillende manieren waarmee patienten in eerste instantie hun zelfbeeld proberen te beschermen, maar waardoor ze ook op zoek zijn naar de best geschikte manier om de ziekte een plaats te geven in hun leven, 'coping-strategieen'.
Naargelang de ziektetoestand, zullen deze strategieen door elkaar kunnen lopen. Toch blijkt uit de interviews dat er sprake is van bepaalde periodes in de ziektebeleving waarin 1 soort manier van coping sterker naar voren treedt. Bovendien lijken deze verschillende fasen elkaar vrij constant op te volgen in de tijd. Enige nuancering lijkt hier op zijn plaats. De voorgestelde specifieke volgorde van fasen van coping vormt slechts een hypothese, omdat ze zo verscheen uit de interviews. Niet iedereen maakt elke periode door, en als men zich erkent in het verloop, zal niet elke periode voor iedereen even lang duren. Toch wijzen de interviews aan dat de meeste respondenten elke fase hebben doorgemaakt, of nog steeds doormaken. Dit wil echter niet zeggen dat indien men in een periode zit die gekenmerkt wordt door een bepaalde coping-strategie, andere strategieen uitgesloten zijn.
Coping, of het in staat zijn tot het behoud van eigenwaarde en levensbetekenis, is het resultaat van zowel probleemgerichte, oplossingsgerichte als emotiegerichte strategieen om met de ziekte om te gaan. (Ray e.a., 1993:385) Terwijl probleem- en oplossinggerichte strategieen vrij praktische handelingen inhouden die het leven met de ziekte moeten verlichten, wijzen de emotiegerichte strategieen eerder op de cognitieve processen, waarbij de patient voor zichzelf een betekenisvol duidingkader creeert. Ray e.a., wijzen in hun studie over coping-strategieen bij CVS-patienten op de interactie tussen de verschillende soorten strategieen. (Ray, 1993) Probleemgerichte coping omvat actieve strategieen als planning, het stellen van prioriteiten en het zoeken naar instrumentele sociale ondersteuning. Deze komen vooral in de aanpassingsfase sterk naar voren. Onder emotioneel gerichte coping worden onder andere het zoeken naar emotionele sociale ondersteuning, ontkenning, positieve herinterpretatie, groei, aanvaardingen een gevoel voor religiositeit verstaan. (Ray, e.a., 1993:386) Omdat identiteitsbeleving als gevolg van een chronische ziekte in de fase van abnormaliteit gepaard gaat met de ervaring van een biografische disruptie of van een kritische situatie, wordt deze sterk beinvloed door verschillende negatieve emoties die hiervan het gevolg zijn. (Williams, 2000:41) In de fase van abnormaliteit zal het emotiegerichte coping de overhand nemen. In het begin blijkt dat de respondenten een negatieve stijl van coping uitoefenden door het bestaan van de ziekte te ontkennen. Ontkenning wijst hier op een stijl van reageren op de ziekte.
3.1.4.1 Ontkenning ------------------
Wanneer de patient de biografische disruptie die de chronische ziekte met zich meebrengt ervaart, zal hij eerst en vooral zijn identiteit proberen te beschermen door de disruptie te negeren. Ook omwille van het feit dat er geen effectieve behandeling bestaat voor CVS, omwille van de onzichtbaarheid, en omwille van de controverse die rond de ziekte hangt zijn CVS-patienten in eerste instantie geneigd te doen alsof de ziekte niet bestaat, en hun normale leven gewoon verder te zetten. Betrokkenheid lijkt toch geen voordelen op te brengen, de onzichtbaarheid maakt het mogelijk de ziekte te negeren, en de controverse er rond maakt ontkenning sociaal wenselijk. Wat ook gebeurt, is dat de patient, ondanks de vele onderzoeken die hij in aanloop naar de diagnose heeft ondergaan, zelf de diagnose in twijfel trekt.
Lies: - '... het punt is wel dat ik door dat dat niet helemaal hetzelfde is als bij andere CVS-patienten, dat ik tot op vandaag die diagnose nog altijd in vraag stel. Nu lopen er nog onderzoeken naar bepaalde bacterien en virussen, alle, tot op de dag van vandaag heb ik nog altijd iets van dat is niet helemaal hetzelfde als bij die andere mensen. (...) Die dokter zei dat, en ik had zo iets van ik geloof dat eigenlijk niet dat het dat is. Maar niet van oef, ik weet het nu. Behalve dat je nu zo precies in een kotje zit, en kan zeggen van kijk ik heb dat, maar ik heb dat niet 100% procent...'-
Het in twijfel trekken van de diagnose hangt samen met het feit dat de patient liever een andere diagnose had gehoord. Een diagnose die meer concreet is en die men aan een duidelijke fysische oorzaak kan toeschrijven.
Krista: - 'Ik heb de diagnose nooit aanvaard. Ik moet zeggen, tot de dag van vandaag verzet ik me daar tegen. (...) En na negen jaar blijf ik hopen dat mijn bed verkeerd staat, of dat ik gewoon allergisch ben aan tomaten of dat het een gsm-mast is hier in de buurt, .. Ik blijf hopen dat het iets heel banaals is. Euhm, ik had eigenlijk liever een diagnose gehad van kanker, of een tumor, of een schildklierafwijking,.. Alhoewel dat dat waarschijnlijk niet zo is, maar ik zou graag tot vandaag, een oorzaak vinden, iets vinden. En die man was daar heel erg van aangeslagen. Hij kwam met veel plezier dat aankondigen, en ik ben beginnen huilen huilen.. Maar alle, zei die, je mag blij zijn, want daar ga je niet aan dood. Maar ik zou eigenlijk graag iets anders gehoord hebben. Ook naar de samenleving toe is het veel gemakkelijker om te zeggen van ja ik heb een hernia in mijn rug of ik heb een tumor in mijn buik, dan te zeggen, ja ik ben chronisch vermoeid. Want dan ben je precies zelf verantwoordelijk. Terwijl als je een tumor hebt is het toch wel erg dat je dat overkomen is. Terwijl ik ben zelf verantwoordelijk voor mijn ziekte.'-
Dat de ontkenning van het chronisch vermoeidheidssyndroom, en de onderdrukking van de ziektebeleving door de patient, onder andere een gevolg lijken te zijn van het gevoel van schaamte naar de buitenwereld toe, toont ook de volgende getuigenis aan:
Lies: - 'Ja, ik denk dat ik daar in het begin gewoon een beetje over zweeg. Ik schaamde daar redelijk over. Ik wou niet ziek zijn. Ik schaam me er eigenlijk nog altijd over. Dat is misschien onnozel, das echt schaamte dat je voelt. Ik denk dat als je zegt je hebt kanker, dan valt iedereen voor je voeten neer. Je schaamt je erover omdat er zo een heel taboe over hangt omdat het zogezegd psychisch is. ...ook veel ontkenning. Dat heb ik vaak gehad, dat het wel duizend dingen zouden kunnen zijn, maar niet dat.'-
Deze gevoelens van schuld en schaamte kunnen zeer vernietigend zijn voor het zelfconcept van de patient, omdat ze het gevolg zijn van het besef dat hij niet voldoet aan de gemeenschappelijke culturele standaarden van de tijdloosheid van het perfecte lichaam, en van het correcte voorkomen. (Charmaz, 1995:662-673) Er bestaat heel wat literatuur (Darwin, 1872 - MacDougall, 1908 - Cooley, 1902 - Lynd, 1958 - Goffman, 1967 - Lewis, 1971) waarin schaamte wordt beschouwd als een primaire emotie, die wordt gecreeerd door de voortdurende beoordeling van het zelf vanuit het standpunt van de anderen. Het individu schaamt zich omdat hij niet voldoet aan zijn ideale of sociaal gewenste zelf, en zal daardoor de ziekte, die aan de oorzaak van de schaamte lijkt te liggen proberen te ontkennen. Ook het gevoel van schaamte zelf zal worden verdrukt omdat het een sociaal onaanvaardbare emotie is. In onze cultuur wordt er over schaamte niet gepraat, waardoor de ontkenning ervan kan worden beschouwd als een 'geinstitutionaliseerd patroon van collectief gedrag'. (Smelser, 1989:179)
Of de patient de ontkenning van CVS, het negeren van de symptomen, en het zelfbedrog dat hieruit volgt, zal kunnen blijven volhouden lijkt onwaarschijnlijk. De ziekte laat dit immers niet toe. Op de vraag of hij na de diagnose in een leegte belandde antwoordt Kristof het volgende:
- 'Leegte... In het begin niet zo omdat je .... De eerste twee jaar ben ik eigenlijk lossendoor blijven gaan, zat ik constant in het rood... Het gevolg was dat ik compleet uitgeput thuiskwam, en dus eigenlijk te moe was om de leegte te voelen.'-
3.1.4.2 Impression-Management -----------------------------
Wanneer mensen die lijden aan een aandoening als CVS de ziekte ontkennen, zullen zij, zij het onbewust, onvermijdelijk toneel moeten spelen naar de buitenwereld toe. Diep in zichzelf weten patienten, zeker eens de diagnose is gesteld, dat er iets mis is. Omwille van de eerder vermelde redenen (schaamte, zelfbehoud, onvoorspelbaarheid,...) willen ze dit echter niet laten merken.
Alex: - 'Er zijn dagen dat ik me, laat ons zeggen op de rand voel, van het bekwame en het niet bekwame af. En dat ik dus zeg op die vergadering deze avond wil ik toch zijn. En dan kom ik daar toe, en dan is het van 'hoe gaat het?' en dan zeg ik 'ja, dat gaat', maar in mezelf denk ik dan, goh, ge moest eens weten hoe ik mij voel. Dat,... ik doe net het omgekeerde, ik probeer op sommige momenten mezelf beter voor te doen, als dat ik mezelf voel. Bij mij is het niet van gaan klagen en zitten zagen, neen, ik probeer nog te vechten, ik probeer er nog bij te horen, en er zijn dagen dat ik echt inspanningen ervoor moet doen, moet doen alsof.'-
Zeker wanneer de diagnose nog niet is gesteld, zal de patient zoveel mogelijk willen doorgaan met zijn normale leven.
Kristof: - 'Ja, de eerste twee jaren ben ik wel toneel blijven spelen.... Ik kwam altijd stikkapot thuis, ... tot ik gewoon niet meer kon. Maar het was ook allemaal niet duidelijk wat er aan de hand was. Ik wou gewoon niet toegeven aan de vermoeidheid enzo... In het begin kon ik dat niet toegeven dat ik uitgeput was, kon ik dat niet vertellen, dan zocht ik wel altijd een uitvlucht als ik ergens niet mee naar toe kon.'-
Impression-managment is een strategie die wel hoofdzakelijk, maar niet alleen, in de ontkenningsfase wordt gebruikt, om de integriteit van het zelf te beschermen. Charmaz vond in een studie in 1991 die peilde naar identiteitsdilemma's bij chronisch zieke mannen, dat mannen vaak toneel spelen naar de buitenwereld toe. In het openbaar claimen ze een identiteit die hun verleden bevestigt en waarin de effecten van de ziekte worden geminimaliseerd. Het kost enorm veel energie om deze mythe geloofwaardig te houden. (Charmaz, 1991:55) Het is mogelijk dat mannen meer gebruik maken van impression-managment, maar uit de interviews blijkt dat vrouwen dit zeker ook doen. Gedurende het hele ziekteverloop blijken CVS-patienten op zoek te zijn naar een evenwicht tussen enerzijds het verstoppen van hun ziekte, en anderzijds het ervoor uitkomen. Omdat mensen die lijden aan een chronische ziekte geconfronteerd worden met reacties vanuit hun sociale omgeving als stigmatisering, negatie, afkeuring en ongeloof, staan zij immers voor een dilemma. Enerzijds is het aangewezen om hun handicap te verbergen. De kans op discriminatie wordt hierdoor verkleind, en de patient heeft minder het gevoel een last te zijn voor de omgeving. Anderzijds zal het hoog houden van de schijn het ontvangen van sociale ondersteuning en legitimatie verhinderen. (Herbette, 2002:46)
Bart: - 'Ik zeg het je probeert als je ergens naartoe gaat de schijn wel hoog te houden. Dat is misschien wel een groot woord, maar bijvoorbeeld, als ik nu naar u toe moest komen, dan is het zo van, ik wil niet zielig overkomen, ... Zoals iedereen wil je een gelijkwaardige gesprekspartner zijn, en je wil niet overkomen zo van zielig manneke... Je doet er je best voor om goed over te komen, ik weet wel dat ik geen dommerik ben of gene zielepoot, maar na verloop van tijd is die vermoeidheid, dat wattig gevoel in je hoofd, zo sterk dat je dat niet meer kan ophouden. Dus je weet eigenlijk wel dat je dat masker best niet opzet, het is ook altijd een beetje zoeken naar een evenwicht.'-
Annemie: - 'Ik doe dat eigenlijk niet graag zo toneel spelen, maar langs de andere kant zijde ook niet graag altijd de klaagder en de zeurder, dus dat is zo een beetje,... Ge kiest een beetje navenant de persoon die voor je staat of je er eerlijk in bent of niet omdat je er ook energie moet insteken, en ja, ge hebt niet zoveel energie, en als je dan energie naar iedereen toe moet geven, dat is wat veel. Dus ge maakt daar wel bepaalde keuzes in, maar feitelijk doe ik dat niet graag, zo toneel spelen.'-
Hoewel de meeste respondenten impression-managment erkennen, zijn er ook andere reacties. Zo antwoordt Rani op de vraag of ze het gevoel heeft dat ze ooit toneel speelde naar haar sociale omgeving toe:
- 'Neen, dat heb ik nooit gedaan, ik heb altijd heel duidelijk erover gepraat, ja in het begin over de symptomen, en nadien, toen de diagnose werd gesteld, over de diagnose. En dan gaf ik met voorbeeldjes aan wat er aan de hand was. Ik had ook geen problemen om te zeggen aan de telefoon tegen een vriendin dat ik me echt niet goed voelde, dat het slecht ging, en om twee dagen later in het stad rond te lopen. Daar voel ik me echt niet slecht over, ook al was ik ze tegen gekomen. Ik heb dat ook altijd zo aangebracht. Sommige dagen is het zo, en sommige dagen is het zo. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik toneel speelde.'-
Blijkbaar zijn er mensen die van in het begin op een totaal andere manier omgaan met de ziekte dan anderen. Hoe het komt dat deze hiertoe in staat zijn, is afhankelijk van een aantal factoren. Hierop wordt dieper ingegaan in hoofdstuk 4.
3.1.4.3 Verzet --------------
Terwijl het zieke individu naar de buitenwereld de schijn hoog houdt, verzet hij zich tegelijkertijd sterk tegen de ziekte, die hij toch gewaarwordt. Dit verzet lijkt zich te vertalen in een aantal strategieen. Ray e.a. vinden in hun onderzoek een positieve samenhang tussen ontkenning en de oplossinggerichte coping-strategie van het zoveel mogelijk behouden van beweging. De symptomen worden genegeerd en de negatieve keerzijde van overactiviteit wordt uit het oog verloren. Door het activiteitenniveau op peil te houden denken CVS-patienten in te gaan tegen de vermoeidheid, en tegen het vaak gehoorde argument dat moe zijn soms toch normaal is. (Ray e.a., 1993:387) Hierbij vinden velen het moeilijk om, indien iets toch niet lukt, hulp te vragen aan anderen. Zo lijken ze immers toe te geven aan het bestaan van de ziekte en aan hun afhankelijkheid van anderen, wat het zelfbeeld ondermijnt. Het vragen van hulp blijkt voor de meeste respondenten iets wat ze doorheen hun ziekteverloop hebben moeten leren, of nog steeds niet kunnen.
Annemie: - '...hij maakt daar niet echt een probleem van dat hij dat moet doen, maar ik vind dat wel vervelend. Omdat ik zo toch wel iets heb van dat is voor de vrouw. Alle, ge moet wel een stuk samen ... als je met twee fulltime werkt, dan verdeel je dat gewoon, maar ik vind dat vooral vervelend dat hij dat op zijn vrije dag moet doen, soms als het grote kuis is dan komt ons moeder wel een bijspringen, maar ik heb dat ook niet graag, ik probeer dat echt te beperken tot 1 of twee keer per jaar. Of echt grote dingen, dat ze dat overneemt, maar liever niet.'-
Linda: - '...ik heb veel praktische trucs eh, bijvoorbeeld, ik zal nooit strijken, ik doe alles in de droogkas. Ik wil het gewoon zelf doen, ik kan het niet aan om geholpen te worden. Ik heb ook familiehulp gehad, en dat was ook heel moeilijk, maar toen moest het omdat ik te ziek was. Mijn zus ook, en dat is familie, maar het is niet gemakkelijk. Want mijn zus vraagt dat veel of ze is niet moet komen helpen, en dan zeg ik neen, het is nog niet nodig, terwijl het soms wel nodig is. Ik ben veel te koppig om te vragen. Aan haar zou ik het nu wel durven vragen, maar aan andere mensen,.. Er zijn andere mensen die het hebben voorgesteld, maar neen, ik kan dat niet,... Het is soms zodanig wanordelijk dat ik mij dood zou schamen. Dat is ook een van de redenen, dat het zo ver gevorderd dat alleen nog iemand van de eigen familie eraan mag komen.
De eerste reactie van de meeste respondenten na de diagnosestelling, was dat ze intensief begonnen zoeken naar meer informatie in verband met het chronisch vermoeidheidssyndroom. Dit heeft uiteraard te maken met het feit dat artsen in Belgie niet zijn opgeleid om CVS-patienten te begeleiden, waardoor de patient vaak zeer slecht op de hoogte wordt gebracht van de aard van het syndroom. Het zoeken naar informatie verhoogt bovendien de mate van perceptie van handelingsdoeltreffendheid bij de patient. Door te zoeken naar informatie, blijft de patient geloven in genezing, en ontkent hij zo als het ware de chronische aard van CVS. Hij heeft het gevoel dat hij iets onderneemt tegen de ziekte, wil genezen, zich ertegen verzet, en zich dus niet zomaar overgeeft of laten kennen. Op die manier probeert hij tegemoet te komen aan de sociale verwachtingen ten opzichte van zieken. (Ray e.a., 1993:387)
Lies: - 'Ik heb al vanalles geprobeerd, en ik zoek nog, maar ik geloof er ook in dat dat de enige manier is om toch beter te worden. Blijven proberen en niet opgeven, want de meeste mensen die echt ziek blijven die ik ken, zijn mensen die hebben opgegeven, die niet meer zoeken naar nieuwe therapieen. 't Is misschien iets waar ik me aan vasthoudt, maar ik kan niet zeggen van ja, 't is nu dat en er is niets aan te doen. Ook omdat ik een aantal verhalen ken van mensen die toch sterk verbeterd zijn.'-
Zich informeren over het chronisch vermoeidheidssyndroom kan ook een nefaste uitwerking hebben. Gelatenheid en ontgoocheling kunnen de overhand nemen omwille van de vaststelling dat concrete antwoorden ontbreken, of omwille van het ervaren van complexiteit, tegenstrijdigheden, en duisternis in de gevonden informatie.
Annemie: - '...voor de rest koop ik wel boeken en dingen, maar ik heb de indruk dat iedereen zo wel zijn eigen visie en diagnose heeft, en hoe meer ik erover lees hoe meer verschillende visies je ziet, en hoe minder je door de bomen het bos ziet, en de ene zegt dat die therapie goed is, de andere zegt iets anders, en ik probeer zo zelf een beetje een weg daarin te vinden., Ik heb een periode heel veel gelezen, maar ik ben daarmee gestopt omdat ik zo iets heb van ge wordt daar niet... alle, dat wordt meer complex in plaats van dat dat meer duidelijk wordt. Alle, in het begint is dat wel interessant omdat je je herkent in patronen en beschrijvingen enzo, maar naar behandelingen toe is dat ja, heel omstreden en heel, ja...'-
3.1.4.4 Ontgoocheling, Woede en ontreddering --------------------------------------------
Wanneer een zoektocht geen resultaten oplevert, zal men hiermee op een gegeven moment ophouden. De patient is ontgoocheld in de geneeskunde, omdat de instantie waar hij op rekende om beter te worden, niet aan zijn verwachtingen en vragen kan tegemoet komen. Naast de onbekendheid van het syndroom, is haar onvoorspelbaarheid een tweede probleem dat tot ontgoocheling en woede kan leiden. Omdat het ziekteverloop dat CVS kenmerkt zo onvoorspelbaar is, zal de patient betere periodes doormaken. Het probleem is dat deze goede periodes de patient in het begin als het ware in de val lokken. Ze wekken de hoop dat de ziekte 'net zoals ze plots gekomen is, ook weer plots zal verdwijnen' (Alex). Bovendien zal de patient in een goede periode te veel willen ondernemen om de opgelopen achterstand in te halen. Dit lokt niet alleen een fysieke terugslag uit, maar versterkt ook het onbegrip in zijn sociale omgeving.
Krista: - 'Ik denk dat het ergste de onvoorspelbaarheid is. Bijvoorbeeld zaterdagavond zijn wij naar een feest gegaan, en ik was vrij goed. Ik had me echt geweldig geamuseerd. Op een bepaald moment ben ik dan gaan dansen. En eergisteren zei mijn schoonbroer, waarde gij zo zat te zaterdag? Zat, zei ik? Ah ja zei hij, zo heb ik u nog nooit gezien. Wat hadde gij, alle, gij waart zo uitbundig... Alle, het probleem is dat mensen verwachten dat je ziek bent en dat je je daar ook zo naar gedraagt, maar er zijn dus dagen dat ik in form ben, en dat ik hier de ramen sta te schilderen en de volgende dag lig ik hier in bed. En mijn schoonouders waren er zaterdag ook, en die mensen gaan dat niet begrijpen, maar ik begrijp dat zelf ook niet. Dat ik de ene moment de grote kuis aan het doen ben, en dat ik de andere moment niet kan ademen. En dat geeft constant agressie, zo van hey! Het ander punt, wat dat je zelf aanhaalt hangt daar heel sterk mee samen. Je kan dat ook niet uitleggen, zo van ja, ik heb nu plots energie, en seffens niet meer, en ik wil nu van die energie genieten, en laat mij daar dan ook van genieten.'-
Mensen krijgen hierdoor het idee dat CVS-patienten 'als het goed weer is wel in hun tuin kunnen werken' en 'wel kledij kunnen gaan kopen, maar de kleren van hun kinderen niet gestreken krijgen'. Patienten redeneren dat 'die ene dag dat ze zich eens beter voelen, zij toch ook recht hebben op ontspanning en genot?' Het resultaat is dat de patient afkeuring, stigmatisatie en verwijten naar zijn hoofd krijgt geslingerd, waardoor deze zich onbegrepen en kwaad voelt. Ook ontreddering en hulpeloosheid zijn veelvoorkomend gevoelens. Door met onbegrip geconfronteerd te worden is de patient immers nog minder geneigd hulp te vragen, met alle gevolgen vandien. Op die manier raakt men immers sociaal geisoleerd, waardoor een gevoel van hulpeloosheid kan worden ervaren in bepaalde situaties.
Bart: - '... ik ben niet echt goed opgevangen geweest. Veel wetenschappelijke praat, alle, ik versta dat wel, ik ben wel mondig, maar ze gaven zo geen richting. Het was zo van de diagnose is nu gesteld,... op dat moment waren er ook nog geen referentiecentra, je moest het allemaal zo een beetje zelf uitzoeken. Ik kwam voor alles alleen te staan. Familie, ja, maar die wonen in West-Vlaanderen, dus ik moest alles zelf beredderen, dus beslissen welke therapie ik ging doen, maar er was helemaal geen klaarheid. En de administratie, ja, ik ben een wetenschapper, ik heb geen boodschap aan allerlei sociale wetgevingen en bureaucratie, ik was daarvoor gebuisd op school, dus ja, om maar te zeggen, dat interesseert mij allemaal gene bal. Maar nu moest ik het wel zelf doen, en dat was extra vermoeiend en stresserend. (...) De opluchting sloeg vrij snel over in ontreddering. Ik denk dat dat het wel goed omschrijft. Want de zomer kwam eraan. Ik had nog altijd mijn muziek. Ik organiseerde bijvoorbeeld tours voor groepen tijdens de zomer, en dat kwam eraan, en alles kwam op mijn hoofd, ik kon dat niet meer aan. En toen dacht ik wel van hoe gaat dat hier ooit nog goed komen?'-
De gevoelens van woede, ontgoocheling en ontreddering zijn trouwens niet enkel een gevolg van het gebrek aan sociale en maatschappelijke steun. Ze zijn ook herkenbaar voor mensen die ziek worden in een begripvolle omgeving. Ontgoocheling is dikwijls het gevolg van het opnieuw verschijnen van schijnbaar verdwenen symptomen of de plotse aanvang van een nieuwe slechte periode. Deze ontgoocheling kan ook worden ervaren als een ontgoocheling in zich zelf, wanneer men beseft dat een bepaalde, normale activiteit niet meer lukt. Wanneer het einde niet in zicht lijkt, zal ontgoocheling omslaan in woede, een gevoel van onrechtvaardigheid, en een nog sterkere vechtlust. Hierdoor worden het energieverlies, en de ontgoocheling alleen maar groter, waardoor de patient in een negatieve vicieuze cirkel terecht dreigt te komen.
Hendrik: - 'Gedurende al die jaren, soms al wat heviger dan anders, heb ik eigenlijk niet anders gedaan dan vechten, ... Enerzijds om iets te kunnen doen aan die ziekte en aan alle gevolgen die daaruit voortkomen op sociaal, economisch en relationeel vlak. Natuurlijk men kan niet tegen windmolens blijven vechten, op de duur geeft men dat een beetje op, maar er is nog altijd een zekere revolte tegen wat mij is overkomen. En ik kan niet berusten in het feit, stel dat u verlamd zou zijn in uw benen, daar is een soort rouwproces, en na een zeker moment kan men dat aanvaarden, enfin, er mee leren leven. Hier is dat moeilijker omdat het een ziekte is die in cyclussen verloopt. De ene moment denk je, nu gaat het eigenlijk wel goed, maar de andere moment lig je in bed, en kan je niets meer doen. En je kan dus ook niets concreets plannen naar de toekomst toe, het gaat op en af.'-
Ontgoocheling kan bovendien omslaan in ontreddering en woede wanneer de identiteit opnieuw serieus wordt aangetast, en alles nog maar eens in vraag wordt gesteld. Omdat uiteindelijk de woede een resultaat is van de vele vragen waarmee de patient worstelt, en waarop de artsen het antwoord schuldig blijven, verplaatst de woede die de patient ervaart, zich van het zelf naar anderen. Hieronder kunnen de maatschappij, de artsen, de echtgenoot, de familie, de kerk... worden verstaan. Bij gebrek aan medische verklaringen, gaat de patient zelf zoeken naar de oorzaken van zijn vermoeidheid.
May: - 'De kwaadheid van waarom is mijn lichaam opgebruikt? En de schuld ligt bij anderen die hun verantwoordelijkheid niet namen. Later, en daarom geeft ik het nu toe, heb ik ingezien dat het anders kon. Van waarom moesten zonodig mijn ramen om de 14 dagen gepoetst zijn, dat deed ik mezelf aan. 1 keer per maand was misschien ook al goed geweest. Het had iets minder gekund. Maar anderzijds was het aan de partner, had die samengeleefd met mij, zoals mijn jongens het met hun partners doen, dan was ik niet zo kapot geweest. Maar dat is het patroon van vroeger. Onze jongens mochten leren haken, breien, naaien,... en dan bedoel ik, zij moesten hun knopen zelf eraan zetten, en dat kwam allemaal goed van pas. Tot verbazing van de ouders, want dat was toch niet voor jongens,... 'wat gaat gij toch maken van die jongens!' Volwassen venten zei ik dan, dat ze met hun partner meekunnen, want er zijn andere tijden.. en al goed maar.-
Doordat de schuld bij anderen wordt gelegd, is het gebrek aan antwoorden niet alleen een voedingsbodem voor interne conflicten bij de patient, maar zorgt het ook voor conflicten tussen de patient en zijn omgeving.
May: - '...zoeken bij mezelf. Kwaad zijn, heel kwaad. Maar de leegte was er, zo leeg. Conflicten.. die zijn er geweest. Maar ik hield voet bij stuk. Blijven zoeken. Want ik wou verder en het was alles of niks. Ik wou geen pillen, maar ik moest eruit. En dan kwam de oudste zoon wel eens de auto halen, want die stond hier quasi ongebruikt, en meer en meer kwamen ze die auto halen, en op een moment kon ik dat niet meer hebben. En toen begreep ik ook de slogan, mijn auto is mijn vrijheid... En mijn man wou die van de hand doen. Ik zeg, die gaat hier niet buiten, ik die altijd zo op de centen lette, die auto bleef hier. Want ik wou en zou terug gaan werken. En zo focuste ik me op de verlenging van dat ziekteverlof, tegen dan moest ik het halen. Ik haalde het dus nooit. Dan hebben ze me gezegd, daar moet je mee ophouden. Ik zat daar maar te jagen,.. Ik moest dat aanvaarden, maar ik wou dat niet aanvaarden. Ik zei dat ook, ik aanvaardt dat niet. Ja, dan stap je erin, en ik reed gewoon ergens naartoe, niet doelbewust, gewoon weg.'-
3.1.4.5 Stilte na de storm: isolatie, zelf-absorptie en CVS als master-status ----------------------------------------------------------
May: - 'Ik heb maanden getierd... Nu is er niet meer die agressie, want op een moment heb ik gezegd, alles is al ruim drie keer gezegd, nu moet het maar stoppen. En dan is het heel stil geworden. Maar ik ben heel kwaad geweest...'-
Uit de getuigenis van May blijkt dat wanneer er wordt ingezien dat de woede en het verzet nergens naar leiden, er een soort gelatenheid ontstaat, en de behoefte groeit om alleen te worden gelaten.
Anne-Marie: - 'Ja, ze hebben dat kamertje hier gemaakt tegen dat ik uit de psychiatrie kwam, dus na die zes weken. En dan heb ik hier maanden doorgebracht, van hier naar beneden en van beneden terug naar hier. En alleen maar genaaid. Ik was op dat moment ook niet in staat om sociaal contact te verdragen, ik begon al te wenen als mensen binnenkwamen.'-
Positief gezien kan deze fase worden beschouwd als een vorm van 'bezinning'. De patient trekt zich terug om voor zichzelf uit te maken waar hij staat, wat er is gebeurd, en wat er nog zal volgen. Een hier veel gebruikte handeling is het bewust op afstand houden van andere mensen. De patient lijkt zichzelf op dit moment te willen isoleren van de 'gezonde buitenwereld', waar hij niet meer toe behoort.
Linda: - 'Ik heb een paar vriendinnen die ook wat op de sukkel zijn. Contacten met normale mensen zijn niet mogelijk, want het minste dat ze zeggen voel je aan als ja, kritiek. Normale gezonde mensen, meestal ben ik daar niet meer mee bevriend, omdat ze ook de hele tijd praten over vooruitgang, in hun huis, in hun partner, hun kinderen, alles bloeit, gaat vooruit. En bij ons gaat het achteruit. Met normale mensen heb ik geen contact, dan kom ik in de put. Om mezelf te beschermen heb ik contacten moeten stoppen.'-
Veerle: - '...ik heb een stuk een depressie doorgemaakt, en dan heb ik een stuk geen contact gezocht. Als zij mij belden dan was ik heel blij, maar ik ging hen niet bellen. Een stuk fataliteit, van ik kan daar niet tegen op. (...) Ik denk dat ik eerst kopje onder moest gaan voor ik weer naar boven kon komen.'-
May: - 'Aan de telefoon kon ik nog mensen te woord staan, zolang als mijn hoofd dat toeliet, maar ik ging op geen enkele uitnodiging in en ik wist nooit hoe ik er drie uur nadien voor zou staan. En dan had ik niet de kracht om mij bijvoorbeeld om te kleden, ik had ook niet de kracht om te gaan winkelen, dus ik schoof alles weg. Er werden geen mensen uitgenodigd... Als ik dan eens op een uitnodiging inging, ik kon de mensen niet terug uitnodigen. Ik die altijd zo dineetjes gekookt had, en mensen over de vloer had gehad, ik kon dat niet meer. Ja, en dan valt het sociale leven voor een stuk terug eh.'-
De isolatie die het gevolg is van het bewust op afstand houden van mensen, kan gestimuleerd worden door middel van het gebrek aan sociale ondersteuning en begrip in de nabije omgeving, en hierdoor een langdurig karakter aannemen.
Marlies: - '...maar met andere mensen (=gezonde mensen), dan kom je buiten, en dan zeggen ze, je ziet er goed uit en dan denk je ja... je gaat er niet meer veel van zeggen, omdat ze het toch niet zullen verstaan. Familie ook niet, want zij zijn nog veel erger. Soms wil je wel een keer dat ze weten hoe moeilijk je het hebt. Want je moet hulp vragen, maar als je tien keer het deksel op je neus hebt gehad, dat ze zeggen van je kunt dat wel zelf, dan vraag je het niet meer eh. Het enige wat wel zwaar kan zijn is de eenzaamheid...met kerstmis heb ik hier drie weken gelegen, en dan heb je zoiets van ohh...'-
Deze fase positief noemen lijkt na het lezen van enkele getuigenissen niet gepast. Toch is dit dieptepunt dat de patienten ervaren functioneel voor de verdere identiteitsbeleving. Het is een moment waarop de patient zo radicaal met zichzelf wordt geconfronteerd, dat er bepaalde noodzakelijke inzichten ontstaan. Belangrijk is echter dat deze periode niet blijft aanslepen, en dat de patient, wanneer hij er klaar voor is, over sociale steun kan beschikken om uit het gat te geraken. De fase van abnormaliteit is, zoals Kralik stelt, een zeer energieverbruikende periode, waarin actieve pogingen om de ziekte te overwinnen doorgaans mislukken, waarin rolverlies wordt ervaren, en waarin de aantasting van de identiteit zich enkel lijkt verder te zetten. Wanneer alles is onderuit gehaald, maakt een gevoel van diepe leegte zich meester van de patient. De ervaring van leegte kan volgens Ebaugh best worden omschreven als een periode waarin gevoelens van angst, eenzaamheid, waardeloosheid, fatalisme en toekomstige onzekerheid overheersen. (Ebaugh, 1988)
Kristof: - 'Toen de diagnose was gesteld, was ik eigenlijk vooral geconcentreerd op genezen... Het eerste was wel opluchting, en die cognitieve gedragstherapie, dat zag ik wel zitten. Ik ging er wel bovenop komen. 't Is pas nadien, nadat ik mij erin gaan verdiepen ben in die discussies enzo dat de opluchting verdween. (...) 't Is eigenlijk pas toen er niet direct een uitzicht op genezing meer was dat die leegte kwam... (...) Wanhoop. Totaal niet weten of het ooit zou beteren.'-
Patienten gaan zich in deze fase niet enkel fysisch terugtrekken, maar ook de communicatie met anderen valt stil. Net zoals in het onderzoek van Herbette (Herbette, 2002:51), ervoer ik bij het afnemen van de interviews een sterke bereidwilligheid bij de meeste respondenten om een vertrouwelijk gesprek te voeren. Waar de respondenten bij de aanvang van het interview meestal iets terughoudender waren, leek de behoefte om hun verhaal te vertellen naarmate het interview vorderde toe te nemen. Dit staat in fel contrast met de algemene opvatting bij de respondenten dat praten volgens hen weinig zin heeft, aangezien de omgeving hun verhaal al zoveel keer heeft gehoord, en het nog steeds niet blijkt te begrijpen.
Krista: - 'Ik zaag daar heel weinig over, ik vertel nu wel veel tegen u, maar als mensen vragen hoe het gaat, dan zeg ik, ja, het gaat wel moeilijk maar goed, we zijn er...Ik probeer altijd ergens positief te blijven. Ook als ik me helemaal niet positief voel probeer ik andere mensen er niet mee te belasten, ook omdat ik voel dat ze het niet echt begrijpen.'-
Ook al hebben sommige respondenten de ziekte vrij goed geintegreerd in een nieuwe identiteit, zwijgen blijkt 1 van de meest gehanteerde coping-strategieen te zijn doorheen het ganse ziekteverloop. Hieruit kan worden afgeleid dat CVS-patienten de impact van hun ziekte doorgaans op zichzelf verwerken.
Linda: - 'Ik praat er niet meer over. Ten eerste omdat ik er niet wil over praten, en ten tweede omdat ze toch niet luisteren.'-
Naast het bewust op afstand houden van mensen en naast zwijgzaamheid, kan ook zelfabsorptie als coping-strategie, binnen deze ziektefase worden geplaatst. Volgens Kralik domineert zelf-absorptie of zelf-gerichtheid in deze fase het levensperspectief van de patient. Hij richt zijn aandacht bijna uitsluitend op de ziekte en op zichzelf. Hoewel hier vroeg of laat van af moet worden gestapt, gaat men er van uit dat deze zelfgerichtheid noodzakelijk is, om de overgang naar normalisatie mogelijk te maken. (Kralik, 2002:146)
May: - 'Ik was zo met mezelf bezig, ik denk dat dat ook een grote oorzaak was. Wat is er met mij aan de hand? Dat je altijd afdwaalt in de geest. Toen ik dat ook wel na een tijd doorhad, heb ik al die zware lectuur weggegooid, en greep ik terug naar de psychologische en geschiedkundige literatuur. En dan kon ik mij verdiepen. Dat was eigenlijk een eerste kentering in de geest. Mij terug beter kunnen concentreren op wat mij echt boeide. Dan was ik eens niet met mezelf en met dat hele ziektebeeld bezig.'-
Het feit dat bepaalde coping-strategieen niet uitsluitend verbonden zijn aan bepaalde ziektefasen, wordt in volgende getuigenis bevestigd, doordat de respondent in kwestie spreekt over de ervaring van zelf-absorptie in de periode voor de diagnose werd gesteld.
Dirk: - 'Vroeger die baas hier in Wetteren ik kende die eh, en hij moest op het laatste al ne keer meer zeggen tegen mij van dat moet er nog gebeuren en dat. En vroeger moest hij niets zeggen. Integendeel, ik was hem altijd voor, als er bezoek kwam, dan wist ik dat al. En ge wordt onverschillig eh.... Ik had ook geen interesse niet meer eh, door de ziekte. Ge zijt constant met uzelf bezig eh, altijd maar denken van ligt dat bij mij, of bij mijn voeding....
Hier moet echter de opmerking worden gemaakt dat voor de patient met CVS, het bestaan van de ziekte niet samen hangt met het moment waarop de diagnose wordt gesteld. Het moment van de diagnose wordt hier vooraan in het proces van ziektebeleving geplaatst. De verschillende ziektefasen hangen echter niet noodzakelijk vast aan de diagnose.
De ervaring van zelf-gerichtheid is noodzakelijk om tot de overgang te komen van de ervaring van abnormaliteit naar normalisering. Er komt immers een moment waarop men in staat is verder te gaan, en het leven weer in handen te nemen. Dit transitieproces van abnormaliteit naar normaliteit, gaat over het omkeren van de buitenaardsheid van de ziekte in een vertrouwd deel van het leven. Door middel van persoonlijke inspanning en reflectie over de eigen ziektebeleving die in deze fase centraal staan, is de patient in staat te evolueren naar een andere stijl van coping. Het opgeven van het impression- managment, en het doorprikken van de stilte maken een overgang naar normalisering mogelijk. (Kralik, 2002) De volgende getuigenis toont aan op welke manier coping-strategieen kunnen evolueren doorheen het proces van ziektebeleving.
Hendrik: - 'Mijn eerste reactie was om daar zo weinig mogelijk over te zeggen, zelfs tegenover mijn eigen familie. Mijn echtgenote wist wel dat er iets mankeerde, maar zelfs met haar specifiek over CVS spreken, heb ik praktisch nooit gedaan. Lange tijd heb ik naast mijn naasten, mijn kinderen en mijn vrouw, en mijn twee zusters, nooit laten blijken dat ik de ziekte had. Dat is lange tijd zo geweest, ik zou zeggen tot ik definitief gestopt ben met werken. Ik ben eind 96 gestopt. En dan heb ik dat nog een klein jaar ofzo volgehouden, en dan heb ik een ander standpunt ingenomen. Ik heb gezegd, ik heb mezelf niets te verwijten, ik kan er niet aan doen dat ik de ziekte heb, ik heb genoeg gevochten, dat vechten heeft me zelfs veel gekost, zowel op financieel vlak als op vlak van mijn gezondheid. Ik hoef me voor niets te schamen. Ik ga nu nog niet te koop gaan lopen met mijn CVS, maar ik kom er wel voor uit.'-
3.2. Normalisering ------------------
Op een gegeven moment komt de patient zodanig in een zwarte periode terecht, dat hij radicaal met zichzelf wordt geconfronteerd.
May: - ' Twee jaar voor het gezwel had mijn huisarts al geopperd in de richting van CVS. Dat was voor mij... ik heb een hele bekwame huisarts, een pracht van een mens,... maar ik geloofde het niet, bleef altijd maar doordoen. Maar dan lag ik daar, en dan is er heel fundamenteel met mij iets veranderd. Heel mijn leven werd in vraag gesteld, langs alle kanten was ik op.'-
Men beseft dat het zo niet verder kan, dat het lichaam niet in staat is normaal te functioneren, en dat men in plaats van de ziekte te negeren of zich ertegen te verzetten, ze zal moeten erkennen, en er als het ware mee zal moeten samenwerken.
Veerle: - 'Ik zie dat niet als strijd, dat is een leerproces, dat je gewoon met je neus ervoor wordt gezet, je moet er iets mee doen. Zeggen ik wil er niet naar kijken gaat niet, het ligt op je bord, je moet er iets mee doen. Want ik stond compleet met mijn rug tegen de muur. En dat is het laatste jaar dat ik daarmee bezig ben dat heel veel dingen gebeuren op het niveau van de ziel.'-
Na de vele ontgoochelingen beseft men dat men zonder de hulp van anderen niet uit de negatieve spiraal zal geraken. Bovendien is men het alleen vechten moe, waardoor het besef dat uit de isolatie moet worden getreden toeneemt. Gepaard met dit inzicht geeft de patient toe dat er ook mentaal iets gebroken is, waarop men dikwijls ofwel zelf besluit ook psychologische hulp te zoeken, ofwel dit op aanraden van anderen doet.
Linda: - 'Vroeger zat ik altijd moeilijke boeken te lezen om te weten hoe je dingen zelf kon oplossen, dus zelf dokter spelen. Maar ik had daar geen zin meer in... En dat ik ook zei, hoe komt dat nu toch, ik wil niet meer bijleren.... En dat vond ik ook zeer erg, ik heb altijd heel mijn leven willen bijleren, en de laatste jaren wilde ik dat niet meer. Maar volgens mij was dat ook een gevolg van altijd maar forceren, forceren,... Dus je put je constant uit tot je niet meer kunt, en dan moet je je nog uitputten, want je gezin moet voort, en dan zit je onder de grond. In mezelf zeg ik vaak, met iedere stap dat ik zet, duw ik mijn moed nog dieper weg. Die moed zat niet in mijn schoenen, maar eronder, en met iedere stap dat ik zet zonk die nog dieper. En ik wist dus echt niet meer hoe ik het moest oplossen. En die psycholoog was dan een dame, en daar was ik ook heel tevreden over, ik zou nog gaan als het nodig is.'-
May: - '...je telde niet meer mee. En ik wil terug meetellen. En ik ga nu 1 keer per maand bij een psychologe, omdat men mij dat heeft opgedragen. Die eerste keer dacht ik van alle, ik zal er dan maar heen gaan, maar ik geloof daar allemaal niet in eh,... En dat was de eerste drie keer een ramp. Zo van, nu moet ik daar persoonlijk gaan worden, en dat deed ik niet. Ik luisterde heel mijn leven naar iedereens verhaal, maar het mijne, dat loste ik wel zelf op. En euh, ja nu moest ik dan gaan praten. Maar, ik heb Leuven, of anderen, moeten gelijk geven, het heeft wel nut gehad. Want je kan niet alles alleen. Dat is nog iets dat ik heb moeten toegeven. En af en toe iets vragen is ook geen schande.'-
Geleidelijk aan groeit het besef bij de patient dat omgaan met de ziekte ook op een andere manier kan dan de, tot dan toe gebruikte, coping- strategieen uit de fase van de abnormaliteit. (ontkenning, zwijgen, verzet, geforceerde beweging,...) Wil de patient zijn leven verder zetten, dan zal hij een andere weg moeten inslaan. Dit lijkt misschien cru gezegd, maar de respondenten werden inderdaad voor deze keuze gezet: 'Ofwel ga ik verder met mijn leven, maar dan zal het op een andere manier moeten zijn, ofwel stap ik eruit.
Marlies: - 'Ik ken daar iemand, en die gaat haar leven stoppen. Ik vind het heel moeilijk. Maar moest ik die levenskwaliteit hebben zou ik ook zeggen.... Zij heeft euthanasie aangevraagd. Maar gisteren zei ze dat als ze het weigeren dat ze het toch zelf zal doen. Want zij heeft recht op gezinshulp, elke dag, maar ze komen niet. En dat is frustrerend. Met die levenskwaliteit is zij volledig afhankelijk. Ik versta haar frustratie. Ze hebben personeel te kort, en zij schiet er over.-
Natuurlijk is deze beslissing om uit het leven te stappen sterk afhankelijk van de fysische toestand waarin de patient zich bevindt, van de mate van sociale isolatie, kortom, van zijn daarmee samenhangende levenskwaliteit. Het feit dat sommige patienten tot dit besluit komen, wijst op de ernst van de wanhoop ten gevolge van de fysische invaliditeit en van het gebrek aan sociale ondersteuning. In de meeste literatuur wordt CVS beschouwd als een chronische ziekte die niet dodelijk is, maar daarop reageert een respondent als volgt:
Hendrik: - 'In Amerika stelde men onlangs de vraag of CVS een dodelijke ziekte is, en dat is inderdaad zo. Als je kijkt naar de Amerikaanse officiele statistieken, dan pleegt 15% van de officieel geregistreerde CVS-patienten vroeg of laat zelfmoord. Nu, als er 15% dood gaat, en dat is dan een minimum (niet alle mensen die chronisch vermoeid zijn zitten in de statistieken), dan is dat een dodelijke ziekte eh. Voor Prof. X is het in feite een conditionering van de CVS-patienten, je hebt jezelf eigenlijk zo gemaakt, omdat je niets meer doet. Daar gaat hij iets aan doen, je moet dan zes weken binnen in zijn centrum, en dan doet hij je om zeven uur opstaan enzo. Sommige patienten worden door de controlearts verplicht naar zijn referentiecentrum gestuurd, en dan zijn ze daar drie dagen, en dan moeten ze met een ziekenwagen van Pellenberg worden afgehaald, want die zijn volledig kapot.'-
Weliswaar verloopt het niet bij elke CVS-patient zo dramatisch. De meeste respondenten kunnen tot een toestand van normalisering komen, maar enkel nadat ze de ziekte in haar echtheid hebben erkend. Hiervoor zijn ze meestal door een diep dal moeten gaan, waarin ze geconfronteerd werden met een zeker keerpunt en nieuwe inzichten.
3.2.1 Confrontatie met de werkelijkheid en erkenning van de ziekte -------------------------------------------------------------------
Laten we even teruggrijpen naar de betekenis van een keerpunt, met betrekking tot identiteitsbeleving. Zoals we eerder aanhaalden omschrijft Ebaugh, op basis van haar onderzoek bij mensen die een rol verlaten, vier identiteitsfasen. De eerste fase, waarin twijfels worden ervaren bij het engagement dat men wil, of kan leveren bij het uitoefenen van zijn rol, valt enigszins samen met de hier eerder aangehaalde 'bezinningsperiode'. Deze fase is noodzakelijk om tot een herinterpretatie te kunnen komen van situaties die vroeger vanzelfsprekend leken. Men realiseert zich dat de dingen niet zijn zoals ze lijken, en er worden nieuwe betekenissen gegeven. Deze fase is een geleidelijk proces. Het individu ervaart in eerste instantie een algemene ontevredenheid, en is pas later in staat specifiek te formuleren wat er fout loopt. Het proces vangt aan voor men er zich van bewust is, en kan jaren duren. Twijfels bij roluitoefening kunnen ontstaan doordat men ervaart dat men niet meer past in de organisatorische, sociale context waarin men leeft. Wanneer men zich bewust wordt van deze twijfels, volgt een periode waarin men op zoek gaat naar manieren om de dissatisfactie weg te nemen. Dit kan zoals eerder werd aangehaald, leiden tot het negeren van de twijfels, het vertonen van een sterker engagement in de normale bezigheden, het uit de weg ruimen van hindernissen, en het evalueren van andere rollen. Na deze periode van twijfels en afweging van verschillende alternatieven, komt het individu tot een punt in het proces van rolverandering, waarop hij een duidelijke en definitieve beslissing neemt om uit zijn oude rollenpatroon te stappen. Deze beslissing hangt meestal samen met een bepaald keerpunt in het leven van het individu. Een keerpunt is een gebeurtenis waardoor men zich bewust wordt van het feit dat oude handelingspatronen gefaald hebben, onderbroken zijn geworden, of niet langer persoonlijke voldoening geven. Deze bewustwording zorgt ervoor dat het individu beslist zijn leven een andere wending te geven. Meestal gaat dergelijke beslissing gepaard met een vorm van uiterlijke expressie. Het nemen van ontslag of het in gang zetten van een scheidingsprocedure zijn hiervan enkele voorbeelden. (Ebaugh, 1988)
Hendrik: - 'Op een gegeven moment maak je voor jezelf uit dat het zo niet verder kan. Dat je je oude leven gewoon niet kan verder zetten omdat je gezondheid het niet toelaat. Anderzijds kan je niet zeggen wat je hebt, je hebt niets concreet, dus kan je ook niet zeggen wat je hebt, dat zal de buitenwereld niet begrijpen. Je wilt ook niet uitgemaakt worden als een luiaard. En toch zeg je, je moet hier een knoop doorhakken, want zo kan het niet verder. Want door gewoon verder te doen als normaal stort je op een gegeven moment letterlijk in elkaar. Ik heb het zelf ook meegemaakt. Dan lig je weer thuis in je bed voor zes weken, en dan denk je, ik ga toch proberen terug te gaan werken, enzoverder. Het is dus een proces. (...) Als de ziekte zodanig invaliderend evolueert, moet je tot de beslissing komen: agalev. Anders gaan leven, en pas op, de inhoud ervan kan zeer groot zijn, want het betekent dat je niet meer kan gaan werken, en dan heb je minder inkomsten enzovoort. Ik weet trouwens niet of als je de burgerlijke stand van CVS-patienten bekijkt, ik ken niemand die nog gehuwd is met zijn eerste partner.'-
Na de periode van woede, sociale terugtrekking en zwijgzaamheid, moet de patient zichzelf leren aanvaarden zoals hij is. De grote emoties van verdriet, angst, onrechtvaardigheid worden enigszins genormaliseerd. Nadat deze emotionele storm is getrotseerd, moet hij opnieuw in contact leren komen met zijn eigen gevoelens, wensen en veranderde zelf. Voordat er echter sprake kan zijn van de opbouw van een nieuwe identiteit, die de ziekte integreert, zal eerst de chronische aard ervan moeten worden erkend door de patient. (Herbette, 2002:57)
Mischa: - '...dan heb ik veel veel geweend, misschien voor heel mijn leven, ik heb nog nooit zo geweend. Maar dat is nu gedaan dat wenen, en ook met bepaalde dingen, daar vecht ik niet meer tegen. Gelijk nu mijn relatie, ik heb me daar bij neergelegd, ik bekijk dat nu op een andere manier. Daar stop ik geen energie meer in, ik stop alleen nog maar energie in de dingen waar ik me beter door voel. Ik moet het meepakken in mijn leven, en zolang men er geen oplossing voor heeft, moet ik het aanvaarden als deel van mijn leven. Pasop het gaat niet alle dagen even goed, zo vaak vloek je op dat stomme lijf dat niet mee wil, want je zou dat willen doen, en dat...'-
Evolutie naar de fase van normaliteit en opbouw van het zelfbeeld houdt ook in dat men duidelijke grenzen gaat afbakenen naar anderen toe. De patient doet dit als het ware om de opbouw van dit nieuwe zelfbeeld van in het begin te beschermen tegen het eerder ervaren onbegrip. Hij kiest in deze periode duidelijk voor zichzelf, en houdt afstand van de mensen waardoor hij in het verleden werd gekwetst. (Herbette, 2002:57)
Marlies: - 'Met de feestdagen is het lastig, maar ik moet zeggen, door het jaar, neem ik daar afstand van. Begrijpen ze me niet, ja, ik moet verder met mijn leven. Wil ik ongelukkig blijven, dan moet ik contact houden met hen, dan moet ik hen dingen blijven vertellen. (...) Ze begrijpen het niet. En in het begin ga je daar wel tegenin, maar nu heb ik zoiets van, ze zijn buiten, en ik trek mij dat niet meer aan. En ook het onbegrip achteraf... dat is enorm. (...)'-
Krista: - ' Ik voel ook, als ik mensen zie of het energiepakkers zijn of energiegevers. Of ze enkel energie wegnemen, of dat ze ook bereid zijn energie uit te wisselen, dat is iets heel raars, ik voel dat echt fysisch aan. Wat ik nu kan is mij mentaal inkapselen. Ik kan zo een frakske aandoen, ik bouw een muur rond mij, en je gaat mij niet hebben. Bijvoorbeeld mijn schoonmoeder is zo iemand die mij, die dus vind dat het heel erg is dat haar zoon dat overkomen is, dat hij met zo een vrouw is moeten trouwen. En die wil mij voortdurend kwetsen. Ik heb mij daar leren tegen verdedigen. Ik kan binnen gaan bij die schoonmoeder en zeggen tegen mezelf, van kijk er staat een muur rond mij, en dan staat er een veld van hier tot ginder aan dat huis vol rozen en jij komt er niet door, en dat lukt. Maar soms komt mijn schoonmoeder op het onverwachtse binnen, en dan heb ik dat niet gedaan, en ik moet me dat werkelijk voorstellen, die muur, dat is een heel raar iets, maar ook heel bevrijdend. We zijn zondag naar dat feest gegaan, ik had me dus verschrikkelijk ingekapseld, en ik had me er geweldig geamuseerd. Mijn schoonmoeder heeft me daar verschrikkelijk zitten nijpen, maar ik kon gewoon antwoorden en ermee lachen. Wat ik naar instanties toe, heb ik ook een veel grotere zelfwaarde ontwikkeld. Naar dokters toe, of naar het Riziv, ik zeg maar bijvoorbeeld, ik moet naar een openbare dienst voor een paspoort, en ik word daar onvriendelijk behandeld, dan zal ik nu zeggen, mevrouw, ik denk niet dat ik het verdien om zo behandeld te worden.. Dat is iets wat ik vroeger niet kon, dat heb ik door mijn ziek zijn gekregen.'-
Eens de patient de ziekte cognitief en emotioneel heeft erkend, en inziet dat hij geen andere keuze heeft dan zijn leven te herorganiseren, zal hij om met zijn ziekte om te gaan, meer gebruik gaan maken van probleemgerichte copingstrategieen.
3.2.2 Aanpassing -----------------
Volgens Kathy Charmaz is aanpassing uiteindelijk de belangrijkste strategie die chronische patienten aanwenden bij hun zoektocht naar een waardevolle invulling van het verloren zelf. Aanpassing aan een ziek lichaam betekent dat men de spanning moet wegnemen tussen het lichaam en het zelf, die door de chronische ziekte wordt veroorzaakt. Vaak staat een soort frustratie, die voortspruit uit het verlies en het lijden dat de ziekte meebrengt, echte aanpassing in de weg. Indien de patient zich wil aanpassen aan de ziekte betekent dit, dat hij naast verlies en lijden, ook een kans moet geven aan het ervaren van integratie en verbondenheid. Er kan enkel van succesvolle adaptatie worden gesproken wanneer de patient met zijn ziekte kan leven, zonder er enkel voor te leven. Men moet de ziekte, ondanks haar bestaan, ook los leren laten. (Charmaz, 1995:662-673)
May: - 'Ik was zo met mezelf bezig, ik denk dat dat ook een grote oorzaak was. Wat is er met mij aan de hand? Dat je altijd afdwaalt in de geest. (...) Dat was eigenlijk een eerste kentering in de geest. Mij terug beter kunnen concentreren op wat mij echt boeide. Dan was ik eens niet met mezelf en met dat hele ziektebeeld bezig. Ik heb heel veel boeken gekocht. Veel gelezen, en fotografie was mijn twee hobby, en dat ben ik blijven doen. Ik had daar een hoop achterstand in, en geleidelijk kwam ik ertoe om mijn negatieven in te schrijven, vervolgens de foto's ingeplakt, maar dat is een spanne van een heel jaar.'-
Aanpassing aan een ziekte omvat drie grote fasen. Eerst en vooral geeft de patient toe dat zijn lichaam aan het veranderen is. Dit houdt in dat het bestaan van de fysische beperkingen, en daarmee ook de ziekte, wordt erkend, en dat er rekenschap wordt gegeven van de invloed van de veranderingen en van de symptomen op het dagelijkse leven. Op dit moment in het ziekteverloop vergelijken chronische patienten hun huidige lichaam met hun oude lichaam, en wegen ze de kosten en de risico's af die ze oplopen bij het uitoefenen van heel gewone handelingen. (Charmaz, 1995:662-673) Een specifieke probleemgerichte coping-strategie die hier verband mee houdt is het bijhouden van een persoonlijk 'gezondheidsplan'. Het is immers in het dagelijkse leven, volgens een proces van 'trials and errors', dat mensen over hun ziekte leren. Ze ontdekken de valkuilen van het delicate evenwicht waarin ze zich bevinden, waardoor een zekere voorspelbaarheid ontstaat, die naar een bepaalde mate van controle leidt. Deze is noodzakelijk voor het behoud van het aangepaste zelfconcept. (Kralik, 2002:146) De computer en het internet zijn hulpmiddelen voor het opstellen van dergelijk gezondheidsplan, en dragen daarom ook bij aan de verhoging van de handelingsdoeltreffendheid van de patient.
Dirk: - 'Daarvoor was die groepstherapie voor mij belangrijk. Al wat ze zeiden, ik schreef dat niet op, maar het zat er in eh, direct als ik thuis kwam, zette ik dat op computer, dat proberen en dat... Er zijn er bij eh, ik versta dat eh, er zijn er bij die de ganse dag in hun stoeltje blijven zitten en niets doen, dan hebde pijn en dat verbetert niet eh, je moet zoeken. Je mag er niet van afwijken.(...) Maar ondertussen weet ik daardoor wel hoe dat het moet eh. Want ik had zondag twee pistolets gegeten met ham, en dat was te veel eh, en dat worde gewaar, en dan denk ik wat heb ik teveel gedaan, en dan schrijf ik dat op eh. Elke dag schrijf ik alles op. Dat staat al drie of vier jaar allemaal op de computer. Wat ik gegeten heb, hoe lang ik geslapen heb, wanneer ik mijn pillekes pak, (...) Ja, de dingen die je misvallen, vallen er van tussen. Bijvoorbeeld we hebben puree met groentekrans en vis gegeten. Ik wordt dat gewaar en dan schrijf ik dat op dat ik een viske teveel heb gegeten, en dan volg ik dat op. En dat helpt. Ik neem dat ook altijd mee naar het UZ.'-
Mischa: - 'Kijk, ik sta op de springplank. Maar mijn lichaam zegt me steeds als ik wil springen, neen. Het boycot me nog steeds. Je kan zo eens niet vrij leven, opstaan en dit en dat willen doen. Ik heb het me ook aangeleerd, ik schrijf alles op wat ik die dag wil doen, en als ik dat niet kan dan doe ik iets anders ofzo. Dat is ook wel veranderd, vroeger viel ik constant in slaap, en nu vul ik een kruiswoordraadsel in als ik voel dat het niet meer gaat. Je leert ermee leven, je hebt geen keuze, je hebt maar 1 leven, dat besef ik maar al te goed. Je hebt maar 1 leven, en de vraag is hoe je daar mee om gaat...'-
Terwijl voor Charmaz deze fase van erkenning van de ziekte door de patient, een onderdeel van het aanpassingsproces is, wordt ze hier als een voorlopende fase op aanpassing beschouwd. Dit vanuit de opvatting dat eerst moet worden toegeven dat er een probleem is, voor men dat probleem ook onder handen kan nemen, of voor men zich eraan kan aanpassen. Herinneren we eraan dat deze voorgestelde volgorde geenszins absoluut is, en ook niet de bedoeling heeft absoluut te zijn.
3.2.2.1 Identiteitsdoelstellingen onder de loep -----------------------------------------------
Nadat het bestaan van de ziekte is erkend, krijgt het eigenlijke aanpassingsproces een kans. We bevinden ons hier weer op het terrein van de coping-strategieen, maar dan in de fase van normalisering. Terwijl in de fase van abnormaliteit vooral emotiegerichte strategieen werden gehanteerd, zijn de hier gebruikte strategieen eerder probleemgericht.
Bart: - '...ik heb een aantal strategieen ontwikkeld om het voor mezelf een beetje,.. dingen die ik op automatische piloot kan, je leert trucjes, zoals je vroeger op de lagere school deed, om de moeilijkste dingen te omzeilen,... Nu heb ik het gevoel dat ik de dingen iets meer onder controle heb als vroeger, maar dat is ook omdat ik zo in elkaar zit, omdat ik de dingen wil aanpakken.'-
Veerle: - 'Om in bad te gaan moest ik zo iets heel ingewikkelds uitvoeren. Dus ik ging in bad, ik waste mij en mijn haar in tien minuten, dan stond ik recht, en dat kon ik niet meer, dan dacht ik, amai, moet ik hier nu nog heel dat lichaam afdrogen? Dus ik droogde mij niet af, ik deed mijn badjas aan, onafgedroogd, ik ging naar de living, en ik had hier al allemaal handdoeken klaarliggen, en ik liet mij vallen en ik was verkocht en ik sliep. Ik moest vanalles uitvinden om euh...'-
De patient weet voor zichzelf ondertussen waar hij fysisch en mentaal staat, en is daardoor in staat zich af te vragen, wat zijn mogelijkheden nu zijn, en hoe hij dan het best zijn mogelijkheden kan optimaliseren. In plaats van tegen de ziekte proberen te vechten, leert hij er als het ware mee samenwerken. (Charmaz, 1991:46) Voordat er echter concrete handelingen kunnen worden ondernomen, is het noodzakelijk dat eerst en vooral de identiteitsdoelstellingen worden bijgeschaafd. Men moet zijn toekomstige doelstellingen en verwachtingen op een realistische wijze aanpassen aan zijn mogelijkheden. Hiervoor is de opgave van koppigheid, en het open staan voor nieuwe inzichten noodzakelijk. Men moet prioriteiten stellen, en op basis daarvan bepaalde keuzes maken. Het belangrijk dat we kijken naar de manier waarop de sociale context de keuzes hieromtrent beinvloedt. Doordat de identiteit bestaat uit de uitoefening van een aantal rollen, heeft men bepaalde verbintenissen en verantwoordelijkheden. De manier waarop een individu deze invult, heeft een sterke impact op zijn beslissingen in verband met zijn identiteit. Opdat identiteitsdoelstellingen kunnen veranderd worden, moet er rekening worden gehouden met (1) individuele definities, (2) de verwachtingen van significante anderen en (3) interacties tussen beiden. (Charmaz, 1995:662-673) Om te vermijden dat de patient de grenzen van de nieuwe, beperktere doelstellingen niet zou overschrijden is aanzienlijk veel sociale steun noodzakelijk, zowel formeel als informeel. Vooral de steun van de partner is van essentieel belang. Leeftijd, geslacht, tewerkstelling en de relationele status geven vorm aan de context waarin chronisch zieken hun identiteitsdoelstellingen veranderen. Ze zijn echter niet allesbepalend.
Identiteitsdoelstellingen kunnen verschijnen en veranderen door middel van een verandering van de subjectieve en sociale betekenissen. Gezien de materialistische aard van onze cultuur, is het bijvoorbeeld mogelijk dat men denkt dat men pas vervuld is als er voldaan is aan bepaalde materialistische criteria. Door middel van het verworven inzicht van de relativiteit van vele zaken, wordt er onder andere aan materialisme veel minder belang gehecht door zieke mensen, waardoor welstand als levensdoelstelling zal inboeten ten voordele van een andere doelstelling.
Imke: - 'Wij zijn zodanig materialistisch, iedereen hoor, ik ook, maar nu al veel minder. Door mijn ziekte ben ik wel beginnen beseffen dat het daar niet om draait. Vroeger leefde ik echt om te werken werken werken, en nu, leef ik niet meer daarvoor. Dat was niet omdat ik veel geld wilde, maar gewoon om te werken, en eigenlijk leef je dan niet. Je leert eigenlijk echt leven, alhoewel het enorm lastig en moeilijk.'-
Zieke mensen offeren bepaalde deelidentiteiten op ten voordele van het behoud van andere, meer gewaardeerde onderdelen van de identiteit. Ook voor CVS-patienten is dit noodzakelijk. Doordat hun energiepeil sterk gedaald is, worden ze gedwongen prioriteiten te stellen in hun activiteiten, en te kiezen voor datgene wat hen het nauwst aan het hart ligt. Hierbij maakt de patient een rationele afweging van kosten en baten. (Charmaz, 1995:662-673)
Veerle: - 'De ziekte heeft mij zo geconfronteerd met mijn extreem gedrag. Ik was perfectionistisch. Ik wilde de perfecte moeder zijn, de perfecte minnares, de perfecte echtgenote, de menage perfect, perfecte lessen maken, en ik was zo gedreven, dat ik mezelf niet meer voelde, ik had geen besef meer van normale begrenzing. En die ziekte heeft mij compleet vastgezet. En dat is eerlijk gezegd een zegen want ik kon niet meer vooruit of achteruit. Bijvoorbeeld, ik werd welgezind wakker en ik dacht, ja, ik ga vandaag dat en dat en dat doen, dus allemaal plannen, mentaal, en ik kon bijna niet uit mijn bed. En dan dacht ik, ik moet helemaal niets plannen, de ziekte heeft mij gedwongen om in het hier en het nu te leven, en ik was daar enorm blij mee, nog altijd. Het heeft mij ook gedwongen om te kiezen voor essentie. Als ik 20 van de 24 uren slaap, wat doe ik dan met de overblijvende 4 uur?'-
Wanneer de kosten bij de uitoefening van een bepaalde activiteit, hoger zijn dan de winst, zal de patient deze activiteit, die samenhangt met een bepaalde rol, opgeven. Omwille van het sociale belang dat eraan wordt gehecht, geven vrouwelijke respondenten bijvoorbeeld meestal voorrang aan de moederrol, en het draaiend houden van het huishouden. Hiervoor zijn ze bereid de andere rollen opzij te schuiven.
Linda: - 'Je voelt je altijd 1000 kilo wegen, je kan het niet anders beschrijven. Dat voel ik altijd. Ik voel me geen echte sukkelaar, maar wel als ik echt veel pijn heb. En dat verwondert mij nog altijd, dat ik met mijn beperktheid toch nog altijd redelijk veel doe, ik houd mijn huishouden recht, en dat is al. Maar dat is toch het belangrijkste.'-
Mensen legitimeren voor zichzelf hun identiteitskeuze, door ze te herdefinieren op een positieve manier. Zo stelt Imke bijvoorbeeld dat mensen die sterk materialistisch leven eigenlijk niet echt leven. Hierdoor wordt haar nieuwe levenswijze positief geevalueerd. Mensen kunnen op die manier een positiever zelfbeeld ontwikkelen, ondanks het feit dat ze er lichamelijk op achteruit gaan. Deze herdefinitie kan ook de vorm aan nemen van neerwaartse sociale vergelijking. Men gaat de eigen situatie relativeren door ze te vergelijken met mensen die er nog erger aan toe zijn. Hierdoor kan de patient zich beter voelen. Ook opwaartse sociale vergelijking komt voor, wanneer de patient iemand die beter is geworden, als voorbeeld en streefdoel neemt. Wanneer vergelijkingen door de sociale omgeving worden opgelegd kunnen ze echter ook jaloezie opwekken of pijnlijk zijn, wat het scheppen van sociale afstand kan bevorderen. (Clark, 1994:270)
May: - 'Op het moment dat ik in Pellenberg was, dat mensen zeiden, kijk als je nu die mensen allemaal ziet, eh, jong, ongevallen, geamputeerde ledematen, ... dat is nu toch eigenlijk erg. En aanvankelijk antwoordde ik daar niet op. Vroeger zou ik dat ook heel erg gevonden hebben, maar nu niet meer. Want die mensen, dat zag men, die werden geholpen,... en ik liep daar zo te verekken, en wie mij tegenkwam zei, och hier seg, amai, gij ziet er goed uit, en gij blijft toch altijd uw lijntje houden,... en van dat allemaal. Ik was zo slecht...'-
In plaats van eerst aan anderen te denken is een veelvoorkomende reactie in deze periode dat patienten, zij het op een positieve manier, eerst aan zichzelf gaan denken.
May: - 'Nu zal ik zeggen, 'ja mijne man, je zal warm eten hebben vandaag, maar als dat niet om vier uur is dan zal je er genoegen mee moeten nemen om zes, want ik loop mij niet meer in brand'. En ik ga mij niet meer op de klok laten jagen door wie of wat ook. Dat is zo wat ... Het heeft heel wat problemen gegeven, en het zal nog problemen geven, maar ik wil mijn eigen leven,... En dat heeft de opmerking een paar maanden geleden opgeleverd van May, ik had niet gedacht dat gij nen egoist waart, maar gij wordt nen echte egoist. En dat was effe slikken, maar toen dacht ik, ah ja, en ik voel me daar goed bij. Voor het eerst in mijn leven ga ik van mezelf houden. Echt zoals gisteren het genot van in mijn eentje te gaan winkelen, en ik kom mijn neef tegen met zijn vrouw, en wij hebben twee uur een heel interessant gesprek gehad, en dat moet zo. Niet over ziektes ofzo, en dan voel ik me weer normaal.'-
Naast de erkenning van de ziekte, de aanpassing van de identiteits- doelstellingen, neerwaartse sociale vergelijking, en egoisme, beseft de patient dat hij naar zijn lichaam zal moeten luisteren indien hij weer beter wil worden.
Linda: - 'Er stond op dat papier dat er geen medicijn voor bestond, geen geneeskans, dat je moest rusten en doen wat je lichaam je zegt. En dan heb ik tegen mezelf gezegd, awel, dat ga ik nu een keer doen se. Toen Jeroen naar de kleuterschool ging, ik weet het nog heel goed, dat ik zei, en nu ga ik slapen. Want ik sliep alleen maar 's nachts, met die kleine kinderen. En dan, ik droeg hem naar school, ik zette mijn wekker, ik sliep heel de voormiddag, ik ging hem gaan halen, en 's namiddags weer, zette ik weer de wekker tot ik hem ging halen. Ik sliep dag en nacht. En dan zei ik, dat is toch wel iets heel apart, mijn slaap was ontregeld, anders zou ik recupereren, eh, op 24 uur sliep ik misschien wel 20 uur. Ik was alleen 's avonds bezig. En ik heb dat zo jaren gedaan.'-
Dirk: - 'Gij moet u aanpassen aan uw ziekte eh, 't is niet omgekeer eh.'-
In verband met de verschillende coping-strategieen die CVS-patienten in deze aanpassingsfase toepassen, kunnen eindeloos veel voorbeelden worden gegeven. Vooral lezen, schrijven, wandelen, internet, humor, spiritualiteit, praten en maatschappelijke bewustmaking verzetten de gedachten van de patient, dienen als een vorm van zingeving, en verlichten daardoor zijn ziektetoestand. Ook emotiegerichte of cognitieve strategieen als het leren omgaan met de stilte op zich, het zich mentaal inkapselen tegen onbegrip, het blijven zoeken naar verklaringen en het tellen van de zegeningen zijn belangrijk in deze fase.
3.2.2.2 Overgave ----------------
Nadat de patient zijn identiteitsdoelstellingen heeft bijgesteld, waardoor hij niet meer constant zijn fysische grenzen probeert te verleggen, is overgave aan de ziekte tenslotte mogelijk. Hiervoor wil hij de jacht naar controle over de ziekte opgeven. Overgave betekent dat men zich bewust is van zijn ziekte, en dat men bereid en opgelucht is in het verwerkingsproces te stappen. Objectivering van het lichaam en van de ziekte, maakt plaats voor subjectivering. Dit wil zeggen dat lichaamsgevoelens weer opgenomen worden in het zelf. Terwijl de patient lange tijd heeft geprobeerd een scheidingslijn te trekken tussen zijn oude, weliswaar aangetaste zelf en de ziekte, vervaagt deze scheiding, en kan de ziekte worden geintegreerd in een soort nieuw zelf. Overgave wil geenszins zeggen dat de hoop op toekomstige verbetering verdwijnt. Laten we niet uit het oog verliezen dat overgave een actief en bewust proces is. Hierdoor onderscheidt overgave zich van opgave of van onderworpenheid aan de ziekte. Wanneer patiente de hoop en de strijd opgeven, worden ze overrompeld door angst, passiviteit en depressiviteit. De ziekte heeft dan als het ware de strijd gewonnen. Er is enkel sprake van overgave als deze gewild is door de patient. Als gevolg van volledige overgave is de patient in staat een nieuwe eenheid te ervaren tussen het lichaam en het zelf. (Charmaz, 1995:662-673)
Ook voor Kralik is er geen sprake van volledige aanvaarding of opgave van hoop en verzet. Zij verstaat onder normalisering het feit dat de patient erin slaagt zijn leven weer in handen te nemen en een andere, diepere perceptie te ontwikkelen van het zelf. De ziekte wordt een onderdeel van het leven. Er worden actief keuzes gemaakt om het leven weer inhoud en vorm te geven. Terwijl de patient zijn lichaam lange tijd heeft verwaarloosd, omdat hij het beschouwde als een verrader, staat de patient opnieuw open voor lichaamsverzorging en gevoelens van zelfliefde. (Kralik, 2002) Dit ligt dicht bij de eerder vermelde overgang die Charmaz maakt van objectivering naar subjectivering.
May: - 'Mijn leven is op het moment echt aan het veranderen. Ten eerste wil ik mezelf en mijn lichaam weer graag zien. Want ik ben heel kwaad geweest op mijn spieren. Zo van verdorie, en nu ga je dat optillen, en het ging niet eh. En euh, dat denk ik ja, als iemand zo tegen mij zou praten, dan zou ik dat ook niet doen. Hoe behandel ik eigenlijk mijn lichaam? Hoe behandel ik mijn geest, als ik zelf me constant zit af te kraken, dan kunnen andere mensen me ook niet graag zien. Dan moet ik toch gif afstralen. En geleidelijk aan ben ik, ook in Amerika denk ik, met een soort liefde voor mezelf beginnen omgaan. Ik had daar een kamer alleen, ge moet nu niet denken dat mijn man een boeman is ofzo, maar hij heeft nooit gewild dat ik in bed zou lezen. Dus daar had ik mijn eigen kamer, en dan las ik tot de slaap kwam. En ik sliep, bijvoorbeeld. En dat is ook goed, want ik had een jaar bijna niet geslapen. Vorige nacht ook niet, maar, ik geraak daar niet meer van in paniek. Dan denk ik, volgende nacht zal ik wel vier uur slapen, en dan is het goed. Dus daar kon ik lezen. Dat deed ik, en ik voelde me er goed bij, en ik denk, zo met al die stukjes en beetjes, ben ik in de eerste plaats van mezelf gaan houden, ... en dat is zo een verandering.'-
Mischa: - 'Ik ben nu aan mijn zelfbeeld wel weer aan het werken. Ik ben mijn haar weer aan het laten groeien, zo van die dingen. Wat ik wel meer doe dan vroeger is mijn lichaam verzorgen, zo genieten van een bad, geurtjes en cremekes, daar geniet ik van. Want ik zeg het, alles hebben ze mij afgenomen, maar dat gaan ze me niet afpakken. Ik heb ook wel ooit getwijfeld aan mezelf, van dat zit niet goed, ik ben verkeerd,... want dat drammen ze erin eh, dat het aan jezelf ligt. Dat heb ik me terug voorgenomen, ik ga weer mezelf worden. Geen jankerig gedoe, want dan spelen ze met u, als je je zwak opstelt, dan ben je een prooi voor de maatschappij. Natuurlijk, je moet de kracht ook hebben eh, en het is daarom, ik voel me nu beter, dus nu kan ik reageren...'-
3.2.3 Nieuwe inzichten en Identiteitsopbouw --------------------------------------------
Overgave aan de ziekte opent de weg naar een transformatie van het zelf. De patient komt tot frisse, nieuwe inzichten over zichzelf en over zijn situatie. (Charmaz, 1995:662-673) Bijna elke respondent zei dat hij of zij door de ziekte een andere kijk op het leven en op de maatschappij hebben gekregen. Veertien van de Achttien respondenten verwezen naar de relativiteit van vele alledaagse kleine en grote problemen.
Krista: - 'Je bekijkt de dingen veel meer van op een afstand, waardoor de dingen veel meer onnozel lijken. Dat je denkt, van alle, waar zijn ze allemaal toch mee bezig! Ja, door het feit dat je zoveel uren in je zetel zit en naar buiten zit te kijken, wordt alles zo relatief... En, dan kan zo een helpster bijvoorbeeld zeggen, (ja die helpsters zijn heel belangrijke elementen in mijn leven, want die lopen hier elke voormiddag rond) van ooh, ik heb een verjaardagsfeestje volgende week van mijn dochter en ooh, ik zie daar zo tegen op, want ik moet mijn huis nog poetsen, en dan zeg ik van het is oorlog in Afghanistan, ... Dat je dus zegt van, waar zijn we allemaal mee bezig...'-
Imke: - 'Ge ziet zo meer in, de nutteloze kanten, en de zinloze dingen die in onze maatschappij gebeuren. Je denkt veel meer van mens, waar jullie je toch mee bezig houden. Ja, ik krijg zo bepaalde inzichten. Je ondergaat ook een bepaalde groei naar spiritualiteit. Maar je moet mij niet verkeerd verstaan, dat is niet van ik wordt nu katholieker ofzo, ik ga nooit naar de mis. Het is niet in die zin. Maar je leert beter je doel kennen, goh, ik kan dat eigenlijk niet uitleggen. 't Is de manier waarop je leeft. Kledij bijvoorbeeld, dient eigenlijk alleen maar om je te beschermen tegen de koude, en je mag wel eens mooi zijn, maar om het nu echt belangrijk te vinden dat er esprit opstaat... Door mijn ziekte ben ik wel beginnen beseffen dat het daar niet om draait.'-
Ook beseffen patienten in deze fase dat er steeds fluctuaties zullen zijn in hun toekomstige ziekteverloop, en dat ook deze schommelingen bij hun nieuwe, alledaagse leven horen.
Bart - '...ik ben ook wel realistisch om te weten, ik bedoel het is nu al zes jaar.... Zoals vroeger, dat ik met jan en alleman kon optrekken en concerten organiseren en mijn beroep uitoefenen op een niveau dat voor mij uitdagend is, dat zal nooit meer lukken denk ik. Maar goed. Ik ben niet meer zo ontredderd, niet meer zo... Ik heb al een schorsing meegemaakt, een beroepsprocedure doorgemaakt, ik heb verhalen van andere mensen gehoord, ik weet dat ik er niet alleen mee ben. Dus ja, aanvaarden doe je nooit, maar je komt wel in een status van dat je niet meer constant ten strijde wil trekken om dat groot onrecht...'-
Bepaalde inzichten wekken andere inzichten op, bijvoorbeeld in verband met de manier van leven. Doordat patienten weten dat elke dag slecht kan zijn, en doordat ze de relativiteit in het leven ontdekken, zullen ze tot het inzicht komen dat van de goede momenten moet worden genoten. Positieve gevoelens krijgen zo weer kans. Ook de bijschaving van identiteitsdoelstellingen en het aanpassen van activiteiten aan de ziekte, kunnen leiden tot nieuwe inzichten.
Alex: - 'En ik zeg het, de goei dagen die ik heb probeer ik ervan te profiteren, en ik probeer actief te blijven door onder andere in die autosport in die federatie ... het gebeurt dat ik bepaalde vergaderingen ook moet afbellen, dat ik zeg sorry jongens, ik ben vandaag niet in staat om te komen, maar als er vragen zijn, ik zit thuis, bel me dan op, ik ben er eh. Eum, ik heb in de tijd gezegd, ze hebben me de vraag gesteld of ik de boekhouding van de federatie niet wou doen, de penningmeester zijn, euhm, ik heb dat aangepakt, ten eerste omdat het een materie is waar ik tamelijk goed in thuis ben, en ten tweede omdat dat een jobke is dat je tamelijk goed kunt doen wanneer het je past, dat het gaat. Boekhouding doen, het moment blijft gelijk eh. Ik profiteer gewoon van de goei momenten dat ik heb, en dan kan ik nog tamelijk veel werk verzetten. Euhm, en is er een dag dat ik me slecht voel, dan leg ik het gewoon weg voor een andere dag eh.'-
Dirk: - 'Als zij nu op de markt een schoon bloeske ziet, dan koopt zij dat eh, terwijl vroeger.... We kopen wat we graag hebben. Ik kan genieten van een simpele maaltijd, en vroeger niet eh, dat was eten binnnen smijten en hup gaan werken. Nu geniet je daarvan. 'Vandaag telt, morgen zal wel komen. Op die manier'. (vrouw)'-
Terwijl in de fase van abnormaliteit het onbegrip vanuit de sociale omgeving een gevoel creeert van in de steek gelaten te worden, en daardoor een van de factoren is die het zelfbeeld sterk aantasten, ontstaat er in de fase van normaliteit een soort begrip voor het ervaren onbegrip. Patienten zien in dat niet alleen hun omgeving hen en hun ziekte niet begrijpt, maar dat ze de ziekte eerst en vooral zelf niet begrijpen. Hierdoor is de patient in staat milder te reageren ten aanzien van anderen, en de oorzaak van het ervaren onbegrip ook elders leggen dan bij geliefden of bij zichzelf, wat het wederzijds begrip, en zo ook de sociale steun, en de heropbouw van de identiteit ten goede komt.
Hugo: - '... je zou beter iets zijn met een echte, klassieke ziekte, dan heb je dat probleem niet. Deze ziekte is een syndroom. Dat betekent dat er veel symptomen zijn. De ene dag heb je dit, dan dat,... je kan het moeilijk precisieren, je begrijpt het zelf eigenlijk niet, laat staan dat je aan iemand anders kan uitleggen wat het eigenlijk is.'-
Imke: - 'Zelfs als verpleegster, van CVS kende ik niets. We kennen alles van kanker en MS, en Aids, maar CVS, dat is zoiets van, dat wordt niet vermeld. Mijn huisarts weet daar ook niets van, onlangs vroeg ik het hem nog, wat weet jij eigenlijk van CVS, ja zei die, dat is louter zelfstudie. Hoe kan je dan verwachten dat ze een diagnose gaan stellen?'-
Alex: - 'Ik begrijp dat sommige mensen dat niet kunnen begrijpen, je moet echt zelf met iets geconfronteerd worden om de werkelijke omvang ervan te kunnen snappen. Ik begrijp dat zelfs een gezonde dokter niet kan snappen wat een zieke patient meemaakt, dan moet het al een hele clevere dokter zijn, dus eh...'-
Dit begrip voor onbegrip kan bewuste isolatie echter ook bevorderen. Omdat de patient beseft dat de andere hem niet zal begrijpen, zal hij hem ook niet willen 'lastig vallen' met zijn ziekteverhalen.
Krista: - 'Mijn man heeft ooit eens gezegd dat ik het de mensen niet mag kwalijk nemen dat de mensen het niet begrijpen omdat ik het zelf niet begrijp, maar..; en dat maakt eigenlijk dat ik me heel dikwijls isoleer. Ik ga niet graag met andere mensen op reis, ik ga het liefst alleen met mijn man naar de cinema, of naar de stad, omdat ik,... Als ik dan moe ben, dan hoef ik dat aan hem niet uit te leggen, maar als er andere mensen bij zijn, dan wil ik me weer beter voor doen dan ik ben, en ...euh, alle, het is ook zo dat CVS iets is dat je vriendschappen sorteert. De vriendschappen die eigenlijk niet helemaal juist zitten vallen erdoor, en de andere die blijven bestaan, dat voel je, die gaan nooit meer kapot.'-
Opdat men niet opnieuw geisoleerd geraakt, is het belangrijk dat men open blijft staan voor sociale contacten. Daarom moet dit begrip voor mensen die de ziekte niet begrijpen samen gaan met het inzicht dat hulp vragen geen schande is, dat dit niet noodzakelijk hoeft te betekenen dat men hierdoor zijn eigen leven uit handen geeft, en dat mensen ook bereid zijn een 'handje toe te steken'.
Veerle: - 'Ik ben afhankelijk van anderen en ten dele heeft dat me ertoe gedwongen om mijn trots in te slikken en hulp te vragen. Ik wist niet dat er zoveel mensen me zo graag gingen helpen. En dat is maar door mijn ziekte dat ik dat heb leren inzien dat er zoveel brave mensen zijn die met veel plezier iets doen voor mij. Ik heb verschillende gezinnen in de straat, en als ik zeg, kijk, ik ben niet goed, wil er iemand mij een broodje brengen, die gaan dat met een smile doen. Dus ik ben afhankelijk van anderen, maar eigenlijk ook niet afhankelijk. Het heeft te maken met ben ik bereid om hulp te aanvaarden, en ik heb dat echt moeten leren, ik kon dat niet, ik was te trots, en ik wilde het allemaal alleen doen.
May: - 'Want je kan niet alles alleen. Dat is nog iets dat ik heb moeten toegeven. En af en toe iets vragen is ook geen schande. En dat soort vragen, heb ik dan weer geen probleem mee, want je betaalt daar voor eh... aan de kinderen iets vragen, dat is veel moeilijker.'-
Rani: - '... ik heb die therapie in Pellenberg gevolgd, en de bedoeling was dat ik daar naartoe ging de dag ervoor. En dat ik dan bij mijn broer bleef slapen, want die woont daar niet ver van. Want ik zelf zag het niet zitten om daar naartoe te rijden, de therapie te doen, en terug naar huis te rijden. We hadden dat dus zo geregeld, en dat was geen probleem voor mij. Maar twee weken ervoor had ik zoiets van helemaal tranen, huilen, ik wilde eigenlijk niet. Ik wilde gewoon naar huis kunnen komen, omdat ik twee keer per week moest gaan, en dan moest ik eigenlijk al de avond ervoor vertrekken... De helft van de week zou omzijn daaraan, en dat wilde ik niet. En ik zei dat tegen iemand, dat ik eigenlijk wou dat iemand mij bracht en kwam halen. En die persoon zei toen, ja, dan moet je dat gewoon doen. Vraag aan mensen om je te komen halen en te brengen. En die zei direct van ik wil je dan en dan wegdoen en komen halen. Ik heb tien sessies, en ik heb tien telefoontjes moeten doen. Ik had onmiddellijk tien mensen die dat wilden. Ze bleven ook daar, ik had daar op zich niets aan omdat ik ze niet zag, maar gewoon het feit dat ze er waren.... Ik heb echt, een paar mensen zeiden van oh neen, ik doe dat niet graag met de auto zo ver rijden, maar anderen reden dan twee keer,... In een wip was dat geregeld, de mensen deden dat gewoon... dat verwonderde mij wel. Van hej, die mensen doen dat gewoon allemaal. In die periode kon ik op anderen rekenen en dat was heel belangrijk voor mij.
Wanneer men zijn identiteitsdoelstellingen heeft afgestemd op de ziekte, en wanneer de patient in staat is deze voor zichzelf als iets positiefs te evalueren, door middel van bepaalde inzichten, kan tenslotte worden gewerkt aan de heropbouw van de aangetaste identiteit. Deze heropbouw is een proces, waar aanzienlijk wat tijd over kan gaan. Eerst en vooral is het belangrijk dat de patient voor zichzelf gaat afvragen welke aspecten van het oude zelf verloren zijn gegaan. Men gaat zich afvragen wie hij vroeger was, en welke positieve elementen in ere moeten worden hersteld. Doordat er op een bepaalde manier vrede wordt genomen met de ziekte is de patient ook in staat weer zichzelf te worden.
May: - '...maar als ik dan toch zoals vorige week in Tongeren,.. Iets werkte vreselijk op mijn zenuwen, en ik moest reageren. En als ik daar dan bij nadenk, dan denk ik, Mia, ge zijt weer een stukske van de oude. Ik ging in de aanval. Dan denk ik hej, en zo komen er nu meer en meer prikken, dat ik denk dat dat passieve jaar opschuift. Ik heb meer en meer een stuk oude ik, en dat zou ik heel graag terug hebben, dat zal wel niet meer volledig komen, maar als ik daar nog een eind in zou kunnen gaan, ... en daar streef ik naar.'-
Anne-Marie: - '...ik denk dat ik de draad terug heb opgenomen door te denken wie ik eigenlijk was, ik was sportief, op dat punt wou ik dus proberen terug de draad op te nemen. Mijn man heeft daarin wel een cruciale rol gespeeld, door te zeggen, ziek of niet ziek, wij gaan naar de bergen. We zijn nooit een vakantie thuisgebleven, behalve die zes weken, maar dan zijn we met Pasen toch gegaan, en dan heb ik daar voor het raam gelegen, en naar de bergen gekeken, ik bedoel... Maar, ja, ge vult dat in door bijvoorbeeld sportieve kleding te dragen, en dan denken de mensen, waaw. Of bijvoorbeeld een rugzak, eh, want ik kan geen tas aan 1 kant dragen, maar wel als de belasting verdeeld is over heel je lichaam. Ik ben ook terug naar het koor gegaan, euh, maar ik heb mijn grenzen gesteld, ik kan niet blijven tot het einde, om tien uur moet ik naar huis. Maar ja, hetgeen ik wil zeggen is toch dat het een proces van jaren is geweest hoor.'-
Waar de patient in de fase van abnormaliteit krampachtig zijn oude zelf wil afschermen van de ziekte, om het zo proberen in stand te houden, worden in deze fase bepaalde kernaspecten van het oude zelf herbekeken in functie van de ziekte. "Wat is mogelijk, en wat moet ik laten varen?" Op die manier wordt er rekening gehouden met de ziekte. Naast geherwaardeerde aspecten van het oude zelf, worden ook het zieke lichaam en de nieuwe inzichten opgenomen in de nieuwe identiteit. Als gevolg hiervan kan een gevoel van verbondenheid en eenheid ontstaan.
Veerle: - 'Het is een verbondenheid. Nu kan ik erkennen dat er een verbondenheid is tussen mensen, maar ik moest eerst bereid zijn die verbondenheid te zien. Bijvoorbeeld, veel mensen hebben voor mij mijn kinderen opgevangen als ik dat niet meer kon. (...) ...in mijn mens-zijn ben ik verbonden met iedereen die leeft. Met elk dier dat leeft, met elke plant, met elke steen... En of ik nu een gebrekkig lichaam heb of niet, eigenlijk maakt dat niets uit voor de essentie. Dus ik ben een klein puzzelstukje in een enorme puzzel, en dat is zo, en dat is juist.'-
Doordat er bovendien energie vrijkomt, die voordien werd gestoken in de drang naar controle over de ziekte, is de patient in staat te groeien in spiritualiteit.
Krista: - 'Maar ik heb euh, ik denk dat wij als gezin heel anders door het leven gaan. Dat ik vind dat ik op een ander vlak zelfwaarde heb gekregen,... Mijn gevoel voor verhoudingen is veranderd, .. Veel spiritueler. Ik was vroeger katholiek, heb godsdienstwetenschappen gestudeerd, maar ben mijn geloof kwijtgeraakt. Het zei mij allemaal niets meer, ik ging niet meer naar de kerk, nu ook niet. Maar ik ben zeer religieus, zeer spiritueel geworden. Ik voel dat, ik zei het, mijn antennes zijn twee kilometer gegroeid. Maar ook op spiritueel vlak, ik kan mensen zien, en ik kan direct voelen, die zijn met die dingen bezig. Ik heb enorm rare ervaringen gehad, en ik moet zeggen, ik ken een tiental mensen met CVS en die hebben allemaal spirituele ervaringen... Ik weet niet hoe het komt. Ik ben onlangs bij een homeopaat geweest die daar een onderzoek rond aan het doen is, rond CVS, en ik zei hem dat en hij verschoot heel fel, hij zei, mijn patienten die ik heb, zijn ook allemaal zo. Dus wij,.. alle, met spiritueel bedoel ik niet alleen godsgeloof ofzo, maar ik kan iemand zien, en zeggen, die persoon is zo en zo, ik kan iemand zien en zeggen die is gescheiden, en dan is dat zo... heel rare dingen. Ik weet niet of het in je ding past, maar ik denk dat je dat gerust aan anderen kan vragen... En ook verhoudingen tussen mensen, ik zie veel sneller of mensen het moeilijk hebben met elkaar, dat had ik vroeger niet. Ofwel is dat ook omdat er wat meer leegte is in mijn hoofd, dat er wat meer plaats is voor die dingen.'-
Veerle: - 'Weet je wat ik geleerd heb? Dat ik de polariteit kan overstijgen, hoe moet ik het zeggen... Vroeger zou ik direct als iemand iets deed zeggen van ja, dat en dat en dat is goed en dat en dat is slecht, ik zag dat altijd in tegenstellingen, en nu kan ik dat in zijn geheel zien, dat is die mens, zonder daar een etiketje op te plakken. En voor mij is dat een enorme winst, nu kan ik beter zen verstaan, omdat het gewoon zijn is. Ik heb moeten leren zijn. In plaats van willen, awel ik heb moeten leren leven. De manier om naar het leven te kijken. Geduld hebben. Het is een immense les in geduld. In plaats van willen heb ik moeten beginnen ervaren en voelen, en afwachten op het moment. Mijn kinderen zeiden, mama, wat gaan we doen in het weekend? Ik kon dat niet zeggen, dat moest blijken op het moment. Mijn dochter vroeg of ik dacht dat ik mee kon gaan shoppen, dan zei ik, ik ben bereid om dat te doen, maar we gaan moeten afwachten op het moment zelf. Ik ben veel blijer, ik ben veel gelukkiger, veel aangenamer van karakter, ik was vroeger een pezewever, een vitter, ik zag overal het verkeerde... En nu zie ik dat ook, maar het ergert me niet meer, ik kan dat gewoon zien als zo is het.'-
Zeven respondenten stonden open voor spiritualiteit, en vertelden hier zeer openlijk over. Opvallend was dat respondenten die zich aan spiritualiteit overgaven, op de vraag of er voor hen ook positieve aspecten waren aan de ziekte sneller bevestigend antwoordden. Deze vraag is een vraag naar het bestaan van ziektewinst. Ziektewinst is een term uit de medische psychologie, die wijst op het bestaan van bepaalde positieve aspecten of inzichten die ontstaan uit de langdurige aard van de ziekte. (Asbring, 2001:318) Enkel voor 1 persoon was spiritualiteit vooral een middel om zichzelf recht te houden, en leidde dit geenszins tot het ervaren van ziektewinst:
Linda: - 'Ik vind eh, mensen die zeggen dat lijden iets positief bijbrengt, dat zij nog nooit geweten hebben wat lijden is. Dat beweer ik. Ik ga niet zeggen, je wordt sterker op dat punt ofzo, maar je wordt kweetnie hoeveel zwakker op andere punten. Als ik denk hoe avontuurlijk en ondernemend ik vroeger was, en nu durf ik niets meer. In sommige dingen word je sterker omdat je moet, maar in andere dingen ben je gewoon een grote sukkelaar. Ik vind, die ziekte is de rotste smeerlapperij, ik heb ze altijd afgekeurd, en ik vind niet dat er daar iets goed uitkomt. Neen. Moest ik mijn nonkel pastoor niet gehad hebben, dan was ik al lang verloren, omdat ik dan geen enkel geloof meer gehad zou hebben.'-
Ook Bart kan zich niet vinden in het begrip ziektewinst:
- 'Dat vind ik dus echt een afgrijselijk woord. Ja, ik weet het, ik lees die boeken ook, maar het is weer het culpabiliseren van het individu. Ze komen dan met dingen af van, ja maar, ge krijgt toch een uitkering, ge wint er toch iets mee,... komaan zeg! Alle, dat is echt het meest ongevoelige dat je kan zeggen eh. Dat is een term, uitgevonden door gezondheidseconomen en mensen die nog nooit zijn ziek geweest. En ik ben niet de enige die dat vindt. Ja, daar loop ik de muren van op als ze zo beginnen. En sommige psychologen en riziv-mensen hebben daar echt wel.... Je verliest alles.'-
De antwoorden van de respondenten in verband met deze vraag waren van zeer uiteenlopende aard. Hoe negatief het begrip voor Linda en Bart was, des te overtuigender zijn volgende reacties:
Rani: - 'Ziektewinst dat is leren genieten van kleine dingen. Ook dat mediteren, ik was bezig op laag niveau, en nu doe ik dat op hoger niveau, dat zou ik nooit hebben kunnen ervaren als ik gewoon was blijven werken. Ik had misschien die ziekte daar niet voor nodig, maar dan had ik moeten stoppen met werken, en dat doe je niet zomaar. Nu dat ik ziek geworden ben, heb ik tijd voor andere dingen. De ziekte heeft me natuurlijk ook heel wat dingen afgenomen, maar er zijn heel wat dingen in de plaats gekomen, die op dit moment veel waardevoller zijn. Doordat ik in die groep van meditatie zit, heb ik mensen leren kennen, die ik waardevoller vind dan de vriendinnen die zijn weggevallen.'-
Veerle: - 'Mijn vriendenkring is voor de helft verdwenen, op het moment zelf doet dat veel pijn, je denkt dat zijn boezemvriendinnen, ze lieten mij in de steek of ze zeiden van maar zijt gij nu weeral ziek... Ik vond dat zeer neerbuigend, want ik kon daar niets aan doen, ik deed 100% mijn best. Maar eigenlijk is het het moment van de waarheid. Achteraf, kan ik dat veel filosofischer bekijken, ik ben veel kwijt geraakt, maar ik heb veel meer gekregen. En dat vind ik ook verwonderlijk, de winst die eraan zit. (...) Op een bepaald moment moet je een klik maken in je hoofd, en je zegeningen tellen. Het is zo, er zijn veel dingen die ik niet kan. Ook vandaag, poetsen, ik ben in een mindere periode, koken dat gaat misschien niet. Maar er zijn zekerheden, ik heb een pensioen, een inkomen, ik moet niet gaan werken. Bijvoorbeeld toen mijn grootmoeder op sterven lag, ben ik twee keer per dag naar het rusthuis gegaan om haar eten te geven. Iemand die fulltime werkt moet dat niet doen. Versta je, ik heb ook mogelijkheden die een andere mens niet heeft. Als het mooi weer is, en ik zeg ik wil gaan wandelen, dan doe ik dat. Terwijl een gewone mens, die moet zijn acht uur kloppen, versta je? Ik heb veel verlies, maar ook veel winst. Wil ik cursussen doen overdag, dat kan. (...) Ja, ik denk dat dat die spirituele groei is waardoor je plots zegt, kijk, wat ga ik met mijn leven doen, ga ik in de slachtofferrol blijven steken, en zie ik enkel de slechte dingen van ik heb dat niet en dat niet en ik zit op de bodem van mijn spaarboek, ik heb zoveel minder inkomen en zoveel uitgaven... Dat is de realiteit eh, als ik nu naar de dokter ga en ik moet medicatie kopen, dan zit ik snel aan 90 Euro, maar ik heb veel minder inkomen, dus dat is eigenlijk geen lachertje, maar op een bepaald moment moet je kiezen en zeggen van kijk ik wil geen slachtoffer meer zijn, ik ben een volwaardige vrouw, ook met al hetgene die ik niet kan. Op een bepaald moment heb ik gezegd, kijk, ik ben Veerle, en een aantal dingen kan ik, en een aantal dingen niet, en dat is het, en ik heb het daarmee te doen. En dan denk ik, eigenlijk moet je roeien met dat wat je hebt. Ik heb ontdekt dat de Veerle die ik was voor mijn ziekte eigenlijk vals was, maar ik wist het niet. Ik heb geleerd mij beter te voelen, en mij minder, hoe zou ik zeggen, als je gedwongen wordt door tijdsgebrek, alle, hoe zou ik zeggen, ... Als vroeger iemand zei, wil je dat doen voor mij, nu zou ik vlak af zeggen neen, ik voel dat ik dat niet meer moet doen. Maar vroeger ging ik dat doen. Ik was ergens ook te braaf, en te gehoorzaam, en te volgzaam, heel goed opgevoed, een stuk ten koste van originaliteit... dus ik heb veel gewonnen eh, ik heb veel meer gewonnen dan dat ik verloren heb. (...) Ik heb elke dag duizend redenen om gelukkig te zijn. Maar je moet ervoor kiezen om gelukkig te zijn. En vroeger ging ik dat niet zien. Vroeger was gelukkig zijn voor mij verbonden met duizend criteria die moesten vervuld zijn voor ik gelukkig kon zijn, maar dat is een illusie. Als de zon schijnt ben ik nu gelukkig, als het regent ben ik gelukkig. (...) Het is tegelijk een opwaartse beweging met daarin golfbewegingen. Ik ben bijna genezen. Gisteren ben ik nog bij mijn therapeut geweest, en die zei dat, ik ben bijna genezen. Er zitten daar nog golfbewegingen in, maar dan denk ik, voor een gezonde mens is dat ook eh perioden dat je meer moe bent en dat je minder aankan.'-
Net als in het onderzoek van Asbring benadrukten de meeste respondenten zowel de negatieve als de positieve aspecten van ziek zijn in een wereld van gezonde mensen. Er moet echter worden vermeld dat er geen getuigenissen zijn die volledig positief zijn, terwijl er wel enkele respondenten waren voor wie geen enkel positief aspect vernoemingwaardig was.
Hiermee komen we aan het einde van het aanpassingsproces. Volgens Charmaz wordt dit einde gekenmerkt door een toegenomen gevoel van zelfverantwoordelijkheid. (Charmaz, 1995:662-673) Ook voor Kralik eindigt de fase van normalisering in de perceptie van een verhoogde controle over het eigen leven. (Kralik, 2002) Naast dit toegenomen gevoel van verantwoordelijkheid en controle, is volgens de meeste respondenten ook op andere vlakken hun identiteit veranderd. Zo vermeldden respondenten op de vraag in welke opzichten hun identiteit is geevolueerd, dat ze kalmer geworden zijn, aangenamer in omgang, milder zijn naar andere mensen toe, dankbaarder, emotioneler, wijzer, genuanceerder, zachter en gevoeliger. Ze zijn echter ook sceptischer, meer egoistisch, assertief en voorzichtig. Daarenboven vermeldden velen dat ze meer genieten van het leven dan voor hun ziekte, dat ze kleine dingen leerden apprecieren en dat er in hun relatie met andere mensen nu veel meer diepgang zit.
3.3 Besluit ------------
Uit dit verkennend hoofdstuk in verband met het vastleggen van een aantal ziektefasen die de interactie weergeven tussen het ziekteverloop van CVS en de identiteitsbeleving bij CVS- patienten, kunnen enkele conclusies worden getrokken. Ondanks de diversiteit van de symptomen, de verschillende triggers die de ziekte doen uitbreken en de individuele verwerking van de ziekte door de patient, is er mijns inziens toch sprake van enkele gemeenschappelijke identiteitsfasen bij mensen die lijden aan het chronisch vermoeidheidssyndroom. In alle interviews kan het proces van normalisering worden terug gevonden. Net als andere chronische ziekten wordt CVS ervaren als een biografische disruptie. Alle vanzelfsprekendheden worden door de ziekte in vraag gesteld. Door de nog steeds grote controverse in verband met de legitimiteit van CVS, wordt de patient sterk geconfronteerd met onbegrip vanuit zijn nabije omgeving, wat de aantasting van de identiteit, en zo ook de ervaring van een biografische disruptie stimuleert. Naast negatieve sociale reacties is ook de vermindering van self-efficacy nefast voor de instandhouding van de identiteit. De fysische beperkingen veroorzaken een gevoel van lichaamsvervreemding en toegenomen afhankelijkheid van anderen. Samen met de onvoorspelbaarheid van het ziekteverloop creeren deze factoren een gevoel van controleverlies. Dit gevoel van controleverlies kan beschouwd worden als een teken van het rolverlies dat een gevolg is van de onmogelijkheid taken die aan deze rollen zijn verbonden, nog langer uit te oefenen.
Alle respondenten waren het eens dat rolverlies sterk wordt ervaren. Vooral het verlies van de moederrol, de partnerrol en de rol van geldwinner wegen zwaar door. De eerste twee omdat zo ook anderen het slachtoffer zijn van de ziekte, de laatste omdat men in veel gevallen zijn financiele onafhankelijkheid kwijt raakt. De belangrijkste gevoelens die de fase van abnormaliteit kenmerken zijn onzekerheid, angst, verdriet, controleverlies, ontreddering, onrechtvaardigheid, en ongeloof. Omwille van deze sterke gevoelens, de betwiste legitimiteit van CVS en de daardoor aanhoudende onzekerheid, zijn intra- en interpersoonlijke conflicten in deze fase schering en inslag.
Wanneer de patient eindelijk weet dat hij lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom, ervaart hij een sterk gevoel van opluchting. Zijn ziekte heeft een naam, en er zijn mensen die zich in dezelfde situatie bevinden. Opvallend is dat enkele respondenten die het syndroom op voorhand al kenden, helemaal niet opgelucht waren, maar eerder teleurgesteld of ontgoocheld. Binnen de fase van abnormaliteit lijken verschillende coping-strategieen de kern uit te maken van een aantal subfasen. In eerste instantie zal de patient proberen de symptomen te negeren en zijn normale leven verder te zetten. Ontkenning wordt gestimuleerd doordat betrokkenheid bij het ziektebeeld, omwille van de onduidelijkheid, toch geen voordelen oplevert, omdat de onzichtbaarheid van het syndroom ontkenning mogelijk maakt, en omdat het onbegrip ontkenning sociaal wenselijk doet lijken. Gevoelens van schaamte, schuld, zelfmedelijden en ongeloof worden ervaren. Deze lijken opnieuw het gevolg te zijn van het gebrek aan legitimiteit en sociale ondersteuning. Zelfbedrog en impression-magagment gaan met ontkenning gepaard. Hoewel de patient diep in zichzelf weet dat er iets fout is, houdt hij de schijn naar de buitenwereld hoog, door te doen alsof er niets aan de hand is. De patient is hier, althans tijdelijk, in staat tot de objectivering van zijn lichaam. Hij trekt een scheidingslijn tussen zijn ziekte en zijn identiteit. Ondanks het feit dat hij toneel speelt naar de buitenwereld, zal hij zichzelf gaan verzetten tegen de ziekte. Enkele gebruikte manieren zijn het zoeken naar informatie, blijven bewegen en blijven geloven in genezing. Omdat het lichaam de instandhouding van het bewegingspeil niet aankan, en omdat de ziekte chronisch en onvoorspelbaar is van aard, zal de patient herhaaldelijk ontgoocheld worden in zich zelf, in het vinden van antwoorden, in de geneeskunde,... Bovendien groeit ook het onbegrip wanneer de omgeving wordt geconfronteerd met dit impression-managment. Woede en ontreddering bij de patient, die hulp weigert maar niet zonder kan, zijn dan een gevolg. Dit kost nog meer energie, waardoor de patient terecht komt in een negatieve spiraal. Deze leidt naar een fase waarin de patient besluit de communicatie stop te zetten, omdat het toch niets uithaalt. Isolatie, gelatenheid, leegte en zelf-absorptie nemen de overhand.
De ervaring van dergelijk dieptepunt confronteert de patient radicaal met zijn ziekte en met zijn aangetaste zelf. Op een bepaald moment beseft hij dat het zo niet verder gaat, en dat hij anders zal moeten gaan leven, wil hij zijn leven verder zetten. Door middel van persoonlijke inspanning, en reflectie over de ziektebeleving, is de patient in staat te evolueren naar een andere stijl van coping. Men ziet in dat er ook op mentaal vlak iets gebroken is, dat men het alleen vechten en het alleen zoeken moe is, en dat men de ziekte niet langer kan negeren, maar zal moeten erkennen, en er bovendien zal moeten mee leren samenwerken. Na de periode van woede, en terugtrekking, zal de patient zichzelf moeten aanvaarden zoals hij is. De grote gevoelens van abnormaliteit worden geleidelijk aan genormaliseerd. Hiermee gaan concrete strategieen gepaard. Prioriteiten stellen, keuzes maken, voldoende tijd besteden aan zichzelf, de ziekte leren loslaten, het afwegen van kosten en baten en neerwaartse sociale vergelijking zijn hiervan enkele voorbeelden. Een gezondheidsplan, de computer en het internet blijken belangrijke hulpmiddelen. Voor er sprake kan zijn van echte overgave aan de ziekte, en opbouw van een nieuwe identiteit, ga ik akkoord met Charmaz dat eerst de identiteitsdoelstellingen moeten worden aangepast aan de ziekte. Patienten moeten inzien dat hun mogelijkheden beperkter zijn, maar dat men deze ook kan optimaliseren door hun verwachtingen en eisen bij te schaven. Luisteren naar het lichaam is hierbij van essentieel belang.
Wanneer de patient zijn fysische grenzen niet meer constant wil verleggen, is overgave mogelijk. De scheidingslijn tussen het zieke lichaam en het zelf vervaagt, waardoor eenheid of verbondenheid opnieuw kan worden ervaren. Of met andere woorden, objectivering maakt plaats voor subjectivering. Overgave opent ten slotte de weg naar een transformatie van het zelf. Bijna elke respondent vermeldde de andere kijk op het leven, op het zelf, en op de maatschappij. Relativisme en het leren genieten van kleine dingen komen het vaakst voor. Bovendien is de patient in staat begrip op te brengen voor het ervaren onbegrip. Dit komt wederzijds begrip, sociale ondersteuning, de ervaring van vrede in zichzelf, en de heropbouw van de identiteit ten goede. Wil de patient echter niet opnieuw geisoleerd geraken, zal het begrip voor onbegrip samen moeten gaan met het inzicht dat men niet alles alleen kan, en dat af en toe eens iets vragen geen schande is.
Door middel van bepaalde inzichten kan de patient zijn bijgestelde identiteitsdoelstellingen positief evalueren. Hierdoor wordt de heropbouw van de aangetaste identiteit mogelijk, die van in het begin wordt afgeschermd van negatieve energie. Zowel elementen uit de oude zelf, de ziekte, als nieuwe inzichten, worden opgenomen in dit 'nieuwe' zelfbeeld. Het ervaren van spiritualiteit en ziektewinst lijken vooral in deze fase naar voren te komen. Over het bestaan van de term ziektewinst, bestaat er onder de respondenten echter veel onenigheid. Mijns inziens lijkt de houding ten opzichte van ziektewinst samen te vallen met bepaalde inzichten, die men vooral tijdens de laatste verwerkingsfasen verwerft. Toch kan dit niet met zekerheid worden gesteld, en zal verder onderzoek dit moeten uitwijzen. Wanneer de patient vrede heeft leren nemen met het bestaan van zijn ziekte, en wanneer hij de ziekte heeft kunnen loslaten, dit wil zeggen, wanneer de ziekte geen 'master'-status meer is, is hij in staat een toegenomen gevoel van zelfstandigheid, levensbetekenis, en eigenwaarde te ervaren. Dit wil zeggen dat de patient effectief tot coping in staat is. Daarenboven vermeldden de respondenten dat ze kalmer geworden zijn, dankbaarder, milder, aangenamer in de omgang, emotioneler, wijzer, genuanceerder, zachter, gevoeliger, sceptischer naar anderen toe, meer egoistisch, assertiever, en voorzichtiger.
De evolutie van de oude, sociaal gewaardeerde identiteit naar een aangetaste identiteit waarin de ziekenrol de belangrijkste plaats inneemt, en andere persoonlijkheidsaspecten worden verdrongen, tot uiteindelijk de nieuwe identiteit, wijst erop dat we volgens de theorieen van Strauss, Ebaugh en Charmaz kunnen spreken van statusverloop bij CVS-patienten.
Van de respondenten was Veerle de enige die mijns inziens op een vergaande manier de ziekte heeft geintegreerd in een soort nieuwe identiteit. Anderen staan op de 'springplank'. Hoewel niet iedereen even ver gevorderd is, en ook niet zal (of moet) vorderen, hebben de meeste respondenten de fase van normalisering bereikt. Dit loopt gelijk met de verwachting die in het begin werd geuit, dat patienten die nog in de ontkenningsfase, of in een periode van absolute zwijgzaamheid verkeren, ook niet zouden deelnemen aan het onderzoek.
Toch zijn er met betrekking tot een aantal inzichten nog zeer sterke verschillen tussen de respondenten. De evolutie van abnormaliteit naar normaliteit is bovendien geen louter eenrichtingsverkeer. Eens de toestand van normaliteit is bereikt, is het ontzettend moeilijk er ook in te blijven. Enthousiast, en vol goede moed, willen patienten de opgelopen achterstand dikwijls te snel inhalen. Hierdoor 'crasht' hun fragiele immuunsysteem als het ware opnieuw, en wordt de patient overvallen door een reeks nieuwe en/of oude symptomen, waardoor hij weer terecht dreigt te komen in de woelwaters van de abnormaliteit. Niet iedereen is even goed in het zoeken naar bepaalde betekenissen, en het verwerken van inzichten in een concrete aangepaste levensstijl.
Omwille van de weldadige effecten van de fase van normalisering, en omwille van de moeilijkheid in deze fase te blijven, is het noodzakelijk dat gezondheidswerkers de patient permanent bijstaat in het streven naar, en het behouden van normaliteit. (Kralik, 2002:146) Inzicht in de identiteitsfasen ten gevolge van het chronisch vermoeidheidssyndroom kan hierbij een mogelijk hulpmiddel zijn. Toch is inzicht in dit proces niet voldoende. Belangrijk is dat men een zicht heeft op de factoren die een invloed uitoefenen op het verloop van de fase van abnormaliteit naar normalisering. Negatieve fasen (ontkenning, verzet, isolatie) in het ziekteproces kunnen zo worden afgeremd en de positieve fasen (erkenning, aanpassing, overgave) kunnen worden gestimuleerd. In het volgende hoofdstuk gaan we daarom na of de interactie tussen de identiteitsbeleving en het ziekteverloop dat CVS kenmerkt, een beinvloedbaar proces is. Zie hiervoor ook het duidingschema (Model 2, 146) in de bijlagen.
Hoofdstuk 4: Een Beinvloedbaar Identiteitsproces? -------------------------------------------------
Wanneer we teruggrijpen naar de literatuur in verband met statusverloop, stuiten we onvermijdelijk op Kathy Charmaz. Zij stelt dat statusverloop bij chronische patienten afhankelijk is van hun fysische conditie en van de sociale middelen waarover ze beschikken. (Charmaz, 1995:661)
Met dit in het achterhoofd werpen we een blik op de realiteit. In de interviews werd door de respondenten inderdaad herhaaldelijk het belang van hun fysische conditie, en de mate van energie die hiermee samenhangt, aangehaald als een stoorzender in het aanpassingsproces. Alle respondenten vertelden hoe frustrerend het is om iets te willen uitvoeren, maar het eenvoudigweg fysisch gezien niet te kunnen. Wil men zijn leven echt aanpassen aan de ziekte, dan zal dat sowieso enige inspanning vereisen. Indien men omwille van extreme fysische en mentale uitputting voortdurend bedlegerig is en amper nog kan eten of ademen, kan er van de patient moeilijk worden verwacht dat hij de ziekte aanvaardt en er op een positieve manier mee om leert gaan. Hoewel de fysische toestand van de patient ongetwijfeld een belangrijke impact heeft op de identiteitsbeleving en de coping-strategieen van de patient, kan hier niet dieper op in worden gegaan, omdat het hier gaat over een medisch aspect.
Naast de fysische conditie vermeldt Charmaz ook het belang van sociale middelen waarover de patient beschikt, als een determinant van de ziektebeleving. Wat zij onder sociale middelen verstaat wordt helaas in het midden gelaten. Ook de respondenten vermelden een aantal factoren, die inderdaad in de categorie sociale middelen kunnen worden geplaatst en duidelijk een invloed hebben op het verwerkingsproces. De mate van sociale steun is hier een duidelijk voorbeeld van. Naast de aantasting van het lichaam en de hoeveelheid en de aard van sociale steun is volgens mij ook de mate waarin de identiteit is aangetast een factor die het verwerkingsproces bepaalt. Indien het zelfbeeld en het lichaam sterker aangetast zijn, vraagt het meer energie, en dus tijd, om de identiteit weer op te bouwen. Deze twee variabelen (aantasting van de identiteit en mate van sociale steun) zijn op hun beurt echter het resultaat van verschillende factoren. Laten we ze daarom even van dichterbij bekijken.
4.1 Mate van aantasting van de identiteit ------------------------------------------
Uit hoofdstuk 3 blijkt dat de mate van self-efficacy, de mate van rolverlies, de mate van ervaren onbegrip en de manier waarop de diagnosestelling plaatsvond waarschijnlijk een belangrijke invloed hebben op de aantasting van de identiteit. Deze factoren maken allemaal deel uit van het proces van abnormaliteit dat eindigt in het verlies van de identiteit. Op welke manier zijn deze factoren bepalend?
4.1.1 Self-efficacy --------------------
Omwille van de recente aandacht voor het zelf als actieve kracht, is ook de aandacht voor het begrip self-efficacy toegenomen. Bandura stelt dat self-efficacy weldadige effecten heeft voor het welbevinden van een individu en dat het een belangrijke factor is in gezondheids-gerelateerd gedrag. Het belang van handelingsdoeltreffendheid wordt ook aangehaald door Seligman (1975). Hij stelt dat men meer kans heeft op een depressie wanneer men gelooft dat zijn eigen handelingen geen invloed hebben op het veranderen van de omstandigheden waarin men zit. (Gecas & Burke, 1995:41-59) Op basis van deze beknopte literatuur kunnen we als volgt redeneren. Meer gevoel van handelingsdoeltreffendheid geeft de patient het gevoel, ondanks het ervaren rolverlies, toch nog van tel te zijn voor zijn omgeving. Bij een hoge mate van self-efficacy heeft hij minder kans op een depressie, en wordt zijn gezondheidsgedrag op een weldadige wijze gestimuleerd. Er kan vanuit worden gegaan dat het stimuleren van de mate van self-efficacy van de patient, gunstig is voor de afbouw van CVS als master-status, of voor de mate waarin de ziekte het leven van de patient overheerst.
Deze redenering kan worden teruggevonden in de interviews. De respondenten verschilden duidelijk in hun perceptie van handelingsdoeltreffendheid en in de mate waarin CVS hun leven overheerst. Zo vermeldde Krista dat ze blij was dat ze voor andere mensen af en toe iets kan terug doen, omdat dat haar afhankelijkheidsgevoel beperkt. Ze heeft het gevoel dat mensen ook van haar afhankelijk zijn, waardoor zij minder controleverlies ervaart.
De mate van self-efficacy kan worden gestimuleerd door de omgeving van de patient. Belangrijk is dat deze inziet dat, ondanks de vele afwijzingen, dingen blijven vragen essentieel is, omdat het de patient het gevoel geeft belangrijk en onmisbaar te zijn. Een andere strategie die het gevoel van controle stimuleert, is de ontwikkeling van een persoonlijk gezondheidsplan. Het is in het dagelijkse leven, volgens een proces van 'trials and errors', dat mensen over hun ziekte leren. Ze ontdekken zo de valkuilen van het delicate evenwicht waarin ze zich bevinden. Door deze op te schrijven, en er patronen in proberen te ontdekken, ontstaat een zekere voorspelbaarheid van het ziekteverloop, die naar een bepaalde mate van controle over de ziekte leidt. Deze is noodzakelijk om aantasting van het zelf te beperken, of om het aangepaste zelfconcept veilig te stellen. (Kralik, 2002) Herinneren we Dirk, die al vier jaar alles in verband met zijn levensstijl en zijn ziekte bijhoudt op de computer. Ook hij stelt dat hij geen last heeft van controleverlies. Aangezien controleverlies een indicator is van de mate van self-efficacy, kan worden gesteld dat Krista en Dirk nog een aanzienlijke mate van handelingsdoeltreffendheid ervaren. Beiden bleken zich ook vrij goed te hebben aangepast aan de ziekte.
4.1.2 Rolverlies -----------------
Omdat de identiteit bestaat uit de uitoefening van verschillende rollen, kunnen we vermoeden dat een sterke mate van rolverlies een negatieve impact heeft op het behoud van het zelf. Dat er rolverlies plaatsvindt is zeker. Dit werd bevestigd door alle respondenten. Toch heeft de ene hier meer last van dan de andere, en worden niet bij alle personen dezelfde rollen aangetast. Omdat twee jonge respondenten rolverlies enigszins nuanceerden, kan er worden verondersteld dat de oorzaak ligt in het feit dat zij minder rollen uitoefenden dan anderen. Zo hadden zij bijvoorbeeld geen kinderen. Hieruit lijkt het alsof men minder rollen kan verliezen indien men er minder uitoefent. Dit is echter een simplistische benadering. Volgens Clark ontstaat iemands zelfrepresentatie uit het feit dat er zelfkennis in verband met domeinspecifieke zelfaspecten (verschillende rollen) wordt opgeslagen. Deze aspecten kunnen onderlinge verbanden aangaan. Hoe meer verbanden er worden aangegaan, hoe hoger de zelfcomplexiteit. Individuen met een hoge zelfcomplexiteit ervaren minder snel stress, fysische symptomen en griep. Dit kan worden verklaard door het feit dat wanneer een negatieve levensgebeurtenis een component van het zelfconcept van een individu raakt, er nog steeds andere componenten in staat zijn een bewijs te leveren van de waarde en positiviteit van het leven van een individu. (Clark, 1994:239) Hoe meer verschillende rollen men uitoefent, hoe meer men volgens deze redenering in staat is negatieve levensgebeurtenissen te incasseren.
In welke mate CVS de roluitoefening, en daardoor de aantasting van de identiteit beinvloedt lijkt sterk afhankelijk te zijn van individu tot individu. Het is niet zeker of de hoeveelheid rollen die men uitoefent van belang is bij de aantasting van de identiteit. Dit kan hier niet worden nagegaan aangezien er te weinig jonge versus oudere respondenten aan het onderzoek deelnamen. Het kan immers zijn dat deze respondenten minder rolverlies ervaren omdat ze nog niet zo lang ziek zijn. Bovendien kunnen we niet automatisch stellen dat ouderen altijd meer rollen uitoefenen dan jongeren, en dat indien jongeren minder rollen uitoefenen hun identiteit minder wordt aangetast. Uiteindelijk is de identiteitstransformatie ten gevolge van een chronische ziekte slechts partieel. Men behoud steeds bepaalde aspecten uit het vroegere zelf bij de heropbouw van de identiteit. (Asbring, 2001:312) Toch kan worden gesteld dat omwille van de noodzaak van energie voor de uitoefening van welke soort rol dan ook, elke rol door het energieverlies dat CVS met zich meebrengt, in het begin zal worden aangetast, en nefast is voor het zelfbehoud.
Hoe op dit rolverlies moet worden ingespeeld is geen eenvoudige zaak. Reorganisatie van de functies die iemand uitoefent kan ertoe leiden dat deze functies kunnen blijven worden uitgeoefend, zij het in beperktere mate of in een andere vorm. Zo heeft Gaston door de boekhouding te doen van de autosportfederatie en het ter beschikking stellen van zijn kennis en ervaring, toch nog het gevoel dat hij in dit verband van tel is. Ook Rani paste haar activiteiten aan haar mogelijkheden aan.
Rani: - 'Ik heb vele nieuwe dingen en mensen leren kennen, en ik heb ontdekt dat ik nog wel dingen voor mensen kan doen, en kan betekenen. De vriendin die meditatielessen geeft, die doet dat in de vorm van een vzw, en ik doe daar voor een stukje de administratie voor. Ik kan dat perfect hier doen, wanneer ik energie heb. En ik weet dat dat voor haar heel belangrijk is. Dat neemt haar veel werk uit handen. En daar denk je dan ook over na, ik ben wel weer iemand.'-
De mate waarop rolverlies wordt ervaren lijkt samen te hangen met de mate van self-efficacy die iemand bezit. Het feit dat Rani de administratieve kant van het beheer van de vzw van haar vriendin overneemt, bevordert haar gevoel van handelingsdoeltreffendheid. Tegelijkertijd oefent ze op die manier een taak uit die verbonden is aan haar rol als vriendin. Doordat de uitoefening van die taak impliceert dat ze haar vriendin helpt, heeft ze het gevoel dat haar rol als vriendin niet, of minder wordt aangetast door de ziekte. Het stimuleren van self-efficacy kan dus een positieve invloed hebben op de mate waarin rolverlies wordt ervaren, en dus op de mate waarin de identiteit wordt aangetast.
4.1.3 Diagnosestelling -----------------------
De medische diagnosestelling is een zeer belangrijk moment in het ziekteverloop van de patient, omdat deze nog steeds de belangrijkste manier is waarop een ziektetoestand maatschappelijk wordt gelegitimeerd. De legitimatie van een ziekte of syndroom kan extreem belangrijk zijn voor het genezingsproces en voor het persoonlijke welzijn van de patient omdat met behulp van een diagnose mensen in staat zijn een kader te ontwikkelen waarin ze problemen kunnen interpreteren. (Ray, 1994:143)
In de interviews wordt het door Ray geschetste belang van de diagnose inderdaad bevestigd. Twee aspecten in verband met de diagnosestelling, namelijk het moment waarop ze werd gesteld, en het feit of de diagnose correct was, kwamen specifiek naar voren, en lijken een invloed te hebben op de manier waarop de ziekte de identiteit aantast.
4.1.3.1 Tijdstip van de diagnose ---------------------------------
In de onthaalbrochure van de patientenvereniging Anamkara kan men lezen dat hoe sneller de patient weet waaraan hij lijdt, hoe sneller hij hulp zoekt en hoe minder het lichaam en de identiteit zullen worden aangetast. De diagnose moet inderdaad vroegtijdig worden gesteld, om fysische handicaps zo snel mogelijk te identificeren, en mogelijke psychiatrische stoornissen of andere psychische en sociale hindernissen te elimineren. (Aylward, 1996:885) Omdat CVS een uitsluitingsdiagnose is, is het logisch dat de diagnosestelling meer tijd zal vragen dan het stellen van een andere diagnose, omdat er op alle andere mogelijkheden testen worden afgenomen. Dit zou echter binnen de zes maanden moeten kunnen gebeuren. Wanneer we kijken naar de duur tussen het jaar waarin de respondent ziek werd, en het jaar waarin de diagnose werd gesteld, dan merken we dat het gemiddelde voor de respondenten op vier jaar en zes maanden ligt. Twee respondenten die reeds sinds hun jeugd ziek zijn werden uit deze berekening weggelaten, omdat het extreem lang heeft geduurd voor zij gediagnosticeerd werden, en dit het resultaat zou vertekenen. Wat betreft het tijdstip van de diagnose zijn er onder de respondenten opmerkelijke verschillen. Voor acht respondenten bedraagt de periode tussen het uitbreken van de ziekte en het stellen van de diagnose langer dan vijf jaar, waarvan bij 1 persoon de diagnose nooit is gesteld geweest. Vier patienten wisten daarentegen zeer snel, dit wil zeggen binnen een jaar na het uitbreken van de symptomen, dat ze CVS hadden. Opvallend is dat het gaat om personen die pas na 1997 ziek zijn geworden. Dit wijst op de toenemende bekendheid en aanvaardbaarheid van CVS bij de artsen.
Dat de duur van de periode tussen het uitbreken van de ziekte en de diagnosestelling beperkt moet worden is belangrijk omdat op die manier de periode van onwetendheid en de onzekerheid, die de identiteit van de patient sterk aantast, wordt ingekort. Hoewel onzekerheid het hele chronische ziekteproces blijft kenmerken (Radley, 1994:143), is ze ongetwijfeld het grootst in de periode voor de diagnose omdat men niet weet wat men heeft, hoe lang het nog zal duren, welke therapieen of vorm van sociale steun het meest gepast zijn etc. Enkel bijscholing van artsen in verband met het syndroom en in verband met de diagnostische criteria, kan bijdragen tot het sneller stellen van de diagnose, en het verkorten van de periode van intensieve onzekerheid en radicale in vraag stelling van zichzelf. Volgende twee getuigenissen tonen aan hoe verschillend de ervaringen van CVS-patienten kunnen zijn op dit vlak, en welke ernstige gevolgen het weigeren van het stellen van een diagnose kan hebben.
Rani: ' -Ik ben ziek geworden in februari, en dan in juli de eerste testen in Pellenberg en dan hebben ze de diagnose vastgesteld. Ze klopte dan eigenlijk niet helemaal, omdat ik nog maar vijf maanden ziek was, en je moet minimum zes maanden de ziekte hebben. Maar ze zeiden ja, de symptomen zijn duidelijk, en het kan alleen maar erger worden als je er niet onmiddellijk iets aan doen. '-
Rene: (ziek sinds pubertijd) - '...ik heb hier een papier liggen waarop de dokter heeft geschreven dat ik 25 jaar in behandeling ben wegens een chronische aandoening. Voor dat ik wegging bij Belgacom. Ik was juist 59 en ik kon niet meer. Ik kwam van het station af, en dat was precies ene dat zat was. Ik sloeg mijn benen en voeten zo scheef, dat mijn vrouw zei van Rene, houdt uw manieren. En dan zei ik, gaade gij dat nu nooit eens begrijpen dat het met mij niet goed zit. Al mijn ziekendagen waren op eh, ... Dan ben ik doorgestuurd naar het gasthuisberg, en daar hebben ze dan vastgesteld dat ik altijd fybromialgie heb gehad. En ik kan soms zo moe zijn eh, awel, en nu kan ik pas zeggen dat ik begrip heb gehad. (...) Die diagnose eh,.. Ik zat daar maar te wachten zo ziek als een hond. Ik trachtte al jaren mee te draaien in het systeem. Ik was bij de arbeidsgeneesheer geweest al tien jaar ervoor. En die begrepen dat niet. De laatste jaren waren harde jaren voor mij hoor. Ik heb hier bij dokter x geweest, en dan heb ik nog een papier voor fysische geneeskunde, en dieje dokter heeft gezegd dat ik fybromialgie had. Ik zei, maar hoe komt dat, ik heb dat al sinds mijn pubertijd, en die zei, dat kan zijn, maar ge kunt daar niets aan doen, doet gij uw best maar voort. Ze durfden niet vlakaf zeggen, gij kunt niet meer werken. Ene heeft mij dat gezegd, in het begin als ik getrouwd was. Hij zei dat alles beter zou gaan als ik getrouwd zou zijn, maar alles ging niet beter. Het was zo dat als ik de huwelijksdaad stelde, dat ik daar vier dagen van onder de voet was eh. Dat ik vitaminen moest nemen. Dat was triestig voor mijn vrouw. Maar mijn vrouw heeft mij altijd goed gesteund. Ik versta nooit niet dat ze nooit de lichamelijke kant behandeld hebben. ... ik ben daar maar altijd doorgesparteld. (...) Ik heb die ziekte lange tijd niet aanvaard. Ik heb die ziekte nog maar pas kunnen aanvaarden de laatste jaren. Wij moesten dynamisch zijn, we mochten niet lui zijn. Ik fokte mezelf op om veel te presteren. En het is nog niet zolang, van als ik de diagnose weet, ...dokter y heeft gezegd, inderdaad meneer, gij hebt fybromyalgie. En toen herinnerde ik mij dokter x. Die had gezegd, gij kunt eigenlijk niet werken, ... Eens ik gepensioneerd was, durfden ze zeggen wat ik had. Maar den tijd ervoor hadden ze precies schrik dat ik ervan zou profiteren. Toen zeiden ze dat ik zenuwen had, en dat ik moest proberen vol te houden.'-
4.1.3.2 Correctheid -------------------
De radicale in vraag stelling van het zelf en het uitblijven van aanvaarding, zijn niet alleen een gevolg van de onzekerheid die ontstaat uit het ontbreken van een diagnose, maar kunnen gestimuleerd worden doordat artsen een foute diagnose stellen. Veel voorkomend bij CVS-patienten is het feit dat artsen de vermoeidheid gelijk stellen aan de lusteloosheid die voortkomt uit een depressie. Antidepressiva worden voorgeschreven maar hebben een verkeerde uitwerking.
Marlies: (ziek sinds 1985) - '...dat heeft prof. x gezegd, gij zit al jaren met die ziekte. Maar niemand geloofde mij, het zat tussen mijn oren. Ik moest maar overgeven, ik had zogezegd anorexia omdat ik niet wou eten, maar ik kon gewoon niet van vermoeidheid. Iedere keer zat het tussen mijn oren, het was depressie en al... tot twee jaar geleden, dan is dat gebleken dat het niet zo was, en dan heb ik al die medicatie overboord gegooid. En ik ben nu beter dan ik ooit geweest ben.'-
Linda: (ziek sinds 1980) ' -En ik wou dat allemaal op mijn eentje, omdat ik zodanig veel miserie gehad, die dokters, ze zaten mij tot hier. Altijd maar dat zelfde horen, het zal wel psychisch zijn. Ik kreeg het eh, als ze dat zeiden. Het zuiverste bewijs, mijn huisarts heeft alles geprobeerd, wat ze proberen is u antidepressiva te geven. Ge hebt dus overdracht in uw hersencellen die niet meer zo goed gaat. Antidepressiva moet dat verbeteren. Dat is algemeen geweten. Mijn huisarts heeft dat geprobeerd bij mij met kweetnie hoeveel merken, en dat had nooit geen effect, integendeel, dat werd nog erger. Ik had razende koppijn, ik zei tegen mijn huisarts, ik heb zelfmoordneigingen. Dat mag niet. Antidepressiva moeten u vrolijker doen voelen. Dat heeft nooit gelukt, nooit.'-
Omdat er geen duidelijke fysische oorzaken van de vermoeidheid werden gevonden, werd bij de meeste respondenten aanvankelijk geopperd in de richting van psychische problemen. Wanneer patienten psychisch worden gelabeld gaan ze zich hier misschien in het begin tegen verzetten, maar onvermijdelijk leidt dit tot de in vraagstelling van het zelf. Hoewel de patient er zelf van overtuigd is dat er aan hem op mentaal vlak niets mankeert, trekt hij zijn 'gezond verstand' in twijfel. Wanneer de patient na een tijdje ook in de diagnose gaat geloven kan het, zoals bij Rene, enorm lang duren voordat er een juiste diagnose wordt gesteld. De identiteit is dan vaak onherroepelijk aangetast. Respondenten werden vooral opgezadeld met diagnoses als depressie, anorexia, bordeline- persoonlijkheidsstoornis enz. Door sociale stigmatiseringsprocessen werd de identiteit hierdoor sterker aangetast. Omwille van een eerdere, foute diagnose, blijft de omgeving jaren nadat de diagnose CVS werd gesteld, vaak nog steeds de link leggen naar depressie en psychische problemen. (Ablon, 1995:1481-1489) Ook een verblijf in een psychiatrische instelling vergeet men niet gauw. Uit volgende getuigenis blijkt dat het enorm moeilijk is het label dat men daar verwerft nadien weer kwijt te geraken. Wanneer men bovendien niet beter wordt, omdat men niet op de juiste plaats zit, dan tast dit label de identiteit alleen maar aan, zonder de patient van de ziekte te verlossen, of zonder hem de geschikte coping-strategieen aan te leren.
Mischa: (ziek sinds 1992) - 'Dan stelde mijn psychiater voor om naar Santa Maria te gaan, dus naar de psychiatrie. Maar daar scheuren ze u open, je wordt daar psychisch zo belast, ze kraken u helemaal, ja dat was het begin van het einde. Ik wil het niet helemaal negatief bekijken, ik moet er ook de positieve dingen van leren inzien. Maar de wonde van vroeger, die eigenlijk helemaal was geheeld, werd weer helemaal opengetrokken, en dat graven in het verleden is eigenlijk niet goed, want ik vind een wonde die genezen is die mag je niet weer opentrekken want dan geneest die niet meer tegoei. Dat heeft veel teweeg gebracht. Ik wou er gewoon niet over praten, omdat ik vond dat het verleden voorbij was, dat je naar de toekomst moet kijken. Dat doet men in de psychiatrie, altijd maar graven. Plus je komt in contact met mensen met andere psychische problemen, met echte afwijkingen, en daar zit je dan ook tussen, en dat is allemaal belastend. Ik had niet alleen de fysische pijn, maar al de emotionele spanningen, dat maakt het extra zwaar. En dan heb ik na acht maanden gezegd het is gedaan, ik ben hier weg. Had ik toen gewild, of beter gezegd, geluisterd, dan zat ik er nu nog. Toen heb ik gezegd, pillen aan de kant, weg met al die rommel. Als je er niet beter van wordt... Die psychiatrie, dat is wel een fase die de hel is geweest, daar hebben ze wel een stempel op me gezet. Nu heb ik er zelfs nog last van, maar dan dien ik hun van antwoord, of dan reageer ik er al lachend op, ...'-
Een foute diagnose en verkeerde therapieen leiden bovendien tot foute copingstrategieen waardoor optimale aanpassing wordt verhinderd. Omwille van schaamte over het psychisch label, zal de patient gestimuleerd worden in de ontkenningsfase te blijven hangen, wat aanpassing in de weg staat. Foute diagnoses zetten de patient op een verkeerd spoor wat het onbegrip bij zichzelf, het onbegrip in de omgeving, de stigmatisering en de woede ten opzichte van de geneeskunde, alleen maar vergroot. Tenslotte kan de diagnose, door middel van haar legitimerende werking, een einde stellen aan de zoektocht van het individu naar ziekteverklaringen, waardoor deze in staat is zijn energie te steken in het aanvaardingsproces, en wordt bovendien de beschikbaarheid van sociale steun bevorderd. Hoewel medische legitimatie de sociale ondersteuning van de patient bevordert, is noodzakelijke sociale en economische steun op lange termijn, hierdoor echter niet verzekerd. (Millen, 1998:133)
4.1.4 Onbegrip ---------------
Wanneer een CVS-patient geen andere mensen in zijn omgeving kent die aan het syndroom lijden, of die het syndroom kennen, zal hij met onbegrip worden geconfronteerd. Onbegrip is niet het zelfde als gebrek aan sociale steun. Respondenten vertelden dat familie en vrienden hun best wel deden, maar dat ze het niet begrepen. Hoe sterker dit onbegrip wordt ervaren, hoe sterker de patient zich vervreemd voelt van de anderen, en van zijn oude identiteit, die gebaseerd is op de sociale relaties met die anderen.
Rani: ' -Daar heb ik eigenlijk tot een half jaar geleden heel weinig begrip gekregen. In de zin van, ik heb heel veel last van geluiden, mijn moeder praat graag en luid, mijn broer heeft muziek opstaan en de andere is een computerspelletje aan het spelen. En daar kon ik gewoon niet tegen. En dan werd er van mij maar verwacht dat ik wel geregeld op bezoek kwam, en als het dan teveel werd, dan moest ik boven maar op bed gaan liggen. En dan had ik zoiets van ik kom niet op bezoek om op mijn bed te gaan liggen, toch niet een hele namiddag. En het werd eigenlijk erger. Ze gingen er meer en meer van uit dat het wel ging, dat ik dat maar moest kunnen verdragen, en toen heb ik eigenlijk zelf eens een keer op afspraak naar mijn ouders gegaan. Want dat ging zo niet meer. En nu merk ik wel dat ze hun aanpassen.'-
Bart: - '...vooral ook onbegrip. De familie doet haar best, en goede vrienden doen ook hun best, maar ge merkt aan kleine dingen dat ze het eigenlijk niet, dat ze zich nog niet ten volle kunnen inleven. Maar ik wil ook niet zielig gaan doen, en altijd maar gaan smeken van wil je niet dit of dat voor mij doen, maar ja, als je bij iemand komt, en ze doen niet de moeite om de muziek af te zetten, ... Of ze blijven roken... Of als ze zeggen, kom maar eens op bezoek, maar ze weten dat ik om vijf uur of om zes uur 's namiddags al van de kaart ben, en als ze dan toch om acht uur komen,... dan heb ik zo het gevoel van ze begrijpen het nog altijd niet, ook al zeggen ze het wel.'-
Het ervaren van begrip en onbegrip en de aantasting van de identiteit, hangen natuurlijk wel samen met de beschikbaarheid van sociale steun. Omdat sociale ondersteuning, naast fysieke conditie en aantasting van de identiteit, van cruciaal belang is in het proces van statusverloop bij chronische patienten, wordt deze factor hier beschouwd als een derde determinant van het statusverloop bij CVS-patienten.
4.2 Sociale steun ------------------
De eerder besproken factoren die een invloed hebben op de aantasting van het zelf, worden beinvloed door de mate van sociale steun waarop de patient kan terugvallen. Er bestaan wel individuele technieken waardoor de patient zelf zijn handelingsdoeltreffendheid kan verhogen, en zijn rolverlies kan beperken, maar de reactie van de omgeving speelt hierin toch een grote rol. Vooral voor de diagnose en het verkrijgen van begrip, is de patient afhankelijk van anderen. Laten we even teruggrijpen naar de betekenis van het begrip sociale steun.
Er bestaan twee zienswijzen in verband met het bestaan van sociale steun. Volgens een eerste, structurele perspectief, verwijst sociale steun naar het sociale netwerk waarin we ons bevinden. Vooral het aantal sociale relaties wordt als indicator beschouwd voor de mate van sociale integratie. Een tweede, functioneel perspectief is kwalitatief van aard en meet de perceptie bij een individu van de beschikbaarheid van sociale steun. Algemeen bestaan er vier types van sociale steun. Naast emotionele, materiele en informationele steun, wordt ook de ondersteuning van het zelfvertrouwen (esteem support) als een vorm van sociale steun beschouwd. Volgens Kaplan draagt sociale steun bij tot minder gezondheidsproblemen omdat het een stress -buffer creeert. Sarason stelt dat sociale steun mensen in staat stelt meer effectieve 'coping' -strategieen te ontwikkelen. Ook een hoger zelfvertrouwen, een grotere algemene levenstevredenheid en een hogere pijngrens zijn enkele positieve gevolgen. Bovendien leidt de aanwezigheid van sociale steun ertoe dat mensen sneller in staat zijn hulp te vragen wanneer ze in moeilijkheden verkeren. (Herbette, 2002:17) (Tijhuis e.a., 1995:1514) Ook uit de interviews blijkt in het algemeen, dat respondenten die beschikken over veel ondersteuning minder problemen ervaren in verband met controleverlies en het vragen van hulp. Bovendien komen zij minder snel in een extreme leegte terecht, wat de evolutie naar CVS als masterstatus bemoeilijkt. Omwille van het belang dat er in de literatuur wordt gehecht aan sociale steun in verband met ziektebeleving, en omdat de problemen die de respondenten vermeldden, dikwijls te herleiden zijn tot de interactie van het gebrek aan sociale steun en de aantasting van de identiteit, gaan we hier dieper op in. De manier waarop de invloed van verschillende soorten sociale relaties wordt besproken, is gebaseerd op de indeling die House en Kahn in 1985 maakten. Onder sociale steun worden emotionele steun, informationele steun, materiele steun en ondersteuning van het zelf verstaan.
4.2.1 Emotionele steun -----------------------
Emotionele steun kan worden begrepen als het ontvangen van liefde, bescherming en geruststelling in moeilijke momenten. (Herbette, 2002:18) Er wordt gesteld dat de beschikbaarheid van emotionele steun vooral belangrijk is wanneer een levensgebeurtenis angst opwekt. Angst ontstaat vooral wanneer deze gebeurtenis onvoorspelbaar is, ongekende gevolgen heeft en niet gelinkt kan worden aan een specifieke oorzaak. CVS kan beschouwd worden als dergelijke levensgebeurtenis. Toch blijkt dat de beschikbaarheid van emotionele ondersteuning verre van logisch is. Ofwel begrijpen mensen de werkelijke impact van CVS niet, of men weet niet goed hoe er moet worden gereageerd of men reageert negatief omwille van zelfbescherming. De zorgverlener wordt immers geconfronteerd met een dubbel gevoel. Volgens de culturele norm is hij verplicht tot het verlenen van emotionele steun. Anderzijds wordt hij geconfronteerd met angst en afkeer wanneer hij de patient ontmoet. Negatieve reacties als ontwijking, minimalisatie, beschuldiging, stigmatisering en discriminatie zijn volgens Herbette een manier waarop mensen deze dualiteit proberen te verminderen. Ze leggen op die manier de schuld als het ware bij het getroffen individu, waardoor ze ontsnappen aan de angstaanjagende gedachte dat ook zij het slachtoffer kunnen worden van het noodlot dat blijkbaar in staat is onverwacht toe te slaan. (Herbette, 2002:27-28) Laten we even kijken op wie de respondenten vooral willen, of kunnen terugvallen wanneer ze behoefte hebben aan emotionele ondersteuning.
4.2.1.1 De partner ------------------
In haar onderzoek naar aanpassing aan chronische ziekten, stelt Charmaz dat, voor een goed resultaat, vooral de steun van de partner van essentieel belang is. Mannen zijn volgens haar minder geneigd dan vrouwen om taken over te nemen van hun zieke partner. Mannen zijn bovendien in staat zich emotioneel sneller af te sluiten van hun zieke partner, en de relatie in dergelijke omstandigheden sneller stop te zetten. Voor emotionele en praktische ondersteuning doen chronisch zieke vrouwen daarom meer beroep op hun volwassen kinderen, vrienden en thuishulp. Voor beide geslachten geldt dat de verschillende crisissen en handicaps die het gevolg zijn van de ziekte, de belangrijkste rollen binnen de relatie (vb.broodwinner, seksuele partner,...) sterk aantasten. Hierdoor wordt de mate van begrip en steunverlening, vooral bij echtgenoten of partners van jonge tot middelbare leeftijd, ondermijnd. Huwelijken of relaties die reeds voor de ziekte conflictueus waren, hebben meer kans op dit moment te worden verbroken. (Charmaz, 1995:669-670)
Bij de respondenten blijkt dat degenen die een relatie hebben, of die getrouwd zijn, inderdaad zeer veel belang hechten aan de steun van de partner. Wanneer de burgerlijke stand van de respondenten naast hun leeftijd wordt gelegd kunnen enkele interessante bevindingen worden gedaan. In de interviews werd er gepeild naar het feit of de partner begrip had voor de ziekte, en of er voldoende op de partner kon worden gerekend. Wat blijkt: Van de 13 respondenten die ooit getrouwd waren of nog steeds getrouwd zijn, vinden 6 personen dat hun partner hen niet begrijpt en onvoldoende steunt. Bij twee van de drie respondenten die gescheiden zijn ligt de ziekte onrechtstreeks aan de basis. Beide respondenten zijn van het mannelijke geslacht. Daar tegenover staat dat 4 van de 10 respondenten die nog steeds getrouwd zijn, hun relatie serieus in vraag hebben gesteld, en besloten niet uit elkaar te gaan, maar naast elkaar, of op een andere manier met elkaar, te leven dan ervoor. Toeval of niet, maar het betreft hier vier vrouwelijke respondenten.
Mischa: - 'Ik heb alles op een rijtje gezet, voor en nadelen, met mijn kinderen erover gepraat. Het is daarom dat ik een advocaat had, euh, ik kom tot het besluit dat men mij vijfig procent ja zegt, de andere helft zegt neen. Ik heb ook met mensen gesproken die de stap wel hebben gezet, want tenslotte, ik ben geen twintig jaar meer eh, zo bekijk je het ook. En dan denk ik ja, zullen we niet beter proberen er toch nog iets aan te doen, of er een andere kijk aan te geven, en zo lang, ja, ik het kan volhouden, leid ik mijn eigen leven hier. Het enige wat wij samen hebben is het samen eten. Hij loopt hier wel eens rond, en dan denk ik, hij heeft ook zijn problemen. Ik kan het eigenlijk niet met mijn geweten in overeenstemming brengen, want dan denk ik, ja dan loopt hij ook in zeven sloten tegelijk. Ik heb hem ondertussen leren kennen, weet wie hij is. Ik weet dat ik geen energie erin moet steken in de zin van hem te veranderen, want dat lukt niet. Van de andere kant denk ik dat ik ook veel opoffer. Ik heb ook het recht op warmte, genegenheid en aandacht. En daar ben ik eigenlijk niet uit.'-
Het feit dat mannen eerder in staat zijn zich emotioneel los te koppelen van hun partner en hun relatie te beeindigen, lijkt bevestigd te worden. Dit kan te maken hebben met het feit dat mannen meer belang hechten aan het behoud van controle, en dat scheiden een manier is om te tonen dat ze nog steeds onafhankelijk zijn. Wanneer we kijken naar de gemiddelde leeftijd van de respondenten die niet tevreden waren van de geleverde empathie langs de zijde van de partner, ligt deze op 52 jaar, een heel stuk hoger dan de gemiddelde leeftijd van alle respondenten samen, die 44 jaar bedraagt. Meer nog, op twee respondenten na, betreft het hier de zes oudste respondenten. Dit wil zeggen dat in deze steekproef, van degenen die getrouwd zijn, niemand jonger dan 47 jaar (vier respondenten) gescheiden is of een scheiding heeft overwogen. Dit lijkt de hypothese van Charmaz dat jonge koppels minder bestand zijn tegen de ondermijning van het rollenpatroon op het eerste zicht te verwerpen. Hier zijn het immers de oudste respondenten die ofwel gescheiden zijn, ofwel serieuze relatieproblemen hebben gekend. Het is echter ook mogelijk dat er meer problemen komen met het verlenen van emotionele ondersteuning naarmate de termijn van de ziekte toeneemt. Gemiddeld zijn de zes respondenten die ernstige relatieproblemen hebben gekend omwille van de ziekte, immers reeds 10 jaar ziek. Dergelijke conclusies mogen echter niet te snel worden getrokken, omdat ook de andere respondenten al vrij lang ziek zijn. Toch is dit een extra motivatie om zoals Herbette, het voortbestaan van sociale steun op lange termijn in twijfel te trekken. (Herbette, 2002) Een andere mogelijke verklaring in verband met het feit dat de jonge respondenten minder relatieproblemen leken te hebben als gevolg van de ziekte, kan liggen in het feit dat oudere mensen nog meer vastgeroest zitten in het man/vrouw-patroon van enkele decennia geleden. De man kan in dit opzicht inderdaad meer problemen hebben met het feit dat de vrouw verschillende huishoudelijke taken niet meer aankan, en zelf zal moeten bijspringen. De vrouw zal in deze visie ook minder geneigd zijn haar man te verlaten, en de man zal als hij zelf ziek wordt, meer moeite hebben met het feit dat hij zijn rol als broodwinner moet opgeven en afhankelijk wordt van zijn vrouw. Hij zal vanuit dat standpunt eerder geneigd zijn haar 'te ontzien van de last' door alleen te gaan wonen.
Alex: - 'Als ik het bondig moet samenvatten, 52 jaar, sinds 2,5 jaar woon ik alleen en dat is ook een consequentie van de gezondheidsproblemen waar ik mee zit. Dus uiteen gegaan, opzettelijk gaan alleen wonen omdat gans die problematiek van die ziekte zo zwaar op het gezin drukte, ... Om mekaar niet meer ten laste te zijn, dus echt de last van altijd een blok aan het been te zijn, en dus niet mee te kunnen met de rest van de hoop, heb ik dus twee jaar geleden zelf de stap gezet van alleen te gaan wonen.'-
Hendrik: - 'Want dan kan je je de vraag stellen, de oorzaak van de breuk, ligt het aan de patient, of ligt het aan de partner? Want men zou gemakkelijk kunnen denken, ja, het zal de partner zijn die het beu is om steeds met een zieke rekening te moeten houden, en op de duur leidt dat tot spanningen, dus het is in feite mijn ziekte die de oorzaak is van mijn echtscheiding. Ik weet het niet hoor. Het is misschien de zieke ook die niet kan aanvaarden dat de partner het kan aanvaarden dat hij of zij ziek is. Dat is een doordenker. Ik heb een relatie met een CVS-patiente gehad, en ik dacht toen dat dat goed was. Want je weet wat het is, je kan elkaar beter begrijpen. Dus dacht ik dat dat wel zou lukken, we zouden gewoon allebei op een laag ritme leven. Uiteindelijk ging dat wel tamelijk goed, maar als de ene plat ligt, ligt niet noodzakelijk de andere plat. Het verschil blijft toch nog altijd bestaan. Als de ene goed is is hij goed. Ik zou het niemand aanraden. Want je hebt een valide, gezonde persoon nodig.'-
Verder onderzoek zal moeten uitwijzen op welke manier een chronische ziekte als CVS intieme relaties vormgeeft, en in hoeverre geslacht een bepalende factor is in dit proces. Het feit dat trouwens bijna 1 derde van de respondenten (vijf) uit de steekproef alleen is, wijst er ook op dat het hebben van een relatie voor chronisch zieken alleszins geen voor de hand liggende zaak is.
4.2.1.2 De familie -------------------
Problemen die gepaard gaan met voortdurende uitputting van een familielid kunnen een zware druk leggen op gezinspatronen. Het uitvoeren van huishoudelijke taken, tewerkstelling en de uitoefening van de ouderrol zijn enkele voorbeelden van intra-familiale rollen en taken die kunnen lijden onder de ziekte van een volwassen gezinslid. Mensen die lijden aan CVS hebben schrik door hun naaste familie in de steek te worden gelaten, of gelabeld te worden als lui. Zo een label tast de persoonlijke status en het zelfvertrouwen van het individu immers zeer snel aan. De familie is daarom cruciaal voor het leveren van essentiele zorg en het behoud van het emotioneel evenwicht van mensen met CVS, zodat deze een positief zelfbeeld kunnen behouden op lange termijn. Het is aangetoond dat positieve houdingen van naaste familieleden zowel de emotionele, als de fysische levenskwaliteit van chronische patienten kunnen verbeteren. (Millen e.a., 1998:134-137) Omwille van de betwiste legitimiteit van CVS en de discrepantie tussen de symptomen en het gedrag van een patient tijdens goede periodes, blijkt langdurige emotionele ondersteuning echter niet evident. Ook de respondenten vermeldden herhaaldelijk problemen in verband met steun en begrip van de ouders, schoonouders, broers en zussen.
Veerle: - 'Eerst en vooral mijn familie. Alleen mijn grootmoeder heeft mij in het begin gelooft. Maar mijn ouders, en mijn broer en mijn zus, en al mijn nonkels en tantes, ik kreeg daar snerende opmerkingen van, maar je zag ook niets aan mij eh. Ik zag er goed uit, en ik ben van nature sociaal, ik lach graag, ik babbel graag, en mijn internist zei, gij moet ophouden met u groot te houden, en euh, dat was precies iets dat ik niet kon zeggen, ik ben uitgeput, want de mensen zeggen, denk je niet dat ik niet moe ben,... maar dat is iets anders eh... Ja dus mijn familie heeft mij enorm teleurgesteld in het begin, en nu nog altijd, maar mijn ouders zijn enorm bijgedraaid.'-
Linda: - 'Maar dus die schoonouders dat is totaal fout gelopen. Van dat schoonnichtje, dat verstaan ze wel, omdat ze enorm veel geld geeft aan dure specialisten, en dat is geaccepteerd. Dat van mij niet. Ik ben niet ziek, en daarom heb ik me van hen afgezonderd. Langs mijn kant, mijn vader heeft het niet geaccepteerd. Als hij gestorven is, een jaar of zeven geleden, dan is ons moeder totaal omgeslagen. Ons moeder heeft mij wel gesteund. Daaraan wist ik het. Ons vader heeft dat nooit echt expliciet gezegd, maar ik voelde dat. Als het hier overhoop stond als hij hier was, dan was dat van alle, ruimt dat een keer op. Euhm, hij was zo, hij had een boerderij, hij was schoon opgekuist, alle, hij werkte gewoon graag. Maar ik werkte ook graag, maar als het niet meer gaat... Dat is verschrikkelijk hoor, je kan je dat niet inbeelden hoe verschrikkelijk dat is. Maar ons moeder is totaal veranderd. Zij heeft mij altijd gesteund, op alle manieren, financieel ook.'-
Het feit dat de ouders uiteindelijk bijdraaien is te wijten aan het feit dat de claims van CVS-patienten over hun complexe en bizarre ziekte na verloop van tijd worden gelegitimeerd. Mensen die dicht staan bij de patient, zijn soms pas in staat steun te leveren nadat ze de last van de zorg hebben afgewogen tegenover de waarde die ze hechten aan hun relatie met hem of haar. (Millen e.a., 1998:137) Bij de respondenten blijken vooral de ouders uiteindelijk hun mening te herzien. Er zijn ongetwijfeld ook andere reacties van familieleden dan ongeloof. Lies is echter 1 van de weinige respondenten die in verband met haar familie zo positief is.
Lies: - 'Mijn ouders en mijn broers reageren heel lief, zeer bezorgd, en bellen soms bijna dagelijks, nog altijd, terwijl ik mij daar over verwonder hoe ze dat blijven doen, want het is toch bijna altijd hetzelfde verhaal. Ofwel is het goed ofwel is het slecht, maar enfin, ze blijven geinteresseerd en dat vind ik super. Euhm, ja, en in mijn vriendenkring is dat eigenlijk ook goed. Het probleem situeerde zich eigenlijk echt in de werkomgeving. In familie- en vriendenkring kan ik gewoon de waarheid zeggen, maar in een werkomgeving moet je werken en niet ziek zijn dus ja..'t was wel niet problematisch.'-
De getuigenis van Bart wijst aan dat de steun die familie geeft misschien eerder onder praktische steun (informationele en materiele steun) moet worden gerekend dan onder emotionele steun. Emotionele steun verwijst immers naar het ontvangen van begrip en empathie, wat door de aard van de ziekte niet steeds voor 100% lukt.
Bart: - 'Ik heb het al gezegd, de familie is ongerust en doet haar best. Ze helpen allemaal. Mijn ma komt wel een keer schoonmaken, al moet ze daar telkens 30 kilometer met de trein reizen, en mijn broer en mijn zus doen boodschappen en wat weet ik allemaal. En als ik zelf niet kan rijden, dan is er wel een kameraad of een vriendin om me naar de dokter te doen. Maar 100% empathie, dat is moeilijk.'-
4.2.1.3 Vrienden ----------------
Naast de partner en de familie, worden ook de vrienden door de respondenten vermeld als een belangrijke bron van steun. Voor de meeste respondenten blijkt CVS iets dat echte vriendschappen selecteert. Vele vrienden vallen weg, doordat ze het niet kunnen opbrengen om jaren lang voor een zieke vriend te zorgen. Patienten zijn echter genoodzaakt ook zelf keuzes te maken in wie de schaarse energie wordt gestoken. Vaak wordt voorrang gegeven aan de rol als ouder of echtgenoot, waardoor vrienden er tussen uit vallen. De vrienden die worden overgehouden, blijken echter zeer belangrijk in verband met het verlenen van emotionele ondersteuning. Er komen bovendien ook vrienden bij doordat men zich met andere dingen gaat bezig houden.
Krista: ' -Het is ook zo dat CVS iets is dat je vriendschappen sorteert. De vriendschappen die eigenlijk niet helemaal juist zitten vallen erdoor, en de andere die blijven bestaan, dat voel je, die gaan nooit meer kapot.
Rani: - 'Er zijn mensen bij wie ik me heel goed voel, die vriendin die meditatielessen geeft, dat is ondertussen zo een goede band geworden, we hebben dagelijks contact, of ik ga daar naartoe als ik me niet goed voel, zij woont ook alleen. Ik heb daar een kamertje met een bed. Ik kan daar op gaan rusten wanneer ik het nodig heb. Zij zorgt op dat moment eigenlijk voor mij. Als het beter gaat dan doe ik de afwas voor haar, maar als het niet goed gaat, dan begrijpt zij dat ook als ik dat niet doe. Zij springt daar eigenlijk op een heel mooie manier mee om. Maar er zijn ook mensen waarvan ik vroeger wel dacht dat ze vriendinnen waren, maar waar ik nu zoiets heb van ja. Blijkbaar werd het voor hen te moeilijk of te veel.'-
Anne-Marie: - 'Ik heb absoluut behoefte aan nieuwe contacten, en ik heb ook stappen ondernomen, bijvoorbeeld, ik ben na de revalidatie zelfverdedigingssport gaan doen, en ik heb bewust gezwegen over mijn ziekte, we zijn nu een jaar verder, en ondertussen weten het wel al een aantal mensen, maar ik zeg het niet, dat zijn gewoon mijn vrienden, ze nemen me zoals ik ben, ...'-
Sommige respondenten komen omwille van een gebrek aan sociale steun tot de vaststelling dat veel vriendschappen enkel in stand werden gehouden wanneer er van de situatie te profiteren viel. Het gevoel verraden of in de steek gelaten te worden door hun beste vrienden doet mensen met CVS soms twijfelen aan het bestaan van echte solidariteit of aan het sociaal gedrag van de mens.
Mischa: - 'Ik heb mijn hele leven lang me ingezet voor anderen, als ze me iets vroegen, dan stond ik altijd klaar, dat is zo, ik maakte er tijd, en nu ik een probleem heb, sta ik er helemaal alleen voor. Zolang ze je kunnen gebruiken gaat het goed, maar anders... Want ik twijfel aan het sociaal gedrag van mensen eh, want ik denk, de mens is helemaal niet zo sociaal, ik denk dat hij vooral sociaal is als hij er zelf beter van wordt, maar de onbaatzuchtige ...
May - 'Ja, ik voelde me ook bedrogen door de maatschappij. Aanvankelijk belden al de collega's, en geleidelijk stopte dat. En dan denk ik, kijk, voor zovelen, die mijn advies kwamen inwinnen, nam je nog 's avonds na je werk of 's nachts, ging je nog praten met mensen, en dan als je zelf hulp nodig hebt,... want die sterke heeft dat niet nodig eh. En na verloop van tijd was je misschien alleen nog maar dieje karottentrekker eh. En dat is ook niet gemakkelijk. Dat was een ondermijning. Het maatschappelijk beeld, .. je telde niet meer mee. Ook vrienden, in dat eerste half jaar, vrienden van jaren of kennissen, moesten mij niet meer. Ik kon mij niet verdedigen, van wat er met me aan de hand was.'-
4.2.1.4 Lotgenoten ------------------
In haar onderzoek naar ziektebeleving bij chronische patienten komt Kralik tot de vaststelling dat de verhalen van lotgenoten zeer belangrijk zijn bij het verwerkingsproces dat de patient doormaakt. (Kralik, 2002) De patient voelt hierdoor zeer sterk aan dat hij niet alleen is met de problemen waarmee hij dagdagelijks wordt geconfronteerd. Bij lotgenoten vinden CVS-patienten wel begrip, omdat zij hetzelfde meemaken, en daardoor weten hoe ze het best kunnen reageren. Bovendien hebben zij geen schrik zoals gezonde mensen, om met zieken om te gaan.
Anne-Marie: - 'Ook afhankelijk van lotgenoten, ik heb momenten dat ik het niet zie zitten en dan kan ik op die mensen terugvallen, ik heb ze gewoon nodig. (...) De mensen waar ik het meest aan gehad heb in die onzekere periode zijn mijn lotgenoten.'-
Marlies: - 'Vorig jaar heb ik een cursus gedaan, en dan leerde ik daar iemand kennen, en wij lachten met onze miserie, en dat heeft mij veel deugd gedaan. Omdat je zo onozel zit te doen, zal er toch niemand lachen omdat je niet mee kunt. Dan valt dat zo niet op. Dat vond ik heel tof, daar ben ik heel dankbaar voor geweest. Alhoewel, ik heb nu iemand leren kennen, en wij hebben zoiets van, wij gaan iets leuks doen. Koffie drinken, iets knutselen ofzo. Want de CVS-groep heeft ook een wandelgroep, en we hadden zoiets van we gaan daar niet naartoe gaan, want we zitten een hele namiddag te klagen en te zagen. We zeggen het wel een keer, en dan zijn we weer vooruit... Maar met andere mensen, dan kom je buiten, en dan zeggen ze, je ziet er goed uit en dan denk je ja... je gaat er niet meer veel van zeggen, omdat ze het toch niet zullen verstaan. Familie ook niet, want zij zijn nog veel erger.
Hoewel het opzoeken van steun bij lotgenoten om deze redenen voor de hand lijkt te liggen, zijn de respondenten sterk verdeeld in verband met contact met andere CVS-patienten. Sommigen zijn ervan overtuigd dat door met andere patienten om te gaan, de ziekte juist zal blijven aanhouden of dat het genezingsproces erdoor vertraagt. Op de vraag of ze zich engageerde binnen een patientenvereniging antwoordde Veerle het volgende:
- 'neen. En ik weiger dat ook. Ik wil mij meer focussen op gezondheid dan op ziekte. Ik ben een paar keer naar zo een bijeenkomst geweest en eigenlijk werd ik daar depressief van. Al die verhalen van al wat e r niet gaat, en eigenlijk waren de meeste mensen daar er niet toe in staat te kijken naar de winst, en ik heb geen zin om af te zakken in een slachtofferrol. Ik heb daar geen zin in.'-
Hoewel individuele en sociale voordelen van zelf-hulpgroepen in onderzoek werd bevestigd (Humphreys, 1997:12), en ondanks de zeer positieve verhalen van sommige CVS-patienten, is de behoefte aan lotgenoten niet bij iedereen even groot, integendeel, staan sommige patienten hier zeer afwijzend tegenover. De pejoratieve betekenis die door de geneeskunde en de media aan het chronisch vermoeidheidssyndroom wordt toegekend, en de angst voor stigmatisatie, spelen hierbij ongetwijfeld een rol.
4.2.2 Informationele steun ----------------------------
Naast emotionele ondersteuning hebben CVS-patienten ook belang aan concrete informatie. Informationele steun omvat het geven van advies, suggesties en voorstellen in verband met de manier waarop men het best met het chronisch vermoeidheidssyndroom kan omgaan. (Herbette, 2002:18) Vooral patienten die professionele hulp nodig hebben, en die lijden aan een ziekte waarvan de oorzaken vrij ongekend zijn, worden verondersteld baat te hebben bij de beschikbaarheid van informatie. (Tijhuis e.a., 1995:1514) Ook Kralik wijst op het belang voor de patient van informatie en van het aanleren van specifieke vaardigheden. Deze hebben volgens haar een positieve invloed op het verloop van de verschillende identiteitstransities ten gevolge van een chronische ziekte. Op welke manier dit effect geldt wordt niet behandeld. (Kralik, 2002) Tenslotte blijkt ook uit het onderzoek van Ray e.a. naar copingstrategieen bij CVS-patienten, dat het zoeken naar informatie belangrijk is omdat het de patient een gevoel geeft actief naar een oplossing te zoeken, waardoor hij het gevoel van controleverlies probeert te beperken. (Ray e.a., 1993:387) Voor het verkrijgen van informatie in verband met de aard van de ziekte is de patient in eerste instantie aangewezen op de huisarts.
4.2.2.1 De arts ---------------
Op de vraag door wie de respondent werd verder geholpen na de diagnose, in verband met informatievoorziening, antwoordden 13 respondenten dat ze hoofdzakelijk zelf hebben moeten zoeken. Hierdoor zijn CVS-patienten na verloop van tijd vaak beter geinformeerd in verband met het syndroom dan hun huisarts, wat conflicten creeert tussen beide partijen. Zelfdiagnose, of het feit dat sommige patienten CVS zelf voorstellen als mogelijke diagnose, leidt naar de bezorgdheid bij artsen dat de diagnose meer gecontroleerd wordt door de patient dan door de dokter. (Cooper, 1997:201) Doordat de arts als tegenreactie de mogelijkheid van CVS wegredeneert, of de impact ervan nuanceert, voelt de patient zich onbegrepen en in de steek gelaten door de geneeskunde, zijnde de instantie waarvan hij dacht steeds op te kunnen rekenen in geval van ziekte.
Linda: - 'Om eerlijk te zijn, ik heb de dokters geinformeerd. En veel dokters. Er was er hier maar 1 die op de hoogte was. Zij schrijft artikels in wetenschappelijke tijdschriften en zij wist wat chronisch vermoeidheidssyndroom was, ik viel bijna achterover.'-
Een tweede probleem, naast het gebrek aan opleiding van artsen, zijn de verschillende opvattingen over de oorzaken van CVS, bij artsen en patienten.
Krista: - 'Ik heb het allemaal zelf moeten zoeken, tot op de dag van vandaag. Het is wat ik daarnet zei, je moet zelf dokter zijn, zelf psycholoog zijn, plus je moet vind ik als CVS-patient enorm hautain kunnen zijn. Je moet tegen een dokter durven zeggen, je zit er helemaal naast. Of je moet tegen je ostheopaat durven zeggen dat je het vrij grof vindt wat hij nu zegt. Ik weet niet meer juist wie het was, maar hij zei, ja mevrouwtje, gij zit met dat en dat probleem, en wij zullen u daar eens vlug vanaf helpen. Na een aantal maanden bleek dat het niet beterde en toen zei hij zo heel kwaad, ge moet ook willen genezen. Toen was ik heel erg boos en zei, ik denk niet dat jij daar een oordeel over kan vellen, het wordt misschien tijd dat jij je verwachtingen wat bijstelt, en dat je niet tegen je patienten zegt dat je hen er op drie maanden vanaf zal helpen. Toen is hij zich zowel wat beginnen excuseren, maar je voelt wel wanneer het niet lukt, dan gaat men de fout bij de ander leggen. Terwijl de fout niet bij mij ligt en niet bij hem, maar bij het feit dat er zoveel factoren meespelen waarin we voorlopig het geheel niet zien, en zolang we het geheel niet zien zal er ook geen oplossing komen.'-
Artsen zijn sneller geneigd CVS-patienten 'in hun geheel' te bekijken, en dus rekening te houden met psychische en sociale factoren die volgens hen, evengoed als fysische oorzaken, aan de basis kunnen liggen van de symptomen. Hoewel het geweten is dat patienten die lijden aan andere ziektes in plaats van de louter biomedische aanpak van de klassieke geneeskunde, juist ijveren voor meer psychosociale aandacht, lijken CVS-patienten terug te deinzen voor dit biopsychosociale model. Liever zouden ze zien dat de artsen geen rekening houden met psychische factoren, en dat deze het traditionele, laboratoriumgeorienteerde en biomedische model hanteren bij het zoeken naar de oorzaken van hun ziekte. (Banks en Prior, 2000:13,21) Dit is onder andere te wijten aan het feit dat de juiste oorzaak van de ziekte nog niet is achterhaald. Leken hebben meestal andere ideeen over CVS dan artsen. De ziekte is volgens hen te wijten aan louter fysische factoren, terwijl artsen geneigd zijn de ziekte voor een groot deel toe te schrijven aan psychische problemen. (Banks en Prior, 2000:12) Vandaar dat deze patienten eerder geneigd zijn het biopsychosociale model af te zweren.
Ondanks de vaak moeilijke communicatie tussen de arts en de patient, blijken sommige patienten het enorm moeilijk te hebben met het feit dat de relatie met hun arts door de ziekte stukloopt. Ondanks het ervaren onbegrip, hebben ze hem nodig, en willen ze soms niet veranderen van huisarts.
Marlies (ziek sinds 1985, diagnose CVS in 2000): - 'Ik had een huisdokter die mij steeds heeft gesteund, en na de diagnose is alles kapot gegaan. Hij kon er geen weg mee. Hij kende CVS waarschijnlijk niet. En ook kon hij niet verdragen dat het er zwart op wit stond, ik ben niet depressief. Want elke keer als ik daar kwam dan vroeg hij, hoe is het nu met u, en psychisch? En dan dacht ik, ge moet dat niet vragen, ge moet iets aan mijn lichaam doen. En dan heb ik hem twee jaar nog aan het lijntje gehouden, maar dan was ik ongelukkig en ambetant, want hij hielp mij niet. Als ik verrekte van de pijn, dan vroeg hij, en hoe is het psychisch? Hij keek niet meer naar de pijnen. En toen dacht ik ik moet veranderen van huisarts. Maar ge doet dat niet gemakkelijk eh. Dat was acht jaar mijn huisarts, die stond hier wekelijks of twee keer in de week. En hij stelde dat iedere keer uit. En dan heb ik gevraagd wat ik verkeerd heb gedaan? Maar dat gaat niet, hij kan er niet mee om. Ik moet daar afstand van nemen. Maar het is niet gemakkelijk om een nieuwe huisarts te vinden. Tot op vandaag heb ik nog niemand gevonden. Dat is het grootste frustrerende ding vind ik. Je weet dat je niet goed bent, je weet dat je een dokter erbij moet halen, maar ze doen niets. Dat vind ik het meest frustrerend.'-
Omdat de huisarts voor vele patienten nog steeds een belangrijke toevlucht is wanneer ze geconfronteerd worden met lichamelijke problemen, zal een andere arts-patient relatie moeten ontstaan dan degene die gebaseerd is op de kennisautoriteit van de arts uit het model van Parsons. Hoewel dit niet van een leien dakje zal verlopen moet deze volgens het rapport van de 'Royal Colleges' de vorm aannemen van een constructieve therapeutische alliantie tussen de arts en de patient, en kaderen binnen een biopsychosociale benadering van de lichamelijke symptomen, die door het chronisch vermoeidheidssyndroom veroorzaakt worden. (Cooper, 1997:190) Patienten gaan deze andere relatie ook zelf eisen. Ze verwerpen het belang van hun arts niet, integendeel, ze erkennen dat hij soms broodnodig is.
Anne-Marie: (verpleegster) - 't Is vooral misgelopen bij dokters die totaal niet in CVS geloven en die wel degelijk denken dat je een psychiatrisch geval bent. Vooral de manier van omgaan met een arts, ik heb bijvoorbeeld nu een heel andere manier van omgaan met mijn nieuwe huisarts, ik heb dat ook geeist. Ik heb gezegd, kijk, ik wil een open relatie, ik wil alles lezen van jou, en jij krijgt alle informatie van mij, dat is nu ook zo bij ons in het ziekenhuis dat ze multidisciplinaire diensten oprichten, en ik geloof ook dat je altijd met twee meer weet dan alleen. Maar ik ben geweldig ontgoocheld in de klassieke geneeskunde, omdat ik gezien heb dat er systemen bestaan, waarin je past of niet in past. En met deze ziekte pas je er dus niet in. Je past dan wel in de alternatieve,... eigenlijk kunnen die elkaar aanvullen, maar ze willen van elkaar niet weten, dus.. Ja, ge zijt een slachtoffer van het systeem van de geneeskunde he.'-
Deze uitspraak van Anne-Marie brengt ons bij het volgende punt in verband met de problemen die ervaren worden in de klassieke geneeskunde, met betrekking tot een vage ziekte zoals CVS. Omdat patienten vaak van het hoekje naar het kastje zijn gestuurd, omdat elke arts binnen zijn eigen discipline blijft, en omdat er geen verbetering ontstaat, richten vele CVS-patienten zich tot de alternatieve geneeskunde.
Krista: - 'Het zijn altijd mensen die alternatief geschoold zijn. In de klassieke geneeskunde had ik op den duur zo een walging van mezelf, omdat die elk probleem afzonderlijk bekijken. Bij mij is het dikwijls zo dat als ik veel krampen in mijn voeten krijg, gaan mijn sinussen toe en krijg ik aften in mijn mond. En door mijn homeopaat en osteopaat ben ik dat in 1 geheel gaan zien, ik weet dat als ik iets heb ik andere dingen zal krijgen en dan een bepaald middel moet nemen, en dan zijn die problemen weg. Maar er keert wel altijd iets anders terug. Bijvoorbeeld nu heb ik al drie weken stemproblemen, nu moeten we daar weer aan werken. Ik heb op dit moment 's nachts zware zweetbuien, stemproblemen, krampen in mijn linkervoet, dat heb ik nu op dit moment en nu wordt het in 1 geheel gezien, maar vroeger kreeg ik door al die afzonderlijke problemen echt een walging van mezelf.'-
Sommige respondenten zien het nog alternatiever. Belangrijk om weten is dat dit de patient niet zal genezen, maar dat hij met behulp van dergelijke therapieen zijn ziekte beter een plaats zal kunnen geven in zijn leven, waardoor de patient sneller tot de integratie zal kunnen komen van de ziekte in zijn identiteit.
Rani: - 'Op dit moment ben ik nog alternatiever bezig. Voetreflexiologie en dingen zoals reiki. Eigenlijk in die sfeer zoek ik het. Ik voel me daar goed bij, ik geloof nog altijd niet dat die dingen me gaan genezen, maar het maakt het wel draaglijker. Draaglijker in de zin van, ik kan er mee omgaan, ik kan het allemaal beter een plaats geven. Als ik al die dingen niet had, zou ik zwaar depressief zijn. Die dingen zorgen ervoor dat ik al die zaken die gebeuren, dat ik die kan duiden, dat ik kan zeggen, god ja, het is wel goed wat er gebeurt, en we maken er het beste van.'-
Omdat huisartsen niet opgeleid zijn om patienten met CVS te begeleiden zijn patienten genoodzaakt hun informatie elders te zoeken. Meestal vangen de patientenverenigingen en het internet de patient hierin op. Net zoals spiritualiteit een manier kan zijn om met de ziekte om te gaan, vormen zelfhulpgroepen en patientenverenigingen belangrijke opvangnetwerken die patienten met CVS voorzien van informatie, zingeving, begrip en praktische steun. Ook dit vergemakkelijkt voor de patient de manier waarop hij zo efficient mogelijk met de ziekte kan omgaan, en stimuleert het aanpassingsproces dat noodzakelijk is indien hij de controle over zijn leven wil heroveren.
4.2.2.2 De patientenvereniging ------------------------------
Onderzoek toont aan dat zelfhulpgroepen en patientenverenigingen de kennis over de ziekte en over effectieve coping-strategieen bij chronische patienten, verbeteren. Nash en Kramer (1993) tonen aan dat patienten die actief waren binnen dergelijke verenigingen na een periode minder snel emotioneel ontredderd raakten, en dat de ziekte minder drastische gevolgen had voor hun sociale relaties. Bovendien bekeken ze het leven positiever, waren ze minder beschaamd over hun ziekte en vertoonden ze minder psychosomatische symptomen. De verenigingen dienen als zingevingsysteem, omdat men er leert dat men negatieve levensgebeurtenissen niet alleen moet verwerken, en dat men nog steeds deel uitmaakt van een gemeenschap. Doordat zulke verenigingen ondersteunende settings zijn, zijn ze in staat het spirituele leven van de patient te verrijken. (Humphreys, 1997:13) De respondenten in dit onderzoek zijn allemaal lid van de Me-vereniging. Dit wil, zoals eerder werd aangehaald, echter helemaal niet zeggen dat ze allemaal positief staan ten opzichte van zelfhulpgroepen en lotgenoten of actief geengageerd zijn binnen de werking. Omdat er niet specifiek gepeild werd naar de werking van de zelfhulpgroep kunnen hier niet echt uitspraken over worden gedaan. Wat wel kan worden gesteld is dat vooral in verband met informatievoorziening, en het in contact komen met lotgenoten, de Me-vereniging voor CVS-patienten een belangrijke rol speelt.
In Belgie is de internationale Me-vereniging de grootste patientenvereniging. Zij schat dat er in Belgie 1 a 2 per duizend mensen lijden aan CVS. Wanneer we de onthaalbrochure doornemen, komen we de doelstellingen van de vereniging te weten: * meer bekendheid geven aan bestaan van M.E. * Voorlichting en verspreiden van informatie aan artsen en patienten * Ijveren voor de officiele erkenning van de ziekte en aanvaarding van de ziekte door de mutualiteiten en uitkeringsinstanties * Aanmoedigen en opvolgen van wetenschappelijk onderzoek naar een geschikte diagnose en effectieve behandeling * Coordineren van regionale praatgroepen waardoor lotgenoten elkaar kunnen ontmoeten. * Hoe? Lidmaatschap, aantal publicaties, ledenblad, organiseren van praatavonden en infosessies, nationale M.E dag in mei, internet (onthaalbrochure m.e.-vereniging)
Een andere vereniging die door een aantal respondenten werd vermeld is Anamkara. Ook Anamkara streeft naar het verzamelen en verspreiden van informatie in verband met CVS. Deze vereniging schat dat er in Belgie 40 000 mensen lijden aan CVS, wat dubbel zoveel is als de schatting van de me-vereniging. Hier wordt meer aandacht besteed aan energie en persoonlijke begeleiding. (onthaalbrochure Anamkara)
Naast informatieverstrekking en het stimuleren van onderzoek naar CVS, bieden de Me-vereniging en Anamkara ook ontmoetingsgelegenheden voor lotgenoten aan. Zoals eerder werd vermeld vindt de patient naast informationele ondersteuning hier ook vaak emotionele steun.
Anne-Marie: - 'De meeste informatie heb ik gekregen van de patientenvereniging. Niet alleen informatie maar ook een ongelooflijke steun, een verbondenheid, een emotionele binding die ik nergens anders vind, tot nu toe zelfs niet in mijn eigen gezin. En ik heb ook zelf veel informatie gezocht op internet, ik lees alles wat er onder mijn ogen komt, ik ga naar spreekbeurten, ... eigenlijk heeft dat ook invloed gehad op het verloop van mijn ziekte, op mijn revalidatie.'-
Omdat onder andere volgens Ray het zoeken en het verwerven van informatie een belangrijke copingstrategie is voor patienten met CVS, is een toegankelijke voorziening noodzakelijk. Vooral de eerstelijnszorg zou beter geinformeerd moeten zijn in verband met CVS. (Ray e.a., 1993:387) Nu zijn patienten vooral afhankelijk van zelfhulpgroepen, waarvan het bestaan niet meteen geweten is.
4.2.3 Materiele steun ----------------------
Naast emotionele en informationele steun is ook materiele steun voor CVS-patienten onontbeerlijk. Doordat de ziekte volledige, en in veel gevallen ook deeltijdse arbeid onmogelijk maakt, vallen patienten zonder inkomsten. Aangezien hun kosten omwille van de ziekte toenemen, komen CVS-patienten vaak terecht in een moeilijke financiele situatie.
4.2.3.1 De financiele situatie -------------------------------
Niet alleen medicijnen en therapieen moeten worden betaald, maar ook de familiehulp of de poetsvrouw die elke week een handje komen bijsteken in het huishouden. Bovendien blijkt de soort therapie die men volgt van belang te zijn bij de hoogte van het te betalen bedrag.
Imke: - 'Dat (familiehulp) kost wel enorm veel geld. Dat wordt berekend volgens je inkomen, maar met dat mijn man zogezegd te veel verdient ligt dat enorm hoog. Ze houden rekening met wat je moet betalen aan je therapieen, maar niet met de alternatieve. En het is juist dat dat interessant is voor ons,... Ik moet voor mezelf ongeveer 17000 frank betalen per maand, en dan met die kinderen erbij, dat is niet te doen eh. En dan zoeken we andere oplossingen, bijvoorbeeld, ben je niet geinteresseerd in een diepvries voor 5000 frank? Spotgoedkoop, de mensen zijn er content mee, en wij hebben weer 5000 frank extra. Moest ik kunnen, ik zou direct gaan werken in het zwart. Mijn kindjes, ik heb nog nooit nieuwe kleren gekocht voor hen, het is allemaal van een tweede handswinkel of de kringloopwinkel, nu heb ik wel iets in de solden gekocht, maar het was - 70%. We hebben er al aan gedacht om ons huis te verkopen. Maar we hebben hier alles zelf in gedaan...'-
Doordat het onderzoek naar CVS nog in de experimentele fase zit, worden bovendien heel wat specifieke onderzoeken niet terugbetaald. Zo vermeldt een respondent dat bijvoorbeeld een bloedonderzoek bij dokter x 7000 bef. kost. Vooral wat betreft alternatieve therapieen is de frustratie in verband met de kosten groot. Op de vraag of ze ooit de alternatieve geneeskunde al had geraadpleegd antwoordde Marlies het volgende:
Marlies: - 'Neen, financieel gaat dat niet. (...) Moest ik het financieel kunnen permitteren dan zou ik 100% zeker overstappen naar de alternatieve. Want nu ben ik aan het twijfelen om naar een voedingsdeskundige te gaan, ik ken iemand die macrobiotiek volgt, en dat helpt wel. Alle, dat zijn toch stappen die je wel overweegt. Want een vriendin ook, die zit bij een alternatieve, maar dat is 16 000 frank per maand. Dat zijn dingen die ik niet kan doen met mijn ziekteuitkering. Tenzij ik alles laat vallen, maar ... Gelijk gezonde voeding, daar wil ik mijn geld wel aan uitgeven, dat zijn dingen die je moet doen. Dat is wel belangrijk dat je gezond eet.'-
Door deze zware financiele omstandigheden, zijn patienten genoodzaakt beroep te doen op de sociale zekerheid. Dit lijkt vanzelfsprekend maar is het helemaal niet.
4.2.3.2 Financiele erkenning van invaliditeit ---------------------------------------------
Het chronisch vermoeidheidssyndroom werd twee jaar geleden gedeeltelijk erkend door de riziv. Dit houdt in dat slechts bepaalde, geselecteerde, therapieen en medicijnen door het ziekenfonds worden terugbetaald.
Alex: - ' Bij de medische controlediensten hebben ze hun boekske. Ene vinger kwijt is zoveel percent invalide, twee vingers is zoveel, een arm kwijt zoveel, een been zoveel, twee benen zoveel, rolstoel zoveel percent, dan zijt ge invalide... Maar deze aandoening plakken ze op wat ze willen. Ze kunnen daar geen schaal gebruiken. En daar beseffen ze niet hoe invaliderend dat die problematiek is. Op het financiele vlak is dat bij mij een geluk bij een ongeluk geweest. Veronderstel dat ik indertijd een ongeluk had gehad in de rally, en dat gans die problematiek daaruit verder kwam, dan zou ik nu al lang, op het financieel en sociaal vlak, een dikke sukkelaar geweest zijn. Want dan zouden ze mij gepensioneerd hebben aan een klein pensioen. Nu ben ik gepensioneerd als gevolg van een arbeidsongeval. Dat houdt in dat mijn pensioen aanzienlijker is, plus daarnaast trek ik ook nog die 35% invaliditeit die berekent wordt op het loon van de dag van het arbeidsongeval. Ik heb nu twee inkomsten. Op dat gebied heb ik dus niets te kort. Want als ik die twee samentel, heb ik praktisch evenveel als vroeger. Maar als ik op die vergaderingen hoor van mensen die dus, ze gaan werken, door de ene of de andere reden krijgen ze die ziekte, ze worden ziek, ze gaan op ziekenkas. Na zoveel tijd zijn ze nog altijd niet bekwaam om te gaan werken, de controledokter dreigt hun van de ziekenkas af te smijten, en ze vallen zonder inkomsten. Dat onbegrip bij de geneesheren van de mutualiteiten.... absoluut geen begrip voor het invaliderend aspect van gans die aandoening. Ze kunnen er de omvang niet van inschatten.'-
Het feit dat de patient zich voortdurend moet bewijzen geeft hem het gevoel niet geloofd te worden, en te profiteren van de sociale zekerheid. Dit leidt bij veel respondenten tot een zeer negatief beeld van de maatschappij.
Bart: - 'Ik dacht al niet zo positief over de maatschappij, en ik heb bevestiging gekregen dat als puntje bij paaltje komt er weinig solidariteit is. Wel sociale zekerheid, maar als je echt in die dingen zit, dan merk je dat ... sociale zekerheid is iets dat gebaseerd is op solidariteit, maar dat blijkt dus niet eh, want je moet altijd maar jezelf bewijzen... je hebt het gevoel dat je een derde rangsburger bent, en je wordt altijd maar opgezadeld met het schuldgevoel van ge zijt een bedelaar.'-
Omdat een psychische diagnose een ziekteuitkering verzekert, blijven sommige patienten naar een psychiater gaan, enkel omwille van het ziektebriefje. Dit is een gevolg van het feit dat de patient niet in staat is te gaan werken, maar controleartsen hun ziekteuitkering dreigen af te nemen.
Rani: - 'Ik ben naar mijn psychiater vanuit het ziekenhuis doorverwezen. Eigenlijk ga ik daar nu op dit moment wel heel eerlijk gezegd naar toe voor mijn ziektebriefjes. Ik kan goed met die man praten enzo, maar ik heb niet het gevoel dat die man me gaat genezen, dat moet ik zelf doen. Maar als hij mij de ziekenbriefjes geeft, dan laat de controledokter mij gerust. Tegenover, als je gewoon een ziekenbriefje van de huisdokter hebt, dan wordt je onder druk gezet. Psychisch, het probleem dat ik zogezegd heb omdat ik naar een psychiater ga, dan laten ze je met rust. Het is niet fijn om het zo te moeten doen. Want ik ga naar een psychiater terwijl ik me afvraag wat ik bij die man moet gaan doen,... Ik heb nu invaliditeit tot november volgend jaar. En ik weet als ik me zo blijf voelen, dat ik niet in staat ben om te gaan werken. Maar als die commissie dat niet goedkeurt, dan zit ik met een probleem, die problemen kan ik niet aan. En ik kan ook die maandelijkse onderzoeken van de controledokters niet aan. Psychisch is dat veel te zwaar. Lichamelijk kan ik dat wel eh, ik kan ernaar toe rijden, maar ik ben daar drie dagen doodziek van, als ik daar van terug kom, en drie dagen ervoor omdat ik moet gaan. En ik weet dat je dat met een ziekenbriefje van de psychiater dat niet moet doen.'-
Psychiaters weten dit, ze beseffen dat hun patienten niet in staat zijn te gaan werken, maar dat CVS door controleartsen niet wordt aanvaard, en houden daarom dit systeem in stand. Dit heeft echter negatieve consequenties voor het verwerkingsproces van de patient. De omgeving blijft de patient stigmatiseren als psychiatrisch geval, en de patient blijft op het verkeerde spoor in verband met het duiden van zijn ziekte. De volledige erkenning van het chronisch vermoeidheissyndroom moet opnieuw worden bekeken. Het financieel aanvaarden van alternatieve therapieen komt zelfzorg ten goede, aangezien deze volgens de respondenten in staat zijn de pijn aanzienlijk te verlichten.
4.2.4 Ondersteuning van het zelf ---------------------------------
Op de laatste vorm van sociale steun, namelijk de ondersteuning van het zelf, wordt niet meer verder ingegaan, aangezien de vorige drie vormen van sociale steun volgens mij allemaal een impact hebben op het zelfbeeld. Wat wel duidelijk naar voren kwam in de interviews, is dat de respondenten in het aanpassingsproces nieuwe activiteiten ondernemen, die een belangrijke stimulans geven aan de opbouw van een nieuw en positiever zelfbeeld. Ze dienen als zingevingsystemen, en doen de ziekte naar de achtergrond verdwijnen. Reizen, meditatie, zelfverdedigingsport, vrijwilligerswerk, boeddhisme, progressief gaan werken en het leggen van nieuwe contacten, zijn de meest vernoemde voorbeelden van dergelijke nieuwe activiteiten.
Omdat Herbette vaststelt dat chronische patienten vaak geconfronteerd worden met negatieve reacties bij degenen die luisteren, stelt Herbette zich terecht de vraag in welke mate initiele sociale steun aanwezig blijft, wanneer de ernst van een gebeurtenis, en de duur van de gevolgen van deze gebeurtenis, toenemen. (Herbette, 2002) Dat de aanwezigheid en vooral de perceptie van de aanwezigheid van sociale steun essentieel is voor het bevorderen van het statusverloop en het in stand houden van het gevonden evenwicht blijkt uit de literatuur, en wordt bevestigd in de interviews. Waar de hoeveelheid en de vorm van de steun van afhangt is niet echt duidelijk. We mogen echter niet vergeten dat deze onder andere afhankelijk zijn van de overtuigingen met betrekking tot de etiologie van de ziekte. Wanneer de zorgverlener ervan overtuigd is dat de oorzaak fysisch van aard is, zal hij meer sociale steun verlenen en omgekeerd. (Kelly, 1999:21) De onduidelijke etiologie van CVS en de discussie in verband met de fysische al dan niet psychische aard van de ziekte maken het extra boeiend om het belang van sociale steun verder na te gaan bij het statusverloop van CVS- patienten.
4.3 Besluit ------------
In dit hoofdstuk werd geprobeerd de belangrijkste factoren bloot te leggen die het statusverloop en de daarmee gepaardgaande identiteitsprocessen van abnormaliteit en normalisering bij patienten met het chronisch vermoeidheidssyndroom bepalen. Omwille van het feit dat hoofdstuk drie slechts een aanzet is tot het vastleggen van het ziekteverloop, kan er niet worden verwacht dat deze determinanten, die op dit hypothetisch hoofdstuk zijn gebaseerd, absoluut of allesomvattend zijn. Weliswaar zijn zij slechts oppervlakkig uitgewerkt, maar dit eerder uit noodzaak. Achteraf beschouwd kan aan elke onderzoeksvraag op zich een hele thesis worden toegewijd. Er zal dus verder moeten worden onderzocht of de voorgestelde determinanten inderdaad een invloed uitoefenen op het ziekteproces, en indien ja, hoe er dan concreet op kan worden ingespeeld.
Welke zijn nu volgens mij de beslissende factoren bij de overgang van een gezonde, sociaal geapprecieerde status, naar een ziektestatus, en vervolgens naar een geherwaardeerde, geintegreerde status? Eerst en vooral speelt de fysische toestand van de patient een belangrijke rol in de mate waarin hij in staat is effectieve copingstrategieen toe te passen, en zo de overgang naar integratie te bevorderen. De patient heeft immers een minimum aan kracht nodig om zich aan de ziekte aan te passen, en deze te integreren in een nieuw zelf. Naast het onderzoek naar een effectieve behandeling, is het belangrijk dat CVS-patienten vanuit de geneeskunde anders behandeld worden. De klassieke geneeskunde moet open staan voor middelen uit de alternatieve geneeskunde. Deze beschikt over middelen die de symptomen kunnen verlichten, wanneer antibiotica of antidepressiva niet werken. Aangezien de meeste CVS-patienten goed geinformeerd zijn over de ziekte, en hun eigen ziekteverloop het best kennen, moet de arts in eerste plaats bereid zijn te luisteren naar de patient. Omwille van de wetenschappelijke en therapeutische onzekerheid rond het chronisch vermoeidheidssyndroom, lijkt een multidisciplinaire, biopsychosociale en patientgerichte aanpak van CVS het meest aangewezen.
Naast de aantasting van het lichaam zagen we in hoofdstuk drie dat ook de identiteit door de ziekte wordt ondermijnd. Uit hoofdstuk drie werd de volgende hypothese gehaald: Hoe sterker de identiteit is aangetast, hoe moeilijker de patient kan komen tot een integratie van de ziekte in een nieuw zelfbeeld, waarin CVS niet meer overheerst. In dit hoofdstuk werd daarom nagegaan waardoor de mate van aantasting van de identiteit wordt bepaald. Problemen in verband met het verval van de identiteit veruitwendigen zich bij de respondenten tot problemen in verband met controleverlies, self-efficacy, rolverlies, onbegrip en de mate waarin onzekerheid wordt ervaren. Dit laatste hangt samen met het moment waarop de diagnose werd gesteld en het feit of er meteen een diagnose van CVS werd gesteld of dat er eerst een fout oordeel werd geveld. Uit de interviews bleek dat indien er een foute diagnose werd gesteld, deze meestal psychisch van aard was. Respondenten die hierdoor in de psychiatrie belandden (2) of respondentendie zelf geloofden in de foute diagnose, raken pas veel later dan anderen, waarbij de diagnose snel en correct werd gesteld, op 'het juiste spoor'. Het feit dat de respondenten die binnen het jaar na het uitbreken van de symptomen werden gediagnosticeerd, allemaal pas na 1997 ziek zijn geworden, wijst ondanks het nog steeds grote onbegrip vanuit de geneeskunde, op een positieve evolutie in verband met de gekendheid en de aanvaardbaarheid van CVS. Dit is ontzettend belangrijk omdat ook CVS-patienten nood hebben aan een wetenschappelijke hulpverlener wanneer ze met lichamelijke problemen worden geconfronteerd.
Ook via de verhoging van de mate van self-efficacy kan de aantasting van de identiteit worden beinvloed. De periode van de leegte waarin respondenten ten gevolge van identiteitsverlies bijna allemaal belanden, is minder problematisch voor respondenten die het gevoel hebben dat er niet in 1 richting sprake is van afhankelijkheid, maar dat anderen hen ook nodig hebben. De mate van self-efficacy kan worden verhoogd door het aanleren van specifieke vaardigheden of effectieve coping-strategieen. Het opstellen van een persoonlijk gezondheidsplan is hier een voorbeeld van, omdat hierdoor het gevoel van controle dat de patient heeft over zijn lichaam, wordt gestimuleerd. Bovendien is het een soort wapen dat van pas komt wanneer hij zichzelf moet verdedigen ten opzichte van anderen. Het achterhalen van dergelijke effectieve copingstrategieen moet verder worden onderzocht, omdat ze in staat zijn de mate van handelingsdoeltreffendheid, onafhankelijkheid en opbouw van het zelfbeeld te stimuleren.
Tenslotte is naast de mate van de aantasting van het lichaam en de identiteit ook de aanwezigheid van sociale steun van essentieel belang bij het verloop van het identiteitsproces. De positieve effecten die in de literatuur over sociale steun (Herbette, 2002:17) (Tijhuis e.a., 1995:1514) worden aangehaald, (meer effectieve copingstrategieen, een hoger zelfvertrouwen, een grotere algemene levenstevredenheid, sneller vragen van hulp,...) lijken te worden bevestigd in de interviews. Ook door de aanwezigheid van sociale steun lijkt de kans op een gevoel van extreme leegte verkleind te worden, wat de evolutie naar CVS als masterstatus bemoeilijkt.
Bij het opsplitsen van sociale steun in vier types, blijkt dat vooral emotionele, informationele en materiele steun belangrijk zijn. Indien deze drie vormen voldoende aanwezig zijn lijkt dit de ondersteuning van het zelf automatisch ten goede te komen. In verband met emotionele steun kan worden gesteld dat vooral beroep wordt gedaan op de partner en op lotgenoten. Familie en vrienden spelen ook een belangrijke rol, maar leveren volgens veel respondenten eerder praktische steun dan emotionele. Men wordt geconfronteerd met het inzicht dat echt begrip of 100% empathie niet bestaat, wat tot ontgoocheling en verbittering leidt. Wat betreft de partner kunnen enkele interessante bevindingen worden gedaan. Mannen met CVS lijken de afhankelijkheid van hun partner inderdaad moeilijker te kunnen verwerken dan hun vrouwelijke tegenhangers. Er mag niet zomaar vanuit worden gegaan dat het de gezonde partner is die een relatie verbreekt omwille van de huishoudelijke en emotionele druk ten gevolge van een chronische ziekte als CVS. Twee respondenten vermeldden de mogelijkheid dat de zieke partner het zelf zo moeilijk heeft met de druk die de familie moet dragen, dat hij deze wil ontzien door alleen te gaan wonen of dat de patient het niet kan aanvaarden dat de gezonde partner met hem kan leven. Beide respondenten waren mannen. Ook vrouwen hadden het moeilijk met het in stand houden van hun relatie. Er is echter geen enkele vrouwelijke respondent die ten gevolge van de ziekte ook daadwerkelijk weg is gegaan van haar man. Alle vier besloten zij hun relatie een andere wending te geven. Opvallend was dat enkel de oudste respondenten over relatieproblemen, ten gevolge van de ziekte, spraken. Het feit dat zij sterker zitten vastgeroest in het traditionele man/vrouw-rollenpatroon, kan hier een verklaring bieden. In ieder geval wordt de stelling van Charmaz dat vooral jongere koppels te lijden hebben onder de druk van een chronische ziekte van 1 van de partners, in dit onderzoek tegengesproken. Omdat artsen niet zijn opgeleid om CVS-patienten te begeleiden, zijn patienten wat betreft informationele steun vooral aangewezen op zichzelf. De belangrijkste plaats waar zij informatie vonden waren de patientenverenigingen. Ook op dit vlak lijkt echter een evolutie in de positieve zin. Respondenten die minder lang ziek waren, maakten meer vermelding van de arts als informatiebron. In de literatuur wordt het zoeken en het vinden van informatie in verband met de aard van de ziekte, vermeld als een belangrijke copingstrategie. Bovendien verkleint snelle informatievoorziening de periode van onzekerheid, wat gunstig is voor het behoud van het zelf. Vooral de eerstelijnszorg zou beter moeten zijn uitgerust om CVS-patienten verder te helpen. Omdat de patient eerst contact opneemt met de huisarts, zou deze hem op de hoogte moeten brengen van het bestaan van patientenverenigingen, kinesisten, alternatieve hulpmiddelen en dergelijke. Omdat de uitoefening van een job onmogelijk wordt, en aangezien de medische kosten oplopen, heeft de patient tenslotte nood aan materiele ondersteuning. Doordat het chronisch vermoeidheidssyndroom slechts gedeeltelijk werd erkend door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, dit wil zeggen dat slechts bepaalde, voorgeschreven therapieen worden terugbetaald, staat financiele onzekerheid het aanpassingsproces in de weg. De patient kan immers geen gebruik maken van de therapieen die voor hem het meest gepast zijn en de weinige energie die hem rest, wordt verspild door te veel kopzorgen of door geforceerde arbeid. Het feit dat sommige patienten om te ontsnappen aan die financiele druk, naar een psychiater gaan, is geen gezonde evolutie. De patient blijft hierdoor opgezadeld met een psychisch label, waar hij hoe langer hoe slechter van af raakt. Enkel het herbekijken van de legitimatie van CVS en de terugbetaling van therapieen kan hieraan een einde maken.
De fysieke toestand van de patient, de mate waarin zijn identiteit is aangetast, en de hoeveelheid sociale steun waarover hij kan beschikken, zijn drie belangrijke factoren die het verloop van CVS als masterstatus, naar de integratie van CVS in een ruimere identiteit, beinvloeden.
Algemeen Besluit en Discussie -----------------------------
(Mischa - 'Aan de rand van de weg')
Hoofdstuk 5: Algemeen Besluit en Discussie ------------------------------------------
De belangrijkste aspecten van CVS: Onzichtbaar en... onvoorspelbaar
Voor we de twee onderzoeksvragen van dit onderzoek beantwoorden is het niet overbodig de, voor de respondenten belangrijkste, aspecten in de beleving van het chronisch vermoeidheidssyndroom nog een keertje aanhalen. Hoewel het niet de bedoeling was van dit onderzoek, om het chronisch vermoeidheidssyndroom te vergelijken met andere chronische ziekten, kunnen er op basis van de interviews volgens mij toch enkele uitspraken worden gedaan in verband met de specifieke aard van de ziekte. Eerst en vooral is deze ziekte een syndroom, wat maakt dat ze gekenmerkt wordt door het tegelijkertijd voorkomen van verschillende symptomen, die van zeer uiteenlopende aard kunnen zijn. Samen met het ontbreken van wetenschappelijke kennis in verband met de oorzaken, zorgt dit ervoor dat onzekerheid en onvoorspelbaarheid inherente kenmerken zijn van het ziekteverloop dat CVS kenmerkt. Onzekerheid is echter typerend voor de meeste chronische ziekten, aangezien een effectieve behandeling, die de oorzaken van de ziekte wegneemt, onbestaande is. (Radley, 1994)
Omdat de oorzaken van CVS niet gekend zijn is deze diagnose een uitsluitingsdiagnose, wat maakt dat de periode tussen het uitbreken van de symptomen en de diagnosestelling, en daarmee ook de periode van intense onzekerheid, waarschijnlijk langer duurt dan bij andere ziekten. De onvoorspelbaarheid van het ziekteverloop zorgt ervoor dat patienten ook goede periodes kennen, maar echter niet in staat zijn om fulltime te gaan werken. Elke vorm van dagplanning op voorhand wordt immers onmogelijk. Dit bemoeilijkt niet alleen het leven van de patient, maar ook dat van zijn naaste omgeving. Samen met de onvoorspelbaarheid, zorgt ook de onzichtbaarheid van het syndroom, voor heel wat onbegrip in de naaste omgeving van de patient. Wanneer deze buiten komt zal hij de reactie krijgen dat hij er toch goed uitziet. Op dit vlak danst de patient als het ware op een slappe koord. Enerzijds wil hij niet voor zijn ziekte uitkomen, wil hij ze verbergen, en wil hij zo goed mogelijk zijn normale leven voortzetten, maar anderzijds verhindert dit de sociale ondersteuning waar hij recht op heeft, en waar hij bovendien niet zonder kan.
De ervaring van onbegrip in het dagdagelijkse leven, wordt door alle respondenten als 1 van de grootste problemen vermeld. Niet alleen begrijpen de patienten zelf niet wat er met hen aan de hand is, ook de artsen weten het in eerste instantie niet. Dezen zijn bovendien niet geneigd de diagnose van CVS te stellen. Ze zijn niet opgeleid om CVS-patienten te begeleiden, en omdat bepaalde symptomen overeen komen met symptomen van depressie zullen artsen de lichamelijke symptomen eerder toeschrijven aan mentale problemen. Respondenten vermeldden verder de onderschatting van het invaliderend karakter van het chronisch vermoeidheidssyndroom door officiele instanties, als een groot obstakel. Terugbetaling van behandelingen door de riziv geldt slechts voor bepaalde therapieen, die worden vastgelegd op basis van het heersende medisch-wetenschappelijke paradigma in verband met de etiologie van CVS. Zo zal de patient uit noodzaak bijvoorbeeld eerder kiezen voor de cognitieve gedragstherapie dan voor een behandeling uit de alternatieve sector. Toch wordt de alternatieve geneeskunde als heilzamer beoordeeld door de respondenten. Sommige respondenten die nog geen gebruik maakten van de alternatieve sector waren ervan overtuigd dat zij dit wel zouden doen indien er sprake zou zijn van enige vorm van financiele compensatie.
Naast het feit dat de patient de ziekte zelf niet begrijpt, en naast de ervaring van onbegrip vanuit de geneeskunde en vanuit officiele instanties, wordt onbegrip vanuit de sociale omgeving als het meest pijnlijk ervaren, en hechten chronisch vermoeide patienten vooral belang aan een luisterend oor.
Linda: - 'Het enige dat helpt als je chronisch ziek bent is dat er iemand luistert. De rest helpt niet. Ik weet genoeg wat ik moet doen om mezelf te helpen. Ik heb pilletjes die me helpen. Achter al die jaren weet ik wel wat ik moet doen, ik heb me in alles verdiept.'-
Vooral collega's en vrienden blijken niet in staat de patient te voorzien van langdurige sociale steun. De partner en de lotgenoten worden door de respondenten aangehaald als de belangrijkste bronnen van begrip. Naast de ervaring van onbegrip worden ook relatieproblemen als een zeer belangrijke implicatie aangehaald. Relaties lijden steeds onder een chronische ziekte omdat onder andere de belangrijkste rollen binnen het koppel drastisch worden ondermijnd. Vooral het verlies van de partnerrol, de ouderrol en de rol van broodwinner zijn moeilijk aanvaardbaar.
Statusverloop bij CVS-patienten -------------------------------
De hypothese dat het chronisch vermoeidheidssyndroom leidt tot rolverlies werd door alle respondenten bevestigd. Dit rolverlies vormt de kern van de aanzet tot de identiteitstheorie die in hoofdstuk drie naar voren werd gebracht. In eerste instantie werd immers de vraag gesteld of we in het geval van CVS wel kunnen spreken van een identiteitsproces dat door de meeste patienten wordt ervaren. De triggers die de ziekte doen uitbreken blijken namelijk zeer divers te zijn, net zoals de ervaren symptomen, wat betekent dat de ziektebeleving vooral individueel gebeurt. De respondenten blijken vooral voor zichzelf de oorzaak van de ziekte te achterhalen, de specifieke symptomen te duiden en aan te pakken. Bovendien is het ziekteverloop dat CVS kenmerkt onvoorspelbaar, wat inhoudt dat de symptomen niet bij iedereen in dezelfde volgorde, of in dezelfde intensiteit voorkomen. In tegenstelling tot de duidelijke ziektefasen die bijvoorbeeld HIV-patienten doormaken (gezond - HIV positief - aids (Lewis, 1999)) kan het chronisch vermoeidheidssyndroom niet worden opgedeeld in een aantal gemeenschappelijke medische ziektefasen. Er werd wel verondersteld dat de specifieke aard van de ziekte de identiteitsbeleving van CVS-patienten waarschijnlijk op dezelfde manier beinvloedt, en dat daardoor de interactie tussen het ziekteverloop en de identiteitsbeleving vermoedelijk wel tot een aantal fasen te herleiden is. Dit werd in de interviews inderdaad bevestigd. Deze interactie neemt de vorm aan van een proces van statusverloop. Dit wil zeggen dat de respondenten via twee identiteitsprocessen, namelijk de ervaring van abnormaliteit en normalisering, van hun oude identiteit of status in de ziekenrol vallen, om na verloop van tijd de ziekte te integreren in een nieuw zelf.
In het verloop van status 1 naar status 2 wordt de patient met lichaamsveranderingen geconfronteerd, die hij in eerste instantie niet kan verklaren. De theorie van Kralik in verband met de ervaring van abnormaliteit in deze fase wordt in dit onderzoek bevestigt. Omdat medisch onderzoek geen verheldering brengt, tracht de patient verder te gaan met zijn normale leven, en te doen alsof er niets aan de hand is. Omwille van de onmogelijkheid om zijn taken en functies naar behoren uit te oefenen, wordt hij geconfronteerd met controleverlies en rolverlies. De patient lijkt de greep op zijn lichaam en leven te verliezen, en hij twijfelt aan zijn capaciteiten als ouder, echtgenoot, collega,... Dit leidt tot de radicale in vraag stelling van zichzelf. Eens de diagnose werd gesteld bleken respondenten die nog nooit van CVS hadden gehoord enorm opgelucht. De diagnose bewijst naar de buitenwereld toe dat er wel degelijk iets aan de hand is. Belangrijk voor de patienten is dat de ziekte eindelijk een naam heeft, en dat er nog mensen zijn met dezelfde problemen. Respondenten die mensen kenden met CVS voor ze zelf ziek werden, waren minder opgelucht, integendeel. Ontgoocheling en verzet waren kenmerkende reacties bij deze mensen. Omdat er geen behandeling bestaat, omdat de ziekte onzichtbaar is, en omdat mensen met CVS gestigmatiseerd worden als lui, probeerden de meeste respondenten, ook na de diagnosestelling, de schijn verder hoog te houden. Dit leidt tot ontgoocheling, een fysieke instorting en tot de ervaring van een absolute leegte. In deze periode raken patienten geisoleerd, deels omdat ze daar zelf behoefte aan hebben, en zijn zelf-absorptie en de inname van CVS als master-status kenmerkend. Op een gegeven moment bereikt de patient een dieptepunt waarop hij voor zichzelf vaststelt dat het zo niet verder kan. Hij wordt voor de keuze gesteld om zijn leven stop te zetten, of om ermee door te gaan, maar dan op een andere manier. Op dat moment erkent hij het bestaan van de ziekte, (wat niet noodzakelijk wil zeggen dat hij ze aanvaardt!) en weet hij dat hij zich zal moeten aanpassen aan de ziekte in plaats van omgekeerd. Vanaf dit moment is normalisering mogelijk. Met behulp van een aantal effectieve coping- strategieen (rust, oefeningen, opstellen van een gezondheidsplan, bijschaving van de identiteitsdoelstellingen, ander voedingspatroon, energietherapieen, meditatie, reorganisatie activiteiten...) wint de patient langzaamaan opnieuw controle over zijn lichaam en zijn leven. Ook de theorie van Kralik in verband met normalisering wordt bevestigd. Zo vermeldden respondenten dat bijvoorbeeld gevoelens van zelfliefde weer een kans krijgen. Door middel van het ervaren van controlewinst, gaat de patient zich concentreren op het leggen van nieuwe contacten, vooral met lotgenoten, om alles wat er is gebeurd een plaats te kunnen geven. Dit leidt tot tal van nieuwe inzichten. Uiteindelijk is de patient in staat om de ziekte te integreren in zijn identiteit die bestaat uit geherwaardeerde aspecten uit de oude identiteit, en uit de nieuwe inzichten die men tijdens het ziekteverloop heeft verworven. Het belangrijkste kenmerk van deze nieuwe identiteit of status is dat de ziekte slechts een onderdeel vormt van het zelf, naast andere gewaardeerde aspecten. De patient wordt zowel door zichzelf als door zijn omgeving niet meer alleen beschouwd in termen van zijn ziekte. Door zich over te geven aan de ziekte is de patient in staat om de ziekte ook los te laten, en zich weer te concentreren op andere dingen.
Deze beknopte voorstelling van een identiteitsproces bij CVS-patienten wil geenszins zeggen dat alle patienten elke fase doormaken. Het onderzoek is slechts gebaseerd op 18 respondenten, die allemaal lid waren van de Me-Vereniging. Er kunnen dus geen conclusies worden gedaan wat betreft andere CVS-patienten. Ook jongeren met CVS zaten niet in deze steekproef. Onderzoek moet worden verricht naar identiteitsbeleving bij jongeren met een chronische ziekte als CVS.
Van Parsons naar Strauss binnen een interactionistische traditie ----------------------------------------------------------------
Wanneer men dit leest is het snel duidelijk dat onderzoek naar statusverloop geplaatst moet worden binnen de interactionistische, sociologische sociaal psychologische traditie. Statusverloop is een proces dat vaak jaren kan duren. Het is het individu dat omwille van een levensgebeurtenis andere betekenissen zal geven aan bepaalde aspecten van zijn identiteit. Hoewel persoonlijkheidskenmerken hierin waarschijnlijk een grote rol spelen, gebeurt het geven van betekenissen nooit in een maatschappelijk vacuum. Bij het geven van betekenissen worden we immers allemaal beinvloed door betekenisvolle anderen en door de sociale context waarin we leven. Door het feit dat anderen van de patient verwachten dat hij zich gedraagt als een zieke, zal hij ook gestimuleerd worden om zich in de ziekenrol te wentelen. Leven met een ziekte in een wereld van gezonden is echter meer dan het tegemoet komen aan verwachtingen en verplichtingen die anderen op ons leggen. In verband met bepaalde gelegenheden (wanneer de patient bijvoorbeeld bij de diagnosestelling, of wanneer symptomen ernstig zijn, in contact komt met de geneeskunde) kan een chronische patient tijdelijk wel lijken op een acute patient, en op die manier tijdelijk de ziekenrol innemen. Behandelingen en onderzoeken blijven, ook bij chronische patienten, een basis waarop claims kunnen worden gelegd met betrekking tot de ziektestatus van een individu. Wanneer de patient echter met de chronische symptomen om moet leren gaan in zijn alledaagse leven, wordt hij in eerste instantie geconfronteerd met de gezonde wereld, waarin geen plaats is voor het aanhouden van de ziekenrol. De stelling van Radley dat het model van de ziekenrol van Parsons onvoldoende is ter verklaring van de ziektebeleving van chronische patienten wordt in dit onderzoek dus bevestigd. Bij de begeleiding van chronische patienten moet volgens Radley, omwille van die reden, de blik worden verruimd van de geneeskunde naar de cultuur, naar relaties en naar instituties. Deze leveren immers zowel de criteria voor 'goede aanpassing', als de middelen waarmee aanpassing kan worden bereikt. (Radley, 1994:160)
De auteurs die in dit onderzoek het meest werden aangehaald (Radley, Charmaz, Ebaugh, Herbette en Kralik) baseren zich ergens allemaal op Anselm Strauss, de grondlegger van de sociologie van chronische ziekten en van de grounded theory als geschikte onderzoeksmethode. Ook Strauss verwerpt de ziekenrol van Parsons niet, maar past hem aan de ziektebeleving van chronische patienten aan. Dit wil zeggen dat voor Strauss de ziekenrol slechts een tijdelijke status is in het ruimer proces van statusverloop, dat een gevolg is van het ziekteverloop dat met een chronische ziekte gepaard gaat. Sociaal kapitaal als uiteindelijke determinant van statusverloop? -----------------------------------------------------------------
De tweede onderzoeksvraag is mijns inziens zeker zo belangrijk als de eerste. Door welke factoren wordt dit statusverloop beinvloed? Met andere woorden, via welke determinanten kan de integratie van de ziekte in de identiteit worden bevorderd? Deze onderzoeksvraag ontstond in de loop van het zoeken naar literatuur over de eerste onderzoeksvraag. Volgens Kralik ervaren chronische patienten tijdens het proces van normalisering controlewinst, waardoor zelfzorg en een groter gevoel van zelfstandigheid bevorderd worden. Dit is belangrijk om de financiele en maatschappelijke last te verlichten die chronische ziekten in de 21ste eeuw, in toenemende mate, met zich mee zullen brengen. Een andere belangrijke auteur in verband met zelfzorg is Keith Humphreys. Hij wijst op het verband tussen het lidmaatschap van een zelfhulpgroep en de afname in het beroep doen op dure professionele diensten. (Humphreys, 1997) Omdat niet alle patienten in staat zijn efficient voor zichzelf te zorgen, en omdat het niet eenvoudig blijkt het evenwicht te vinden in verband met de opbouw van de identiteit zonder te veel te willen, is het belangrijk dat zorgverleners patienten hierin kunnen bijstaan. Opdat zij dit zouden kunnen is inzicht in de determinanten van het statusverloop aangewezen. De fysische conditie, de beschikbaarheid van sociale middelen (Charmaz), verhalen van lotgenoten en het aanleren van specifieke vaardigheden om met de ziekte om te gaan (Kralik) zijn ook in het statusverloop van CVS-patienten cruciale factoren, omdat ze in staat zijn normalisering af te remmen of te stimuleren.
Uit de interviews bleek dat naast deze factoren, ook de mate waarin de ziekte de identiteit had aangetast, een belangrijke rol te spelen bij de integratie van de ziekte in de nieuwe identiteit. Deze werd bepaald door de mate waarin onbegrip, rolverlies en controleverlies werden ervaren, en door de wijze waarop de diagnose werd gesteld. In verband met dit laatste bleken vooral het tijdstip van de diagnose en de correctheid ervan belangrijk te zijn. Dit wil zeggen dat hoe sneller men weet waaraan men lijdt, hoe beter men erop kan inspelen. De periode van onzekerheid en in vraag stelling van het zelf wordt hierdoor immers beperkt, en men kan zich sneller aan de ziekte aanpassen, waardoor men ook vlotter op het spoor van normalisering geraakt. Omdat de mate waarin de identiteit wordt aangetast afhankelijk is van de hoeveelheid sociale steun waarop men kan rekenen, werd ook hier dieper op ingegaan. Sociale steun werd beschouwd als een derde variabele die een invloed heeft op het statusverloop van de CVS-patient, omdat het een enorm belangrijk onderwerp bleek voor de respondenten. Omwille van de rijkdom, maar tegelijkertijd ook de chaos van de informatie in verband met sociale steun, werd deze factor op basis van literatuur opgedeeld in een aantal vormen van sociale steun. Hoewel de respondenten het meeste belang hechten aan emotionele ondersteuning is de beschikbaarheid hiervan niet vanzelfsprekend. Vooral de partner en lotgenoten blijken hier van cruciaal belang te zijn. Wanneer de respondenten alleen zijn wordt er meer belang gehecht aan de emotionele steun van vrienden. Indien de respondent een partner en eventueel ook kinderen heeft, worden er prioriteiten gesteld, en verdwijnen vrienden op de achtergrond. In verband met de invloed van een chronische ziekte op intieme relaties, en de manier waarop mannen en vrouwen hier anders mee omgaan, zijn enkele interessante bevindingen gedaan. Omdat er ten eerste te weinig mannen versus vrouwen in de steekproef zaten, en omdat er ten tweede te weinig informatie over verzameld is, zal verder onderzoek hierin verheldering moeten brengen.
Aangezien ook het zoeken naar informatie volgens Ray een belangrijke copingstrategie is, werd er gepeild naar de mate waarin de respondenten konden beschikken over informatie, en vanwaar deze afkomstig was. Bijna alle respondenten vermeldden dat ze vooral zelf hebben moeten zoeken, en dat informatie grotendeels afkomstig was van de patientenvereniging en het internet. Artsen bleken in veel gevallen niet op de hoogte te zijn van CVS, en indien ze dat wel waren, konden ze de patient vaak niet behoorlijk begeleiden. Hoewel een aantal respondenten zeer tevreden zijn over hun huisarts, zou de eerstelijnszorg beter moeten worden uitgerust om CVS-patienten te begeleiden. Een therapeutische alliantie tussen de arts en de patient is hierbij noodzakelijk. De patient is immers vaak zeer goed geinformeerd met betrekking tot zijn ziektetoestand, terwijl de arts niet is opgeleid over CVS. Samen met de patient moet de arts overleggen welke stappen er best kunnen worden ondernomen. In de praktijk blijkt dat de relatie tussen de arts en de patient met CVS vaak zeer conflictueus is omdat de patient de kennisautoriteit van de arts aantast, en de diagnose lijkt te controleren. Dit zorgt ervoor dat CVS door artsen wantrouwig wordt bekeken, waardoor de diagnose minder snel wordt gesteld, en waardoor begeleiding soms zelfs wordt geweigerd. Dit bemoeilijkt zoals eerder werd gesteld het aanpassingsproces van de patient. Wat betreft materiele ondersteuning wordt er tenslotte vooral beroep gedaan op de partner en familie. Omwille van het gebrek aan wetenschappelijke ondersteuning van het chronisch vermoeidheidssyndroom wordt de ziekte niet volledig erkend door het ziekenfonds, waardoor terugbetaling van zeer dure onderzoeken niet is gegarandeerd. Hierdoor komen patienten vaak in een moeilijke financiele situatie terecht, wat de aanleiding is voor heel wat kopzorgen, waardoor het genezingsproces wordt verhinderd. Of zoals een respondent een arts citeerde: "Hoe kunnen CVS-patienten ooit genezen als ze voortdurend moeten bewijzen dat ze ziek zijn?"
Bij het achterhalen van deze factoren stelde ik me de vraag of sociale middelen, sociale steun, het leren van vaardigheden of coping-strategieen en de beschikbaarheid van instrumentele contacten (de juiste artsen, patientenvereniging, vrienden,...) niet neerkwamen op de mate van sociaal kapitaal waarover een patient beschikt. Indien dit klopt, zou het statusverloop bij chronische patienten kunnen worden bevorderd door de versterking van hun sociaal kapitaal. Studies over de link tussen sociaal kapitaal en de kans om ziek te worden zijn talrijk. (Macinko & Starfield, 2001) Hoewel deze link vaak wordt gelegd, (en er ook veel discussie over is), is deze hier niet bruikbaar aangezien de patienten al ziek zijn. Bovendien wordt in deze studies sterk de nadruk gelegd op de socio-economische status, terwijl in dit onderzoek hierover geen uitspraken worden gedaan, omdat de respondenten uit alle lagen van de bevolking komen. Wat echter wel interessant is, is de link tussen het beschikken over effectieve coping-strategieen, de mate waarin de respondenten verweven zijn in sociale netwerken (partner, gezin, vrienden, patientenvereniging, meditatiegroep...), de mate waarin ze beschikken over goede professionele contacten, en de mate waarin ze in staat zijn de ziekte te integreren in hun identiteit, om zo een grotere zelfstandigheid ontwikkelen. Studies in verband met de invloed van sociaal kapitaal op het statusverloop na het uitbreken van een chronische ziekte bleken echter onvindbaar.
Verder onderzoek zal ten eerste moeten uitwijzen of de voorgestelde determinanten inderdaad een invloed uitoefenen op het statusverloop van CVS-patienten (of chronische patienten in het algemeen), en via welke concrete wegen zelfzorg en zelfstandigheid bevorderd kunnen worden. Dit komt niet alleen het zelfbeeld van de patient ten goede, (hij ervaart hierdoor immers een hogere mate van handelingsdoeltreffendheid), maar vermindert op langere termijn ook de maatschappelijke kost van langdurige zorgverlening. Aangezien dit onderzoek concrete fasen en variabelen voorstelt kan kwantitatief onderzoek worden toegepast om de gestelde hypothesen te bevestigen of te verwerpen.
Omdat het achterhalen van de determinanten van het statusverloop bij CVS-patienten gebaseerd is op een hypothetisch hoofdstuk in verband met dat statusverloop, hebben dezen ook helemaal niet de pretentie absoluut of uniek te zijn. Op basis van 18 ziekteverhalen kan echter worden gesteld dat de fysieke conditie, de aantasting van de identiteit en de beschikbaarheid van sociale steun, alleszins een belangrijke invloed uitoefenen op het proces van statusverloop bij CVS-patienten. Aangezien de determinanten ook gebaseerd zijn op literatuur in verband met chronische ziekten, moeten deze determinanten ook in onderzoek naar de specificiteit van statusverloop bij andere chronische ziekten (waar Strauss voor ijvert!), in beschouwing worden genomen.
Verdere implicaties voor de sociologie van ziekte en gezondheid ---------------------------------------------------------------
Ook wat betreft het ruimere studiegebied van de sociologie van ziekte en gezondheid kunnen een aantal interessante bevindingen worden gedaan op basis van het gevoerde literatuuronderzoek over chronische ziekten, en op basis van het gevoerde onderzoek bij CVS-patienten. Chronische ziekten blijken meer dan ooit een maatschappelijke uitdaging te zijn. Vanwaar blijken deze ziekten 'plots' te verschijnen? Zijn ze enkel het gevolg van het feit dat we acute ziekten onder controle hebben, of van het feit dat we langer leven, en dus automatisch ziek worden? Onderzoek toont aan dat steeds meer jongeren gediagnosticeerd worden als chronisch vermoeid... De sociologie van ziekte en gezondheid kan aan deze tendenzen niet voorbij gaan. Chronische ziekten treffen immers een steeds groter wordend deel van de actieve bevolking, wat problematische gevolgen kan hebben voor de draagkracht van de actieve welvaartsstaat. Welke rol spelen trouwens socio-economische processen als vervuiling, een te hoge werkdruk, etc. in het uitbreken van dergelijke ziekten in de wetenschappelijke schemerzone?
Ondanks de kritiek op Parsons, de grondlegger van de sociologie van ziekte en gezondheid, blijft zijn theorie over het bestaan van de ziekenrol wel geldig. Basistheorieen moeten echter mee evolueren met de maatschappelijke evoluties. Dergelijke basistheorie kan echter niet alleen gebaseerd zijn op de bevindingen van afzonderlijke disciplines. Uit de interviews bleek hoe ingrijpend chronische ziekten het dagdagelijkse leven van heel wat mensen overhoop kunnen gooien. Omwille van de chronische aard, moet er bij verschillende disciplines te rade worden gegaan. Een multidisciplinaire aanpak van de begeleiding van chronisch zieken lijkt aangewezen. Belangrijk is dat ook de patienten hiervan kunnen worden overtuigd. Het ronduit afzweren van het biopsychosociaal model getuigt van naiviteit. Ten eerste zal de hoop worden gesteld op de biomedische wetenschappen voor de ontwikkeling van een effectieve behandeling. Daarnaast zal de klassieke geneeskunde zich de komende decennia moeten aanpassen aan de steeds beter geinformeerde, en steeds mondiger wordende patienten. Een constructieve therapeutische alliantie kan een eventuele opening bieden in de impasse waarin artsen en bijvoorbeeld CVS-patienten soms verwikkeld zijn. Ook de sociale psychologie levert haar steentje bij met analyses over de identiteits- en aanpassingsprocessen die chronische patienten ongetwijfeld aanbelangen. Tenslotte ligt er ook een rol weggelegd voor de sociologie, omdat naast medische legitimatie ook socio-politieke processen de betekenis van een ziekte vormgeven. Het is aan de sociale wetenschappen om te achterhalen waarom illegitieme ziekten naar legitimiteit kunnen evolueren (cfr. Voorbeeld Alzheimer), hoe chronische ziekten de werking van de maatschappij kunnen verstoren, en op welke manier niet alleen de patient, maar evengoed de bredere samenleving, zich zullen moeten aanpassen aan chronische ziekten.
Bibliografie ------------
Boeken ------
Bandura, A. (1995), Self-efficacy in Changing Societies, Cambridge: University Press, 334blz.
Berger, L.P. and Luckmann, T. (1966) The Social Construction of Reality, Penguin University Books, 249blz.
Coffey, A. and Atkinson, P. (1996) Making Sense of Qualitative Data, London: Sage Publications, 205 blz.
Ebaugh, H.R. (1988), Becoming an Ex, The process of Role Exit, University of Chicago Press, 347 blz.
Gibbs, G.R. (2002) Qualitative Data Analysis, Explorations with Nvivo, Buckingham: Open University Press, 255 blz.
Hahn, R.A. (1995) Sickness and Healing, An Anthropological Perspective, New Haven: Yale University Press, 327 blz.
Herbette, G. (2002) Chronic Illness and the Response of Others - Emotional, Cognitive, and Social Aspects, Doctoraatsverhandeling, promotor: Rime, B., Louvain-la-Neuve, 217 blz.
Hewstone, M. e.a. (1989), Introduction to social psychology, Oxford: Basil Blackwell ltd, 555 blz.
Nicassio, P.M. and Smith, T.W. (1996) Managing Chronic Illness, A Biopsychosocial Perspective, Washington: American Psychological Association, 425 blz.
Oakes, P.J. e.a. (1994) Stereotyping and Social reality, Oxford: Blackwell, 255 blz.
Parsons, T. (1952) The Social System, London: Tavistock Publications, 575 blz.
Radley, A. (1994) Making sense of illness, the social psychology of health and disease, London: Sage Publications, 232 blz.
Spicker, P. (1984), Stigma and Social Welfare, London: Croom Helm, 226 blz.
Strauss, A.L. & Glaser, B.G. (1967) The Discovery of Grounded Theory, Chicago: Aldine
Strauss, A.L. & Glaser, B.G. (1971) Status Passages: A formal theory, Chicago: Aldine
Readers -------
* Branaman, A. (2001), Self and Society, Blackwell Readers in Sociology, 400 blz. * Rosenhan, D.L., 'On Being Sane in Insane Places', p.14-29 * Snyder, M., 'Self-fulfilling Stereotypes', p.30-35 * Hewitt, J.P., 'The reality of self-esteem', p.42-53 * Clark, L.F. (1994) 'Social Cognition and Health Psychology', p.239 in Wyer, R.S. and Scrull, T.K., Handbook of Social Cognition, Vol.2: Applications, New Jersey: Lawrence Erlbaum Associates, Publishers * Cook, K.S., Fine, G.A. en House J.S. (1995), Sociological Perspectives on Social Psychology, Boston: Allyn and Bacon, 721 blz. : * Kesler, R.C. e.a., 'Social Psychology and Health' p.548-564 * Gecas, V. en Burke, P.J., 'Self and Identity' p.41-59 * Howard, J.A., 'Social Cognition' p.90-111 * Corin, E. 'The Cultural Frame: Context and Meaning in the Construction of Health', p. 272, in Amick, B.C. e.a. (1995) Society and Health, Oxford University Press, 374blz. * Mecca, A.M., Smelser, N.J. & Vasconcellos, J. (1989) The Social Importance of Self-esteem, Berkely: University of California Press, 346 blz.: * Smelser, N.J. 'Self-esteem and Social problems: An Introduction', p.1-23 * Sheff, T.J. e.a. 'Crime, violence and Self-esteem', p.179 * Strauss, A. and Corbin, J. (1997), 'Grounded Theory in Practice', London: Sage Publications, 279 blz. * Baszanger, I. 'Deciphering Chronic Pain', p.1-33 * Charmaz, K. 'Identity Dilemmas of Chronically ill Men', p.35-59 * Van Houdenhove, B. (1989) "Mijn pijn is toch niet ingebeeld?" Chronische pijn in een bio-psychosociaal perspectief, Leuven: Acco, 175 blz. * Stans, L. 'Kan men 'leren leven' met pijn?', p.55-74 * Goossens, L. 'Chronische pijn... en de anderen', p.75-90
Artikels --------
Ablon, J. (1995), ''The elephant man' as 'self' and 'other': The psycho-social costs of a misdiagnosis' in Social Science and Medicine, Vol.40, 11, p.1481-1489
Afari, N. & Buchwald, D. (2003), 'Chronic Fatigue Syndrome: A Review', in American Journal of Psychiatry, 2003, vol.160, p.221-236
Asbring, P. (2001), 'Chronic illness - A disruption in life: Identity-transformation among Women with chronic fatigue syndrome and fibromyalgia' in Journal of Advanced Nursing, Vol. 34, 3, may 2001, p.312
Aylward, M. (1996), 'Government's expert group has reached consensus on prognosis of chronic fatigue syndrome' in British Medical Journal, Vol. 313, 5 October 1996, p.885
Banks, J. and Prior, L. (2001) 'Doing things with illness, The Micro Politics of the CFS Clinic' in Social Science and Medicine, Vol.52 (2001) p.11-23
Baszanger, I. (1998), 'The worksites of an American Interactionist: Anselm L. Strauss, 1917-1996' in Symbolic Interaction, 1998, 21, 4, p. 353-377
Bury, M. (2001), 'Illness narratives: fact or fiction?' in Sociology of Health and Illness, Vol.23, 3, may, 2001, p.263
Charmaz, K. (1990), 'Discovering Chronic Illness: Using Grounded Theory' in Social Science and Medicine, 1990, 30, p.1161-1172
Charmaz, K. (1995), 'The Body, Identity and Self: Adapting to Impairment' in Sociological quarterly, 1995, 36, p.657
Clark, C. e.a., (2002) 'Chronic Fatigue Syndrome: a step towards agreement', The Lancet, 2002, Vol.359, p.97
Cooper, L. (1997) 'Myalgic Encephalomyelitis and the medical encounter' in Sociology of Health and Illness, Vol.19, n.2, 1997, pp.186-207
Creswell, C. en Chalder, T. (2001) 'Defensive Coping Styles in Chronic fatique Syndrome' in Journal of psychosomatic research, Vol.51, October 2001, p.607-610
Crossley, M. (1998), 'Sick role or empowerment? The ambiguities of life with an HIV positive diagnosis' in Sociology of Health & Illness, Vol.20, nr4, 1998, p.507-531
Farmer, A., Scourfield, J., Martin, N., Cardeno, A. & McGuffin, P. (1999) 'Is disabling fatigue in childhood influenced by genes?' Psychol. Med., Vol.29:259-268
Habermas, J. (1970) 'On systematically distorted communication' in Inquiry, 13, 3
Hickie, I, Bennett, B., Lloyd, A., Heath, A. & Martin N. (1999) 'Complex genetic and evinronmental relationships between psychological distress, fatigue and immune functioning: a twin study', in Psychol. Med., Vol.29: 269-277
Humphreys, K. (1997), 'Individual and social benefits of mutual aid self-help groups' in Social Policy, Vol.27, P.12-20
Kelly, K.S. e.a. (1999), 'Social Support and Chronic Fatique Syndrome' in Health Communication, Vol.11 (1), p.21-34
Kralik, D. (2002) 'The quest for ordinariness: Transition experienced by midlife women living with chronic illness', Journal of Advanced Nursing, Vol.39, 2, p.146
Lewis, J. (1999), 'Status Passages: The Experience of HIV-Positive Gay Men' in Journal of Homosexuality, Vol.37(3), 1999, p.87 Macinko, J. & Starfield, B. (2001), 'The Utility of Social Capital in Research on Health Determinants' in The Milbank Quarterly, Vol.2001, 79, 3, p.387-427
Manu, P. e.a. (1994) 'Alpha-delta sleep patterns in patients with chief complaint of chronic fatigue', South Med. Journal, Vol.87, p.1289-1290
Markowitz, F.E. (2001), 'Modelling Processes in Recovering from Mental Illness: Relationships Between Symptoms, Life Satisfaction and Self-Concept' in Journal of Health and Social Behavior, 2001, Vol. 42, p.64-79
Mirowsky, J. & Ross, C.E. (1989), 'Psychiatric Diagnosis as Reified Measurement' in Journal of Health and Social Behaviour, Vol.30, p.11-25
Millen, N.T. e.a. (1998), 'A Sociological analysis of chronic fatigue syndrome and the impact on family support structures', in International Journal of Sociology and Social Policy, Vol. 18, 7/8, 1998, p.127-142
Mulube, M. (1996), 'Myths dispelled about chronic fatigue syndrome' in British Medical Journal, Vol.313, October 1996, p.839
Neerinckx, E. (1997), 'Gegijzeld door chronische vermoeidheid...' in Tijdschrift voor de psychiatrie, Vol. 39, 4, 1997, p.839
Ray, C. e.a. (1993), 'Ways of coping with chronic fatigue syndrome: Development of an illness management questionnaire' in Social Science and Medicine, Vol.37, 3, p.385-391
Schweitzer, R. e.a. (1995), 'Quality of Life in Chronic Fatigue Syndrome' in Social Science and Medicine, Vol.41, 10, p.1367-1372
Straus, S.E. (1996) 'Chronic Fatigue Syndrome - Biopsychosocial approach may be difficult in practice', British Medical Journal, Vol.313, 5 October 1996, p.831
Tijhuis, M.A.R., Flap, H.D., Foets, M. & Groenewegen, P.P. (1995) 'Social Support and Stressful Events in Two Dimensions: Life Events and Illness as an Event' in Social Science and Medicine, Vol.40, 11, p.1513-1526
Walsh, C.M., Zainal, N.Z., Middleton, S.J. & Paykel, E.S. (2001) 'A family history study of chronic fatigue syndrome', Psychiatr. Genet., Vol.11, 123-128
Wheaton, B. (2001) 'The role of sociology in the study of mental health... and the role of mental health in the study of sociology' in Journal of Health and Social Behaviour, Vol. 42, p.221-234
Williams, S.J. (2000), 'Chronic illness as biographical disruption or biographical disruption as chronic illness? Reflections on a core concept' in Sociology of Health & Illness, Vol.22, nr1, 2000, p.40-67
Varia -----
Dumont, A., 'Op de rand van het bed, Psychisch gestoord of fysisch beperkt? CVS: Zoektocht naar een diagnose' Dagboek van een patiente
Me-Vereniging vzw, Mededeling, Vol.13, april 2002
Interviews Patienten
http://vandenbroucke.fgov.be
Bijlagen --------
Model 1: Statusverloop bij CVS-patienten
1. Abnormaliteit ----------------
* Aantasting identiteit * Invaliditeit * Controleverlies * Rolverlies * Radicale in vraag stelling van het zelf * Bescherming identiteit * Ontkenning * Impression-managment * Verzet * CVS als master-status * Andere rollen verdwijnen, ziekenrol overheerst (zowel voor patient als voor omgeving) * Ontgoocheling, woede en ontreddering * Isolatie en zelfabsorptie
2. Normalisering ----------------
* Confrontatie met de werkelijkheid en erkenning van de ziekte * Aanpassing en overgave aan ziekte * Nieuwe inzichten en Identiteitsopbouw * Integratie van CVS in identiteit en verval master-status CVS
Model 2: Determinanten van het proces van statusverloop bij CVS-patienten
* Geneeskunde * klassiek + alternatief * biopsychosociale, patient- gerichte aanpak * therapeutische alliantie * rolverlies * self-efficacy * onbegrip * diagnose * tijdstip * correctheid * emotioneel * partner * familie * vrienden * lotgenoten * materieel * financiele situatie * financiele erkenning invaliditeit * informationeel * arts * patientenvereniging * zelfondersteunend * zingeving * collega's * ...
Brief van minister van sociale zaken Frank Vandenbroucke over het chronisch vermoeidheidssyndroom
Geachte vrouw, Geachte heer,
De afgelopen weken is er veel aandacht geschonken aan initiatieven die ik genomen heb voor patienten die lijden aan het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS). Ik stuur u deze brief omdat vroeger is gebleken dat u hiervoor belangstelling hebt en omdat ik merk dat er over sommige zaken onduidelijkheid en misverstanden bestaan. U weet ongetwijfeld dat er over de diagnose en de behandeling van CVS in de medische wereld geen eensgezindheid is. CVS-patienten ontmoeten soms weinig begrip bij bepaalde artsen of bij hun familie en kennissen. Het gebrek aan eensgezindheid in de medische wereld is geen reden om de klachten van patienten die vrezen aan CVS te lijden, niet ernstig te nemen. Ik heb dan ook enkele initiatieven aangekondigd die nu, stap voor stap, gerealiseerd worden. Laat mij toe ze even op een rijtje te zetten alvorens nader in te gaan op de misverstanden.
Een eerste maatregel bestaat erin chronisch zieke mensen, en dus ook CVS-patienten, met veel medische kosten beter te ondersteunen via de ziekteverzekering. Dit gebeurt via de Maximumfactuur. Door de Maximumfactuur krijgt elk gezin de waarborg dat het jaarlijks niet meer dan een bepaald bedrag moet uitgeven aan noodzakelijke gezondheidskosten. De hoogte van dit bedrag hangt af van het gezinsinkomen. Het invoeren van de Maximumfactuur is een ingrijpende maatregel binnen de ziekteverzekering. Dat is ook de reden waarom ze maar stapsgewijze kan worden gerealiseerd. U vindt daarover meer informatie op mijn website www.vandenbroucke.fgov.be.
In de Maximumfactuur wordt ook het remgeld van alle terugbetaalde medicamenten van de categorieen A en B meegeteld. Medicamenten die wel terugbetaald worden door de ziekteverzekering maar tot een andere categorie behoren, en medicamenten die niet terugbetaald worden, vallen dus buiten de toepassing van de Maximumfactuur. Of de ziekteverzekering bepaalde geneesmiddelen moet terugbetalen, is vanzelfsprekend voorwerp van veel discussies. Geneesmiddelen worden opgenomen in de terugbetaling wanneer een voldoende aantal grote wetenschappelijke studies van hoge kwaliteit de werkzaamheid en veiligheid ervan aangetoond hebben. Dat verklaart waarom bepaalde 'experimentele' middelen die sommige CVS-patienten nemen of toegediend krijgen en waarvan de veiligheid en werkzaamheid bij CVS nog niet duidelijk werd bewezen, vandaag niet terugbetaald worden. Bijgevolg maken deze laatste geneesmiddelen dus ook geen deel uit van de kosten die gedekt worden door het principe van de Maximumfactuur.
Een tweede maatregel is er op gericht patienten met een ziekte-uitkering meer kansen te geven om nog "toegelaten arbeid" te verrichten en een arbeidsinkomen te verwerven. De nieuwe regeling is ook voor CVS-patienten van belang omdat voor sommigen van hen enige mate van arbeid medisch aanbevolen wordt. De mogelijkheid om met een ziekte-uitkering nog te gaan werken met voorafgaande toestemming van de adviserend geneesheer bestond al langer, maar ze was voor verbetering vatbaar. De nieuwe regeling, die van kracht is sinds 1 april 2002, zorgt ervoor dat meer mensen met een ziekte-uitkering er ook financieel baat bij hebben als ze deeltijds werken.
Praktische informatie: voor wie als werknemer een ziekte-uitkering ontvangt van het ziekenfonds, is kiezen voor toegelaten arbeid alleen mogelijk als de adviserend geneesheer van het ziekenfonds vooraf toestemming geeft. Voor meer informatie kan men terecht bij het ziekenfonds en de diensten van de adviserend geneesheer en uitkeringen. Toegelaten arbeid kan ook voor zelfstandigen met een ziekteuitkering. Zowel de voorwaarden als de financiele cumulatie-regeling zijn evenwel fundamenteel anders geregeld dan bij de werknemers. Ook over deze regeling kan het ziekenfonds meer informatie geven.
Een derde maatregel tenslotte was het oprichten van CVS-referentiecentra op basis van een verslag van de CVS-werkgroep van de Hoge Gezondheidsraad. Hiervoor heb ik een budget van 1.487.361 euro vrijgemaakt. De formule van referentiecentra is niet nieuw. Voor uitzonderlijke chronische aandoeningen zoals mucoviscidose, erfelijke metabole aandoeningen en neuromusculaire aandoeningen bestaan nu al zulke centra. Ze werken op basis van revalidatieovereenkomsten of contracten met het RIZIV. Deze werkwijze laat toe om interdisciplinaire zorgen op maat van de patient te organiseren en te financieren. Referentiecentra zijn bovendien interessant om de kennis, de ervaring en de expertise rond een bepaalde aandoening zoals CVS, samen te brengen en door te geven aan zorgverstrekkers zoals huisartsen, specialisten en aan controleartsen. Ondertussen is in Leuven op 1 april 2002 het eerste CVS-referentiecentrum geopend. In de loop van het jaar kunnen ook centra in Gent, Brussel, Antwerpen, in de UCL te Brussel en te Yvoir (ziekenhuis Mont-Godinne) van start gaan. In deze centra zal (bij patienten die aan bepaalde voorwaarden voldoen) de kennismaking en de eerste fase van de diagnosestelling bij een geneesheer-specialist in de interne geneeskunde gebeuren. Het uiteindelijk definitief stellen van de diagnose en het voorstellen van een bepaalde behandeling of revalidatie gebeurt door een uitgebreider, interdisciplinair team waarin andere specialisten zoals een revalidatie-arts en een psychiater, evenals andere hulpverleners zoals verpleegkundigen, de huisarts en maatschappelijk werkers, betrokken worden. Op die manier willen we garanderen dat zowel de lichamelijke als de psychologische en sociale problemen van de patienten ernstig genomen worden. Dit interdisciplinaire team zal ook de andere zorgverstrekkers buiten het referentiecentrum (huisartsen, specialisten, paramedici) bijstaan en informatie verschaffen. De centra, die volgens de overeenkomst met het RIZIV verplicht verbonden zijn aan een universitair ziekenhuis, moeten bovendien verder wetenschappelijke kennis en ervaring opbouwen over het CVS en de resultaten van hun onderzoek meedelen aan de medische wereld, met inbegrip van de controlerende artsen van de ziekenfondsen van het RIZIV. Dit laatste is ook van belang om de eventuele arbeidsongeschiktheid van CVS-patienten nog beter te kunnen beoordelen.
Praktische informatie: de huisarts staat in voor de mogelijke doorverwijzing van de patient naar een CVS-referentiecentrum. Hiervoor moet hij of zij een standaardverwijsformulier invullen dat hij/zij kan bekomen in het referentiecentrum of via de website van het RIZIV en opsturen naar de geneesheer internist van een CVS-referentiecentrum. Via het referentiecentrum krijgen de patient en de behandelende arts alle verdere informatie over de resultaten van het onderzoek en de mogelijke voorstellen voor verdere behandeling. Zowel voor de terugbetaling van de kosten van het zogenaamde bilanrevalidatieprogramma (de uitgebreide diagnostiek) als voor de tegemoetkoming in de kosten van het specifiek interdisciplinair revalidatieprogramma (de eigenlijke revalidatiebehandeling) dient de patient een aparte aanvraag in bij de adviserend geneesheer van zijn ziekenfonds. Het College van geneesheren-directeurs, ingesteld bij het RIZIV, is bevoegd om deze aanvragen, te evalueren. De referentiecentra zijn verplicht hun patienten te helpen bij het indienen van hun aanvraag. De kosten die de patient zelf moet betalen zijn dezelfde als die in alle andere ambulante revalidatieprogramma's.
Mogelijke misverstanden
Aan de huidige wetgeving van de ziekteverzekering m.b.t. de terugbetaling van medische onderzoeken en behandelingen en aan de beoordeling van arbeidsongeschiktheid wordt er niets gewijzigd (buiten het invoeren van de Maximumfactuur).
Een eerste misverstand is de veronderstelling dat het RIZIV voor de terugbetaling van medische kosten zou werken met een lijst van "erkende ziekten". De werkelijkheid is dat het RIZIV voor de terugbetaling van medische prestaties niet werkt op basis van een zogenaamde lijst van erkende ziekten. Het werkt wel op basis van een lijst van erkende medische onderzoeken en behandelingen. Deze onderzoeken en behandelingen worden voor iedereen op dezelfde manier terugbetaald. De terugbetaling kan alleen varieren naargelang de patient al dan niet recht heeft op verhoogde terugbetaling (m.a.w. al dan niet het WIGW-statuut heeft) of behoort tot de sociale zekerheid van de werknemers of de zelfstandigen. De vraag van patientengroepen om CVS te "erkennen" leidt bijgevolg soms tot misverstanden bij het publiek. Het is vanzelfsprekend belangrijk dat de samenleving het probleem van de CVS-patienten erkent, d.w.z. inziet dat hier een belangrijk probleem is, maar er is geen nood aan een bijzondere juridische erkenning van CVS. Op deze algemene regel van de ziekteverzekering die geldt voor duizenden medische onderzoeken en behandelingen zijn er enkele uitzonderingen waarbij de tussenkomst wel degelijk afhankelijk is van de aard van de aandoening. Dit geldt bijvoorbeeld voor geneesmiddelen waarvoor een voorafgaandelijke toestemming van de adviserend geneesheer van het ziekenfonds vereist is: vooraleer het geneesmiddel wordt terugbetaald wordt effectief gecontroleerd of het geneesmiddel voor de juiste ziekte of aandoening is voorgeschreven. Voor CVS-patienten worden concreet twee bijzondere en nieuwe tussenkomsten mogelijk gemaakt: ten eerste, de verzorging in de nieuw opgerichte CVS-referentiecentra en, ten tweede, tot zestig kinesitherapeutische zittingen per jaar volgens het normale terugbetalingstarief (in plaats van achttien), tenminste indien het referentiecentrum de verderzetting van oefentherapie aanbeveelt.
Een tweede misverstand is dat er ook bij de erkenning van de arbeidsongeschiktheid, gewerkt zou worden met een lijst van "erkende" ziekten. Ook dit is niet het geval. De controleartsen moeten nagaan of iemand nog kan gaan werken of niet. Aan welke ziekte of aandoening iemand lijdt, is voor de beoordeling en erkenning van de arbeidsongeschiktheid van geen belang.
Een derde misverstand is dat patienten waarbij een revalidatieprogramma wordt gestart automatisch arbeidsongeschikt worden verklaard. Vanuit zowel medisch als sociaal standpunt wordt, in de mate van het mogelijke, het verderzetten van de professionele activiteiten trouwens vaak aangeraden bij CVS. De beoordeling van de arbeidsongeschiktheid blijft de bevoegheid van de controle-artsen. Wel is het zo dat mag verwacht worden dat tijdens de maanden van revalidatie een eventueel reeds door de controle-arts vastgestelde gedeeltelijke of gehele arbeidsongeschiktheid niet plots zal herzien worden.
Ik hoop dat uit het bovenstaande duidelijk blijkt dat ik het Chronisch Vermoeidheidssyndroom ernstig neem en dat wij via een aantal kanalen de situatie van de CVS-patient trachten te verbeteren. Tegelijk hoop ik dat deze brief ook mogelijke misverstanden uit de wereld helpt.
Hoogachtend,
FrankVandenbroucke Minister van Sociale Zaken en Pensioenen
Bron: http://vandenbroucke.fgov.be
vragenlijst -----------
1) Vertel kort wie je bent. (leeftijd, opleiding, vroegere en huidige beroepssituatie, gezinssituatie, hobby's) 2) Besteedde je voor je ziek werd veel aandacht aan ziekte en gezondheid? Had je toen al van CVS gehoord? 3) Omschrijf je ziekteverloop. 4) Vertel eens iets over de diagnosestelling. (verloop van mededeling, verwacht, impact, betekenis) 5) Welke kenmerken/aspecten van CVS zijn voor jou het belangrijkst en waarom? (vb. chronische aard, onzichtbaarheid...) 6) Werd je na de diagnose goed verder geholpen ivm informatievoorziening? Ja, door wie? Neen, bij wie zocht je dan een antwoord op je vragen? 7) Beschrijf jezelf als persoon voor de ziekte. (welke rollen oefende je uit, karakter: extravert/introvert, emotioneel/rationeel, actief/passief) 8) Wat vind je van volgende uitspraak: 'Door CVS ervaart men rolverlies' 9) Indien bevestiging rolverlies: Hoe vulde je deze leegte op? Wat kwam er in de plaats van deze rollen? 10) Vertel eens iets over angst, onzekerheid, trots en schaamte. 11) Hoe beinvloeden deze gevoelens je zelfbeeld? 12) Beschouw jij jezelf als iemand die afhankelijk is van anderen? Waarom? 13) Heb je het gevoel dat je controle hebt op de dingen die rond je gebeuren? 14) Hoe ervaar je de tegenstelling tussen de eisen vanuit de maatschappij en de beperkingen die je lichaam je oplegt? 15) Beschrijf de reactie vanuit je omgeving op je ziekte. 16) Ervaar je op dit moment een soort groepsgevoel? Vanuit welke hoek? 17) Krijg je steun vanuit de hoek die je had verwacht? Op welk vlak schiet deze steun tekort? Hoe vul je dat tekort op? 18) Omschrijf je contacten met de geneeskunde. 19) Werd je vrouwelijkheid/mannelijkheid door de ziekte ondermijnd? Op welke manier? 20) Had je door CVS het gevoel dat je identiteit werd aangetast? Hoe ging je hier in het begin mee om? Herinner je je bepaalde verdedigingsstrategieen die je gebruikte om hier tegen in te gaan? (ontkenning, minimalisatie, toneel spelen naar buitenwereld toe, ...) 21) Ben je op een bepaald moment de ziekte toch gaan aanvaarden? Wanneer? (Na een bepaalde gebeurtenis?) 22) Heb je het gevoel dat je door CVS een nieuwe identiteit hebt opgebouwd? Omschrijf dit nieuw zelfbeeld. 23) Denk je dat de confrontatie met stereotypen jou nieuwe identiteit heeft beinvloed? Hoe? 24) Met welk symbool of beeld zou jij je ziekte omschrijven? (vijand, bondgenoot,...) 25) Heeft CVS je ook iets positiefs bijgebracht? (Is er sprake van ziektewinst?) 26) Als je nu terugkijkt op je ziekteverleden, geef dan kort, de tot hier toe belangrijkste keerpunten. 27) Eventueel doorvragen naar spiritualiteit
Begeleidende brief
Gent, 14 oktober '02
Hallo allemaal!
Eerst en vooral een dankwoordje aan iedereen. Ik apprecieer het zeer sterk dat ik voor mijn thesis op jullie medewerking kan rekenen. Vervolgens wil ik me verontschuldigen voor mijn lange stilzwijgen omwille van vakantiewerk en de uitvoering van mijn reisplannen. Daarnaast ben ik sinds mijn oproep in 'Mededeling' vooral bezig geweest met het formuleren van de probleemstelling van mijn onderzoek, waarover straks een woordje meer. Verder heb ik mijn promotor gecontacteerd en veel gelezen. Ik neem aan dat niemand van jullie echt goed weet waaraan hij of zij juist deelneemt. Vandaar deze brief.
Wat vooraf ging...
Ik zit in mijn laatste jaar sociologie. Hierin wordt er van ons verwacht dat we een eindwerk schrijven. Sociologie kan je beschouwen als een wetenschap die het 'reilen en het zeilen' in onze huidige maatschappij bestudeert. Ook zegt men wel eens dat sociologie de studie is van sociale problemen en sociale feiten. De bedoeling van onze thesis is dat we op basis van een literatuurstudie zelf een onderzoek uitvoeren om tot een bepaalde conclusie te komen. Vorig jaar was ik sterk geinteresseerd in het vak 'sociologie van ziekte en gezondheid'. Binnen dit vakgebied wou ik een onderwerp uitkiezen. Op een gegeven moment las ik een artikel over CVS als een 'nieuwe', controversiele ziekte. De hele discussie rond de al dan niet psychische of fysische oorzaken van CVS en de terugbetaling door het riziv interesseerden me echter niet zo sterk. Wel vroeg ik me af wat de sociale gevolgen van een dergelijke chronische en tegengesproken ziekte zijn voor de patient zelf.
De probleemstelling
De ziekte maakt het voor de patient onmogelijk zijn dagelijkse rollen nog naar behoren uit te voeren. Omdat CVS in de samenleving niet wordt aanvaard, wordt de leegte waarin de patient valt maatschappelijk ook niet opgevuld. Literatuur wijst aan dat dit proces van rolverlies een negatief effect heeft op het zelfbeeld en de identiteit van de persoon in kwestie. Toch zal de patient zich een nieuwe rol, een nieuwe identiteit gaan aannemen, met behulp van anderen of alleen. Het is dit proces van ziekteverloop en identiteitsvorming dat me sterk interesseert. Vandaar de titel van mijn onderzoek: 'Rolverlies en identiteitsbeleving bij mensen met chronische vermoeidheid'
Het onderzoek
Zoals ik in de oproep reeds vermeldde, zal mijn onderzoek gebaseerd zijn op een twintigtal interviews met CVS-patienten. De interviews nemen de vorm aan van een gesprek, waarbij vooral jullie aan het woord zullen zijn. Dit gesprek wordt opgenomen met een dictafoontje en blijft uiteraard anoniem, zoals trouwens alle informatie die jullie me doorsturen. Volgens mijn promotor is het het beste dat ik me zeker nog tot december verdiep in de literatuur. Vanaf december neem ik met iedereen persoonlijk contact op, om een afspraak voor een interview te maken. In december en in januari zullen de interviews worden afgenomen. Februari zullen ze met een computerprogramma worden verwerkt, en in maart kunnen we hopelijk conclusies trekken op basis van de literatuur en de interviews. In april wordt alle informatie op papier gezet, zodat de studie tegen 8 mei 2003 klaar is. Uiteraard kunnen jullie, indien geinteresseerd, een (misschien beknopter en minder theoretisch) exemplaar verkrijgen.
Ik hoop dat ik jullie voorlopig een beetje verduidelijking heb bijgebracht omtrent het onderwerp van mijn thesis. Bij deze brief zit een voorlopige vragenlijst. Op deze lijst staan een aantal onderwerpen waar ik zeker naar zal vragen. Het is helemaal niet de bedoeling dat jullie de antwoorden echt voorbereiden of uitschrijven. De lijst is niet volledig en dient alleen maar om jullie een idee te geven waar ik naar toe wil. Beschouw hem eerder als een ruggensteuntje bij het interview. Indien jullie met grote vragen of twijfels zitten met betrekking tot het interview, de probleemstelling of de medewerking, aarzel dan niet om contact met me op te nemen.
Alvast hartelijk bedankt, en tot binnenkort! Groetjes, Leen
Contact: * Adres: Leen Van den Bergh Schoterweg 173 3980 Tessenderlo * Email: leenvandenbergh@yahoo.com
Ga terug
|