|
|
Chronisch vermoeidheidssyndroom en het internet: een vruchtbaar duo? Een explorerend onderzoek. --------------------------------------------------------------------
KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN FACULTEIT PSYCHOLOGIE EN PEDAGOGISCHE WETENSCHAPPEN Afdeling Klinische Psychologie
Verhandeling aangeboden tot het verkrijgen van de graad van Licentiaat in de Psychologie door Winde Hermans
o.l.v. Prof. B. Van Houdenhove
2003
Het literatuurgedeelte bestaat uit twee delen waarbij in het eerste deel een overzicht wordt gegeven van de huidige stand van zaken op vlak van het chronisch vermoeidheidssyndroom. Hiervoor wordt achtereenvolgens de historiek (eerste hoofdstuk), definitie en diagnose (tweede hoofdstuk), epidemiologie (derde hoofdstuk), etiopathogenese (vierde hoofdstuk), prognose (vijfde hoofdstuk) en behandeling (zesde hoofdstuk) besproken. In hoofdstuk zeven worden dan de bevindingen uit de vorige hoofdstukken samengevat.
In een tweede deel wordt meer uitgebreid ingegaan op het onderdeel internet.
In een eerste hoofdstuk wordt het concept internet verder uitgediept. We behandelen achtereenvolgens de definitie, historiek, omvang en groei, het World Wide Web en inhoudelijk internetgebruik.
In een tweede hoofdstuk bekijken we het begrip 'e-health' van naderbij en overlopen we de volgende vragen: hoe kunnen we 'e-health' definieren, wat kenmerkt 'e-health' internetgebruikers, wat is cyberchondria, hoe staat het met de betrouwbaarheid van gezondheidssites, is er een invloed van internetgebruik op de dokter-patient relatie en bestaat er zoiets als internettherapie en -zelfhulpgroepen. In een derde hoofstuk trachten we na te gaan hoe het chronisch vermoeidheidssyndroom zijn weg vindt op het internet.
In een laatste hoofdstuk tenslotte wordt er een korte samenvatting gegeven van deel 2.
Het empirisch gedeelte (deel 3) bestaat uit een onderzoek waarbij een vragenlijst werd afgenomen in twee steekproeven: namelijk 593 CVS-patienten via een websurvey en 77 CVS-patienten van het referentiecentrum UZ Leuven via een gewone survey.
In deze studie wordt het internetgebruik (waaronder frequentie, volgen van ontwikkelingen, informatie, steun, erkenning, gepercipieerde betrouwbaarheid, contact, ontmoeting en chatten), het gepercipieerde begrip (huisarts, familie en omgeving), de behandeling (alternatieven en hulpverleners) en de ziektetheorie (lichamelijke en psychische factoren, geprefereerde visie en benaming) in kaart gebracht alsook verbanden met betrekking tot variabelen zoals geslacht, nationaliteit en het al dan niet in een hulpgroep zitten.
Dankwoord ---------
Om deze studie tot een goed einde te brengen, heb ik kunnen rekenen op de gewaardeerde hulp van vele personen. Ik hoop dat dit voor hun gevoel niet de eerste keer is dat ze zich door mij gewaardeerd voelen. Het kan echter nooit genoeg benadrukt worden.
Allereerst wil ik mijn promotor Prof. B. Van Houdenhove bedanken voor zijn begeleiding gedurende het onderzoek van de afgelopen jaren. Ik dank hem voor de vrijheid die hij me heeft geboden bij de totstandkoming van deze verhandeling.
De hulp en vele suggesties van Sjaak Smeenk in verband met de internetvragenlijst waren voor mij heel belangrijk alsook het plaatsje dat Rico Landman mijn vragenlijst op het enorme internet bood.
Vervolgens gaat mijn dank uit naar de mensen van het CVS-referentiecentrum te Leuven, waaronder Annelies Van den Broeck, Lutgarde Goossens, Kathleen Dewandeleer en Iris Bombaert, voor de verspreiding van de vragenlijsten.
Zeer veel dank ben ik ook verschuldigd aan de vele CVS-patienten die belangeloos bereid waren om de vragenlijst in te vullen. Zonder hun inzet zou iedere fundering voor de in deze verhandeling gepresenteerde ideeen ontbreken.
Niet te vergeten is mijn vriend, Robin, die een onmisbare hulp was bij het inbrengen en verwerken van de vele data en het herhaaldelijk nalezen van het geschrevene.
Rest mij nog om, last but not least, de rest van mijn vrienden en familie te bedanken voor hun steun, belangstelling en de vrijheid die ze me gegund hebben in het maken van mijn keuzes.
Inhoudsopgave
DEEL 1: HET CHRONISCH VERMOEIDHEIDSSYNDROOM
Inleiding
Hoofdstuk 1. Historiek 1. Nomenclatuur 2. Chronisch vermoeidheidssyndroom
Hoofdstuk 2. Definitie en diagnose 1. Definitie 2. Diagnose 2.1. Wanneer 2.2. Hoe begint het 2.3. Klinische anamnese 2.4. Symptomen 2.5. Meetinstrumenten 2.6. Zelfdiagnose 3. Differentiele diagnose
Hoofdstuk 3. Epidemiologie 1. Prevalentie 2. Man-vrouw verhouding 3. Leeftijd
Hoofdstuk 4. Etiopathogenese 1. Somatische hypothesen 1.1. Rol van infecties 1.2. Slaapstoornissen a. Rol van het centrale zenuwstelsel b. Neuropsychologische studies c. Neuroendocriene studies d. Autonome activiteit studies e. Immuunsysteem afwijkingen
2. Psychosociale en psychopathologische hypothesen 2.1. Psychiatrische stoornissen a. Somatisatie b. Angst c. Majeure depressie 2.2. Attributie, perceptie en coping 2.3. Stresserende en ingrijpende gebeurtenissen 2.4. Persoonlijkheid en levensstijl
3. Genetische en omgevingsfactoren
Hoofdstuk 5. Prognose
Hoofdstuk 6. Behandeling 1. Farmacologische behandeling 2. Niet-farmacologische behandeling 3. Alternatieve behandelingen
DEEL 2: HET INTERNET
Inleiding
Hoofdstuk 1. Het concept internet 1. Definitie 2. Historiek 3. Omvang en groei 4. World Wide Web 5. Inhoudelijk internetgebruik
Hoofdstuk 2. E-health 1. Definitie 2. Kenmerken van e-health gebruikers 3. Cyberchondria en dergelijke 4. Betrouwbaarheid van gezondheidssites 5. Invloed op dokter-patient relatie 6. Internettherapie en -zelfhulpgroepen
Hoofdstuk 3. Chronisch vermoeidheidssyndroom op internet
DEEL 3: ONDERZOEK
Hoofdstuk 1. Inleiding
Hoofdstuk 2. Methode 1. Deelnemers 2. Meetinstrument 3. Werkwijze
Hoofdstuk 3. Resultaten 1. Resultaten van internetgroep 1.1. Internetgebruik 1.2. Gepercipieerd begrip 1.3. Behandeling 1.4. Ziektetheorie
2. Resultaten van referentiecentrumgroep 2.1. Internetgebruik 2.2. Gepercipieerd begrip 2.3. Behandeling 2.4. Ziektetheorie
3. Resultaten met betrekking tot het online volgen van ontwikkelingen in CVS-onderzoek 3.1. Internetgebruik 3.2. Gepercipieerd begrip 3.3. Behandeling 3.4. Ziektetheorie
Hoofdstuk 4. Samenvatting en conclusie
REFERENTIES
BIJLAGEN
Lijst van de tabellen
Tabel 1: Vergelijking van de definities Tabel 2: CDC-criteria voor het chronisch vermoeidheidssyndroom Tabel 3: Meetinstrumenten bij chronische vermoeidheid Tabel 4: Overzicht prevalentiegegevens in verschillende studies Tabel 5: Gecontroleerde of 'case-control' studies van behandeling voor CVS, per therapiecategorie Tabel 6: Percentage internetgebruik per activiteit Tabel 7: Overeenkomst met empirisch ondersteunde geneeskunde op vlak van voordeel van behandeling, classificatie van site-inhoud en informatiebronnen, en aanwezigheid van andere kwaliteitsindicators - laagste en hoogste aantal sites geidentificeerd door eender welke zoekmachine en overkoepelende resultaten Tabel 8a: Aantal ingevulde vragenlijsten via internet opgesplitst per nationaliteit, geslacht en diagnose Tabel 8b: Aantal ingevulde vragenlijsten via referentiecentrum opgesplitst per nationaliteit, geslacht en diagnose
===========================================================================
Tabel 9a: Vergelijking van gemiddelden van internetgroep opgesplitst per geslacht en nationaliteit inzake internetgebruik Tabel 9b: Vergelijking van gemiddelden van internetgroep opgesplitst per diagnose en hulpgroep inzake internetgebruik Tabel 10: Vergelijking van gemiddelden van internetgroep opgesplitst per geslacht, nationaliteit, diagnose en hulpgroep inzake gepercipieerd begrip
Deze 3 Diagrammen niet als txt te tonen
===========================================================================
Tabel 11: Vergelijking van gemiddelden van internetgroep opgesplitst per geslacht, nationaliteit, diagnose en hulpgroep inzake behandeling Tabel 12: Percentages CVS-patienten van internetgroep die de behandeling of test geprobeerd hebben opgesplitst per geslacht en nationaliteit Tabel 13: Percentages CVS-patienten van internetgroep opgesplitst per geslacht en nationaliteit inzake hulpverleners Tabel 14: Ziektetheorie in percentages van internetgroep opgesplitst per geslacht en nationaliteit Tabel 15: Percentages van internetgroep opgesplitst per diagnose inzake benaming Tabel 16: Ziektetheorie in percentages van internetgroep opgesplitst in al dan niet in hulpgroep zitten
==========================================================================
Tabel 17: Vergelijking van gemiddelden van RC-groep opgesplitst per geslacht (G), diagnose (D) en hulpgroep (H) inzake internetgebruik
Dit diagram niet als txt te tonen
==========================================================================
Tabel 18: Vergelijking van gemiddelden van RC-groep opgesplitst per geslacht, diagnose en hulpgroep inzake gepercipieerd begrip Tabel 19: Vergelijking van gemiddelden van RC-groep opgesplitst per geslacht, diagnose en hulpgroep inzake totaal aantal behandelingen en hulpverleners Tabel 20: Percentages CVS-patienten van RC-groep opgesplitst per geslacht die de behandeling of test geprobeerd hebben Tabel 21: Percentages CVS-patienten van RC-groep opgesplitst per geslacht inzake hulpverlener en gemiddelde evaluatie per hulpverlener Tabel 22: Ziektetheorie in percentages van RC-groep opgesplitst per geslacht Tabel 23: Ziektetheorie in percentages van RC-groep opgesplitst per diagnose en hulpgroep Tabel 24: Vergelijking van gemiddelden tussen N/Z-groep en V/HV-groep inzake internetgebruik Tabel 25: Vergelijking van gemiddelden tussen N/Z-groep en V/HV-groep inzake gepercipieerd begrip Tabel 26: Vergelijking van gemiddelden tussen N/Z-groep en V/HV-groep inzake behandeling Tabel 27: Vergelijking van percentages van N/Z-groep en V/HV-groep inzake ziektetheorie
Lijst van de figuren
Figuur 1. Evaluatie van al dan niet geprobeerde alternatieven door CVS-patienten van de internetgroep. Figuur 2. Evaluatie van al dan niet geprobeerde alternatieven door CVS-patienten van de RC-groep.
[ Figuren niet als txt te tonen ]
DEEL 1: HET CHRONISCH VERMOEIDHEIDSSYNDROOM --------------------------------------------
Inleiding ---------
Vermoeidheid is een vaak voorkomend symptoom in de populatie. Uit onderzoeken blijkt dat 1 derde tot de helft van de gehele populatie klaagt over vermoeidheid (Chen, 1986; De Ridder, Schreurs & Schaufeli, 2000; Pawlikowska et al., 1994). Het is ook geweten dat minstens 20% hier medische hulp voor inroept (Bates et al., 1993; Cathebras, Robbins, Kirmayer & Hayton, 1992; David et al., 1990; Kroenke, Wood, Mangelsdorff, Meier & Powell, 1988; Mcdonald, David, Pelosi & Mann, 1993). Deze vermoeidheid wordt getypeerd als voorbijgaand, beperkend en kan uitgelokt worden door de heersende omstandigheden. Toch ondervindt een minderheid van personen een aanhoudende en invaliderende vermoeidheid. Wanneer deze vermoeidheid niet verklaard kan worden door een medische conditie, kan er sprake zijn van chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS).
Het chronisch vermoeidheidssyndroom is een aandoening die gekarakteriseerd wordt door een ernstig invaliderende vermoeidheid die minstens zes maanden aanhoudt en gepaard gaat met talrijke reumatologische, infectueuze en neuropsychiatrische symptomen (Fukada et al., 1994). Zoals de naam doet vermoeden is het chronisch vermoeidheidssyndroom een symptoomgebaseerde of klinische diagnose, die niet kan worden bevestigd door fysieke onderzoeken of routinematige laboratoriumresultaten. Infectueuze, immunologische, neuroendocriene, slaap- en psychiatrische mechanismen zijn onderzocht; toch is er nog geen eenmakende etiologie voor CVS. Het lijkt waarschijnlijk dat het chronisch vermoeidheidssyndroom een heterogene aandoening is met verschillende pathofysiologische verstoringen die zich manifesteren met gelijkende symptomen. Ongeacht de etiopathogenese, hebben personen met het chronisch vermoeidheidssyndroom, zoals degenen met andere chronische aandoeningen, een substantieel aangetaste functionele toestand die resulteert in significante persoonlijke en economische morbiditeit (Bombardier & Buchwald, 1996; Buchwald, Pearlman, Umali, Schmaling & Katon, 1996).
Dit deel tracht op basis van de internationale literatuur een overzicht te schetsen inzake historiek, definitie, diagnose, epidemiologie, etiopathogenese, prognose en behandeling.
Hoofdstuk 1. Historiek -----------------------
1. Nomenclatuur ---------------
De benaming 'chronisch vermoeidheidssyndroom' is van tamelijk recente datum (Holmes et al., 1988), maar de hoofdklacht, chronische moeheid, is een oude klacht die doorheen de geschiedenis hoofdonderdeel is geweest van verscheidene syndromen.
Reeds in 1750 beschreef Sir Richard Manningham een post-infectueuze aandoening, met name febricula, een beeld dat sterke gelijkenissen vertoont met wat we nu het chronisch vermoeidheids-syndroom noemen. Een kleine eeuw later werd voor deze symptomen het begrip neurasthenie door de Amerikaanse neuroloog George Beard geintroduceerd (Schafer, 2002). Neurasthenie, letterlijk zenuwzwakte, werd door talloze West-Europese geleerden, medici en auteurs (zoals Mobius, Freud, von Krafft-Ebing, Jelgersma, ...) eind 19e eeuw ook wel de 'ziekte van de moderniteit' genoemd als gevolg van de snelle en radicale moderniseringsprocessen in de samenleving (Slukhuis, 2001). Het werd een containerbegrip voor verschillende lichamelijke en psychische klachten die geassocieerd werden met overspanning en (over)vermoeidheid van de zenuwen, zoals energietekort en uitputting (Abbey & Garfinkel, 1991). Reeds toen werd het symptomencomplex in verband gebracht met het stress- concept waarbij de oorzaak van neurasthenie buiten het individu lag, met name in de maatschappij. Onder invloed van Freuds gedachtegoed raakte men er stilaan van overtuigd dat neurasthenie veroorzaakt werd door een discrepantie tussen individuele verlangens en sociale omgeving (Jelgersma, vermeld in Slukhuis, 2001).
Neurasthenie wordt nu in de International Classification of Diseases (ICD-10) beschouwd als een psychiatrische stoornis. Naar aanleiding van een onderzoek bij soldaten van de Amerikaanse Burgeroorlog, beschreef Da Costa in 1871, een aandoening gekenmerkt door hoofdzakelijk vermoeidheid, en een aantal symptomen zoals hartkloppingen, duizeligheid, hoofdpijn en slaapstoornissen (Wood, 1941). Het Da Costa syndroom, hoewel soms geassocieerd met chronisch vermoeidheidssyndroom, is als afzonderlijke entiteit verworpen.
Vanaf de jaren '30 zien we minstens 23 epidemieen van chronische vermoeidheid (Briggs & Levine, 1994), waaronder de onverklaarbare epidemie in het Londens Royal Free Hospital in 1955. De visies over de oorzaak van de 'Royal Free Disease' liepen uiteen van virusinfectie tot massahysterie (David, Wessely & Pelosi, 1988; Jennekes & Van Gijn, 1988; Michielsen & Van Moffaert, 1991; Wessely, 1990). Naar aanleiding van deze polemiek werd de term Myalgische Encephalomyelitis (letterlijk onststeking van de hersenen) voorgesteld in een Lancet editoriaal (Leading Article, 1956). Deze benaming tracht men in de huidige internationale wetenschappelijke literatuur te vermijden omdat er weinig evidentie voor gevonden werd (Schwartz et al., 1994). De term wordt nog wel gehanteerd door Nederlandse en Engelse patienten en patientenverenigingen.
Andere in het verleden gebruikte benamingen voor deze epidemieen zijn onder andere post-viraal vermoeidheidssyndroom, chronische mononucleosis, yuppie-syndroom, Iceland Disease, Akureyeri Disease, Lake Tahoo Disease, neuromyasthenie, pseudo-aids, neurocirculaire asthenie, malaise of the eighties, atypische poliomyelitis (Michielsen & Van Moffaert, 1991; Swanink et al., 1991).
In de Verenigde Staten spreekt men op dit ogenlik van CFIDS (chronic fatigue and immune dysfunction syndrome) of over CFS/ME. Sinds kort pleit de 'CFS name change workgroup' (vanuit het National Institute of Health in Ohio) voor een naamsverandering in (chronic) neuroendocrine dysfunction syndrome ((C)NDS) of neuro-endocrine-immune dysfunction syndrome (NEIDS) (Jason, Eisele & Taylor, 2001). Van Houdenhove (2002) stelt dat vaak wordt vergeten dat de wijze waarop klachten worden benoemd, ook altijd sociaal-cultureel bepaald is, waarbij media een grote rol spelen. Zo zien we bijvoorbeeld dat er in Frankrijk en Wallonie nauwelijks kinderen met 'ME' worden gezien, terwijl het in Engeland een alledaags ziekenhuisverschijnsel is. In de Franstalige landen is het diagnostisch etiket 'spasmofilie' dan weer erg populair (Van Houdenhove, 2001).
2. Chronisch Vermoeidheidssyndroom ----------------------------------
Omdat de oorzaken van het syndroom tot op heden nog onvoldoende gekend zijn, opteert men in wetenschappelijke en medische kringen voor de beschrijvende term 'chronisch vermoeidheids-syndroom' (Holmes et al., 1988). Deze term veronderstelt geen kennis van en duidt niet op een specifieke etiologie of pathologie, maar verwijst louter naar het hoofdkenmerk van de aandoening, met name de vermoeidheid. Veel patienten vinden de naam 'CVS' ongelukkig gekozen omdat vermoeidheid dan onterecht teveel aandacht zou krijgen en er misverstanden kunnen ontstaan over de ernst van de ziekte. Het vooral somatisch georienteerde CVS-onderzoek verspreidde zich geleidelijk naar andere disciplines zoals psychiatrie en psychologie. Specifiek onderzoek naar de rol van psychologische factoren bij CVS is pas de laatste jaren op gang gekomen.
Mensen staat een breed repertoire symptomen ter beschikking om uitdrukking te geven aan hun lichamelijk en psychisch onbehagen. Hoe deze symptomen geduid en benoemd worden is geen puur medisch-biologische aangelegenheid, maar voor een belangrijk deel de uitkomst van een onderhandelingsproces tussen dokter en patient. Zowel artsen als patienten staan op hun beurt sterk onder de invloed van maatschappelijke als geldig aanvaardde opvattingen over de wijze waarop psychosomatische klachten moeten worden geduid, hoe ze ontstaan en zich verder ontwikkelen. Daarom zijn er nog heel wat controverses. Dit bleek onlangs nog door een fel bekritiseerd artikel in het British Medical Journal (Smith, 2002). Er werd een enquete gehouden onder 570 medisch geschoolde lezers met de vraag welke 'kwalen' het etiket ziekte al dan niet verdienden. Dertien procent vond dat het chronisch vermoeidheidssyndroom beter niet beschouwd werd als een ziekte. Zoals we daarnet al aanhaalden, definieert elke cultuur zijn eigen ziekte. Het enorm aantal reacties dat volgde op deze publicatie, maakt echter duidelijk dat er zelfs binnen een cultuur grote verschillen kunnen zijn met betrekking tot het aanvaarden van bepaalde klachten als een 'volwaardige' ziekte.
Hoofdstuk 2. Definitie en diagnose -----------------------------------
1. Definitie -------------
Voor diagnosestelling van het chronisch vermoeidheidssyndroom zijn er het laatste decennium verschillende diagnostische criteria opgesteld door verschillende onderzoeksgroepen: -Verenigde Staten (Center for Disease Control): Holmes 1988, Holmes 1992, Fukada 1994 -Verenigd Koninkrijk (Oxford): Sharpe, 1991 -Australie: Lloyd, 1990
Als we deze definities inhoudelijk vergelijken (zie tabel 1), zien we dat zowel de CDC als de Oxford criteria een plots gedefinieerd begin van de vermoeidheidsklachten vereisen. De Australische criteria daarentegen niet. Verder is het volgens de Oxford en Australische criteria vereist dat er cognitieve dysfuncties aanwezig zijn, terwijl dit bij de CDC criteria (alsook de herziene versie hiervan) dan weer niet zo is. In deze laatste worden wel problemen met aandacht, concentratie en geheugen aangehaald (ze maken deel uit van de symptoomcriteria), maar ze vormen geen voorwaarde voor de diagnose. Enkel de CDC criteria vereisen de aanwezigheid van meerdere symptomen en fysische bevindingen. De Australische en Oxford criteria lijken wat betreft duur en ernst van de vermoeidheid wel sterk op de CDC criteria en vernoemen de relevante symptomen, maar een minimum aantal symptomen is niet vereist.
Tabel 1 Vergelijking van de definities (Bates et al., 1993) ---------------------------------------------------------------------------- Definitie CDC Oxford Australie ---------------------------------------------------------------------------- Duur van vermoeidheid Min. 6 maand Min. 6 maand Min. 6 maand Ernst van vermoeidheid 50% vermindering Ernstig en Veroorzaakt van activiteiten invaliderend verstoring van de dag. activiteiten Andere kenmerken van Plots begin Gedefinieerd Niet vereist vermoeidheid vereist begin vereist Cognitieve dysfunctie Kan aanwezig zijn,Beinvloedt Vereist maar niet vereist mentaal functioneren Andere diagnoses Medische aandoe- Medische aandoe- Medische aandoe- ningen ningen ningen geassocieerd met geassocieerd met geassocieerd met vermoeidheid vermoeidheid vermoeidheid uitsluiten uitsluiten uitsluiten Mineure criteria, Vereist Vereist Niet vereist zowel symptomen als fysische criteria ----------------------------------------------------------------------------
Hoewel de voorgestelde definities enkele verschillen vertonen, kan men toch een globaal beeld krijgen van wat de aandoening voorstelt en wat de preliminaire kenmerken ervan zijn. Eensgezindheid hieromtrent bestaat er echter niet, en dat is ook niet mogelijk zolang verschillende onderzoekers er verschillende meningen over op na blijven houden en dus ook verschillende criteria hanteren. Een gevolg hiervan is onder andere dat het prevalentiecijfer voor CVS afhankelijk is van de gehanteerde criteria (Bates et al., 1993). De criteria die momenteel vooral worden gehanteerd (zie tabel 2), zijn de herziene criteria van Fukada (1994).
Tabel 2 CDC-criteria voor het chronisch vermoeidheidssyndroom -----------------------------------------------------
1. Minstens zes maanden bestaande, klinisch geevalueerde, onverklaarde, aanhoudende of steeds terugkomende vermoeidheid, met volgende kenmerken: - een duidelijk beginpunt; - niet het gevolg van nog steeds voortgaande uitputtende activiteit; - niet verbeterend met rust; - resulterend in een substantiele afname van het aan de aandoening voorafgaande activiteitsniveau in het beroeps- of schoolleven en in de sociale of persoonlijke levenssfeer.
2. Het tegelijk voorkomen van minimaal vier van de volgende symptomen, alle gedurende minstens zes opeenvolgende maanden, bestaande uit: - zelfgerapporteerde, ernstige verslechtering van het kortetermijngeheugen of concentratievermogen; - keelpijn; - pijnlijke hals- of okselklieren; - spierpijn; - multipele gewrichtspijnen; - nieuw ontstane hoofdpijn; - niet-verkwikkende slaap; - uitputtingsgevoel meer dan 24 uur durend na inspanning.
In deze internationale consensusdefinitie van het Amerikaanse Center for Disease Control wordt onderscheid gemaakt tussen idiopatische chronische vermoeidheid (klinisch geevalueerde onverklaarde chronische vermoeidheid die de criteria voor CVS niet haalt) en het chronisch vermoeidheidssyndroom. Volgens van der Meer (1997) en Blijenberg (2002) is dit onderscheid klinisch gezien niet zinvol.
Onderzoek van De Becker, McGregor en De Meirleir (2001) wijst erop dat door het gebruik van deze criteria heterogene patientengroepen worden geselecteerd, onder meer met een verschillende graad van onderliggende of geassocieerde psychiatrische problematiek. Sommigen (o.a. Goudsmit, 1994) hopen een organisch-neurologisch ME-syndroom te onderscheiden binnen de brede populatie van chronisch vermoeiden door de London criteria (zie Royal Free Disease) in te voeren. Hierdoor zou men het statuut van 'echte' ziekte krijgen en dus minder het risico lopen bestempeld te worden als lijders aan een 'non-disease' (Smith, 2002) of de 'het zal wel tussen de oren zitten' stempel krijgen.
Volgens Van Houdenhove (2002) men voor ogen houden dat het gaat om operationele, dat wil zeggen niet empirisch gefundeerde consensuscriteria, die voornamelijk bedoeld zijn om onderzoek naar etiologie, prevalentie en behandeling te bevorderen. De validiteit en klinische bruikbaarheid blijven vraagtekens oproepen (Jason, King et al., 1999). Omdat de CVS-diagnose een diagnose op basis van uitsluiting is, moet men eerst grondig nagaan of er geen onderliggende ziektes zijn die de klachten kunnen veroorzaken of verklaren.
Sluiten de diagnose van CVS uit: 1. Actieve of onopgeloste medische toestand die de aanwezigheid van de chronische vermoeidheid kan verklaren 2. Diagnose van majeure depressie met psychotische of melancholische trekken, bipolaire affectieve stoornissen, schizofrenie, psychotische stoornissen, dementie, of anorexia nervosa en boulemia nervosa 3. Alcohol- of middelenmisbruik 4. Ernstige obesitas
Sluiten de diagnose van CVS niet uit: 1. Aandoeningen met symptomen die niet bevestigd kunnen worden door diagnostische laboratoriumtesten, zoals fibromyalgie, angststoornissen, somatoforme stoornissen, niet-psychotische of niet-melancholische depressie, neurasthenie en verscheidene chemische gevoeligheidsstoornissen 2. Aandoeningen waarvoor men reeds adequate behandeling ondergaat 3. Aandoeningen die effectief behandeld werden voor de aanvang van de symptomen van chronische vermoeidheid 4. Onverklaarbare fysieke onderzoeksbevindingen of testabnormaliteiten die onvoldoende zijn om als exclusiecriterium voor CVS te gelden.
In het algemeen kunnen we dus stellen dat het chronisch vermoeidheidssyndroom een onverklaard ziektebeeld is, waarbij chronische moeheid centraal staat met een ernstige beperking van het functioneren. Door het onverklaarbare karakter ervan heeft de definitie van het syndroom een noodzakelijk beschrijvend karakter zodat het eerder gaat om werkdefinities, waarbij de criteria ongetwijfeld zullen veranderen als er meer kennis over de aandoening komt.
2. Diagnose ------------
2.1. Wanneer -------------
Verschillende acute infecties worden vaak gevolgd door een periode van verzwakking. Wanneer dit echter langer blijft bestaan dan een aantal weken bij een persoon die vooraf gezond was, moet de overweging gemaakt worden of het gaat om de diagnose van een post-infectueuze vermoeidheidstoestand. Wanneer de symptomen langer dan twee of drie maanden blijven aanhouden, en de persoon heeft zijn normale leven niet kunnen hervatten, dan moet er een serieuze overweging zijn om de diagnose CVS te stellen.
2.2. Hoe begint het --------------------
Zoals de naam aangeeft is vermoeidheid het hoofdkenmerk van CVS. Patienten rapporteren vaak een uitstekende premorbiede fysieke fitheid en energie (MacDonald et al., 1996) en een abrupt begin van vermoeidheid, typisch bij een griepachtige ziekte (Salit, 1997; Schluederberg et al., 1992). Na het begin van de aandoening echter, geven patienten aan dat fysieke inspanning de vermoeidheid lijkt te verergeren. Veel individuen met CVS ondervinden vaak ook eetlustdaling, misselijkheid, nachtelijk zweten, duizeligheid en intolerantie voor alcohol en andere farmaceutische middelen die effect hebben op het centrale zenuwstelsel (Komaroff et al., 1996). Uiteindelijk vertonen personen met CVS een significante aantasting van hun functionaliteit. Bijna alle patienten met CVS rapporteren een achteruitgang van sociale relaties bovenop andere onaangename consequenties van de aandoening (Sharpe, 1991); ongeveer een derde is niet in staat te werken en een ander derde kan enkel halftijds werken (Bombardier & Buchwald, 1996).
2.3. Klinische anamnese -----------------------
Wat er volgens Sheperd en Chauduri (2001) zeker aan bod moet komen bij CVS-gediagnosticeerden zijn de volgende vragen:
- vorige medische en psychiatrische ziektes - vorige operaties en bloedtransfusies (voor mogelijke hepatitis C infectie) - levensgeschiedenis met blootstelling aan chemicalien, oplosmiddelen en pesticiden - mogelijke uitlokkende voorvallen (bv. infecties, vaccinaties, giffen, zware stress, trauma of operatie, atletische overtraining) - klinische kenmerken (bv. gewichtsverlies, prominente arthralgia, kortstondige neurologische voorvallen) die aangeven dat andere mogelijke diagnostische verklaringen gevolgd moeten worden - sociale geschiedenis (mogelijkheid van HIV-infectie) - familiegeschiedenis (andere leden met een CVS-achtige aandoening)
Een duidelijk beeld vormen van de effecten van CVS op de levensstijl van patienten is belangrijk voor de behandeling. Daarom is het ook nodig de patient te bevragen naar tewerkstelling, opleiding, gezinsverantwoordelijkheid, opleiding en de graad van functionele aantasting die zich voordoet.
2.4. Symptomen --------------
Predominante symptomen in een patient kunnen nogal verschillend zijn van deze die men ziet bij een andere CVS-patient. Sommigen zijn vooral aangedaan door mobiliteitsproblemen, anderen ondervinden dan weer grotere problemen met het cognitief functioneren of pijn. Toch is het hoofdsymptoom van CVS vermoeidheid, hetgeen meestal zowel een invloed heeft op het fysisch als psychisch functioneren. Een van de meest opvallende kenmerken van deze vermoeidheid is de manier waarop patienten beschrijven hoe zelfs een kleine fysieke inspanning kan leiden tot duidelijke verergering in spiermoeheid/pijn, vaak vergezeld van verschillende andere symptomen. Het kan dagen of zelfs weken duren na zo'n terugval vooraleer men terug kan keren naar een meer 'normaal' niveau van activiteit (Sheperd &Chauduri, 2001). Sleutelsymptomen bij het overwegen van de CVS-diagnose zijn:
- lichaamsbeweginggeinduceerde spiermoeheid - post-lichaamsbeweging malaise - myalgie (aanwezig in varierende aantallen tot 75% van de patienten) en spierverrekkingen - cognitieve dysfunctie: problemen met het korte-termijngeheugen, aandachts- en concentratiespan (beinvloedt vooral visuospatiale taken) en anomie (moeilijkheden om gewone dingen te benoemen) of dysnomie (de onmogelijkheid om objecten correct te benoemen). Cognitieve dysfunctie op zich is vaak zwaar genoeg om te zorgen voor een substantiele achteruitgang in voorgaande activiteitniveaus.
Andere symptomen die consistent zijn met de diagnose CVS bevatten:
- dysequilibrium en orthostatische intolerantie: gevoelens van onevenwicht worden meer gerapporteerd dan duizeligheid - autonomische dysfunctie: tast vooral de circulatie (posturale hypotensie en orhostatische tachycardie) en thermoregulatie (nachtelijk zweten, hypersensiviteit voor temperatuurextremen) aan - slaapstoornis: niet-verkwikkend patroon dat zowel hypersomnie (in een vroege fase) kan omvatten als omkering van slaapritme (vooral bij kinderen) of insomnie - sensorische stoornissen: paraesthesie en soms hemisensorische pijn - hyperacusis en/of photofobie - arthralgie maar zonder zwelling of roodheid - digestieve symptomen: misselijkheid en motiliteitstoornissen - alcoholintolerantie - pijnlijke keel en lymfeklieren axillair, of anterieur of posterieur cervicaal - hoofdpijn van een nieuw type, patroon of ernst
De symptomen volgen een karakteristiek patroon van variabiliteit (vaak binnen een dag) en chroniciteit. Patienten zullen vaak beschrijven hoe ze goede en slechte dagen ondervinden met fluctuaties in ernst beinvloed door fysieke activiteit, stress, infecties en temperatuuruitersten.
2.5. Meetinstrumenten ---------------------
Op dit moment is er nog geen objectieve diagnostische test voorhanden die artsen of wetenschappers in staat stelt de correcte CVS-diagnose te stellen. Hoewel er een Rnase-L-enzymestoornis ontdekt werd als (eventuele) diagnostische merker voor een subgroep (De Meirleir et al., 2000) stellen onderzoekers (Gow et al., 2001) zich toch vragen over de specificiteit van deze afwijking. De CVS-onderzoeksgroep van Nijmegen ontwikkelde een testbatterij (zie tabel 3) om de ernst en verschillende aspecten van vermoeidheid in kaart te brengen (de Vree et al., 2002). Als uitgangspunt namen ze het model van in stand houdende factoren bij het chronisch vermoeidheidssyndroom. Afhankelijke variabelen zijn ernst van vermoeidheid en beperkingen terwijl mate van 'self-efficacy', causale attributies, lichamelijke activiteit en gerichtheid op lichamelijke sensaties procesvariabelen zijn.
Tabel 3 Meetinstrumenten bij chronische vermoeidheid (de Vree et al., 2002) ----------------------------------------------------------------------------- Variabelen Meetinstrumenten ----------------------------------------------------------------------------- Vermoeidheid: -ervaren vermoeidheid -subschaal Vermoeidheid van Checklist Individual Strength (CIS) -Verkorte Vermoeidheids Vragenlijst (VVV)
-dagelijkse moeheid zelfobservatielijst in vorm van gestandaardiseerd dagboek
Beperkingen -Sickness Impact Profile (SIP) -RAND-36 Self-efficacy Self-Efficacy Schaal (SES) Causale attributies Causale Attributie Lijst (CAL)
Activiteit -fysieke activiteit -Actometer -dagelijkse activiteit -zelfobservatielijst in vorm van gestandaardiseerd dagboek Gerichtheid op lichamelijke sensaties subschaal Somatisatie van Symptom Check List (SCL-90) -----------------------------------------------------------------------------
In de Checklist Individual Strength (CIS) (Vercoulen et al., vermeld in de Vree et al., 2002) en de Verkorte Vermoeidheids Vragenlijst (VVV) (Albert et al., vermeld in de Vree et al., 2002) wordt gevraagd naar vermoeidheid in de voorgaande twee weken. De VVV bestaat uit vier vragen, de subschaal Vermoeidheid van de CIS bestaat uit acht vragen, gescoord op een zevenpunts-Likert-schaal. In de zelfobservatielijst wordt viermaal per dag aangegeven hoe moe men is (0=geen moeheid, 4= zeer ernstige moeheid). Er wordt dan een gemiddelde dagscore berekend. Dit instrument geeft inzicht in het verloop van de moeheid per dag en over een tijdsspanne van twee weken (Vercoulen, Swanink et al.; Vercoulen, Hommes et al., vermeld in de Vree et al., 2002).
De Sickness Impact Profile (SIP) (Bergner, Bobbitt, Carter & Gilson, vermeld in de Vree et al., 2002) meet de beperkingen in het dagelijks functioneren ten gevolge van gezondheidsklachten. De lijst bestaat uit twaalf subschalen en acht daarvan zijn relevant gebleken bij het in kaart brengen van beperkingen bij chronische vermoeidheid. De schalen die niet gebruikt worden bij CVS hebben betrekking op beperkingen die bij CVS weinig of niet voorkomen. Van de acht schalen hebben drie subschalen betrekking op fysieke beperkingen (SIP-Huishouden, SIP-Mobiliteit, SIP-Lopen). De andere vijf schalen meten ervaren cognitieve problemen (SIP-Alertheid en intellectueel functioneren), problemen bij slapen en frequent rusten overdag (SIP-Slapen/rusten), sociaal functioneren (SIP-Sociale interacties), beperkingen in werk (SIP-Werk) en recreatie/vrije tijd (SIP-Recreatie). De som van de gewogen subschaalscores wordt als een maat voor beperkingen ten gevolge van klachten (SIP8-Totaal) gebruikt. Een score van ten minste 750 op de SIP8-Totaal wordt dan opgevat als een indicatie voor ernstige beperkingen en kan een hulpmiddel zijn bij het stellen van de diagnose CVS. De kortere RAND-36 (internationaal MOS-Short Form-36 genoemd) bestaat uit negen schalen, waarvan vooral de schaal voor fysiek functioneren bij CVS-onderzoek wordt gebruikt. Bij een score van 65 of lager op deze schaal kan men spreken van ernstige fysieke beperkingen (Van der Zee, Sanderman, Heynink & Hans, vermeld in de Vree et al., 2002).
De Self-Efficacy Schaal (SES), bestaande uit vijf vragen, meet de mate waarin de patient het idee heeft zelf de vermoeidheid te kunnen beinvloeden (Bleijenberg,Bazelmans & Prins, vermeld in de Vree, 2002). De totaalscore kan varieren van 5 tot 25, waarbij hogere scores verwijzen naar een positievere self-efficacy.
Met de Causale Attributie Lijst (CAL) wordt vastgesteld in welke mate patienten hun klachten toeschrijven aan lichamelijke of psychosociale oorzaken of factoren (Vercoulen et al., vermeld in de Vree et al., 2002). De sterkte van lichamelijke en niet-lichamelijke attributies kan varieren van 5 (geen) tot 25 (sterke (niet)lichamelijke attributies).
Om het feitelijke niveau van lichamelijke activiteit te meten, wordt een actometer gebruikt die gevoelig is voor bewegingen (Meijer, Westerterp, Koper & ten Hoor; Montoye et al.; Tryon, vermeld in de Vree et al., 2002). Een belangrijke actometervariabele is de gemiddelde dagelijkse fysieke activiteit (uitgedrukt in aantal versnellingen per vijf minuten) over de twaalf dagperiodes. Hoe hoger de score, des te actiever men gemiddeld is geweest. Op basis van de gemiddelde dagscores kan onderscheid worden gemaakt tussen drie types van activiteitspatronen: a) voortdurend passief, b) wisselend actief, en c) voortdurend actief. Een zelfobservatielijst wordt gebruikt om gedurende een periode van twee weken het activiteiten-niveau van de patient te meten. Viermaal per dag wordt aangegeven hoe actief men is (0=helemaal niet actief; 4=heel actief) waardoor men dan een gemiddelde activiteitsscore kan berekenen. Dit instrument geeft inzicht in het verloop van het beoordeelde dagelijkse activiteitenniveau over een periode van twee weken.
Om het begrip gerichtheid op lichamelijke sensaties te operationaliseren gebruikt men de subschaal Somatisatie van de SCL-90 (Arrindell & Ettema, vermeld in de Vree et al., 2002). Een hoge score op deze schaal wordt gezien al een sterke gerichtheid op lichamelijke sensaties.
Belangrijk om op te merken is dat de waarde van zelfrapportage in vraag gesteld moet worden omdat deze volgens sommigen niet gevoelig zou zijn voor psychiatrische stoornissen (Bates et al., 1993) of onvoldoende waarheidsgetrouw is (Barofsky & Legro, 1991). Een tweede opmerking is dat verschillende onderzoekers verschillende instrumenten hanteren, hetgeen uiteraard met zich meebrengt dat ook uiteenlopende resultaten worden bekomen en dat het de diagnose kleurt.
2.6. Zelfdiagnose -----------------
Diagnoses zijn steeds meer zelfdiagnoses. Patienten stellen bijvoorbeeld zelf hun diagnose nadat ze zich geinformeerd hebben via literatuur of media zoals televisie of internet. In een onderzoek van van der Werf et al. (2002) zou dit bij ongeveer negen procent van de onderzochte CVS-populatie het geval zijn. Dit zou de communicatie tijdens een consultatie kunnen bemoeilijken en verhinderen dat de arts nog andere mogelijke verklaringen voor de klachten kan overwegen. Uit Nederlands onderzoek (Klein Rouweler, Severens & Bleijenberg, 1999) blijkt echter dat de huisarts niet zo over deze zelfdiagnose valt en het goed vindt dat patienten meedenken en mondig zijn (zie ook deel 2 hoofdstuk 2 ). Toch is het risico van zo'n zelfdiagnose dat in deze tijd, gekenmerkt door individualisme en autonomie, terugkoppeling vanuit de directe omgeving ontbreekt of weinig zeggingskracht heeft. De aandoening dreigt zo in veel gevallen een langdurig en integraal onderdeel van het leven te worden.
Een laatste opmerking in verband met de diagnose van CVS is dat het zeer belangrijk is dat de diagnose van CVS effectief gesteld wordt wanneer de patient voldoet aan de criteria, zodat verdere medicalisering en 'dokterschopping' voorkomen kan worden (van der Meer et al., 1997). Eens de diagnose gesteld is, speelt de arts een belangrijke rol in het aanzetten van de patient tot positief denken (Wessely, 2000), want ondanks het ontbreken van de therapie voor CVS, boekten sommige behandelingvormen positieve resultaten (zie hoofdstuk 6).
3. Differentiele diagnose --------------------------
Bij het overwegen van de diagnose CVS mag men niet uit het oog verliezen dat het gaat om een aandoening (syndroom) en niet enkel om chronische vermoeidheid (symptoom). Dit laatste komt ook voor bij andere aandoeningen en is dus een niet-specifiek symptoom (Barofsky & Legro, 1991; David et al., 1990). Enkele somatische aandoeningen die gepaard kunnen gaan met chronische vermoeidheid zijn: diabetes, hart/longziekte, reuma, anemie, kanker, chronische pijn, HIV-infectie, nier/leverziekte, multiple sclerose, tuberculose, lupus (huidtuberculose) en hypothyroidie (tekort aan schildklier-homonen) (Bates et al., 1993). Enkele psychiatrische aandoeningen die voorkomen met chronische vermoeidheid zijn: middelen-misbruik, majeure depressie, schizofrenie en psychosen (Bates et al, 1993). Ook bij fibromyalgie, neurocirculatoire asthenie, postinfectueus vermoeidheidssyndroom en dergelijke is chronische vermoeidheid een karakteristiek kenmerk (Van Houdenhove, 1991). Burnout is een syndroom dat eveneens gekenmerkt wordt door ernstige vermoeidheid, naast een uitputtingsgevoel, slapeloosheid, hoofdpijn, beklemmingsgevoel, gastro-intestinale stoornissen, prikkelbaarheid, en ook neiging tot depressie. Vooral hulpverlenende beroepen en beroepen met een hoge werkstress zouden er vatbaar voor zijn. De precieze relatie met CVS is weinig onderzocht.
Hoewel de meeste onderzoekers (o.a. Aaron, Burke & Buchwald, 2000; Jason, Taylor & Kennedy, 2000) oordelen dat CVS een grote overlap vertoont met fibromyalgie, is het volgens anderen eerder een op zich staande ziekte (Geenen, 2001) die door de International Classification of Diseases nr. 10 valt onder de noemer 'Rheumatisme, niet gepreciseerd'. In vergelijking met CVS ligt men meer de nadruk op de aanwezigheid van 'tenderpoints' (pijnpunten), chronische musculoskeletale pijn, stijfheid en darmklachten (Wolfe et al., 1990). Ondanks de contrasterende definities van de twee aandoeningen, voldoen 20 tot 70 procent van de patienten met fibromyalgie ook aan de criteria van het chronisch vermoeidheidssyndroom (Buchwald & Garrity, 1994; Hudson, Goldenberg, Pope, Keck & Schlesinger, 1992; White, Speechly, Harth & Ostbye, 2000) en omgekeerd, 35 tot 70 procent van degenen met CVS voldoen ook aan de criteria van fibromyalgie (Buchwald & Garrity, 1994; Goldenberg, Simms, Geiger & Komaroff, 1990). De overlap in 'case' definitie, gerapporteerde symptomen, patientkarakteristieken en behandelingen voor deze functionele somatische syndromen doet sommige onderzoekers suggereren dat deze condities arbitrair geclassificeerd zijn en beschouwd moeten worden als verschillende manifestaties van dezelfde biomedische en psychosociale processen (Wessely, Nimnuan & Sharpe, 1999). Variabele expressies van eenzelfde pathosfysiologie kan de extensieve overlap van deze aandoeningen verklaren (Hudson & Pope, 1990). Hierbij zou onderzoek inzake etiologie van een van deze condities verder begrip van de andere condities met zich mee kunnen brengen. In de klinische setting zal het begrip en de aanvaarding van deze co-existente aandoeningen de behandelaar en patient helpen om bijkomende behandelingsopties te overwegen en tot een meer bevredigende zorg te komen.
Hoofdstuk 3. Epidemiologie ---------------------------
1. Prevalentie ---------------
De centrale vraag is hier hoe vaak het chronisch vermoeidheidssyndroom nu voorkomt. In de literatuur varieert de prevalentie van onderzoek tot onderzoek (zie tabel 6). Het feit dat de specifieke prevalenties zo uiteen kunnen lopen, kan te wijten zijn aan een verschil in klinische setting, in meetmethode of in gehanteerde definitie per onderzoek. Hiermee rekening houdend is het dus evident dat strengere criteria een lagere prevalentie opleveren dan een bredere definitie. De prevalentie zou ook hoger liggen wanneer comorbiede psychiatrische stoornissen geen reden vormen om de CVS diagnose uit te sluiten (Price et al., 1992; Bates et al., 1993). Er kan dus geen exact cijfer gegeven worden voor het aantal personen dat aan CVS lijdt. In Belgie zouden er naar schatting zo'n 15.000 a 20.000 CVS-patienten zijn. Waarschijnlijk ligt het werkelijke cijfer nog hoger daar veel patienten (nog) niet gekend zijn of verkeerd gediagnosticeerd werden.
Tabel 4 Overzicht prevalentie gegevens in verschillende studies (www.me-net.dds.nl/meweb/prevalence.html) ----------------------------------------------------------------------------- Studie Jaar Land Sample Criteria Prevalentie (%) ----------------------------------------------------------------------------- Calder et al. 1987 UK - CFS 2.8 Ho-Yen 1988 UK - CFS 0.5 Murdoch 1988 NZ - CFS 1.3 David et al. 1990 UK - CFS 0.16 Lloyd et al. 1990 AU - CFS 0.37 Bates et al. 1991 USA 1000 CFS 0.30 Ho-Yen & McNamara 1991 UK - CFS 0.13 Kawai & Kawai 1992 JA 1153 CFS 0.86 Lloyd & Pender 1992 AU - CFS 0.0371 Price et al. 1992 UK 13538 CFS (CDC 1988) 0.0074 Bates et al. 1993 USA 1000 CFS (CDC 1988) 0.3 Bates et al. 1993 USA 1000 CFS (Oxford) 0.4 Bates et al. 1993 USA 1000 CFS (Austral. 1.0 Crit.) Gunn et al. 1993 USA 337 CFS 0.6-2.2 McDonald et al.1993 UK - CFS 2.5 Buchwald et al.1995 USA 3066 CFS 0.08-0.27 Jason et al. 1995 USA 1031 CFS 0.2 Lawrie & Pelosi1995 UK 1000 CFS (Oxford) 0.56 Hickie et al. 1996 AU - CFS 0.3-1.3 Minowa & Jiamo 1996 JA - CFS (Japan. 0.0009 Crit.) Bazelmans et al. 1997 NL - CFS 0.112 Lawrie et al. 1997 UK - CFS 0.7 Shefer et al. 1997 USA 3312 CFS 2.3 Versluis et al.1997 NL 601 CFS (CDC 1988) 0.11 Wagner & Jason 1997 USA 3400 CFS 0.68 Wessely et al. 1997 UK 2376 CFS (CDC 1988) 0.8 Wessely et al. 1998 UK 2376 CFS (CDC 1994) 2.6 Jason et al. 1998 USA - CFS 1.5 Kawakami et al.1998 JA 137 CFS (CDC 1994) 1.5 Reyes et al. 1998 USA 90319 CFS 0.183 Steele et al. 1998 USA 16970 CFS 0.19 Jason et al. 1999 USA 28673 CFS (CDC 1994) 0.422 Kenter & Okkes 1999 NL 9630 CFS 1.0 Klein Rouweler et al. 1999 NL - CFS 0.195 Reeves 1999 USA - CFS 0.238 Nisenbaum et al. 2000 USA 56154 CFS 0.13 -----------------------------------------------------------------------------
2. Man-vrouw verhouding ------------------------
Uit verschillende onderzoeken komt naar voor dat vrouwen vaker aan het chronisch vermoeidheids-syndroom lijden dan mannen. De verhoudingen schommelen tussen 1,3 tot vijf maal meer vrouwen (Bazelmans et al., 1997; Ho Yen & Mc Namara, 1991; Klein Rouweler, 1999; Lloyd, 1990; Versluis e.a., 1997). Wemekamp (1992) merkt in deze context op dat het toegenomen aantal rollen dat de moderne vrouw moet vervullen (huisvrouw, moeder, ambitieuze en goed verzorgde carrièrevrouw) een mogelijke veroorzaker van de vele vermoeidheidsklachten kan vormen. Bewijzen voor deze hypothese blijven voorlopig nog uit.
3. Leeftijd ------------
Alle leeftijdsgroepen kunnen door het syndroom gegrepen worden, maar een piekprevalentie zou zich volgens een onderzoek van Ho Yen & Mc Namara (1991) situeren tussen de 30 en 44 jaar. Van de CVS-patienten uit een Nederlands onderzoek bleek 55 procent tussen 25 en 44 jaar oud te zijn (Bazelmans et al.,1997). De gemiddelde leeftijd van CVS-patienten situeert zich rond de 35 (Komaroff & Buchwald, 1991; Vercoulen et al., 1994). De eerste symptomen ontwikkelen zich meestal tussen 29 en 35 jaar bij mannen. Bij vrouwen werd een dubbele piek gevonden enerzijds tussen 25-29 jaar en ook tussen 40-44 jaar (Ho Yen & Mc Namara, 1991).
Uit onderzoek blijkt dat ook kinderen symptomen van CVS vertonen (Jordan et al., 1998), maar aangezien er tot op heden geen eenduidige diagnostische criteria opgesteld zijn voor CVS bij kinderen en adolescenten worden er uiteenlopende resultaten bekomen. Bij jongeren zou de prevalentie van CVS 10 a 20 op 100.000 inwoners bedragen (De Jong et al., 1997). In een enquete bij huisartsen bleek 17% van de CVS-patienten jonger dan 25 jaar en 1% jonger dan 15 jaar (Bazelmans et al., 1997). De aandoening kan reeds voorkomen bij kinderen van 7 jaar, maar ziet men zelden onder 6 of boven 60 jaar (Sheperd & Chauduri, 2001).
Hoofdstuk 4. Etiopathogenese -----------------------------
Ondanks meer dan tien jaar onderzoek blijft de etiologie van het chronisch vermoeidheidssyndroom tot op heden onbekend. Er werden vele theorieen met betrekking tot de etiopathogenese van het chronisch vermoeidheidssyndroom voorgesteld, waarbij de vroegere theorieen zich toespitsten op de symptomen die doen denken aan een acute virale ziekte of een psychiatrische stoornis. Verdere onderzoeken documenteerden afwijkingen in tamelijk verschillende domeinen, met inbegrip van hersenstructuur en -functie, neuroendocriene responsen, slaappatroon, immuunfunctie, virologische studies, bewegingscapaciteit en divergerende psychologische profielen (Komaroff & Buchwald, 1998). Ondanks het aantonen van afwijkingen op deze en andere domeinen blijven deze resultaten sterk geisoleerde observaties waarbij de interacties en verbanden ertussen nog niet onderzocht zijn. Daarenboven hebben meer recente onderzoeken zich toegespitst op het begrijpen van de erfelijkheid van chronische moeheid en het chronisch vermoeidheidssyndroom. Het is mogelijk dat CVS een heterogeen syndroom is met verschillende etiopathogenetische afwijkingen die zich manifesteren met dezelfde of gelijkende symptomen. Veel onderzoekers hebben gepostuleerd dat het chronisch vermoeidheidssyndroom een conditie is met een complexe en multifactoriele etiologie. Sommige elementen kunnen predisponerend (voorbeschikkend) zijn voor een individu om het chronisch vermoeidheidssyndroom te ontwikkelen, anderen kunnen de aandoening precipiteren (uitlokken), en nog andere kunnen de stoornis perpetueren (in stand houden) (Komaroff & Buchwald, 1998; Van Houdenhove, 1998; White, 1997).
1. Somatische hypothesen -------------------------
1.1. Rol van infecties ----------------------
Het Epstein-Barr virus, human herpesvirus type 6, groep B coxsackie virus, human T-cell, hepatitis C, lymfotropisch virus II, enterovirussen en retrovirussen zijn onder andere voorgesteld als etiologische dragers van het chronisch vermoeidheidssyndroom (Ablashi, 1994). Onderzoek houdt zich bezig met het zoeken naar een potentiele marker voor een virale infectie (De Meirleir et al., 2000). Toch is er tot op heden geen consistente evidentie dat het chronisch vermoeidheidssyndroom het gevolg is van een specifieke infectie (Hotopf & Wessely, 1994). Bij sommige patienten vindt men zelfs geen klinische of laboratorische evidentie voor een virale infectie (Farrar, Locke & Kantrowitz, 1995) en antivirale agentia zoals acyclovir of interferon bleken niet voordelig in de behandeling van het chronisch vemoeidheidssyndroom (Straus et al., 1988; Wilson, Hickie, Lloyd & Wakefield; 1994). Hierdoor lijkt het onwaarschijnlijk dat een enkele infectueuze agent het chronisch vermoeidheidssyndroom veroorzaakt en is het waarschijnlijker dat een heterogene groep van infecties het chronisch vermoeidheidssyndroom uitlokken of in stand houden.
1.2. Inactiviteit en spierafwijkingen -------------------------------------
Patienten met het chronisch vermoeidheidssyndroom klagen vaak over lichaamsbewegingintolerantie. Vele patienten rapporteren dat zelfs kleine inspanningen tot fysieke activiteit leiden tot significante verslechtering van de vermoeidheid en andere symptomen. Daarenboven is er enige evidentie dat vele CVS-patienten omgaan met hun aandoening door rust of vermijding van fysieke activiteit (Vercoulen, Hommes et al., 1996; Vercoulen, Swanink et al., 1996; Vercoulen et al., 1998). Een studie die gebruik maakte van objectieve actigrafische meting van fysieke activiteitspatronen vond dat CVS-subjecten over het geheel minder actief waren dan de controlegroep (buren) en dat ze langere rustperiodes namen na activiteitspieken. Slechts een vierde was voortdurend inactief (van der Werf, Prins, Vercoulen, van der Meer & Bleijenberg, 2000).
Men kan dus stellen dat CVS-patienten subjectief en objectief een gereduceerde fysieke activiteit hebben, hetgeen de vermoeidheid kan verergeren of in stand houden. Hierdoor hebben verscheidene studies zich gefocust op de kracht, niveau van conditionering en fysieke reactie op beweging van CVS-patienten, met wisselende resultaten. Een aantal studies vonden evidentie voor een model waarbij fysieke deconditionering de fysieke invaliditeit helpt in stand houden (White, 2000). Patienten vertoonden een toename in melkzuur als reactie op beweging (Lane et al., 1998) en reducties in capaciteit voor zuurstoftransport (McCully & Natelson, 1999), aantal spiermitochondria (Wagenmakers, Coakley & Edwards, 1988) en fysieke fitheid en bewegingscapaciteit (De Becker, Roeykens, Reynders, McGregor & De Meirleir, 2000; Fischler et al., 1997; Fulcher & White, 2000). Andere studies daarentegen vonden een normale of bijna normale aerobische capaciteit (Riley, O'Brien, McCluskey, Ball & Nicholls, 1990; Sisto et al., 1996) en spierfunctie (Fry & Martin, 1996; Gibson, Carroll & Clague, 1993) en postbewegingsmelkzuurconcentraties die vergelijkbaar zijn met deze bij sedentaire vergelijkingssubjecten (Riley et al., 1990).
Gegeven hetzelfde niveau van laboratorium-gedocumenteerde fysieke activiteit, behalen veel CVS-patienten niet hun op basis van leeftijd voorspelde maximale hartslag (Bazelmans, Blijenberg, van der Meer & Folgering, 2001; Montague, Marrie, Klassen, Bewick & Horacek, 1989). Ze beschouwen de vereiste inspanning en resulterende vermoeidheid als significant hoger (Fry & Martin, 1996) terwijl de graad van gemeten inspanning significant lager is (Gibson et al., 1993) dan bij sedentaire vergelijkingssubjecten. Deze observaties zijn meer consistent met submaximale krachtinspanning dan met fysieke deconditionering, mogelijk ten gevolge van perceptuele veranderingen in beoordeling van lichaamsgewaarwordingen (Afari & Buchwald, 2003). Hoewel deze resultaten de rol van lichaams-bewegingcapaciteit bij het chronisch vermoeidheidssyndroom niet ophelderen, wijzen ze erop dat de perceptie van toegenomen inspanning, gedaalde activiteit en de daaruit voortvloeiende fysieke deconditionering de symptomen van CVS in stand kunnen houden.
Er zijn verschillende spierafwijkingen gerapporteerd, waaronder enkele die niet consistent zijn met de hypothese dat spiersymptomen bij CVS simpelweg te wijten zijn aan inactiveit (Lane, 2000). Paul, Wood, Behan en Maclaren (1999) leverden objectieve evidentie voor postbewegings-vermoeidheid met behulp van 'repititieve isometrische quadriceps bewegingstesten'. McCully en Natelson (1999) duidden erop dat oxidatiedefecten in het spierenergiemetabolisme (te zien door Magnetic Resonance Spectroscopie), te wijten kunnen zijn aan gestoorde bloedtoevoer naar de lichaamsbewegingsspieren, als gevolg van ontregelde autonomische controle.
1.3. Slaapstoornissen ---------------------
CVS-patienten rapporteren vaak meer moeilijkheden om in slaap te vallen, gestoorde slaap en meer slapen overdag dan gezonde of chronisch zieke vergelijkingssubjecten (Krupp, Jandorf, Coyle & Mendelson, 1993; Morris et al., 1993; Sharpley, Clements, Hawton & Sharpe, 1997), maar poly-somnografie gaf uiteenlopende resultaten. Sommige studies over het chronisch vermoeidheids-syndroom hebben een karakteristieke "alfa-intrusie" aangetoond tijdens de niet-REM slaap (Whelton, Salit & Moldofsy, 1992) en een daling in fase 4 (de diepe slaap) (Fischler, LeBon et al., 1997), terwijl andere studies dit niet aantoonden (Krupp, Jandorf, Coyle & Mendelson, 1993; Manu et al., 1994; Morris et al., 1993). In contrast met de resultaten van majeure depressie (Gillin, Sitaram & Wehr, 1984), hebben de resultaten van polysomnografie bij CVS geen consistente of diagnostische slaapstoornissen kunnen aantonen. Het is interessant op te merken dat slaaponderbreking niet schijnt te correleren met ernst van moeheid (Krupp et al., 1993) of de graad van functionele aantasting (Fischler et al., 1997). Toch hebben sommige individuen met CVS volgens de polysomnografie slaapstoornissen zoals slaap-apneu (Buchwald, Pascualy, Bombardier & Kith, 1994; Krupp, Jandorf, Coyle & Mendelson, 1993). Observaties suggereren dat slaapstoornissen en veranderingen in slaappatroon eerder comorbied zijn aan CVS (dus als integraal deel van het ziekteproces) dan oorzakelijk. Zulke condities zijn behandelbaar en wanneer ernstig, sluiten de diagnose van CVS uit. Sommige onderzoekers geloven dat slaapstoornissen de meest frequent over het hoofd geziene medische diagnoses zijn onder CVS-patienten (Manu et al., 1994) en onderlijnen het belang van het onderscheid tussen vermoeidheid en slaperigheid.
1.4. Rol van het centrale zenuwstelsel --------------------------------------
Verschillende symptomen die gerapporteerd worden door CVS-patienten -zoals vermoeidheid; hoofdpijn, verzwakte concentratie, aandacht en geheugen- wijzen erop dat het centrale zenuwstelsel betrokken kan zijn in de etiopathogenese van het syndroom. Onderzoekers hebben de centrale zenuwstelsel-link naar CVS onderzocht met behulp van structurele en functionele neuro-imaging technieken, cognitieve testen, neuropeptide analyses en autonomische beoordeling.
Neuro-imaging studies ---------------------
Neuro-imaging technieken bij het chronisch vermoeidheidssyndroom hebben eerst geleid tot magnetic resonance imaging (MRI) en single photon emission computed tomography (SPECT). Sommige MRI studies hebben significant meer afwijkingen in de subcorticale witte materie gevonden bij CVS-patienten in vergelijking met gezonde of trauma vergelijkingsgroepen (Buchwald et al., 1992; Lange et al., 1999; Natelson, Cohen, Brassloff & Lee, 1993), terwijl in andere MRI studies de resultaten voor subjecten met CVS niet verschilden van gezonde of depressieve subjecten (Cope & David, 1996; Schwartz, Garada et al., 1994; Schwartz, Komaroff et al., 1994). Daarenboven werden MRI afwijkingen niet geassocieerd met neurocognitieve performantie (Cope, Pernet & Kendall, 1995). Andere studies die SPECT scans gebruikten, vonden dat CVS-patienten lagere niveaus van regionale hersendoorbloeding hadden in vergelijking met een gezonde controlegroep (Ichise et al., 1992; Schwartz, Garada et al., 1994). Centraal zenuwstelsel perfusieafwijkingen (voornamelijk hypoperfusie) zijn ook vaker bij CVS-patienten gevonden op SPECT scans dan bij gezonde of depressie vergelijkingsgroepen, hoewel geen specifiek anatomisch patroon naar voor kwam en het effect van comorbiede majeure depressie moeilijk uit te maken valt (Ichise et al., 1992; Schwartz, Komaroff et al., 1994). Niettegenstaande werd er in een recent streng gecontroleerde studie geen verschil in hersendoorbloeding gevonden tussen tweelingen met CVS en hun gezonde co-tweelingen (Lewis et al., 2001). In het algemeen zijn MRI en SPECT studies dus consistent in het aantonen van sommige afwijkingen bij CVS-patienten. Toch blijven de functionele significantie en klinische bruikbaarheid van deze gegevens onzeker en is er verdere verheldering nodig (Cope & David, 1996).
Neuropsychologische studies ---------------------------
Cognitieve problemen zijn enkele van de meest verstorende en invaliderende symptomen van het chronisch vermoeidheidssyndroom (Komaroff, 1994). Hoewel 85 procent van de patienten klagen over aantasting van aandacht, concentratie en geheugenmogelijkheden (Altay et al., 1990; DeLuca, Johnson, Beldowicz & Natelson, 1995), werden er met formele neuropsychologische studies geen consistente resultaten gevonden. Een recent overzicht van neuropsychologische studies bij het chronisch vermoeidheidssyndroom bevestigt dat het gewicht van de evidentie een bescheiden maar significant deficit aangeeft in informatieverwerking, werkgeheugen en een informatieleren (Michiels & Cluydts, 2001). Deze achteruitgang kan verantwoordelijk zijn voor de zwakkere performantie van CVS-patienten op taken die beroep doen op complexe aandacht en informatieverwerking (Moss-Morris, Petrie, Large & Kydd; 1996). Co-existente psychologische problemen of psychiatrische stoornissen kunnen ook bijdragen tot neurocognitieve deficits. Over het algemeen echter, lijken personen met CVS over normale cognitieve en globale intellectuele mogelijkheden te beschikken (Moss-Morris et al., 1996; Tiersky, Johnson, Lange, Natelson & DeLuca, 1997).
Neuroendocriene studies -----------------------
Een recent uitgebreid overzicht van neuroendocriene studies (Parker, Wessely & Cleare, 2001) rapporteerde dat afwijkingen in de hypothalamo-hypofysaire- adrenoconicale (HPA) as en serotonine- banen geidentificeerd zijn bij patienten met CVS, hetgeen duidt op een gewijzigde psychologische reactie op stress (Scott, Svec & Dinan, 2000). Ongeveer een derde van de CVS-patienten hebben hypocortisolisme (Parker et al., 2001), hetgeen eerder van een bron in het centrale zenuwstelsel komt dan van de bijnier (Demitrack, 1997; Demitrack et al., 1991). Torpy et al. (2001) identificeerde in een recente familiestudie (waarvan 32 leden CVS hadden) een genetische mutatie die de mogelijkheid om globuline te produceren aantast, een proteine die essentieel is voor het transport van cortisol in het bloed. Daarenboven hebben studies afwijkingen van de serotoninefysiologie van het centraal zenuwstelsel aangetoond bij patienten met het chronisch vermoeidheidssyndroom (Parker et al., 2001). Meer specifiek wil dit zeggen dat toediening van serotonine-agonisten een significante verhoging in serum prolactine niveaus veroorzaakt bij CVS-patienten in vergelijking met depressieve en gezonde vergelijkingssubjecten, hetgeen wijst op een centraal zenuwstelsel 'up-regulation' van het serotonerge systeem. In tegenstelling hiermee vertonen patienten met klinische depressie een patroon van hypercortisolisme en hebben een onderdrukt serotonine-gemedieerde prolactine respons (Cleare et al., 1995; O'Keane & Dinan, 1991). De studies van afwijkingen van de HPA-as functie, hormonale stressrespons en serotonine neurotransmissie bij CVS-patienten hebben de meest reproduceerbare en robuuste resultaten tot nu toe gegenereerd.
Autonome activiteit studies ---------------------------
Autonome dysfunctie, aangetoond door de 'gekantelde tafel' test (patient die 45 minuten ligt op een tafel die 70 graden rechtstaat) en manifesterend bij hypotensie met bradycardie (vasovagale reactie) of hypotensie met tachycardie (vasodepressor reactie) bij verticale kanteling, werd inconsistent betrokken in de pathofysiologie van het chronisch vermoeidheidssyndroom (Bou-Holaigah, Rowe, Kan & Calkins, 1995; Freeman & Komaroff, 1997; Poole, Herrell, Ashton, Goldberg & Buchwald, 2000; Rowe, Bou-Holaigah, Kan & Calkins, 1995; Soetekouw, Lenders, Bleijenberg, Thien & van der Meer, 1999). Toch is de precieze natuur en omvang van betrokkenheid van het autonome systeem bij CVS nog niet gedetermineerd. Terwijl anecdotische rapportages suggereren dat CVS-patienten met symptomen die indicatief zijn voor neuraal gemedieerde hypotensie vaak beter worden met vloeistof, zout of fludrocortisone therapie (Wilke, Fouad-Tarazi, Cash & Calabrese, 1998), werden deze verbeteringen niet aangetoond in grote, goed gecontroleerde trials (Peterson et al., 1998; Rowe et al., 2001). Daarom lijkt het ook niet waarschijnlijk dat dit type van therapie hulpvol is voor alle patienten met het chronisch vermoeidheidssyndroom.
Immuunsysteem afwijkingen -------------------------
Ondanks vele studies over het immuunsysteem, werden slechts een aantal afwijkingen consistent gerapporteerd bij patienten met het chronisch vermoeidheidssyndroom. Deze zijn onder andere een verhoogde expressie van activatiemarkers op de celoppervlakte van T-lymfocyten (Klimas, Salvato, Morgan & Fletcher, 1990; Straus, Fritz, Dale, Gould & Strober, 1993), vooral verhoogde aantallen van CD8+ cytotoxische T-cellen die bepaalde antigene markers dragen (Landay, Jessop, Lennette & Levy, 1991), en deficienties in 'natural killer cell' functie (Barker, Fujimura, Fadem, Landay & Levy, 1994; Caligiuri et al., 1987; Eby et al., 1989; Morrison, Behan & Behan, 1991; Wakiguchi et al., 1988). Andere resultaten vertonen hogere frequenties van verschillende autoantilichamen (Konstantinov et al., 1996; von Mikecz, Konstantinov, Buchwald, Gerace & Tan, 1997). Hoewel deze resultaten in hun geheel duiden op een chronische 'low-level' immuunsysteemactivatie, blijft het onduidelijk of deze afwijkingen een relatie hebben met de symptomen van het chronisch vermoeidheidssyndroom (Cruess et al., 2000). Sommige resultaten wijzen erop dat de mate van cellulaire immuunactivatie kan geassocieerd zijn met de ernst van de fysieke symptomen, cognitieve klachten en gepercipieerde verzwakking bij het chronisch vermoeidheidssyndroom (Cruess et al., 2000). Toch hebben anderen aangetoond dat klinische verbetering bij CVS geen verband vertoont met verandering in lymfocyt subsets of activatie (Peakman, Deale, Field, Mahalingam & Wessely, 1997). Op dit moment zijn er geen immunologische testen die diagnostisch zijn voor het chronisch vermoeidheidssyndroom.
2. Psychosociale en psychopathologische hypothesen ---------------------------------------------------
2.1. Psychiatrische stoornissen -------------------------------
Aangezien er geen consistente fysiologische marker of fysiek substraat geidentificeerd is voor het chronisch vermoeidheidssyndroom, hebben sommige onderzoekers gepostuleerd dat het chronisch vermoeidheidssyndroom primair een psychiatrische stoornis is (Manu, Lane & Matthews, 1993; Stewart, 1990). Verschillende onderzoekers geloven dat CVS en gerelateerde stoornissen manifestaties zijn van een psychiatrische conditie zoals somatisatiestoornis (Shorter, 1992), hypochondrie (Manu, Affleck, Tennen, Morse & Escobar, 1996), majeure depressie (Greenberg, 1990;Manu et al., 1988) of atypische depressie (Abbey & Garfinkle, 1991). Personen met CVS hebben inderdaad een verhoogde prevalentie van tijdelijke of levenslange stemmingsstoornissen, vooral majeure depressie, vergeleken met andere chronisch zieke of gezonde subjecten. Vijfentwintig procent van de patienten hebben een actuele en 50 tot 75 procent een life-time voorkomen van majeure depressie (Katon, Buchwald, Simon, Russo & Mease, 1991; Manu, Matthews & Lane 1989; Wessely, Chalder, Hirsch, Wallace & Wright, 1996; Wessely & Powell, 1989; Wood, Bentall, Gopfert & Edwards, 1991). Gegeneraliseerde angststoornis en somatoforme stoornis hebben ook een verhoogd voorkomen bij CVS-patienten (Fischler, Cluyds, DeGucht, Kaufman & De Meirleir, 1997; Kruesi, Dale & Straus, 1989; Lane, Manu & Matthews, 1991; Wessely et al., 1996). In de meeste (Manu et al., 1989; Wessely & Powell, 1989; Wood et al., 1991), maar niet in alle gevallen (Hickie, Lloyd, Wakefield & Parker, 1990) gaat de stemmings- of angststoornis vooraf aan het begin van het chronisch vermoeidheidssyndroom. Van groot belang is de manier waarop de psychiatrische prevalentie bij CVS-patienten gedetermineerd wordt. De Diagnostic Interview Schedule (DIS) (Robins, Helzer, Cottler & Golding, 1989), een erg gestructureerd interview, is het instrument dat het vaakst gebruikt wordt om psychopathologie bij het chronisch vermoeidheidssyndroom te onderzoeken. Maar door onverklaarde symptomen als vermoeidheid enkel toe te schrijven aan psychiatrische oorzaken, kan het de prevalentie van psychiatrische stoornissen bij CVS-patienten overschatten. Verschillende studies die het Structured Clinical Interview voor DSM-III-R (Spitze, Williams, Gibbon & First, 1988) gebruikten, een semigestructureerd interview, vonden dat het gebruik ervan leidde tot lagere aantallen van psychiatrische stoornissen bij het chronisch vermoeidheidssyndroom (Hickie et al., 1990; Lloyd, Hickie, Boughton, Spencer & Wakefield, 1990; Taylor & Jason, 1998).
a. Somatisatie --------------
Vergeleken met een prevalentie van 0,03 procent voor somatisatiestoornis in de bevolking (Escobar, Burnam, Karno, Forsythe & Golding, 1987), loopt de prevalentie in de CVS-populatie op tot 28 procent (Hickie et al., 1990; Johnson, DeLuca & Natelson, 1996; Kruesi et al., 1989; Lane et al., 1991; Manu et al., 1993 Manu, Lane & Matthews, 1989; Pepper, Krupp, Friedberg, Doscher & Coyle, 1993; Wessely & Powell, 1989; Wood et al., 1991). De evaluatie van somatisatiestoornis bij CVS is echter sterk beinvloed door de attributies die gemaakt worden aangaande de symptomen van de patient. Hoewel onderscheid tussen fysieke en psychiatrische ziektes vaak niet zinvol of accuraat is, is hun onderscheid gedeeltelijk de basis voor de diagnose van somatisatie. Dus wanneer de multiorganische en weinig begrepen symptomen die typisch zijn voor het chronisch vermoeidheidssyndroom verondersteld worden een medische of psychiatrisch basis te hebben, beinvloedt dit de frequentie van somatisatiestoornis (Johnson et al., 1996). De diagnose van somatisatiestoornis is dus voor een aanzienlijk deel afhankelijk van de attributies van de onderzoeker (Johnson, DeLuca & Natelson, 1999).
b. Angst --------
In de algemene populatie komen angststoornissen vaak voor, met lifetime voorkomen van 3,5 procent voor paniekstoornis en 5,1 procent voor gegeneraliseerde angststoornis (Kessler et al., 1994). Paniekstoornis en gegeneraliseerde angststoornis (GAS) zijn ook vaak voorkomende comorbiede condities onder mensen met CVS, hoewel CVS verschillend werd gekarakteriseerd over studies. Lifetime prevalentie voor paniekstoornis bij CVS wordt geschat tussen 17 procent en 25 procent , en schattingen voor gegeneraliseerde angststoornissen lopen van 2 procent tot 30 procent (Buchwald, Pearlman, Kith & Schmaling, 1994; Fischler et al., 1997; Lane et al., 1991). Deze literatuur wijst op een overlap tussen CVS en angst. Deze overlap, samen met enkele neurobiologische gelijkenissen tussen CVS en GAS -met inbegrip van gedaalde hersendoorbloeding, sympathische overactiviteit en slaapafwijkingen (Nutt, 2001)- duiden erop dat verder onderzoek over de band tussen CVS en angststoornissen nodig is. Enkel de comorbiditeit van CVS en angststoornis kan niet doen besluiten dat CVS een fysieke manifestatie is van een angststoornis.
c. Majeure depressie --------------------
Personen met het chronisch vermoeidheidssyndroom hebben een hoge graad van actuele of lifetime majeure depressie, hetgeen sommigen als bewijs namen voor het idee dat CVS een atypische manifestatie zou zijn van een majeure depressie. Aan de andere kant zouden de hoge aantallen van depressie bij CVS een resultaat kunnen zijn van overlappende symptomen, een emotionele reactie op de invaliderende vermoeidheid, virale of immuunveranderingen, of veranderingen in hersenfysiologie (Johnson et al., 1999). Verschillende onderzoeksstromen wijzen erop dat CVS en majeure depressie vermoedelijk verschillende entiteiten zijn. Ten eerste; terwijl sommige CVS-symptomen ook symptomen van majeure depressie zijn, zijn er andere (zoals pijnlijke keel, adenopathie, arthralgieen en postbewegingsmoeheid) die niet typisch zijn voor psychiatrische stoornissen. Ten tweede; het patroon van symptomen verschilt significant, waarbij CVS-patienten in het algemeen niet de klassieke depressieve symptomen onderschrijven van anhedonie, schuld en gebrek aan motivatie (Johnson, DeLuca & Natelson, 1996; Powell, Dolan & Wessely, 1990; Wessely et al., 1996), maar meer aansluiten bij patienten met multiple sclerosis (Johnson et al., 1996). Ten derde kan ernstige majeure depressie geassocieerd worden met een centrale 'up-regulation' van de HPA-as, resulterend in mild hypercortisolisme (Cleare et al., 1995; O'Keane & Dinan, 1991), terwijl bij CVS eerder een centrale 'down-regulation' gevonden wordt (Demitrack et al., 1991). Ten vierde; de typische slaapafwijkingen van majeure depressie -gereduceerde duur en toegenomen dichtheid van REM-slaap (Gillin et al., 1984)- zijn gewoonlijk niet aanwezig bij het chronisch vermoeidheidssyndroom. Ten vijfde bleken therapeutische doses van antidepressiva niet overtuigend effectief bij de behandeling van CVS-symptomen (Vercoulen et al., 1996). Ten zesde vertonen veel CVS-patienten geen evidentie voor majeure depressie op enig punt in hun leven.
Finaal kan men dus stellen dat enkel comorbiditeit van CVS en depressie niets zegt over hun temporele band; depressieve symptomen kunnen voorafgaan of voorkomen als reactie op de aandoening. Angst en depressie zijn daarenboven de meest voorkomende emotionele reacties op een medische ziekte (Cassem, 1990). Dus hoewel de onderzoeksdata erop wijzen dat CVS en psychiatrische stoornissen (vooral majeure depressie) verschillend zijn, blijft het verband tussen CVS en psychiatrische diagnoses een gebied van controverse. Afari en Buchwald (2003) stellen dat de fundamentele kwestie er een is van diagnostische 'labeling' voor symptoom-gebaseerde stoornissen bij de afwezigheid van fysiologische markers of een duidelijke etiologie. Tamelijk recent werd een multiaxiaal model van diagnose voorgesteld waarbij zowel rekening gehouden wordt met biologische, psychologische en sociale factoren die deel uitmaken van elke diagnose en de geassocieerde invaliditeit (Oken, 2000). Hoewel het debat over het chronisch vermoeidheidssyndroom als medische dan wel psychiatrische conditie ongetwijfeld zal voortduren, lijkt het onwaarschijnlijk dat bijvoorbeeld majeure depressie de enige bewezen oorzaak van CVS zal zijn. Op klinisch vlak echter, aangezien veel CVS-patienten lijden aan majeure depressie of angststoornissen, moet er inspanning gedaan worden om deze condities te diagnosticeren en te behandelen evenals de symptomen van CVS.
2.2. Attributie, perceptie en coping ------------------------------------
Attributies in verband met de oorzaken van een ziekte of zijn symptomen zijn belangrijk bij het bepalen van een patient zijn reactie op de ziekte (Sensky, MacLeod & Rigby, 1996). Patienten met CVS attribueren hun aandoening vaak aan fysieke oorzaken en minimaliseren psychologische of persoonlijke contributies (Butler, Chalder & Wessely, 2001; Powell et al., 1990, Schweitzer, Robertson, Kelly & Whiting, 1993). Als men hen bijvoorbeeld vergelijkt met patienten met diabetes, rheumatoide arthritis of chronische pijn attribueren CVS-patienten hun symptomen vaker aan een virus of pollutie en onderkennen minder vaak de rol van hun eigen gedrag (Komaroff, vermeld in Straus, 1994). Zo'n causale attributies zijn gerelateerd aan een toename van symptomen (Cathebras et al., 1995) en functionele invaliditeit (Chalder, Power & Wessely, 1996; Sharpe, Hawton, Seagrott & Pasvol, 1992) en verslechteren subjectieve en objectieve resultaten over tijd (Wilson et al., 1994). Het is vernoemenswaardig dat bloedverwanten ook neigen tot somatisch attributie van de symptomen van de patient (Butler et al., 2001), en hun geloof en attributies omtrent CVS, evenals bezorgd gedrag kan het ziektegedrag onbewust versterken (Schmaling, Smith & Buchwald, 2000). Hoewel er voorgesteld is dat somatische attributies een risicofactor kunnen zijn voor de ontwikkeling van het chronisch vermoeidheidssyndroom (Butler et al., 2001), kunnen ze waarschijnlijk de aandoening ook verergeren en leiden zo tot grotere invaliditeit.
Perceptie van lichamelijke gewaarwordingen en symptomen kan de interpretatie van somatische ervaring en ziekte beinvloeden (Cioffi, 1991). Subjectief scoorden patienten met CVS en degenen met chronische pijn significant hoger dan gezonde vergelijkingssubjecten op een meting van somatische perceptuele vervormingen, hetgeen erop wijst dat beide groepen zichzelf als ernstig ziek zien (Moss-Morris & Petrie, 1997). Percepties inzake immuunfunctioneren zijn sterk gerelateerd aan stemming en gevoelens van moeheid, maar niet aan objectieve metingen van immuniteit zoals serumantilichamen of bloedlymfocyten (Petrie, Booth, Elder & Cameron, 1999). Daarenboven is gebleken dat perceptie van CVS-symptomen een sterke predictor is voor de vitaliteit en fysiek en sociaal functioneren (Heijmans, 1998; Moss-Morris, Petrie & Weinman, 1996). Objectieve resultaten van lichaamsbeweging- en pijntesten bij CVS-testen duidden op perceptuele vervormingen in de beoordeling van lichaamsgewaarwordingen. Naast de bewegingsstudies die eerder vermeld werden, hebben andere studies pijngrenzen en -tolerantie vastgesteld door gebruik van drukpijnmetingen en de 'koude druk test' bij gezonde subjecten, CVS-patienten en individuen met majeure depressie (Schmaling, Hamilos, DiClementi & Jones, 1998). Personen met CVS en depressie hadden significant meer pijnklachten dan vergelijkingssubjecten, maar de groepen verschilden niet in pijngrens of -tolerantie op vlak van druk of koude. Deze bevindingen zijn consistent met de toegenomen perceptuele gevoeligheid (lage grens en tolerantie) voor hitte, druk en koude aangetoond bij fibromyalgie (Gibson, Granges, Littlejohn & Helme, 1995; Lautenbacher, Rollman & McCain, 1994; Maxiner, Fillingim, Sigurdsson, Kincaid & Silva, 1998). In het algemeen geven perceptiestudies aan dat ongeacht de etiologie van CVS, de manier waarop CVS-patienten zichzelf waarnemen, hun symptomen labelen en stressoren inschatten, hun fysieke en psychosociale dysfunctie in stand kan houden of zelfs verslechteren.
Coping ------
Individuen met CVS gebruiken een varieteit aan strategieen om om te gaan met de invaliderende consequenties van vermoeidheid. In het algemeen geven verschillende studies aan dat CVS-patienten vaker vluchtende/vermijdende strategieen gebruiken in vergelijking met gezonde subjecten (Blakely et al., 1991), leeftijds- en geslachtsgematchte eerstelijnszorgpatienten zonder chronische moeheid (Cope, Mann, Pelosi & David, 1996) en hun niet-vermoeide tweelinghelften (Afari et al., 2000). Vermijdingsstrategieen op zich worden geassocieerd met grotere moeheid, verzwakking en andere psychosociale stoornissen bij CVS (Antoni et al., 1994; Ray, Jeffries & Weir, 1997). We kunnen dus stellen dat maladaptieve copingstrategieen niet de oorzaak zijn van CVS, maar de ziekte in stand kunnen houden.
2.3. Stresserende en ingrijpende gebeurtenissen -----------------------------------------------
In veel gevallen ontstaat CVS plots na een virale of infectieusachtige aandoening, maar het kan ook volgen op een periode van veel stress of na een ongeval. Zo vond men in het jaar voorafgaand aan het ontstaan van CVS dat 85 procent van de patienten een stressvolle gebeurtenis had gekend in tegenstelling tot 6 procent van de controlegroep (Salit, 1997). Ook bleek dat 95 procent van de CVS-patienten toegenomen stressperiodes in de vijf jaar voor het ontstaan van de klachten kende, in tegenstelling tot 55 procent van de controlegroep. Het hoogste risico vond men bij personen die drie of meer oorzaken van psychische of lichamelijke stress rapporteerden. Drie maanden voorafgaand aan het begin van de CVS-klachten werd er een tweevoudige toename in voorkomen van infecties en negatieve levensgebeurtenissen gevonden. Degenen die een virale infectie hadden, waren meer geneigd CVS te ontwikkelen wanneer zij onder psychische stress verkeerden (Ray, Jeffries & Weir, 1995; Theorell, Blomkvist, Lindh & Evengard, 1999). Emotionele stress kan dus tot gevolg hebben dat de symptomen van CVS verergeren. Bested, Saunders en Logan (2001) vermoeden dat veranderde plasmaspiegels van stresshormonen (catecholamines) en andere factoren die de doorlaatbaarheid van de bloed-hersen-barrière beinvloeden een rol spelen. Een toegenomen doorlaatbaarheid van de bloed-hersen-barrière tijdens stress kan ervoor zorgen dat virussen het centrale zenuwstelsel kunnen binnenkomen. Een opmerkelijke studie is die van Lutgendorf et al. (1995) die de effecten bestudeerden van de orkaan Andrew (september-december 1992) op de fysieke symptomen en functionele achteruitgang bij CVS-patienten. Hun hypothese dat patienten met de grootste blootstelling aan deze natuurramp de grootste verergering van CVS-symptomen en gerelateerde achteruitgang in dagelijkse activiteiten zouden vertonen, werd bevestigd.
Uit een aantal onderzoeken blijkt dat er een aanzienlijk deel van CVS-patienten als kind en/of adolescent verwaarloosd of misbruikt werd. Hierbij gaat het dan zowel over fysiek, seksueel en verbaal geweld als om onophoudende spanning of ruzie in het gezin. Ook huwelijksproblemen, echtscheiding, ziekte of overlijden van een familielid of vriend, serieuze verwonding, aanslepende problematiek op het werk, werkverlies en familiale psychiatrische geschiedenis zijn negatieve levensgebeurtenissen die regelmatig vernoemd worden (Cuykx, Van Houdenhove & Neerinckx, 1998; Van Houdenhove et al., 2001; Ware & Kleinman, 1992). Om deze emotionele moeilijkheden dan te overwinnen, gaan velen hun overactieve levensstijl intensifieren. Hierop volgt vaak psychische en/of fysische roofbouw, hetgeen kan resulteren in een soort 'biopsychosociale crash', waarbij een combinatie van langdurige en ernstige psychische en fysieke stress op een bepaald moment een dramatische weerslag heeft op het centrale zenuwstelsel. Een belangrijke opmerking hierbij is dat er ook rekening moet worden gehouden met het feit dat recent gediagnosticeerde CVS-patienten erg gepreoccupeerd en gekweld worden door dagdagelijkse bekommernissen (daily hassles) zoals ontevredenheid met zichzelf, onzekerheid en een gebrek aan sociale erkenning. Dit heeft zowel een ernstige impact op hun zelfbeeld als op hun persoonlijk, sociaal en professioneel functioneren (Van Houdenhove et al., 2002).
2.4. Persoonlijkheid en levensstijl -----------------------------------
Schmaling en Jones (1996) vonden een MMPI-profiel bij CVS-patienten dat gekenmerkt werd door klinisch significante verhogingen op vier subschalen: hypochondrie, depressie, hysterie en schizofrenie. Er is echter geen unieke set van psychologische karakteristieken die beschouwd kan worden als noodzakelijke antecedent voor CVS, maar hoge niveaus van emotionaliteit of neuroticisme kunnen eventuele voorbeschikkende factoren zijn (Blackely et al., 1991).
Veel patienten beschrijven zichzelf in de jaren voor het begin van hun ziekte als zeer actieve mensen zowel op professioneel, sociaal als familiaal gebied. Ze zijn met honderd dingen tegelijk bezig, kunnen geen neen zeggen en zijn perfectionistisch en prestatiegericht ingesteld. Ook aanvaarden deze individuen steeds nieuwe verantwoordelijkheden en leggen ze hun persoonlijke lat erg hoog. Acitviteit is voor deze mensen erg belangrijk voor het zelfbeeld en het behoud van zelfvertrouwen (Abbey, 1993). Volgens White en Schweitzer (2000) zou perfectionisme een rol kunnen spelen in het ontstaan en voortbestaan van CVS aangezien het correleert met vele psychopathologische symptomen. Deze perfectionistische stijl omvat ernstige zelfkritiek en minderwaardigheidsgevoelens. Andere onderzoekers (Blenkiron, Edwards & Lynch, 1999; Wood & Wessely, 1999) vonden echter geen verband tussen CVS en perfectionisme. Lage zelfwaardering zou een premorbiede factor kunnen zijn in individuen die CVS ontwikkelen (White & Schweitzer, 2000).
3. Genetische en omgevingsfactoren -----------------------------------
Om de relatieve impact van genetische en omgevingsinvloeden op de ontwikkeling van een aandoening te begrijpen, trachten onderzoekers gewoonlijk zijn erfelijkheid en familiariteit te demonstreren aan de hand van het gebruik van familie-, adoptie- of tweelingstudies. Voor zover we konden nagaan, blijken er nog geen adoptiestudies bij het chronisch vermoeidheidssyndroom uitgevoerd te zijn. Een familiegeschiedenisstudie van CVS, drie tweelingstudies van aanhoudende vermoeidheid en een tweelingstudie bij CVS zijn gepubliceerd.
In de familiegeschiedenisstudie van CVS geven resultaten die gebaseerd zijn op rapportages van subjecten over ziekten bij familieleden aan dat er bij bloedverwanten van CVS-patienten een significant hogere graad van CVS was dan bij bloedverwanten van medisch vergelijkingsgroepen (Walsh, Zainal, Middleton & Paykel, 2001). Twee onderzoeken met tweelingen van 50 jaar en ouder vonden dat vermoeidheid van minstens een maand middelmatig erfelijk was (Hickie, Bennett, Lloyd, Health & Martin, 1999; Hickie, Kirk & Martin, 1999). De correlatie tussen de tweelingparen (intrapaar) voor monozygote tweelingen was meer dan 2,5 keer groter dan die voor dizygote tweelingen. Gelijkend hiermee is, volgens de rapportages van ouders in verband met vermoeidheid, invaliderende aanhoudende vermoeidheid van minstens een maand in de kindertijd onder tweelingen van een Brits tweelingregister (Farmer, Scourfield, Martin, Cardeno & McGuffin, 1999). De intrapaar correlaties voor respectievelijk monozygote en dizygote tweelingen waren 0,75 en 0,47. Het model dat deze resultaten het best verklaarde, bevatte additieve genetische en niet-gedeelde omgevings-effecten.
In de enige tweelingstudie over het chronisch vermoeidheidssyndroom werden data van een chronisch vermoeidheid tweelingregister gebruikt om de evidentie voor een familiale clustering en genetische voorbeschiktheid na te gaan bij chronisch moeheid bij vrouwelijke tweelingen (Buchwald et al., 2001). Concordantiecijfers waren hoger tussen monozygotische dan tussen dizygotische tweelingen over drie definities van moeheid: moeheid van ten minste 6 maanden (42% versus 30%), chronische moeheid niet verklaard door andere medische condities (39% versus 21%) en CVS-achtige aandoening geidentificeerd op basis van zelfgerapporteerde symptomen en medische en psychiatrische exclusie- criteria consistent met de CDC criteria voor CVS (38% versus 11%). Biometrisch-genetische analyse wees erop dat additieve genetische factoren en algemene omgevingseffecten elk verantwoordelijk waren voor meer dan 40 procent van de verklaarde variantie bij de CVS-achtige aandoening. Deze bevindingen duiden dus op een familiale predispositie voor chronische moeheid van varierende intensiteiten, met zowel genetische als omgevingscontributies.
Alles in beschouwing genomen wijzen familie- en tweelingdata erop dat aanhoudende moeheid en CVS-achtige aandoening familiaal kan zijn en dat genetische effecten belangrijk kunnen zijn. Toch kunnen deze resultaten volgens Afari en Buchwald (2003) niet veralgemeend worden naar een bredere populatie omwille van verschillende factoren, zoals het beperkte leeftijdsbereik van de tweelingen betrokken in de studies, het gebruik van korte metingen van moeheid en de classificatie van CVS enkel op basis van zelfrapportage. Zoals bij andere aandoeningen zijn grote populatie- gebaseerde tweelingstudies en familie-interviewstudies noodzakelijk om de erferlijkheid van CVS verder uit te klaren.
Samenvatting ------------
Gezien de verschillende hypotheses die overlopen werden, lijkt het erg onwaarschijnlijk dat CVS verklaard kan worden op basis van enkel biologische of enkel psychosociale of psychopathologische factoren. De meest constructieve manier om een syndroom als CVS te conceptualiseren, is dan ook op basis van een biopsychosociaal model dat ook rekening houdt met omgevingsfactoren. Verder onderzoek is natuurlijk noodzakelijk om de vernoemde resultaten te (her)bevestigen of te weerleggen.
Hoofdstuk 5. Prognose ----------------------
Longitudinale studies van verschillende duur hebben aangetoond dat hoewel 17 tot 64 procent van de CVS-patienten verbeteren, minder dan 10 procent volledig herstelt en 10 a 20 procent verslechtert gedurende de follow-up (Bonner, Ron, Chalder, Butler & Wessely, 1994; Joyce, Hotopf & Wessely, 1997; Ray, Jeffries & Weir, 1997; Vercoulen, Swanink et al., 1996). Het grootste deel van deze studies werd echter gedaan bij patienten in derdelijnszorg of verwijzingssettings; patienten in eerstelijnszorg zouden waarschijnlijk een substantieel betere prognose hebben. Hogere leeftijd, langere ziekteduur, ernst van vermoeidheid, comorbiede psychiatrische ziekte en een fysieke attributie voor CVS lijken risicofactoren voor een slechtere prognose (Joyce et al., 1997). Hiertegenover blijken kinderen en adolescenten gemakkelijker te herstellen (Krilov, Fisher, Friedman, Reitman & Mandel, 1998). Specifieke therapieen gericht op onderliggende mechanismen kunnen het resultaat significant verbeteren en zou hoop voor CVS-patienten moeten bieden.
Hoofdstuk 6. Behandeling -------------------------
Wegens de onduidelijke etiologie, onzekere diagnostiek en de resulterende heterogeniteit van de CVS-populatie, zijn er geen gevestigde behandelingsaanbevelingen voor het chronisch vermoeidheids-syndroom. In de praktijk is therapie, zowel farmacologisch als niet-farmacologisch meestal gericht op symptoomvermindering en verbeteren van functioneren. Tabel 7 somt de resultaten van behandelingsstudies op met tenminste tien CVS-subjecten die gediagnosticeerd zijn volgens een gevestigde definitie. Deze behandelingsstudies hebben immunologische substanties, farmocologische producten, voedingssupplementen, fysieke therapieen en multidimensionele behandelingen geevalueerd. Met uitzondering van de resultaten voor fysieke en multidimensionele behandelingen, waren de resultaten van deze gecontroleerde behandelingen negatief of niet afdoend (Whiting et al., 2001).
Tabel 5 Gecontroleerde of 'case-control' studies van behandeling voor CVS, per therapiecategorie (Afari & Buchwald, 2003) ----------------------------------------------------------------------------- Therapiecategorie Jaar Vergelijkingen Resultaten en studie -----------------------------------------------------------------------------
Immunologisch en antiviraal
Straus et al. 1988 Acyclovir versus placebo Niet afdoend Lloyd et al. 1990 Immunoglobulin G (IgG) IgG>placebo versus placebo Stayer et al. 1994 Ampligen versus placebo Ampligen>placebo Steinberg et al. 1996 Terfenadine versus placebo Geen verschil Peterson et al. 1990 IgG versus placebo Geen verschil Vollmer-Conna et al. 1997 IgG versus placebo Geen verschil See en Tilles 1996 Interferon-a2a versus Geen verschil placebo Brook et al. 1993 Interferon-a2a versus Niet afdoend placebo De Vinci et al. 1996 Dialyseerbaar extract van Geen verschil immuunlymfocyten versus placebo Andersson et al. 1998 Staphylococcus Niet afdoend toxoid vaccin versus placebo -----------------------------------------------------------------------------
Immunologisch en nonfarmacologische therapie
Lloyd et al. 1993 Dialyseerbaar Combinatiebehandeling> leukocyte-extract en CGT ofwel behandeling versus elke behandeling op alleen of placebo voor zich versus placebo effecten op levenskwaliteit -----------------------------------------------------------------------------
Farmacologisch
Peterson et al. 1998 Fludrocortisone versus Geen verschil placebo Rowe et al. 2001 Fludrocortisone versus Geen verschil placebo Vercoulen et al. 1996 Fluoxetine versus placebo Geen verschil McKenzie et al. 1998, Hydrocortisone versus Geen verschil 2000 placebo Moorkens et al. 1998 Groeihormoon versus Geen verschil placebo Snorasson et al. 1996 Galanthamine versus Geen verschil placebo Forsyth et al. 1999 Nicotinamide adenine Niet afdoend diucleotide versus placebo Natelson et al. 1996 Phenelzine versus placebo Geen verschil Hickie et al. 2000 Moclobemide versus placebo Niet afdoend Cleare et al. 1999 Hydrocortisone versus Hydrocortisone>placebo placebo Natelson et al. 1998 Selegiline versus placebo Selegiline>placebo -----------------------------------------------------------------------------
Farmacologisch en fysiek
Wearden et al. 1998 Fluoxetine and Fluoxetine verbeterde 'graded exercise' versus depressie; beweging placebo verbeterde gezondheids -perceptie/vermoeidheid -----------------------------------------------------------------------------
Fysiek
Fulcher en White 1997 'Graded exercise' therapie Beweging > flexibiliteit versus flexibiliteit/ en relaxatie relaxatie Powell et al. 2001 Maximum 'exercise' Alle educatiegroepen > educatie, minimum gestandaardiseerde 'exercise' educatie of medische zorg educationele telefoon- interventie versus gestandaardiseerde medische zorg Field et al. 1997 Massage versus gefingeerde Massage > gefingeerde transcutane electrische transcutane electrische zenuwstimulatie zenuwstimulatie Perrin et al. 1998 Osteopatische therapie Osteopathische therapie versus normale zorg > normale zorg -----------------------------------------------------------------------------
Multidimensioneel
Friedberg en Krupp 1994 Cognitieve gedragstherapie CGT > geen behandeling (CGT) versus geen behandeling Deale et al. 1997, CGT versus relaxatie CGT > relaxatie 1998 Sharpe et al. 1996, CGT en medische zorg Combinatiebehandeling > 1998 versus enkel medische zorg medische zorg op zich Chisholm et al. 2001 CGT versus counseling Geen verschil Ridsdale et al. 2001 CGT versus counseling Geen verschil Prins et al. 2001 CGT versus geleidde CGT > geleidde hulpgroepen versus hulp-groepen natuurlijk verloop Shlaes en Jason 1996 Buddy en mentor versus Buddy/ mentor > wachtlijst wacht-lijst vergelijkings-conditie vergelijkingsconditie Marlin et al. 1998 Medisch management, Niet afdoend psychiatrische behandeling en CGT versus enkel diagnose-stelling -----------------------------------------------------------------------------
Voedingssupplementen en andere producten
Cox et al. 1991 Magnesiumsulfaat versus Behandeling > placebo placebo Warren et al. 1999 Essentiele vetzuren Geen verschil versus placebo Kaslow et al. 1989 Leverextract dat Geen verschil foliumzuur en cyanocobalamin bevat versus placebo Awdry 1996, Homeopathie versus placebo Niet afdoend 1996 -----------------------------------------------------------------------------
1. Farmacologische behandeling -------------------------------
Met uitzondering van een placebo-gecontroleerde studie van immunoglobuline (IgG) (Lloyd, Hickie, Wakefield, Boughton & Dwyer, 1990) en een gerandomisseerde, dubbelblind studie van ribonucleair zuur (Strayer et al., 1994), bleken immunologische en antivirale substanties niet effectief bij de behandeling van vermoeidheid of andere symptomen van het chronisch vermoeidheidssyndroom (Brook, Bannister & Weir, 1993; De Vinci et al., 1996; Peterson et al., 1990; See & Tilles, 1996; Steinberg et al., 1996; Straus et al., 1988; Vollmer-Conna et al., 1997). Andere farmacologische substanties werden bestudeerd, met inbegrip van anticholinergica, hormonen, nicotinamide adenine dinucleotide en antidepressiva, hoofdzakelijk zonder positieve resultaten (Forsyth et al., 1999; Hickie et al., 2000; McKenzie et al., 1998; McKenzie et al., 2000; Moorkens, Wynants & Abs, 1998; Natelson et al., 1996; Peterson et al., 1998; Rowe et al., 2001; Snorrason, Geirson & Stefansson, 1996; Vercoulen et al., 1996). Een studie vond een verminderde moeheid na behandeling met steroiden, in vergelijking met placebo (Cleare et al., 1999), maar een ander steroidaal onderzoek vond dat niet (McKenzie et al., 1998). Reactie op selectieve serotonine reuptake inhibitors zoals fluoxetine was minimaal, waarschijnlijk door de voornoemde serotonergische hypersensiviteit gedemonstreerd bij het chronisch vermoeidheidssyndroom (Cleare et al.; 1995; Vercoulen et al., 1996). Monoamine oxidase inhibitors hebben een bescheiden effect gedemonstreerd, vooral in populaties met significante vegetatieve symptomen (Natelson et al., 1998; White & Cleary, 1997). Hoewel het voordeel van antidepressieve medicatie niet afdoend bewezen is in gecontroleerde proeven, maakt hun succes bij de behandeling van de gerelateerde aandoening fibromyalgie (Arnold, Keck & Welge, 2000) hen toch een redelijke interventie. Anecdotische evidentie geeft aan dat lage doses van deze medicatie genomen tegen bedtijd de slaap verbetert en de pijn vermindert (Wilson et al., 1994). Daarenboven kan het gebruik van bijvoorbeeld acetaminofen of andere niet-steroidale anti-inflammatoire middelen hulpvol zijn voor patienten met prominente musculoskeletale klachten (Afari & Buchwald, 2003).
2. Niet-farmacologische behandeling ------------------------------------
Niet-farmacologische behandelingen -vooral graded exercise therapie en cognitieve gedragstherapie-bleken veelbelovend op vlak van verbetering van resultaten bij het chronisch vermoeidheidssyndroom. Hun gebruik is gebaseerd op onderzoek dat erop wijst dat cognitieve en gedragsmatige factoren een rol spelen in de instandhouding van de CVS-symptomen. Op deze manier kan cognitieve gedrags-therapie, die ook effectief bleek in de behandeling van depressie en pijncondities zoals chronische onderrugpijn en atypische borstpijn, gebruikt worden om de actitiviteit te verhogen en effectieve copingstijlen aan te leren (Surawy, Hackman, Hawton & Sharpe, 1995).
Hoewel eerdere studies van cognitieve gedragstherapie bij het chronisch vermoeidheidssyndroom wisselende resultaten hadden (Friedberg & Krupp, 1994; Lloyd et al., 1993), vonden meer recente en goedgecontroleerde onderzoeken dat meer dan 70 procent van de patienten die 13 tot 16 sessies cognitieve gedragstherapie kregen, verbeterden in hun fysiek en ander functioneren, in vergelijking met 20 a 27 procent van de deelnemers die relaxatie toegewezen kregen (Deale, Chalder, Marks & Wessely, 1997; Deale, Chalder & Wessely, 1998) of de gewone medische zorg (Sharpe et al., 1996; Sharpe et al., 1998). Counseling kan even hulpvol zijn als de cognitieve gedragstherapeutische aanpak bij de behandeling van chronische vermoeidheid en CVS in eerstelijnszorg (Chisholm et al., 2001; Ridsdale et al. 2001). Bovendien hebben gerandomiseerde en gecontroleerde onderzoeken in verband met 'graded aerobic exercise' significante verbeteringen in vermoeidheid, functionele status en fitheid aangetoond in vergelijking met flexibliteit/relaxatie interventies (Fulcher & White, 1997; Wearden, Morriss & Mullis, 1996; Wearden et al., 1998). Educatie in verband met de voordelen van lichaamsbeweging is ook effectief gebleken bij de toename van het activiteitsniveau van de CVS-patient (Powell, Bentall, Nye & Edwards, 2001). Het is belangrijk te vermelden dat verbeteringen die het resultaat zijn van deze gedragsmatige benaderingen aanhouden tot na 6 a 14 maanden follow-up (Deale, Chalder, Marks & Wessely, 1997; Prins et al., 2001; Sharpe et al., 1996) en zelfs zolang als vijf jaar na de behandeling (Deale, Husain, Chalder & Wessely, 2001). Alle studies samengenomen voorzien deze in evidentie dat 'graded exercise' en cognitieve herstructurering de fysieke toestand en functioneren van vele CVS-patienten positief kan beinvloeden. Een zinvolle focus voor toekomstige studies is volgens Afari en Buchwald (2003) de populatie te schetsen van patienten die het meest voordeel halen uit deze behandelingen.
3. Alternatieve behandelingen ------------------------------
Veel CVS-patienten, zoals patienten met andere chronische aandoeningen voor wie conventionele geneeskunde niet in staat is genezing of adequate symptoomondersteuning te bieden, wenden zich tot alternatieve behandelingen met ongekende uitkomst (Afari et al., 2000; Bombardier & Buchwald, 1996; Buchwald & Garrity, 1994). Deze behandelingen omvatten megavitaminen, energie 'healing', kruidentherapieen en speciale dieten (Afari et al., 2000; Behan, Behan & Horrobin, 1990; Martin, Ogston & Evans, 1994). Toch zijn gecontroleerde studies die de effectiviteit van deze behandelingen nagaan bijna onbestaande. Magnesiumsulfaat is de enige substantie die bewezen heeft een positief resultaat te hebben op de gezondheid en het functioneren van CVS-patienten in een gerandomiseerd, dubbelblind, placebo-gecontroleerde studie (Cox, Campbell & Dowson, 1991). Niettemin vond later onderzoek geen evidentie voor een magnesiumdeficientie bij CVS-patienten (Reid, Chalder, Cleare, Hotopf & Wessely, 2000).
Samenvatting ------------
Het chronisch vermoeidheidssyndroom is een aandoening gekarakteriseerd door invaliderende vermoeidheid en cognitieve, musculoskeletale en slaapproblemen. Aangezien er geen specifieke diagnostische tests of biologische markers zijn voor CVS, wordt de diagnose gesteld door uitsluiting van andere oorzaken van vermoeidheid. Ondanks het gebrek aan specifieke markers voor CVS, kunnen individuen die voldoen aan de criteria van CVS significant fysiek en psychosociaal geinvalideerd zijn. De etiopathogenese van CVS is nog steeds onduidelijk. Toch suggereert een groeiende hoeveelheid aan literatuur dat afwijkende biologische processen aanwezig zijn bij vele patienten, waaronder subtiele afwijkingen van het centrale zenuwstelsel en neuroendocriene regulatie en chronische activatie van het immuunsysteem. Deze afwijkingen over verschillende domeinen wijzen erop dat het chronisch vermoeidheidssyndroom een heterogene conditie is met een complexe en multifactoriele etiologie.
Er is een significante co-morbiditeit met psychiatrische condities, maar er is toch enig bewijs dat CVS niet enkel een manifestatie is van een onderliggende psychiatrische stoornis. Niettemin helpen percepties, ziekte-attributies en copingstijlen van de patient de aandoening in stand te houden.
Additionele evidentie groeit dat CVS familiaal kan zijn zodat toekomstige studies de mate waarin genetische en omgevingsfactoren een rol spelen bij de ontwikkeling van CVS verder zullen moeten onderzoeken. In het algemeen wijst de huidige kennis over CVS erop dat genetische, fysiologische en psychologische factoren samenwerken om een individu te predisponeren voor deze conditie en om de ziekte uit te lokken en in stand te houden. Gegeven de heterogeniteit van het syndroom en de huidige staat van onderzoek, is een onmiddellijke genezing van het chronisch vermoeidheidssyndroom onwaarschijnlijk. Behandeling is symptoom-gebaseerd en houdt farmacologische en gedragsmatige strategieen in. Cognitieve gedragstherapie en 'graded exercise' programma's kunnen vooral effectief zijn bij de behandeling van vermoeidheid en invaliditeit bij sommige patienten. Daarenboven kan succesvolle behandeling de focus leggen op verbetering van comorbiede condities zoals majeure depressie en slaap-apneu, pijnlijke symptomen reduceren, activiteit verhogen en copingstijlen verbeteren met het doel het niveau van functioneren te verbeteren. Elke effectieve behandeling is gebouwd op een basis van respect tussen patient en arts, waarbij behandeling geindividualiseerd moet zijn zodat het de heterogeniteit van de CVS-populatie reflecteert.
DEEL 2: HET INTERNET ---------------------
Inleiding ---------
Na een jarenlang min of meer sluimerend bestaan als infrastructuur voor informatie-uitwisseling tussen wetenschappers, is het internet eind 1994 plotseling in het centrum van de belangstelling gekomen. De massamedia hebben zich gretig op het wereldwijde computernetwerk geworpen, en velen zien het internet al als de veelbesproken 'elektronische snelweg'. Het begint er nu zelfs een beetje op te lijken dat je als computerbezitter zonder internet- aansluiting niet echt meer meetelt. Is het internet een serieuze aangelegenheid, waar je als gebruiker iets aan hebt, en waar je eigenlijk niet buiten kunt? In ieder geval kunnen de hulpbronnen en informatie die je via internet kunt raadplegen van nut zijn bij de studie, in het bijzonder bij het verrichten van onderzoek, en in de vrije tijd. En volgens vele gebruikers is het internet ook gewoon leuk.
In het eerste hoofdstuk wordt het concept internet wat verder uitgediept. We behandelen achtereenvolgens de definitie, historiek, omvang en groei, het World Wide Web en inhoudelijk internetgebruik. In een tweede hoofdstuk bekijken we het begrip 'e-health' van naderbij en overlopen we de volgende vragen: hoe kunnen we 'e-health' definieren, wat kenmerkt 'e-health' internetgebruikers, wat is cyberchondria, hoe staat het met de betrouwbaarheid van gezondheidssites, is er een invloed van internetgebruik op de dokter-patient relatie en bestaat er zoiets als internettherapie en -zelfhulpgroepen? In een derde hoofdstuk trachten we na te gaan hoe het chronisch vermoeidheidssyndroom zijn weg vindt op het internet. In een laatste hoofdstuk wordt er een korte samenvatting gegeven van de vorige hoofdstukken.
Hoofdstuk 1. Het concept internet ----------------------------------
1. Definitie -------------
Er zijn twee soorten definities van het internet mogelijk. In de eerste plaats is het internet een grote, wereldwijde vergaarbak van informatie die ter beschikking staat om te worden doorzocht en gebruikt. Maar het internet is ook een grote verzameling van onderling gekoppelde computernetwerken. Eigenlijk bestaat het internet niet: er is geen sprake van een groot wereldwijd, centraal beheerd netwerk, maar van een (ietwat anarchistisch en ongereguleerd) stelsel van zeer diverse, elkaar overlappende netwerken. Het gaat daarbij niet alleen om de netwerken waaruit het internet oorspronkelijk ontstaan is, maar ook om een groot aantal netwerken van organisaties (ministeries, universiteiten, hogescholen), bedrijven, gebruikersverenigingen, en van diverse 'internet-providers'. Het enige wat deze netwerken gemeen hebben, is het feit dat ze allemaal het zogenaamde TCP/IP-protocol gebruiken, een verzameling regels die bepaalt hoe de communicatie over het netwerk plaatsvindt.
2. Historiek ------------
Het Internet is in 1969 begonnen als een project van het Amerikaanse ministerie van Defensie. Het Advanced Research Projects Agency (ARPA) had diverse medewerkers en contacten die over verschillende locaties verspreid waren: het ministerie, het leger en enkele universiteiten. De behoefte ontstond om op een efficiente wijze computerbestanden tussen deze locaties uit te wisselen. Vanuit deze behoefte ontstond ARPAnet, een sterk gedecentraliseerd netwerk, dat vanaf 1970 een snelle groei kende. ARPAnet begon in 1970 met vier computers op de universiteiten van Los Angeles, Stanford, Santa Barbara en Utah. In de loop van de jaren '70 kwamen daar vele tientallen computers bij, en in 1981 waren het er al 213. Tevens werden er tegelijkertijd een aantal andere netwerken ontwikkeld, waardoor de vraag naar de koppeling van die verschillende netwerken actueel werd. In 1973 begon DARPA (=Defense Advanced Research Projects Agency, de nieuwe naam van ARPA) met het 'Internetting Project', een onderzoek dat tot doel had de diverse netwerken onderling te verbinden. Het belangrijkste probleem hierbij was, dat een gemeenschappelijk protocol (=verzameling regels) moest worden ontwikkeld, een soort 'esperanto' voor alle verschillende netwerken en de daarbij betrokken computers. Dit leidde in 1974 tot de geboorte van het Internet Protocol (IP) en het Transmission Control Protocol (TCP). Tot de dag van vandaag zijn beide protocollen (TCP/IP) het bindmiddel tussen de zeer verschillende netwerken die samen Internet vormen. Een van de belangrijkste andere netwerken was het CSnet (Computer Science Research Network), een door de NSF (National Science Foundation) gefinancierd netwerk dat door enkele samenwerkende universiteiten in de V.S. werd ontwikkeld. In 1980 werd dit netwerk verbonden met ARPAnet, en was eigenlijk het internet een feit.
In 1983 ontstond Bitnet (Because It's Time Network, oorspronkelijk gebaseerd op een netwerk van IBM-computers), dat zich specifiek richtte op het uitwisselen van nieuws en meningen van gebruikers. Tevens ontstond het FidoNet, een informeel netwerk van bulletinboards (elektronische prikborden) die via modems en telefoonlijnen met elkaar verbonden konden worden. Vervolgens werden Bitnet, FidoNet en UseNet onderling gekoppeld. UseNet (User's Network) was (en is) een enorme verzameling van discussiegroepen over de meest uiteenlopende onderwerpen. Dan gaan de ontwikkelingen zeer snel. In 1986 nam de NSF het initiatief tot de oprichting van NSFnet, een netwerk dat voornamelijk supercomputers in de V.S. met elkaar verbond. NSFnet ging steeds meer fungeren als vervanging van ARPAnet en vormt tegenwoordig de nieuwe 'backbone' van internet (in 1991 verdween het ARPAnet van het toneel). Regionale netwerken verschaffen toegang tot het NSFnet. Alle hierbovengenoemde netwerken (en in de loop van de tijd nog vele andere, ook buiten de V.S.) kregen op een of andere manier een verbinding met het NSFnet, en het internet in zijn moderne vorm diende zich aan (Caillian & Gillies, 2000; Hafner & Lyon, 1996; Kennedy, 1998).
3. Omvang en groei ------------------
In het begin van 1999 werd het aantal onderling gekoppelde (grote en kleine) netwerken geschat op ongeveer 60.000 (in 1992 waren er dat nog maar zo'n 7.000). Per netwerk schat men het gemiddeld aantal aangesloten computers op 100, en het gemiddeld aantal gebruikers per computer op tien. Wereldwijd zijn er dus zo'n 60 miljoen internetgebruikers. De schattingen lopen overigens sterk uiteen. Het cijfer van 60 miljoen gebruikers is gebaseerd op een ruime definitie van het internet, waarbij ook gebruikers die slechts vanaf een van de aangesloten netwerken kunnen mailen, zijn meegeteld. Volgens Nua Internet Surveys (2001) zouden er wereldwijd meer dan 500 miljoen mensen 'ingelogged' zijn. Een belangrijke oorzaak voor deze groei is dat de commercie het Net heeft ontdekt. De grote aantallen gebruikers, de verschillende en ook sterk toegenomen gebruiksmogelijkheden, de relatief lage kosten en de grote aandacht die het internet in de massamedia krijgt, hebben ertoe bijgedragen dat het Internet steeds meer een commercieel netwerk wordt. In mei 1999 werd door onderzoek vastgesteld dat het aantal pagina's op het internet ruim 400 miljoen bedraagt en dat de verdubbelingtijd van het aantal pagina's (documenten) op internet ongeveer 120 dagen bedraagt (Caillian & Gillies, 2000).
4. Het World Wide Web (WWW) ----------------------------
Het World Wide Web is ontstaan uit de behoefte de samenwerking tussen wetenschappers te vergemakkelijken door het koppelen van verschillende informatiebronnen. Centraal staat het begrip 'hypertekst'. In een hypertekst-document worden woorden, zinnen of afbeeldingen (bijvoorbeeld iconen en pictogrammen) gebruikt als verwijzingen (hyperlinks) naar andere documenten. Als zo'n hyperlink geactiveerd wordt, bijvoorbeeld door er met de muis op te klikken, wordt het andere document 'opgeroepen'. Hyperlinks zijn in de tekst duidelijk als zodanig herkenbaar. Ze worden meestal in een bepaalde kleur en onderstreept aangegeven of door middel van een afbeelding met een gekleurd kader (pictogram). Hyperlinks zijn te vergelijken met de verwijzingen in een encyclopedie. De structuur van hypertekst sluit goed aan bij de wijze waarop mensen informatie verzamelen: van het een naar het ander. De bekende helpfiles in Windows zijn voorbeelden van hypertekst. Bij het WWW wordt gebruik gemaakt van 'HTML' (HyperText Markup Language). Teksten kunnen in een gewone tekstverwerker (WP, Word) of in een speciale HTML-editor worden voorzien van speciale commando's en hyperlinks, waarna de tekst als 'pagina' op het WWW kan worden gebracht. Door middel van deze hyperlinks kan een gebruiker die deze pagina ('homepage') bezoekt, verder geleid worden door de informatie. Tevens kunnen links gelegd worden met andere homepages van informatieaanbieders op vergelijkbare terreinen, of aanbieders die anderszins gelieerd zijn aan de betreffende homepage. Op welke computers (in deze context webservers of websites genoemd) deze documenten opgeslagen zijn, is daarbij voor de gebruiker van geen belang. Met behulp van de hyperlinks wordt de gebruiker van de ene server naar de andere gestuurd, het zogenaamde 'websurfen' of 'netsurfen'. Behalve teksten kan ook gebruik gemaakt worden van afbeeldingen, geluidsfragmenten en videomateriaal.
Het verwijzen naar andere servers gebeurt door in de hyperlink het adres van die server op te nemen: de 'URL' (Uniform Resource Locator). De URL geeft aan waar de gebruiker de informatie over een bepaalde link kan vinden. Een URL heeft meestal een vorm als: http://www.kul.ac.be (de homepage van de KULeuven). Hierin staat 'http' voor HyperText Transport Protocol, het protocol dat WWW gebruikt om (via het internet) tussen de WWW servers te kunnen communiceren. De gebruiker kan bij een willekeurige homepage starten en volgt van daaruit de hyperlinks door hetzelfde document, door verschillende documenten, en eventueel langs verschillende servers. Ook kan de gebruiker rechtstreeks naar een bepaald document toe zonder zich eerst door allerlei hyperlinks te worstelen. In dat geval moet de URL van het betreffende document bekend zijn.
Ondanks de eenvoudige structuur van het WWW is het efficient zoeken naar informatie nog steeds een probleem. De weg vinden in alle informatie op het internet (ruim 3 biljoen documenten volgens Nua Internet Surveys) zonder hulp is onbegonnen werk. Gelukkig zijn er gespecialiseerde websites ingericht die het zoeken vergemakkelijken: de 'search engines'. Zij maken gebruik van een database die soms alleen de titel en een korte inhoud van de webpagina's bevat, maar soms (zoals Alta Vista) ook alle woorden van die pagina's. Geen enkele zoekmachine bestrijkt alle pagina's op internet. De twee meest uitgebreide zoekmachines zijn Hotbot met een bereik van ongeveer 35 procent en Altavista 30 procent. Om met het WWW te kunnen werken, heb je een zogenaamde 'browser' nodig, een programma op de werkplek dat hypertekst kan interpreteren en dat de communicatie tussen de verschillende servers mogelijk maakt. Het programma dat daarvoor op de KULeuven wordt gebruikt heet 'Netscape Communicator' (Arts, 1997).
5. Inhoudelijk internetgebruik -------------------------------
In februari 2000 publiceerde het Stanford Institute for Quantitative Study of Society een uitgebreid rapport inzake internetgebruik. De studie was gebaseerd op een gerandomiseerde steekproef van meer dan 4000 Amerikaanse internetgebruikers. De deelnemers werd gevraagd aan te geven welke activiteiten (zie tabel 8) ze al dan niet bedreven op het internet.
Tabel 6 Percentage internetgebruik per activiteit (Bruner B.) ----------------------------------------------------------------------------- Activiteit Internetgebruik (%) Activiteit Internetgebruik (%) ----------------------------------------------------------------------------- Email 90 Kopen 36 Algemene info 77 Beursnotering 27 Surfen 69 Werk zoeken 26 Lezen 67 Chatten 24 Hobbies 63 Huiswerk 21 Productinfo 62 Veiling 13 Reisinfo 54 Bankieren 12 Werk 46 Bedrijfsaandelen 7 Spelletjes 36 -----------------------------------------------------------------------------
Deze resultaten tonen dat de grootste impact van het internet waarschijnlijk ligt in het vergemakkelijken van communicatie.
Hoofdstuk 2. E-health ----------------------
1. Definitie -------------
Tegenwoordig spreekt iedereen over e-health, maar weinigen hebben tot nu toe een heldere definitie voorgesteld voor deze relatief nieuwe term. Voor 1999 werd de term nauwelijks gebruikt, terwijl het nu een algemeen 'buzzword' is dat gebruikt wordt om zowel 'internetgeneeskunde' aan te duiden als vrijwel alles wat te maken heeft met computers en geneeskunde. Aanvankelijk werd de term vooral gebruikt door industrieleiders en marketeers, eerder dan door academici (Eysenbach, 2001). Er worden ook nog andere 'e-woorden' gebruikt zoals e-commerce, e-business, e-solutions etc. in een poging om enerzijds uitdrukking te geven aan beloftes, principes, opwinding en hype rond elektronische commercie op vlak van gezondheid en anderzijds verslag uit te brengen over/verklaring te geven voor de nieuwe mogelijkheden die het internet biedt op dit vlak. Intel bijvoorbeeld, refereert naar e-health als 'een samenwerkingsinspanning ondernomen door leiders in de gezondheidszorg en hi-tech industries om de voordelen die beschikbaar zijn door convergentie van internet en gezondheidszorg volledig te gebruiken.' Omdat het internet nieuwe mogelijkheden en uitdagingen creeert voor de traditionele gezondheidszorg en IT-industrie, lijkt het gebruik van een nieuwe term gepast. Deze nieuwe uitdagingen waren voornamelijk: (1) de mogelijkheid van consumenten om te interageren met hun systemen online (B2C= business to consumer) (2) verbeterde mogelijkheden voor datatransmissie van organisatie tot organisatie (B2B=business to business) (3) nieuwe mogelijkheden voor communicatie van consument tot consument (C2C=consumer to consumer)
Sommigen pleiten ervoor dat de term in de bedrijfs- en marketingsector moet blijven en moet vermeden worden in wetenschappelijke medische literatuur en voordrachten (Eysenbach, 2001). Toch blijkt de term zijn intrede al gedaan te hebben in de wetenschappelijke literatuur aangezien er op dit moment (januari 2003) ongeveer 134 Pubmed-geindexeerde artikels zijn die de term e-health bevatten in titel of abstract. Het is niet evident om e-health te definieren aangezien het gaat om een dynamisch gebied dat voort-durend in beweging is en omdat het meer is dan enkel internet en geneeskunde. Toch is het belangrijk om een toepasselijke omschrijving te vinden, wil men dit gebied onderzoeken of ernaar refereren. Daarom stelt Eysenbach (2001, e2) in the Journal of Medical Internet-Research de volgende definitie voor: "E-health is een opkomend gebied in de intersectie van medische informatie, openbare volksgezondheid en handel, verwijzend naar gezondheidsservice en informatie geleverd of vergemakkelijkt door het internet en aanverwante technologieen. Ruimer gezien karakteriseert de term niet alleen een technische ontwikkeling, maar ook een 'state-of-mind', een manier van denken, een attitude en een toewijding voor 'networked', globaal denken, om gezondheidszorg te verbeteren op lokaal, regionaal en wereldwijd niveau door gebruik te maken van informatie- en communicatietechnologie."
2. Kenmerken van e-health gebruikers -------------------------------------
Volgens Kiley (1999) is minstens twee procent van de websites gerelateerd aan gezondheid. Enquetes tonen dat 50 tot 75 procent van de internetgebruikers online gaan om gezondheidsinformatie te bekomen (Murero, D'Ancona & Karamanoukian, 2001; Tatsumi, Mitani, Haruki & Ogushi, 2001; Taylor, 2001) en dat gemiddeld zo'n drie keer per maand (Taylor, 2001).
Het blijkt dat meer vrouwen dan mannen gezondheidsinformatie online zoeken, en de hoogste gebruikersproportie ligt tussen dertig en vierenzestig jaar (Fox & Rainee, 2000). Voor een 'digitale scheiding' tussen meer verdienende, hoger opgeleide 'have-nets' en de minder verdienende en lager opgeleide 'have-nots' is tot hiertoe geen evidentie gevonden wat betreft verschillen in zoeken naar gezondheidsinformatie eens ze online-toegang hebben (Brodie et al., 2000; Pingree et al., 1996). Wat de gebruikers het meest waarderen aan online informatie is het gemak, de anonimiteit en het volume (Fox & Rainee, 2000). In een Harris Poll uitgevoerd in 1999 bij 2000 Amerikaanse volwassenen kwam naar voor dat mentale gezondheid het meest populaire online gezondheidsonderwerp was. In 42 procent van de gevallen ging het om opzoeken van informatie in verband met depressie, bipolaire stoornis en angstproblemen. Uit een Nederlands onderzoek van InSites Consulting blijkt dat 50 procent van de internetgebruikers op zoek gaat naar medische informatie op het web en dat info rond chronische ziektes het vaakst opgezocht wordt. Mensen die zelf aan een chronische ziekte lijden of iemand in de omgeving kennen die chronisch ziek is, zijn de meest intensieve gebruikers van online medische informatie. Een vijfde van de chronisch zieke surfers bezoekt frequent medische sites die verband houden met hun ziekte (De Telegraaf, juni 2002). De meeste online gezondheidszoekers willen een specifiek antwoord op een specifieke gezondheids-vraag en beginnen met het invoeren van een onderwerp in een algemene zoekrobot (Lovich, 2001). Heel wat minder gebruikers gaan naar gezondheidsportaals of direct naar een specifieke gezondheidssite (Poensgen & Larsson, 2001). Weinigen gebruiken gezondheidssites om te communiceren met gezondheidsservices, om genees-middelen aan te kopen of om deel te nemen aan chatroom-discussies gerelateerd aan gezondheid. Verder blijkt dat de meeste gebruikers specifieke gezondheidsthema's opzoeken die op dat ogenblik een vriend, een verwante of zichzelf aangaan, vaak samengaand met een bezoek aan de dokter (Fox & Rainee, 2000).
Het lijkt waarschijnlijk dat individuen het web gebruiken op verschillende punten in het traject van hun ziekte en gezondheidszorg. De California Healthcare Foundation heeft getracht drie gebruikerstypes te categoriseren: de gezonden, de pas gediagnosticeerden en de chronisch zieken en hun zorgverleners (Cain, Mittman, Sarasohn-Kahn & Wayne, 2000). De gezonde groep zoekt episodisch naar informatie gerelateerd aan medische condities op korte termijn, zwangerschap en preventie-onderwerpen. De nieuw/pas gediagnosticeerde verrichten zeer intensief zoekwerk naar specifiek informatie. De chronisch zieken en hun zorgverleners gaan regelmatig zoeken naar specifieke informatie gerelateerd aan nieuwe behandelingen, voedingsadvies en alternatieve therapieen. Daarenboven waarderen en gebruiken de twee laatste groepen online gemeenschappen en 'chatrooms'.
3. Cyberchondria en dergelijke -------------------------------
Hoewel nog niet in de Oxford Engelse Woordenboek, is het woord cyberchondria een samenvoeging van twee woorden: 'cyber' komt van cybernetica wat stuurkunde betekent en hypochondrie wordt gedefinieerd als: - een onrustbarende conditie waarbij oncontroleerbare angst in verband met ernst van fysiologische symptomen leidt tot het persistente zoeken van geruststelling en medische onderzoeken (Stone & Sharpe, 2003) - de met vrees beladen overtuiging aan een ernstige (lichamelijke) ziekte te lijden, zonder dat daar (voldoende) grond voor is, en ondanks geruststelling door de arts (Vandereycken, Hoogduin en Emmelkamp, 1994, p.272)
Cyberchondria is dus een nieuw gevormd woord om overmatig gebruik van internetgezondheidssites die angst in verband met gezondheid aanwakkeren te beschrijven (Vallely, 2001).
De computer leidt ook nog tot andere ziektebeelden: - Repetitive Strain Injury (RSI), ook wel muisarm of computerkramp genoemd, is volgens Wierper en Bosmans (De Telegraaf, januari 2003) geen 'ziekte van de moderne tijd'. Al in de zestiende eeuw werden vergelijkbare klachten beschreven bij monniken die soms maandenlang aan een stuk door bijbels kalligrafeerden. Het probleem daarbij is de monotone beweging. Daardoor treft RSI ook onder andere kappers, fabrieksarbeiders, inpakkers, chirurgen, violisten, ... - Technology Related Anger (TRA) ofwel computeragressie ontstaat op de volgende manier: na een hele dag werken aan bijvoorbeeld een rapport of artikel, loopt de PC vast wanneer men het document wil afprinten. Sommigen worden woest waardoor hun hartslag en bloeddruk ontspoort en ze de neiging hebben het apparaat in elkaar te rammen. Volgens computerfabrikant Compaq is die stress nog schadelijker voor de algehele gezondheid van mensen dan RSI (De Telegraaf, januari 2003). Een studie naar onder andere psychiatrische comorbiditeit bij 21 personen die compulsief computergebruik rapporteerden, vond dat 33 procent een stemmingsstoornis had, 38 procent leed aan middelenmisbruik en 19 procent aan een angststoornis. In vergelijking met een normatieve groep vertoonden subjecten een verzwakt mentaal gezondheidsfunctioneren (Black, Belsare & Schlosser, 1999).
Een aparte visie is die van Elaine Showalter, die in haar boek Hystories (1997) stelt dat het internet een nieuwe weg biedt voor het verspreiden van ziektes en pathogene ideeen, een manier van transmissie die epidemische condities zoals het Gulfwar syndroom en het chronisch vermoeidheids-syndroom kan aanwakkeren.
4. Betrouwbaarheid van gezondheidssites ----------------------------------------
In een onderzoek van Houston en Allison (2002) gaven 81 procent van de e-health gebruikers aan dat ze iets nieuws leerden online en 51 procent gaf aan dat ze de meeste informatie op het internet geloofden. In een ander onderzoek uitte slechts 14 procent van de ondervraagden enige onzekerheid over de accuraatheid van medische webinformatie (O'Connor & Johanson, 2000). Consumers International, een organisatie met meer dan 250 consumentenorganisaties uit 115 landen, deed samen met Consumer Webwatch onderzoek naar de betrouwbaarheid van sites met financiele en gezondheidsinformatie en naar prijsvergelijkingssites (Zorgkrant, november 2002). Men vond het volgende: - 49 procent van de onderzochte medische sites maakte geen enkel voorbehoud ('neem contact op met uw huisarts' bijvoorbeeld) ten aanzien van de gegeven informatie; - meer dan de 50 procent van de sites gaf geen informatie over de status en opleiding van de adviseurs; - slechts 57 procent van de sites gaf de bron van een advies; - 39 procent van de sites die persoonlijke informatie verzamelden had geen privacypolicy; - op 55 procent van de sites was niet duidelijk hoe recent en actueel de informatie was; - van 26 procent van de sites was onduidelijk wie de eigenaar was; - 60 procent van de sites bleef vaag over de rol die commercie speelde bij op hun site.
Onderzoekers van de Universiteit van Michigan screenden 371 websites in verband met het Ewing sarcoom, een zeldzaam soort botkanker. Het bleek dat 42 procent van de onderzochte sites informatie bevatte die niet onderworpen was aan stringente wetenschappelijke recensie. Verder gaf zes procent van de onderzochte sites inaccurate/foute informatie, waaronder de befaamde Encyclopedia Britannica die vertelde dat de kans op sterfte na behandeling vijfennegentig procent was, terwijl de overlevingskans maar liefst vijfenzeventig procent is (Biermann, Golladay, Greenfield & Baker, 1999). Belangrijk om hierbij in het achterhoofd te houden, is dat niet alleen patienten, maar ook verzekeringsartsen bezoekers zijn van deze webinformatie.
Het Journal of Clinical Oncology, een vakblad voor kankerdeskundigen, onderzocht de kwaliteit van voorlichting over huidkanker op 74 websites. Het grootste deel van de sites slaagden er niet in een volledige integratie van informatie te geven met betrekking tot risicofactoren, diagnose, behandeling, preventie en prognose. Daarenboven gaf een op de acht sites foute informatie (Bichakjan et al., 2002).
Een studie over borstkankerwebsites (Meric et al., 2002) vond dat de populariteit van deze sites eerder geassocieerd is met het type dan met de kwaliteit van de inhoud. Er werd, evenals door Sandvik (1999), geen correlatie gevonden tussen metingen van kwaliteit en 'link populariteit (= verwijzing naar een site op een andere site). Bij een andere kwaliteitsscreening van (136) bostkankerwebsites (Hoffman-Goetz & Clarke, 2000) kwam men tot de volgende bevindingen: slechts 31,6 procent vermeldde de getuigschriften van de eigenaar, op 10 procent werden financiele kosten geconstateerd, -minder dan 14 procent vermeldde de oprichtdatum van de site, 33 procent vermeldde de inhoudsupdate, 30 procent vermeldde informatiebronnen terwijl 87 procent van de onderzochtte sites voorzag in e-mail interactiviteit.
Besluit -------
Uit deze onderzoeken blijkt dus dat het voor veel e-health gebruikers niet evident is om meteen toegang te hebben tot betrouwbare informatie. De ontwerpers van gezondheidssites zouden minstens nota moeten maken van het advies om gepaste hulp te zoeken, informatie verschaffen in verband met opleiding en status van adviseur, hun belangen, update-datum en voorzien in een privacy-policy.
5. Invloed op dokter-patient relatie -------------------------------------
Een stijgend aantal gezondheidsgerelateerde websites zijn nu beschikbaar voor 'up-to-date' antwoorden op medische vragen. Als reactie op deze 'informatiezoekende' activiteit, hebben artsen hun bezorgdheid uitgedrukt aangaande mogelijke misinformatie en misinterpretie van patienten van de beschikbare online inhoud (Anderson, 2000; Eysenbach & Diepgen, 1998; Jadad & Gaghardi, 1998; Kassirer, 1995; Liu, 2000; Moore, 1999; Robinson, Patrick, Eng & Gustafson, 1998; Silberg, Lundberg & Musacchio, 1997; Van Houdenhove, 2000). Veel dokters geloven dat enkel gekwalificeerde medische professionals externe bronnen van informatie adequaat kunnen beoordelen en interpreteren. Het British Medical Journal gaat ervan uit dat de kwestie onoplosbaar is omdat patienten simpele, praktische informatie willen en artsen wetenschappelijke stukken. Een combinatie van beide zou moeilijk te vinden zijn (De Financieel-Economische Tijd, april 2002). Defensieve attitudes kunnen ontstaan doordat het internet een 'leveling effect' heeft qua toegang tot informatie en met als gevolg ook op de dokter-patient relatie (McLellan, 1998; Podolsky, 1998).
De huidige situatie van 'informed conscent' staat in contrast met de positie van de arts als enige bezitter van medische kennis, zoals het geval was voor het grootste deel van de 20e eeuw. De dag van vandaag is er een grotere aanvaarding van meer geinformeerde en geeduceerde patienten. Een opmerkelijke Amerikaanse site (www.questionabledoctors.org) bevat een database van ongeveer 6700 dokters die beticht zijn door medische staatsbesturen en federale overheden van medische incompetentie, verkeerd voorschrijven van medicatie, seksueel wangedrag, criminele veroordelingen, ethische fouten en andere overtredingen. Na betaling kan iedereen een bepaalde artsennaam opzoeken en heeft men toegang tot stalen van rapporten (Twisselmann, 2002).
Een van de nieuwste bronnen van kennis voor de patient komt van het bezoeken van gezondheidsgerelateerde websites. De grootste impact op medische besluitvorming komt van deze toename aan kennis die voorafgaat aan de klinische ontmoeting. Dat artsen enorm verschillen in de mate waarin ze zich comfortabel voelen bij de vergemakkelijking van patientparticipatie in besluitvorming, spreekt voor zich (Kaplan, Greenfield, Gandek, Rogers & Ware, 1996). In een enquete bij 1084 artsen van de American Medical Association vond slechts 11 procent dat het internet nuttig was bij de voorziening van patient-educatie (Forrester Report, 2000). InSites Consulting (2002) deed een studie waaruit bleek dat niet alleen de surfer zelf zijn dossierkennis verhoogt, maar dat internet ook aanzet tot een bezoek aan de arts. Een op drie surfers zou al een afspraak gemaakt hebben na het online raadplegen van medische informatie. Verder blijkt ook dat in Nederland 40 procent van de surfers de informatie gebruikt als ze op bezoek gaan bij hun arts (De Telegraaf, juni 2002).
Artsen ondervinden meer en meer dat patienten 'internet-outprints' meebrengen naar de consultatie, maar schattingen van dit 'uitprintsyndroom' varieren van 1 a 2 procent (Potts & Wyatt, 2002), 58 procent (Wilson, 1999), tot meer dan 70 procent (Hjortdahl, Nylenna & Gerlow Aasland, 1999). De lage prevalentie in de studie van Potts en Wyatt (2002) is verrassend als men weet dat 50 tot 75 procent van de internetgebruikers gezondheidsinformatie opzoeken (Murero et al., 2001; Tatsumi et al., 2001; Taylor, 2001). Ze gebruikten een cross-sectionele enquete-methode waarbij ze aan 800 internetgebruikende artsen vroegen om retrospectief het aantal patienten te schatten die de voorbije maand het internet gebruikt hadden om gezondheidsinformatie op te zoeken. Volgens Powell en Clarke (2002) is het mogelijk dat een 'recall bias' geleid heeft tot onderschatting, maar het is eveneens mogelijk dat niet alle patienten die het internet consulteren dit aan hun dokter meedelen. Potts en Wyatt (2002) vonden verder dat meer dan tweederde van de dokters gezondheidsinformatie op het internet meestal (20%) of soms (48%) betrouwbaar vonden. Dubbel zoveel dokters rapporteerden dat patienten eerder voordelen (85%) dan problemen (44%) ondervonden van het internet. Voor zichzelf gaf 13 procent van de dokters aan dat ze geen problemen hadden, 38 procent ondervond een probleem en 49 procent twee of meer problemen. Twintig procent meldde geen voordeel, 49 procent een voordeel en 21 procent twee of meer voordelen. De artsen rapporteerden dus veel vaker voordelen dan nadelen van internetgebruik voor de patient, maar voor de dokters zelf zouden er meer problemen dan voordelen zijn.
De Lancet (mei 2000) beschrijft de handelingen van 'chronische' internetgebruikers na een ziektesite bezocht te hebben: 54 procent vraagt prescriptie aan dokter, de helft maant vriend/familie aan tot een doktersbezoek, ongeveer 45 procent verandert oefen/eetgewoonte en maakt behandelingskeuze, 41 procent maakt een doktersbezoek, een derde gaat vaker voorschriften nemen en een op vijf koopt een product.
Uit onderzoek van Houston en Allison (2002) bleek dat relatief/zwakke gezonden in vergelijking met uitstekend/goed gezonden relatieve nieuwkomers zijn op het net, maar de neiging hebben om het internet vaker te gebruiken, vaker te chatten, minder vaak informatie te zoeken voor iemand anders dan zichzelf en meer met hun arts praten over deze nieuwe informatie.
Volgens Cyber Dialogue (2001) geeft de meerderheid van de Amerikaanse gebruikers aan dat ze meer online-interactie met hun dokters wensen, waaronder e-mailconsultaties en -herinneringen. In 2000 vond Cyber Dialogue dat 70% van alle patienten zou willen dat hun arts hen een gezondheidszorgsite aanbeveelt voor hun geval, maar dat slechts 4 procent zo'n aanbeveling krijgt. Bijna drie op vier van degenen die gezondheidsinformatie op internet zoeken, geven aan dat een aanbeveling of 'internet-voorschrift' van de dokter hun die site meer zou doen vertrouwen (Cyber Dialogue, 2001). Gezondheidsverleners kunnen dus voordeel halen uit deze unieke kans om bewustzijn van de kwaliteit van elektronische bronnen van medische info te creeren, te ondersteunen, ernaar te refereren en te promoten. In een Nederlands onderzoek vond men dat slechts vijftien van de honderd onderzochte huisartspraktijken een eigen website hebben, waarvan er vijf via e-mail te benaderen zijn; en een duidelijk de mogelijkheid biedt herhaalrecepten aan te vragen (Gezond Nieuwsbrief, september 2002). Ullrich en Vaccaro (2002) merken op dat het voor artsen die medische websites aanbevelen, belangrijk is te letten op de kwaliteit en inhoud van de site, maar zeker ook op de ethiek van de website. De belangrijkste ethische standaard waaraan een website moet voldoen, is de duidelijke scheiding tussen inhoudelijke informatie en promotiemateriaal. Patienten hebben vaak niet genoeg kennis om 'unbiased' informatie te onderscheiden van informatie die de bedoeling heeft een product of service te promoten. De hoeveelheid toegankelijke en onmiddellijke informatie in verband met symptomen, onderzoeken en persoonlijke ziekteverhalen is nu ongelimiteerd op het internet. Daarenboven zijn er een aantal 'online-diagnose' sites. Dit geeft de patient de mogelijkheid om te gaan met hun kleinere symptomen, maar kan ook leiden tot consultaties die anders niet plaatsgevonden hadden. Studies die keken naar de verschaffing van informatie in verband met kleinere symptomen, vonden dat consultatiefrequenties niet erg beinvloed werden (Heaney et al., 2001; Little et al., 2001).
Besluit -------
Volgens de Nederlandse Landelijke Huisartsen Vereniging zal de rol van de huisarts juist belangrijker worden. Doordat men grotere toegang heeft tot informatie ontstaat er meer de behoefte aan iemand die zegt wat die algemene informatie voor hen betekent (Volkskrant, mei 2000). De rol van de arts zal ook volgens Van Houdenhove (De Standaard, september 2000) hoe langer hoe meer zijn: fungeren als een deskundige en betrouwbare gids in de onoverzichtelijke informatiejungle. Artsen, gezondheidszorgprofessionals en e-health ontwikkelaars zouden samen moeten werken om patienten te onderwijzen inzake het zoeken van gezondheidsinformatie online en te voorzien in hulpmiddelen voor hen om te kunnen navigeren naar de hoogste kwaliteitsinformatie. Patienteducatie vanuit andere bronnen dan 'face-to-face' contact met een arts zou gezien moeten worden als een toevoeging op de medische kennis van artsen, en niet als een competitie. Informatie is een vorm van therapie, en zou moeten leiden tot betere doorverwijzingen, meer realistische 'outcome- verwachtingen', betere 'behandelingcompliance' en betere resultaten. Zolang patienten gerefereerd worden naar informatie die niet bevooroordeeld is, goed geschreven en niet eigengereid, zou hun beslissingsproces verbeterd moeten worden en brengt hen in de 'decision-making loop'. Dit stelt de patient ook in staat om veel meer betrokken te zijn bij zijn zorg. Als de medische professie verandert van een 'portiers'-model naar een patientkeuze-model, zal patienteducatie een veel grotere rol gaan spelen (Ullrich & Vaccaro, 2002).
6. Internettherapie en -zelfhulpgroepen ----------------------------------------
Psychische hulpverlening via het internet is sterk in opkomst in Belgie en Nederland, terwijl er in Amerika al langer een markt bestaat voor cybertherapie. In Belgie is er bijvoorbeeld www.onlinetherapie.be waar men kan kiezen uit vijf Vlaamse therapeuten die persoonsgerichte ondersteuning, professionele coaching en studiebegeleiding aanbieden via e-mail, chatsessie of gewoon per telefoon. In Nederland is er onder andere www.interapy.nl, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, dat werkt met een strikt protocol bestaande uit tien gestructureerde schrijfopdrachten van 45 minuten elk, verdeeld over vijf weken, via het internet. Deze online-behandeling zou vooral geschikt zijn voor mensen met een rouwproblematiek of een posttraumatische stressstoornis (Halberstadt, 2002). Onderzoek wees al uit dat 80 procent baat had bij deze online-therapie, in vergelijking met 40 tot 60 procent bij traditionele therapiesessies (Houkes, 2001).
Wat zijn nu de voordelen en valkuilen van deze digitale sofa? Zowel de toegankelijkheid, anonimiteit en lage kosten kunnen drempelverlagend werken voor een individu om zich te engageren voor online-therapie, maar toch lijkt het niet echt geschikt voor complexere problemen of mensen met een zware persoonlijkheidsstoornis. Vanuit het oogpunt van de hulpverlener is er het nadeel van het gebrek aan observatie en toetsing van verbale en niet-verbale signalen.
Volgens het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) kan internettherapie wel een goede aanvulling bieden op de reguliere psychische gezondheidszorg al er wordt voldaan aan twee voorwaarden: ten eerste moet de psycholoog een geregistreerd professional zijn en ten tweede moet er de mogelijkheid zijn dat er toch een direct contact kan plaatsvinden met de behandelend psycholoog of een collega (Kraaijo, 2002).
Een ander opkomend gebied dat in het verlengde hiervan ligt zijn online- zelfhulp- en discussiegroepen. Hierdoor is het mogelijk zich uitgebreid te informeren en in contact te komen met lotgenoten. Onderzoek geeft aan dat veelal positieve resultaten worden bekomen in verband met de effectiviteit van psychoeducationele en psychotherapeutische interventies op het internet (Barrera, Glasgow, McKay, Boles & Feil, 2002; Finfgeld, 2000; Houston, Cooper & Ford, 2002; Klem & Hardie, 2002; Subramaniam, Stewart & Smith, 1999; White & Dorman, 2001). Online-hulpgroepen blijken ook te voorzien in veel van de processen die gebruikt worden in 'face-to-face' zelfhulpgroepen met een nadruk op wederzijdse probleemoplossing, informatie-uitwisseling, uiting van gevoelens, catharsis en wederzijdse steun en empathie (Finn, 1999).
Toch moeten er ook hier weer vragen gesteld worden met betrekking tot de betrouwbaarheid. Culver, Gerr en Frumkin (1997) onderzochten meer dan 1500 opeenvolgende berichten op een online-discussiegroep voor lijders van pijnlijke hand- en armcondities. Ongeveer 56 procent van de berichten ging over een medisch onderwerp. Hiervan was 89 procent afkomstig van personen zonder medische opleiding. Ongeveer een derde van de informatie werd geclassificeerd als onconventioneel. Er werd in de meeste gevallen beroep gedaan op persoonlijke ervaring en zelden verwezen naar een gepubliceerde bron.
Hoofdstuk 3. Chronisch vermoeidheidssyndroom op internet ---------------------------------------------------------
De CVS-patientenpopulatie als geheel is goed geinformeerd en heeft een sterk steunnetwerk. Men zou de CVS/ME-organisaties zelfs kunnen bekijken als een sociale beweging, maar volgens Timmerman (2003) voldoen ze hiervoor niet aan alle criteria. Een belangrijke vraag die hij stelt is of er sprake is van (re)productie van de ziekte-identiteit van CVS-patienten door de CVS-organisaties. Omdat de oorzaken en adequate behandeling van CVS nog niet vastliggen, kunnen zelfhulp- en steungroepen de aandacht voor het ziektebeeld vergroten en de patienten voorzien van informatie en een gevoel van gemeenschap(pelijkheid). Barker (2002) stelt dat de vorming van een ziekte-identiteit een normaal gevolg is van deelname in gezondheidsgerelateerde zelfhulpgemeenschappen en dat integraal is aan de contemporaine processen van medicalisatie. De invloed van de CVS-patientorganisaties zou hierdoor beslissender kunnen zijn bij het ontstaan en instandhouden van een ziekte- identiteit bij personen met CVS dan de invloed van andere patientorganisaties bij mensen waarbij wel een duidelijke lichamelijke afwijking wordt gevonden.
Zoals eerder al bleek uit onderzoek van gezondheidsgerelateerde websites, lijkt ook sommige informatie over CVS en populaire behandelingen niet consistent te zijn met de 'evidence-based' geneeskunde. Dit was de conclusie van Kisely (2002) die 225 CVS-sites screende op type, kwaliteit en focus van patientinformatie op behandeling. Verder vond hij dat de aanbevolen interventies sterk varieerden en dat de overeenkomst tussen websites en de systematische reviews laag was (zie tabel 9).
Tabel 7 Overeenkomst met empirisch ondersteunde geneeskunde op vlak van voordeel van behandeling, classificatie van site-inhoud en informatiebronnen, en aanwezigheid van andere kwaliteitsindicators - laagste en hoogste aantal sites geidentificeerd door eender welke zoekmachine en overkoepelende resultaten (Kisely, 2002) --------------------------------------------------------------------------- Zoekmachine Zoekmachine Totaal Chi-kwadraat met laagste met hoogst aantal sites aantal sites n=25 n=25 n=225 (df=1) --------------------------------------------------------------------------- Interventies
Voordelig Lichaams- beweging 24% 68% 49% X2 = 3.13, p = 0.08 CGT 8% 44% 28.5% X2 = 3.16, p = 0.08
Ongekende effectiviteit Corticosteroiden 8% 32% 16.8% X2 = 3.44, p = 0.07 Antidepressiva 8% 40% 22.2% X2 = 4.05, p = 0.04 Dieet- supplementen 12% 32% 19% X2 = 2.16, p = 0.14 Orale nicotinamide adenine dinucleotide 4% 20% 13.3% X2 = 0.53, p = 0.5
Onwaarschijnlijk voordelig Immunotherapie 12% 32% 17.7% X2 = 2.87, p = 0.09
Onwaarschijnlijk ineffectief of schadelijk Langdurige rust 8% 52% 34.6% X2 = 2.92, p = 0.09 Inhoud websites Conventioneel 8% 36% 17.7% X2 = 4.03, p = 0.04
Andere kwaliteits- indicatoren Genoemde auteur 32% 80% 64% X2 = 1.22, p = 0.3 Bekendmaking van belang 12% 56% 27.5% X2 = 9.85, p < 0.001 Advies om gepaste hulp te zoeken 20% 56% 34.6% X2 = 4.60, p = 0.03 Afwezigheid van inaccurate beweringen 8% 36% 18.2% X2 = 4.71, p = 0.03
Informatiebronnen van websites Conventioneel 12% 36% 19.1% X2 = 5.06, p = 0.02 ---------------------------------------------------------------------------
Zelfs op de vlakken waar sites meestal accuraat advies gaven, zoals het voordeel van 'graded exercise' en het nadeel van verlengde rust, was de algemene overeenkomst met systematische reviews maar 50 procent. Op andere vlakken, zoals het nut van CGT, was er slechts in een vierde van de gevallen een overeenkomst met de wetenschappelijke literatuur. Verder bevatte 80 procent van de sites een of meer onnauwkeurige beweringen. De meeste websites (64%) vernoemden de auteur, terwijl enkel een minderheid een verklaring van belangen gaf of een advies om gepaste hulp te zoeken. Enkel een vijfde van de onderzochte sites gebruikte conventionele informatiebronnen. Zelfs de aanwezigheid van verwijzingen naar 'peer reviewed' tijdschriften hoeft niet noodzakelijk te correleren met kwaliteit.
Besluit -------
We kunnen hieruit concluderen dat het niet enkel voor CVS-patienten, maar ook voor de behandelende arts belangrijk is te weten dat het internet een groot deel informatie bevat over CVS dat niet gebalanceerd is, noch consistent met de 'evidence-based' geneeskunde. Zoals eerder al aangegeven kunnen zij voorzien in begeleiding inzake welke internetsites al dan niet betrouwbaar zijn. Een leidraad hierbij kan het overzicht zijn dat Gantz en Coldsmith (2001) gaven over betrouwbare internetbronnen op vlak van het chronisch vermoeidheidssyndroom.
DEEL 3: ONDERZOEK ------------------
Hoofdstuk 1. Inleiding -----------------------
Het opzet van dit onderzoek is een exploratieve studie naar het internetgebruik, het gepercipieerd begrip, de behandeling en ziektetheorie van CVS-patienten. Concreet willen we de volgende aspecten nagaan:
1) Internetgebruik -------------------
Hoe vaak gebruikt men het internet? Volgt met de ontwikkelingen in CVS-onderzoek online? In welke mate biedt het internet informatie, steun en erkenning? In welke mate is men tevreden over de betrouwbaarheid van CVS-sites? Heeft men contact met andere CVS-patienten via internet? Ontmoet men CVS-patienten van het internet? Hoe vaak chat men? Hierbij willen we nagaan of er verschillen zijn tussen man en vrouw (geslacht), nationaliteit (Belgen en Nederlanders), diagnose (CVS of CVS+FM) en al dan niet in een hulpgroep zitten (geen, een of meerdere). Vervolgens willen we nagaan of het volgen van ontwikkelingen een invloed heeft op de voorkeur van benaming. Er wordt ook gekeken of er een verband is tussen de mate van informatie/steun/erkenning die internet biedt en de mate van gepercipieerde betrouwbaarheid van CVS-sites.
2) Gepercipieerd begrip ------------------------
In welke mate voelen CVS-patienten zich begrepen door hun huisarts? Zijn ze al veranderd van huisarts wegens onbegrip? In welke mate ondervinden ze begrip van hun familie en omgeving? Op dit vlak willen we eveneens nagaan of er verschillen zijn tussen geslacht, nationaliteit, diagnose en al dan niet in een hulpgroep zitten. Verder willen we onderzoeken of er een verband is tussen gepercipieerd begrip en het totaal aantal behandelingen/behandelaars.
3) Behandeling ---------------
Welke alternatieven en hulpverleners hebben CVS-patienten uitgeprobeerd, hoe evalueren ze die en welke zouden ze al dan niet willen proberen? Zijn er daaromtrent verschillen tussen geslacht, nationaliteit, diagnose en al dan niet in een hulpgroep zitten? Is er een verschil met betrekking tot het totaal aantal alternatieven en hulpverleners en geslacht, nationaliteit, diagnose en niet/wel in een hulpgroep zitten.
4) Ziektetheorie -----------------
Hoe zien CVS-patienten hun ziekte? Als CVS voor hen niet louter lichamelijk is, welke rol spelen psychische factoren dan? Wat is de 'ideale' CVS-behandeling en bij welke CVS-deskundige sluit hun visie op CVS het beste aan? Welke benaming voor hun aandoening verkiezen zij? Zijn er op dit vlak verschillen tussen geslacht, nationaliteit, diagnose of al dan niet in een hulpgroep zitten?
In een eerste luik wordt dit nagegaan voor de internetgroep (INT-groep) en in een tweede luik voor de groep van het referentiecentrum (R-groep). Ten derde wordt nagegaan of er op deze vlakken verschillen zijn tussen de groep die vaak tot zeer vaak online de ontwikkelingen in CVS-onderzoek volgt en de groep die dit nooit of zelden doet.
Hoofdstuk 2. Methode ---------------------
1. Deelnemers --------------
De CVS-patienten werden op twee verschillende manieren gecontacteerd. Een groep werd aangesproken via het internet (web-survey) en een andere groep meer rechtstreeks via het referentiecentrum te Gasthuisberg en Pellenberg. In totaal werder er 741 vragenlijsten ingevuld. De eerste groep, met name de internetgroep, vulde 664 vragenlijsten in, waarvan 10 personen bij wie de diagnose nog niet medisch was gesteld en dus niet in de analyses werden betrokken. Ook de 61 personen die enkel de diagnose fibromyalgie aanduidden (9%), werden niet in de analyses betrokken (zie tabel 8a). In totaal werden er dus 593 vragenlijsten van deze eerste groep gebruikt. Opvallend in deze eerste groep op vlak van diagnose is dat de Belgische deelnemers bijna even vaak de diagnose CVS (50.5%) als de diagnose CVS en fibromyalgie (49.5%) hebben, terwijl de dubbele diagnose in Nederland minder frequent is (78.6% CVS tegenover 21.4% CVS+FM). De verdeling op vlak van geslacht kwam wel ongeveer overeen: in Belgie was de man-vrouw verhouding 20.6 procent mannen tegenover 79.4 procent vrouwen en in Nederland 13.5 procent mannen tegenover 86.5 procent vrouwen. In de totale internetproefgroep was dit 16 procent mannen versus 84 procent vrouwen. Ongeveer 23 procent van de Belgische mannen en 45 procent van de vrouwen zat in een hulpgroep. Hiervan zaten 4 procent in meerdere hulpgroepen. Van de Nederlandse CVS-patienten was 15.7 procent van de mannen lid van een hulpgroep en 9.8 procent van meerdere, terwijl dit bij de vrouwen respectievelijk 19.8 procent en 1.2 procent was. Om de anonimiteit extra te garanderen werd er geen leeftijd van deze proefgroep gevraagd.
Tabel 8a Aantal ingevulde vragenlijsten via internet per nationaliteit, geslacht en diagnose ----------------------------------------------------------------------------- Nationaliteit CVS CVS+FM FM Totaal Mannen Vrouwen Mannen Vrouwen Mannen Vrouwen ----------------------------------------------------------------------------- Belgen 29 79 15 91 2 18 234 Nederlanders 47 251 4 77 3 38 420 Totaal 76 330 19 168 5 56 654 -----------------------------------------------------------------------------
Tabel 8b Aantal ingevulde vragenlijsten via referentiecentrum per nationaliteit, geslacht en diagnose ----------------------------------------------------------------------------- Nationaliteit CVS CVS+FM Totaal Mannen Vrouwen Mannen Vrouwen ----------------------------------------------------------------------------- Belgen 3 29 6 37 75 Nederlanders - - - 2 2 Totaal 3 29 6 39 77 -----------------------------------------------------------------------------
In het UZ Gasthuisberg en Pellenberg vulden 77 CVS-patienten de vragenlijst in (zie tabel 8b). Omdat beide groepen officieel de diagnose CVS of CVS en FM hebben gekregen en zich engageren voor een behandeling in het CVS-referentiecentrum UZ Leuven, zullen we deze twee groepen in de verdere analyses samen nemen onder de naam 'referentiecentrumgroep' of RC-groep. Omdat de verhouding tussen Belgen en Nederlanders in deze groep zo ongelijk verdeeld is, zullen we in deze analyses geen onderscheid maken tussen nationaliteiten. De deelnemers in deze groep hebben iets vaker de dubbele diagnose CVS+FM (58.4%) dan enkel de diagnose CVS (41.6%).
De verhouding man-vrouw was hier 11.7 procent tegenover 88.3 procent. De gemiddelde leeftijd van de mannen was 42 jaar (SD=8.75) en varieerde van 30 tot 53 jaar; bij de vrouwen was de gemiddelde leeftijd 39 jaar (SD= 7.98) en varieerde tussen 20 en 64. In deze groep was 31 procent lid van een hulpgroep (waarvan 96% vrouwen).
In totaal gaat het dus om een proefgroep van 670 deelnemers: 593 van de internetgroep en 77 van de RC-groep.
2. Meetinstrument ------------------
Om het internetgebruik, gepercipieerd begrip, behandeling en ziektetheorie te exploreren, werd er een vragenlijst opgesteld (zie bijlage 1 en 2) die de volgende onafhankelijke variabelen omvatte: welke nationaliteit heeft men (Belg/Nederlander/Andere), welk geslacht (man/vrouw), welke diagnose (CVS en/of FM), zit men in een hulpgroep (neen/ja/meerdere) en welke leeftijd heeft men (enkel bij RC-groep). De afhankelijke variabelen waren de volgende:
Internetgebruik. ----------------
Deze variabele omvatte de volgende onderverdelingen: ten eerste internetfrequentie (5-puntenschaal van nooit tot heel vaak), ten tweede de mate waarin men de ontwikkelingen in CVS-onderzoek online volgt (5-puntenschaal van nooit tot heel vaak), ten derde favoriete CVS-site (open vraag), ten vierde de mate waarin het internet informatie, steun en erkenning biedt (4-puntenschaal van geen tot veel), ten vijfde de mate van tevredenheid over de betrouwbaarheid van CVS-sites (5-puntenschaal van nooit tot altijd), ten zesde de mate van internetcontact met CVS-patienten (5-puntenschaal van nooit tot heel vaak), ten zevende de mate van ontmoeting van CVS-patienten na internetcontact (5-puntenschaal van nooit tot heel vaak) en ten achtste de mate waarin men chat (5-puntenschaal van nooit tot heel vaak).
Gepercipieerd begrip. ---------------------
Deze variabele was opgesplitst in het begrip dat men van de huisarts ondervindt (6-puntenschaal van nooit tot altijd), de vraag of men al veranderd is van huisarts wegens onbegrip (neen/ja, een keer/ja, meerdere keren), de mate van begrip van familie en omgeving (6-puntenschaal van nooit tot altijd).
Behandeling. ------------
Dit houdt het volgende in: ten eerste het soort alternatieven dat men al geprobeerd heeft en de evaluatie van al dan niet geprobeerde alternatieven (zeker niet, neen, misschien, ja, zeker wel) en ten tweede het soort hulpverleners dat men opgezocht heeft. Bij de RC-groep is er eveneens een evaluatie van deze hulpverleners (heel slecht, slecht, zowel positief als negatief, goed, heel goed).
Ziektetheorie. --------------
Deze variabele bestaat uit de volgende vragen: ten eerste of CVS louter lichamelijk is (ja/neen/weet niet), ten tweede welke rol psychische factoren spelen (gevolg/oorzaak/beide), ten derde wat de 'ideale' behandeling is (louter lichamelijk/louter psychisch/beide), ten vierde bij welke visie van een deskundige ze het meest aansluiten (Prof. Van Houdenhove/ Prof. De Meirleir/ Beide/ Neutraal/ Andere) en ten vijfde werd er gevraagd naar hun voorkeur van benaming voor CVS (myalgische encefalomyelitis/ myalgische encefalopathie/ CVS/ neuro-endocrino-immuno-dysfunctie syndroom/ chronisch neuro-endocrino-immuno-dysfunctie syndroom).
Er werd ook gepeild naar de mening over het referentiecentrum (open vraag) en men had ook de kans om eventuele opmerkingen te geven, maar deze vragen werden niet in de analyses betrokken.
Deze vragenlijst werd afgenomen onder twee vormen: ten eerste via een websurvey (op het internet) en ten tweede op de traditionele manier (pen en papier-vragenlijst). Verschillende studies zijn de validititeit van websurveys nagegaan door de resultaten van studies die gedaan werden op het web te vergelijken met identieke studies in de 'echte wereld'. Ze lijken aan te geven dat de validiteit en betrouwbaarheid van online verkregen data vergelijkbaar zijn met data verkregen op de klassieke wijze (Best, Krueger, Hubbard & Smith, 2001; Buchanan & Smith, 1999; Joinson, 1999; Krantz, Ballard & Scher, 1997; Nathanson & Reinert, 1999; Pettit, 2002).
Er zijn zowel voor- als nadelen aan websurveys. Heerwegh (2001) geeft het volgende aan als voordeel: de hoge snelheid; lage kosten; het is niet mogelijk om meer dan een antwoordmogelijkheid van een antwoordschaal te selecteren door radio-buttons; de respondent kan geen wijzingen aan het bronbestand (de vragenijst) aanbrengen en data kunnen volledig automatisch bijgeschreven worden in een dataset. De auteur wijst op een vijftal tekortkomingen: a) Dekkingsfouten: internetgebruikers niet representatief voor totale populatie b) Steekproeffouten: vormen echter geen grotere bedreiging dan bij andere vormen van surveys c) Non-respons: omwille van gebrekkige computerkennis of frustratie omwille van het afdwingen van antwoorden of een slecht vragenlijstdesign d) Meetfouten: als vragen zich op een verschillende manier presenteren naargelang de instellingen van de computer van de gebruiker e) Zelfselectie: aangezien personen niet rechtstreeks gevraagd wordt de vragenlijst in te vullen.
Volgens Dillman, Tortora en Bowker (1998) moet een websurvey aan een tweetal criteria voldoen. Vooreerst moet een websurvey gebruiksvriendelijk zijn, waarbij wordt rekening gehouden met hoe respondenten verwachten dat een vragenlijst werkt en hoe de computer functioneert. Vervolgens moet iedereen met een minimale uitrusting (soft- en hardware) de vragenlijst kunnen ontvangen en invullen.
3. Werkwijze -------------
Om de websurvey te testen op zijn gebruiksvriendelijkheid werd een vooronderzoek (22 vragenlijsten) gedaan in juni 2002 op http://www.formdesk.nl/Etten/internetvragenlijst. Hierna werd de vragenlijst op het adres http://www.me-platform.vuurwerk.nl/formulieren/me-formulier.html geplaatst van juli 2002 tot maart 2003. De vragenlijst werd ook gelinkt op een aantal sites zoals http://www.me-cvs.in.nl, http://me.pagina.nl en http://www.cvs-limburg.yucom.be. Er waren ook aankondigingen op de discussieplatformen van me-platform en cvsvlaanderen. De vragenlijst in zijn klassieke vorm werd aangeboden aan CVS-patienten in het UZ Gasthuisberg en UZ Pellenberg. Dit onderzoek liep van september 2002 tot februari 2003.
Hoofdstuk 3. Resultaten ------------------------
De analyses werden uitgevoerd in SPSS for Windows (versie 7.5). Er werden ondermeer t-toetsen uitgevoerd om de verschillen tussen geslacht, nationaliteit en diagnose na te gaan, (one way anova) F- toetsen en post-hoc contrasttoetsen om de verschillen met betrekking tot het al dan niet lid zijn van of een of meerdere hulpgroep(en) na te gaan, chi-kwadraat-toetsen om verschillen op vlak van behandeling en ziektetheorie na te gaan. Verder werden er bivariate correlaties berekend tussen ondermeer betrouwbaarheid van CVS-sites, informatie, steun en erkenning van internet. Dit hoofdstuk wordt opgedeeld in drie grote luiken namelijk de resultaten van de internetgroep, van de referentiecentrumgroep en van de vergelijking tussen de groep die vaak tot heel vaak CVS-ontwikkelingen online volgt en de groep die deze ontwikkelingen nooit tot zelden online volgt.
1. Resultaten internetgroep ----------------------------
De eerste vraag die we ons hier stellen is of er in de internetgroep significante verschillen zijn tussen gemiddelden op vlak van geslacht, nationaliteit, diagnose en hulpgroep inzake internetgebruik, gepercipieerd begrip, behandeling en ziektetheorie?
1.1. Internetgebruik ----------------------
Zijn er in de internetgroep significante verschillen in gemiddelden op vlak van geslacht, nationaliteit (zie tabel 9a), diagnose en al dan niet in een hulpgroep zitten (zie tabel 9b) inzake internetgebruik (frequentie, online volgen van ontwikkelingen, informatie, steun, erkenning, betrouwbaarheid, contact, ontmoeting en chatten)? We zijn tot de volgende vaststellingen gekomen:
Internetfrequentie. -------------------
De internetgroep gebruikt het internet gemiddeld genomen vaak (M=3.35), dit wil zeggen wekelijks. Toch stellen we vast dat mannen significant iets vaker surfen dan vrouwen (t(157.080) = 2.569, p < .05). Uit een post-hoc contrastanalyse blijkt daarenboven dat er een significant verschil is tussen degenen die niet in een hulpgroep en degenen die in meerdere hulpgroepen zitten (F(2, 590) =2.855, p < .05).
Volgen ontwikkelingen. ----------------------
Gemiddeld gezien volgt de internetgroep soms (M=2.16), dit is maandelijks, online de laatste ontwikkelingen in CVS-onderzoek. Mannen doen dit significant vaker dan vrouwen (t(591) = 2.674, p < .01), alsook Belgen in vergelijking met Nederlanders (t(414.779) = 3.449, p < .01) en personen met dubbele diagnose in vergelijking met individuen die enkel de CVS-diagnose hebben (t(334.506) = -3.648, p < .01). Uit de paarsgewijze analyse blijkt verder dat er een significant verschil is tussen de drie groepen onderling (F(2, 590) = 16.777, p < .01) met name dat degenen die in meerdere hulpgroepen zitten significant vaker ontwikkelingen online volgen dan degenen die in een of geen hulpgroep zitten. Tevens is er ook een significant verschil tussen degenen die in een en geen hulpgroep zitten.
Informatie. -----------
Het internet biedt gemiddeld genomen voldoende (M=2.06) informatie voor de internetgroep. Uit paarsgewijze analyse blijkt verder dat voor personen die lid zijn van meerdere hulpgroepen het internet significant meer informatie biedt dan voor personen die lid zijn van een of geen hulpgroep (F(2, 554) = 5.211, p < .01).
Steun. ------
De internetgroep geeft gemiddeld aan dat het internet hen onvoldoende (M=1.46) steun biedt. We stellen vast dat degenen die in een hulpgroep zitten significant meer steun ondervinden dan degenen die niet in een hulpgroep zitten (F(2, 550) = 8.160, p < .01).
Erkenning. ----------
Gemiddeld genomen menen CVS-patienten van de internetgroep dat het internet hen voldoende (M=1.78) erkenning biedt. Als we dit nader bekijken, zien we dat vrouwen significant meer erkenning ondervinden dan mannen (t(111.384) = -2.413, p < .05), Nederlanders meer dan Belgen (t(348.971) = -3.512, p < .01) en het internet biedt ook significant meer erkenning voor degenen die in een hulpgroep zitten in vergelijking met degenen die niet in een hulpgroep zitten (t(396) = 2.852, p < .05).
===========================================================================
Tabel 9a Vergelijking van gemiddelden van internetgroep op vlak van geslacht en nationaliteit inzake internetgebruik
Tabel 9b Vergelijking van gemiddelden van internetgroep op vlak van diagnose en hulpgroep inzake internetgebruik
Tabel 10
Deze 3 zijn niet in deze textversie te tonen, het betreft hier een staafdiagram.
============================================================================
Tevredenheid betrouwbaarheid. -----------------------------
Het grootste deel van de internetgroep (50.2%) vindt CVS-sites meestal betrouwbaar, terwijl ook een tamelijk grote groep (40.5%) aangeeft dat CVS-sites soms betrouwbaar zijn. Voor 3.4 procent is dit nooit of zelden het geval, terwijl volgens 3.9 procent de CVS-sites altijd betrouwbaar zijn. Er worden geen significante verschillen gevonden op vlak van geslacht, nationaliteit, diagnose of hulpgroep.
Contact andere CVS-patienten. -----------------------------
De internetgroep heeft gemiddeld genomen zelden (M=1.07) contact met andere CVS-patienten via het internet. Als we dit nader bekijken op vlak van diagnose zien we dat individuen met de dubbele diagnose CVS+FM significant vaker contact hebben met andere CVS-patienten dan personen met enkel de CVS-diagnose (t(576) = -3.723, p < .01). Daarenboven blijkt na paarsgewijze analyse dat degenen in meerdere hulpgroepen significant vaker contact hebben in vergelijking met degenen die in een of geen hulpgroep zitten. Er is ook een significant verschil tussen de gemiddelden van degenen die in een of geen hulpgroep zitten (F(2, 575) = 31.555, p < .01).
Ontmoeting. -----------
De internetgroep ontmoet gemiddeld gezien nooit (0.41) andere CVS-patienten. Mannen lijken dit net iets vaker te doen dan vrouwen, maar dit blijkt niet significant te zijn. Personen met de dubbele diagnose ontmoeten toch significant vaker andere CVS-patienten die ze via het internet ontmoet hebben (t(300.769) = -2.128, p < .05). CVS-patienten die lid zijn van meerdere hulpgroepen ontmoeten significant vaker andere CVS-patienten die ze via het internet ontmoet hebben in vergelijking met personen die geen lid van een hulpgroep zijn. Er is ook een significant verschil in gemiddelden tussen personen die niet en in een hulpgroep zitten (F(2, 573) = 12.770, p < .01).
Chatten. --------
De internetgroep chat gemiddeld zelden (M=1.04). In vergelijking met vrouwen chatten mannen nog significant minder (t(151.689) = -3.016, p < .01).
Favoriete site. ---------------
De meest populaire sites van de internetgroep zijn achtereenvolgens: me.pagina.nl (26.4%), www.me-stichtingnederland.nl (13.7%), www.me-platform.vuurwerk.nl (10.6%), www.me-cvs.in.nl (9.3%) en groups.msn.com/CVSMEforum (5.3%).
Er werden ook enkele bivariate correlaties berekend om na te gaan of er een verband is tussen de aangegeven mate van betrouwbaarheid van CVS-sites en de mate waarin men informatie, steun en erkenning van het internet ondervindt. Er werd gevonden dat hoe betrouwbaarder men de CVS-sites vindt, hoe meer informatie (r = .349, p < .01), steun (r = .253, p < .01) en erkenning (r = .315, p < .01) het internet biedt voor hen (en andersom). De onderlinge correlaties zijn respectievelijk .391, (p < .01) tussen informatie en steun, .353 (p < .01) tussen informatie en erkenning en .470 (p < .01) tussen steun en erkenning. Logischerwijs vonden we ook een verband tussen internetfrequentie en het volgen van CVS-ontwikkelingen online (r = .252, p < .01).
1.2. Gepercipieerd begrip -------------------------
Zijn er in de internetgroep significante verschillen in gemiddelden op vlak van geslacht, nationaliteit, diagnose en al dan niet in een hulpgroep zitten inzake gepercipieerd begrip (huisarts, verandering huisarts, familie en omgeving)?
Tabel 10 geeft de resultaten van de vergelijking van de gemiddelden tussen mannen en vrouwen, Belgen en Nederlanders, CVS- en CVS + FM-patienten, en tussen patienten die in geen, een of meerdere hulpgroepen zitten weer wat betreft gepercipieerd begrip. Hierbij kan men tot de volgende vaststellingen komen:
Huisarts. ---------
De CVS-patienten van de internetgroep geven gemiddeld genomen aan dat ze soms (M=2.41) begrip van de huisarts ondervinden. Ongeveer een op vier geeft aan heel vaak tot altijd begrip te ondervinden terwijl dit voor een op drie zelden tot nooit het geval is. Belgen zouden significant meer begrip ondervinden dan Nederlanders (t(438.382) = 2.375, p < .05), alsook personen met de dubbele diagnose tegenover CVS-patienten met de enkele diagnose (t(587) = -3.402, p < .01).
Verandering huisarts. ---------------------
De internetgroep zegt gemiddeld niet van huisarts te veranderen wegens onbegrip (M=0.35). Voor 21.4 procent is dit wel het geval en 6.3 procent geeft aan zelfs meerdere keren veranderd te zijn van huisarts wegens onbegrip. Mannen veranderen nog significant minder van huisarts dan vrouwen (t(126.310) = -2.627, p < .01) en Nederlanders minder dan Belgen (t(373.250) = 2.934, p < .05). Verder zien we dat in vergelijking met de niet-hulpgroeppatienten degenen die in een hulpgroep zitten significant vaker veranderen en degenen in meerdere hulpgroepen ook (F(2, 585) = 4.873, p < .01).
Familie. --------
Gemiddeld genomen ondervindt de internetgroep vaak (M=2.68) begrip van de familie, waarbij vrouwen significant meer dan mannen (t(591) = -2.135, p < .05) en Nederlanders significant meer dan Belgen (t(591) = -3.739, p < .01). Bijna een op drie (29.6%) vindt dat hij heel vaak tot altijd op begrip van de familie kan rekenen, terwijl bijna een op vijf (18.7%) zelden tot nooit begrip van de familie ondervindt.
Omgeving. ---------
De internetgroep ondervindt gemiddeld soms (M=1.95) begrip van de omgeving. Toch is er 34 procent die aangeeft nooit of zelden omgevingsbegrip te percipieren, terwijl dit slechts voor 9 procent heel vaak of altijd het geval is. Ook op dit gebied blijken Nederlanders significant meer begrip dan Belgen te ondervinden (t(586) = -5.34, p < .01).
Verder worden de volgende verbanden gevonden: .127 (p < .01) tussen verandering huisarts en hulpgroep, -.111 (p < .01) tussen de mate van begrip van de huisarts en onbegrip van huisarts, .135 (p < .01) tussen de mate van begrip van de huisarts en aantal hulpverleners, .199 (p < .01) tussen de mate van begrip van de huisarts en de mate van begrip van familie, .166 (p < .01) tussen de mate van begrip van de huisarts en de mate van begrip van omgeving en .429 (p < .01) tussen de mate van begrip van familie en mate van begrip van omgeving.
1.3. Behandeling ------------------
Zijn er in de internetgroep significante verschillen in gemiddelden op vlak van geslacht, nationaliteit, diagnose en al dan niet in een hulpgroep zitten inzake behandeling (aantal alternatieven en hulpverleners)?
Tabel 11 Vergelijking van gemiddelden van internetgroep op vlak van geslacht, nationaliteit, diagnose en hulpgroep inzake behandeling ----------------------------------------------------------------------------- Behandeling N M SD t/F-waarde p-waarde ----------------------------------------------------------------------------- Geslacht -som alternatieven man 95 3.24 3.25 -0.310 .757 vrouw 498 3.34 2.71 -som hulpverleners man 95 4.98 2.44 0.538 .591 vrouw 498 4.85 2.09 ----------------------------------------------------------------------------- Nationaliteit
-som alternatieven Belg 214 3.88 3.13 3.459 .001 Nederlander 379 3.01 2.54 -som hulpverleners Belg 214 5.56 2.34 5.704 .000 Nederlander 379 4.48 1.93 ----------------------------------------------------------------------------- Diagnose
-som alternatieven CVS 406 2.97 2.60 -4.672 .000 CVS+FM 187 4.10 3.06 -som hulpverleners CVS 406 4.40 2.01 -8.356 .000 CVS+FM 187 5.90 2.08 ----------------------------------------------------------------------------- Hulpgroep
-som alternatieven neen 425 3.18 2.71 2.366 .095 ja 151 3.64 3.01 meerdere 17 4.18 2.79 -som hulpverleners neen 425 4.65 2.21 8.612 .000 ja 151 5.39 1.90 meerdere 17 5.82 1.59 -----------------------------------------------------------------------------
Tabel 11 geeft de resultaten van de vergelijking van de gemiddelden tussen mannen en vrouwen, Belgen en Nederlanders, CVS- en CVS+ FM-patienten, en tussen patienten die in geen, een of meerdere hulpgroepen zitten weer wat betreft behandeling. Hierbij kan men tot de volgende vaststellingen komen:
Som alternatieven. ------------------
Gemiddeld genomen probeert de internetgroep drie (M=3.32) alternatieven uit. Er worden geen significante verschillen gevonden op vlak van geslacht, maar wel op vlak van nationaliteit en diagnose. Belgen proberen gemiddeld 4 en Nederlanders gemiddeld 3 alternatieven uit (t(371.766) = 3.459, p < .01). Personen met een dubbele diagnose proberen ook een significant groter aantal alternatieven uit (t(313.436) = -4.672, p < .01).
Som hulpverleners. ------------------
Er worden door de internetgroep gemiddeld genomen vijf (M=4.87) hulpverleners bezocht. Ook hier worden er geen significante verschillen gevonden op vlak van geslacht. Wel significant is dat Belgen gemiddeld meer hulpverleners opzoeken dan Nederlanders (t(377.211) = 5.704, p < .01), alsook de individuen met de dubbele diagnose in vergelijking met de personen met enkel de CVS-diagnose (t(591) = -8.365, p < .01). Uit post-hoc analyses blijken er ook significante verschillen op vlak van hulpgroep namelijk personen die geen lid zijn van een hulpgroep zien significant minder hulpverleners in vergelijking met de groep die in een hulpgroep zit en in meerdere hulpgroep zitten (F(2, 590) = 8.612, p < .01).
Wat zijn nu de meest 'populaire' behandelingen en testen (zie tabel 12)? ------------------------------------------------------------------------
Uit de gegevens blijkt dat meer dan de helft (54.5%) van de CVS-patienten homeopatische middelen geprobeerd heeft. De tweede meest aangewendde behandeling is een algemeen dieet (36.8%). Ten derde probeert men in ongeveer 31 procent van de gevallen acupunctuur en magnesiumpillen uit. Als vijfde probeert ongeveer 28 procent een antibiotica-kuur. Op een zesde en zevende plaats komen manuele therapie (25.1%) en ontgiftigingsdieet (23.9%). Hierna volgt cognitieve gedragstherapie met 23.4 procent van de CVS-patienten. Gemiddeld 12.5 procent van de onderzochte populatie heeft de RnaseL-test gedaan en op een tiende plaats vinden we de cryptotetanietest die 7.25 procent van de CVS-patienten heeft ondergaan.
Over nationaliteit heen zien we op vlak van geslacht dat mannen procentueel gezien gemiddeld meer testen uitproberen (maar dit is niet significant): cryptotetanietest (12% tegenover 6.4%), FASTest (4.2% tegenover 1.8%), PCR-test (4.2% tegenover 2.8%) en RnaseL-test (16% tegenover 12%). Wel significant is dat mannen meer de ampligen-kuur uitproberen (6.32% tegenover 1.41%, X2 (1)=8.971, p < .01) dan vrouwen. Vrouwen proberen dan weer significant meer homeopathische middelen (56% tegenover 44%, X2 (14)=4.8, p < .05).
Over geslacht heen zien we op vlak van nationaliteit dat Belgen meer testen laten uitvoeren zoals de cryptotetanietest (17.8% tegenover 1.3%, X2 (1)=54.949, p < .01), FASTest (4.7% tegenover 0.8%, X2 (1)=9.609, p < .01), PCR-test (7.6% tegenover 0.5%, X2 (1)=22.439, p < .01) en RnaseL-test (29.9% tegenover 2.6%, X2 (1)=93.114, p < .01). Belgen proberen ook significant vaker de acclydine-kuur (6.1% tegenover 2.6%, X2 (1)=4.332, p < .05) en lymfedrainage (12.1% tegenover 5.8%, X2 (1)=7.401, p < .01) in vergelijking met Nederlanders. Nog grotere verschillen vinden we op vlak van de magnesiumpillen (47.7% tegenover 21.4%, X2 (1)=44.310, p < .01).) en magnesiumbaxters (15% tegenover 1.8%, X2 (1)=38.238, p < .01).). Verder merken we ook dat Belgen significant meer opteren voor een antibiotica-kuur (34.1% tegenover 24%, X2 (1)=6.976, p < .01) en manuele therapie (34.1% tegenover 20.1%, X2 (1)=14.370, p < .01). Nederlanders proberen gemiddeld genomen dan weer vaker acupunctuur uit (34% tegenover 25.7%, X2 (1)=4.441, p < .05).
Tabel 12 Percentages CVS-patienten van internetgroep opgesplits per geslacht en nationaliteit die de behandeling of test geprobeerd hebben ----------------------------------------------------------------------------- Behandeling/test Belgen Nederlanders Totaal gemiddelde Mannen Vrouwen Mannen Vrouwen ----------------------------------------------------------------------------- Acupunctuur 25.00 25.88 39.22 33.23 31.00 Acclydine-kuur 9.09 5.29 1.96 2.74 3.88 Algemeen dieet 36.36 30.59 29.41 41.16 36.80 Ampligen-kuur 11.36 1.76 1.96 1.22 2.19 Antibiotica-kuur 31.82 34.71 19.61 24.70 27.70 Biopunctuur 6.82 1.76 1.96 1.83 2.19 Cognitieve gedrags- therapie 22.73 18.24 27.45 25.61 23.40 Cryptotetanietest 22.73 16.47 1.96 1.22 7.25 FASTest 4.55 4.71 3.92 0.30 2.19 Homeopatische middelen 45.45 50.00 43.14 59.76 54.50 Lymfedrainage 11.36 12.35 5.88 5.79 8.09 Magnesiumpillen 38.64 50.00 9.80 23.17 30.90 Magnesiumbaxters 18.18 14.12 - 2.13 6.58 Manuele therapie 36.36 33.53 5.88 22.26 25.10 Nosoden 2.27 4.12 7.84 2.74 3.54 Ontgiftigings- dieet 20.45 23.53 29.41 23.78 23.90 Ozontherapie 2.27 8.82 5.88 4.27 5.56 PCR-test 6.82 7.65 1.96 0.30 3.04 RnaseL-test 27.27 30.59 5.88 2.13 12.50 Spagyrisch complex 2.27 0.59 - - 0.34 -----------------------------------------------------------------------------
Hoe worden deze alternatieven en testen (achteraf gezien) geevalueerd of hoe staat men ertegenover wanneer men ze nog niet geprobeerd heeft?
Opvallend in figuur 1 is dat de evaluatie van de geprobeerde alternatieven in alle gevallen hoger ligt dan de evaluatie van de nog niet geprobeerde alternatieven. Onder de alternatieven die men al geprobeerd heeft, krijgt de ampligen- en antibioticakuur gemiddeld de slechtste evaluatie (M=1.54 en M=1.32). Het spagyrisch complex bekomt de meest positieve evaluatie (M=3.5), maar aangezien dit slechts om twee personen gaat, kunnen hier geen conclusies uit getrokken worden. Veel CVS-patienten geven een positieve evaluatie van de cryptotetanie- en RnaseL-test (M=2.85 en M=3.06). Op vlak van geprobeerde behandeling krijgen achtereenvolgens algemeen dieet (M=2.65), manuele therapie (M=2.62), magnesiumbaxters (M=2.95), homeopathische middelen (M=2.58) en magnesiumpillen (M=2.49) gemiddeld genomen de meest positieve evaluatie.
In veel gevallen is er een significant verschil in gemiddelden tussen de groep die het alternatief of de test wel en de groep die het alternatief of de test niet geprobeerd heeft. Dit is het geval voor acupunctuur (p < .01), algemeen dieet (p < .01), cognitieve gedragstherapie (p < .05), cryptotetanietest (p < .01), homeopathische middelen (p < .01), magnesiumpillen (p < .01), magnesiumbaxters (p < .01), ontgiftigingsdieet (p < .01), ozontherapie (p < .05) en RnaseL-test (p < .01).
Figuur 1. Evaluatie van al dan niet geprobeerde alternatieven door CVS-patienten van de internetgroep.
[ Figuur niet als textbestand te tonen ]
De volgende vraag die we ons stelden was welke hulpverleners vaak werden opgezocht (zie tabel 13)?
Tabel 13 Percentages CVS-patienten van internetgroep opgesplitst per geslacht en nationaliteit inzake hulpverlener ---------------------------------------------------------------------------- Hulpverleners Belgen Nederlanders Totaal gemiddelde Mannen Vrouwen Mannen Vrouwen ---------------------------------------------------------------------------- Homeopaat 47.73 54.12 49.02 61.89 57.50 Huisarts 97.73 98.82 100.00 97.87 98.30 Immunoloog 27.27 14.12 3.92 4.27 8.77 Internist 68.18 57.65 88.24 100.00 69.30 Kinesitherapeut 68.18 68.24 7.84 14.63 33.40 Neuroloog 65.91 47.06 37.25 38.41 42.80 Orthomoleculaire arts 15.91 30.00 19.61 28.05 27.00 Osteopaat 45.45 44.12 9.80 8.54 21.60 Psychiater 59.09 47.06 31.37 19.82 31.50 Psycholoog 45.45 52.35 49.02 54.88 53.00 Sofroloog 6.82 1.76 1.96 0.30 1.35 Ergotherapeut 18.18 12.94 3.92 12.20 12.10 Internettherapeut - 0.59 - 1.22 0.84 ----------------------------------------------------------------------------
Het grootste deel van de CVS-patienten (98.3%) is al, zoals te verwachten, naar een huisarts geweest. Bijna 70 procent gaat ook naar een internist. Iets meer dan de helft bezoekt een homeopaat (58%) en een psycholoog (53%). Op de vijfde plaats staat de neuroloog (42.8%). Hierna volgen de kinesitherapeut (33.4%), de psychiater (31.5%), de orthomoleculaire arts (27%), de osteopaat (21.6%) en de ergotherapeut (12.1%). Als we naar de verschillen tussen de geslachten per nationaliteit kijken, valt op dat Belgische mannelijke CVS-patienten meer dan vrouwen naar de internist gaan (68% tegenover 57.5%), de neuroloog (66% tegenover 47%), de psychiater (59% tegenover 47%) en de immunoloog (27% tegenover 14%). Belgische vrouwelijk CVS-patienten lijken dan weer bijna dubbel zo vaak naar de orthomoleculaire arts te gaan (30% tegenover 16%). In de onderzochte Nederlandse populatie zien we dat meer vrouwen naar de internist gaan (100% tegenover 88%) en de homeopaat (62% tegenover 49%).
Over nationaliteit heen gaan vrouwelijke CVS-patienten in vergelijking met mannelijke CVS-patienten significant vaker naar de orthomoleculaire arts (29% tegenover 18%, X2 (1)=4.741, p < .05), terwijl mannen significant vaker naar de immunoloog (15% tegenover 7.63%, X2 (1)=5.036, p < .05), de internist (79% tegenover 67%, X2 (1)=4.941, p < .05), de psychiater (44% tegenover 29%, X2 (1)=8.419, p < .01) en de sofroloog (4.21% tegenover 0.8%, X2 (1)=6.960, p < .01) gaan.
Over geslacht heen bezoeken Belgische CVS-patienten vaker de immunoloog (17% tegenover 4.22%, X2 (1)=27.146, p < .01), de osteopaat (44% tegenover 8.71%, X2 (1)=102.902, p < .01), de neuroloog (51.5% tegenover 38%, X2 (1)=8.975, p < .01), de psychiater (50% tegenover 21%, X2 (1)=50.237, p < .01), de sofroloog (2.8% tegenover 0.53% ,X2 (1)=5.324, p < .05) en de kinesitherapeut (68% tegenover 14%, X2 (1)=182.685, p < .01) in vergelijking met de Nederlandse CVS-patienten. Dit laatste kan grotendeels te wijten zijn aan het verschil in benaming omdat de term fysiotherapeut een meer gangbare benaming is voor kinesitherapeut. Nederlandse CVS-patienten zijn dan weer sneller geneigd om naar een internist te gaan (75% tegenover 60%, X2 (1)=14.193, p < .01).
Verder stelden we vast dat er (logischerwijs) een verband is tussen de som van alternatieven en de som van de hulpverleners namelijk r =.534 (p < .01). Dus hoe meer meer alternatieven men heeft geprobeerd, hoe meer hulpverleners men heeft opgezocht (en andersom).
1.4. Ziektetheorie --------------------
Hoe bekijken CVS-patienten hun aandoening? Beschouwen ze het als een lichamelijke aandoening waarbij psychische factoren enkel een rol spelen als gevolg? Wat is volgens hen de 'ideale' behandeling, naar welke CVS-deskundige gaat hun voorkeur uit en welke benaming vinden ze het meest gepast voor hun aandoening?
Tabel 14 Ziektetheorie in percentages van internetgroep opgesplitst per geslacht en nationaliteit ----------------------------------------------------------------------------- Ziektetheorie Belgen Nederlanders Totaal (N=193) (N=235) gemiddelde Mannen Vrouwen Mannen Vrouwen ----------------------------------------------------------------------------- CVS lichamelijk neen 44 54 53 47 49.3 ja 40 24 27 35 31.4 weet niet 16 22 20 18 19.3 ----------------------------------------------------------------------------- Psychische factoren gevolg 67 43 51.3 54 51.2 oorzaak 4 4 5.4 3 3.6 beide 29 53 43.3 43 45.2 Ideale behandeling louter lichamelijk 27.5 27.7 37.5 27.3 28.3 louter psychisch - 0.6 - 0.4 0.3 beide 72.5 71.1 62.5 72.3 71.3 geen mening - 0.6 - - 0.1 CVS visie Prof. Van Houdenhove 17 11 3 1.5 6.5 Prof. De Meirleir 31 38 22 12.5 24.1 beide 5 9 6 2.5 5.4 andere 10 4 14 14 10.3 neutraal 36 38 55 67 52.6 weet niet - - - 2.5 1.2 Benaming ME(myelitis)7.4 13 16.5 23 18.4 ME(pathie) 2.4 4.5 12.5 5 5.4 CVS 63.4 55.2 61 55 56.4 NEIDS 2.4 5.8 2 3 3.6 CNDS 24.4 21.5 8 14 16.3 -----------------------------------------------------------------------------
Tabel 14 geeft de resultaten weer van de percentages per geslacht en nationaliteit op vlak van ziektetheorie. Hierbij kan men tot de volgende vaststellingen komen:
CVS lichamelijk. ----------------
Volgens het grootste deel (49.3%) van de Belgische en Nederlandse CVS-patienten is CVS niet louter lichamelijk. Toch is dit volgens 40 procent van de Belgische mannen en 35 procent van de Nederlandse vrouwen wel het geval.
Psychische factoren. --------------------
Volgens het grootste deel van de onderzochte CVS-populatie (51%) spelen psychische factoren een rol als gevolg. Vijfenveertig procent geeft aan dat psychische factoren zowel een rol kunnen spelen als oorzaak en gevolg.
Ideale behandeling. -------------------
Voor ongeveer 71 procent is de ideale behandeling zowel lichamelijk als psychisch. De andere 29 procent pleit voor een louter lichamelijke behandeling.
CVS visie. ----------
Ongeveer de helft van de onderzochte CVS-populatie blijft neutraal bij deze vraag. Zes en een half procent geeft aan dat hun visie het beste aansluit bij de CVS-deskundige Professor Van Houdenhove, terwijl 24 procent aangeeft eerder aan te sluiten bij de visie van Professor De Meirleir. Tien procent geeft andere deskundigen op zoals dr. Lambrechts of dr. Moorkens (CVS-referentiecentrum UZ Gent en UZ Antwerpen). Het grootste deel (52.6%) verkiest neutraal te blijven bij deze vraag. Uit Chi-kwadraattoetsen bleek er een significant verschil in percentages te zijn tussen Belgen en Nederlanders (X2 (5)=73.277, p < .01).
Benaming. ---------
Meer dan de helft van de internetgroep (56.4%) kiest voor de meest gangbare term met name 'CVS'. Hierna gaat de voorkeur uit naar 'M.E.' of myalgische encefalomyelitis (18.4%) of 'CNDS' of chronisch neuro-endocrino-immuno- dysfunctie syndroom (16.3%). Ook hier vinden we na een Chi-kwadraattoets en significant verschil in percentages tussen Belgen en Nederlanders (X2 (4)=16.196, p < .01).
Verder vragen we ons af of het soort diagnose een invloed heeft op de ziektetheorie. Procentueel gezien zijn er geen noemenswaardige verschillen tussen patienten met de enkele of dubbele diagnose op vlak van ziektetheorie. Op vlak van benaming echter wel (zie tabel ): personen met de enkele diagnose kiezen in 61 procent van de gevallen voor de term CVS, terwijl personen met de dubbele diagnose hiervoor in 46 procent van de gevallen voor kiezen. Deze laatsten verkiezen iets vaker (22%) de term CNDS in vergelijking met personen met enkel de CVS-diagnose (14%).
Tabel 15 Percentages van internetgroep opgesplitst per diagnose inzake benaming --------------------------------------------------------------------------- Benaming Diagnose (N=559) CVS CVS+FM ----------------------------------------------------------------------------- ME(myelitis) 17 20 ME(pathie) 5 6 CVS 61 46 NEIDS 3 6 CNDS 14 22 -----------------------------------------------------------------------------
Ten laatste vragen we ons ook af of al dan niet in een hulpgroep zitten invloed heeft op de ziektetheorie met name op de mening over het feit dat CVS al dan niet lichamelijk is of beide, welke rol psychische factoren hierbij spelen, wat de ideale behandeling dan is en op de voorkeur voor benaming van de aandoening (zie tabel 16)?
Tabel 16 Ziektetheorie in percentages van internetgroep opgesplitst in al dan niet in hulpgroep zitten ----------------------------------------------------------------------------- Ziektetheorie hulpgroep neen ja meerdere ----------------------------------------------------------------------------- CVS lichamelijk neen 49 48 65 (N=590) ja 31 34 17.5 weet niet 20 18 17.5 -----------------------------------------------------------------------------
Psychische gevolg 50 56 47 factoren oorzaak 4 2 - (N=363) beide 46 42 53 ----------------------------------------------------------------------------- Ideale louter 28 29.5 31 behandeling lichamelijk (N=576) louter 0.5 - - psychisch beide 71.5 70.5 69 ----------------------------------------------------------------------------- Benaming ME(myelitis)18 18.5 29.5 (N=559) ME(pathie) 5 4 17.5 CVS 60 49 41 NEIDS 2 7 6 CNDS 15 21.5 6 -----------------------------------------------------------------------------
Uit deze gegevens kunnen we het volgende besluiten:
CVS lichamelijk. ----------------
Procentueel gezien is er een groter deel van de CVS-patienten die in meerdere hulpgroepen zitten volgens wie CVS niet louter lichamelijk is (65% tegenover 49-48%).
Psychische factoren. --------------------
Procentueel gezien zijn er geen grote verschillen tussen personen die niet, in een of meerdere hulpgroepen zitten op vlak van de rol van psychische factoren bij CVS.
Ideale behandeling. -------------------
Het vorige geldt ook voor de ideale behandeling, het grootste deel benadruk dat zowel lichamelijke als psychische aspecten een plaats moeten krijgen in de behandeling.
Benaming. ---------
Wat de voorkeur van de benaming voor het CVS betreft, zien we duidelijke verschillen, met name zij die in meerdere hulpgroepen zitten kiezen procentueel gezien vaker voor de termen 'myalgische encefalomyelitis/pathie' dan degenen die niet (29.5% tegenover 18%, 17.5 % tegenover 5%) of in een hulpgroep zitten (29.5% tegenover 18.5%, 17.5% tegenover 4%). Zij die niet in hulpgroep zitten kiezen in 60 procent van de gevallen voor de gangbare term CVS, terwijl degenen in een hulpgroep er in de helft van de gevallen voor kiest en zij die in meerdere slechts in 40 procent van de gevallen.
2. Resultaten referentiecentrumgroep -------------------------------------
De vraag die we ons hier stellen is of er in de referentiecentrumgroep significante verschillen zijn tussen gemiddelden op vlak van geslacht, diagnose en hulpgroep inzake internetgebruik, gepercipieerd begrip, behandeling en ziektetheorie?
2.1. Internetgebruik ----------------------
Zijn er in de referentiecentrumgroep significante verschillen in gemiddelden op vlak van geslacht, diagnose en al dan niet in een hulpgroep zitten inzake internetgebruik (frequentie, online volgen van ontwikkelingen, informatie, steun, erkenning, betrouwbaarheid, contact, ontmoeting en chatten)?
Tabel 17 geeft de resultaten van de vergelijking van de gemiddelden tussen mannen en vrouwen, CVS- en CVS+ FM-patienten, en tussen patienten die in geen of een hulpgroep zitten weer wat betreft internetgebruik. Hierbij kan men tot de volgende vaststellingen komen.
Internetfrequentie. -------------------
De RC-groep gebruikt het internet gemiddeld genomen soms (M=1.58), dit wil maandelijks. We stellen vast dat mannen significant iets vaker surfen dan vrouwen (t(75) = 2.378, p < .05). Meer dan de helft gebruikt het internet nooit (42.1%) of zelden (14.5), terwijl 14.5 procent zegt het internet vaak te gebruiken en voor 21.1 procent is dit heel vaak het geval.
Volgen ontwikkelingen. ----------------------
Gemiddeld gezien volgt de internetgroep zelden (M=0.74) online de laatste ontwikkelingen in CVS-onderzoek. Het grootste deel (67.1%) volgt de ontwikkelingen nooit tegenover 11.8 procent die dit vaak of heel vaak doet.
Informatie. -----------
Het internet biedt gemiddeld genomen voldoende (M=1.63) informatie voor de RC-groep. Voor mannen lijkt het internet meer informatie te bieden dan voor vrouwen, maar dit verschil is niet significant.
Steun. ------
De RC-groep geeft gemiddeld aan dat het internet hen onvoldoende (M=1.03) steun biedt. We stellen vast dat voor 41.2 procent het internet helemaal geen steun biedt, terwijl het internet voor slechts 5.9 procent veel steun biedt.
Erkenning. ----------
Gemiddeld genomen menen CVS-patienten van de internetgroep dat het internet hen onvoldoende (M=1.21) erkenning biedt, voor 33.3 procent is dit geen en voor 9.1 procent veel erkenning.
Tevredenheid betrouwbaarheid. -----------------------------
Het grootste deel van de RC-groep (34.3%) vindt CVS-sites meestal (M=1.71) betrouwbaar, terwijl een iets kleinere groep (28.6%) aangeeft dat CVS-sites meestal of altijd betrouwbaar zijn. Voor 37.2 procent is dit nooit (22.9%) of zelden (14.3%) het geval. Er worden geen significante verschillen gevonden op vlak van geslacht, nationaliteit, diagnose of hulpgroep.
Contact andere CVS-patienten. -----------------------------
De internetgroep heeft gemiddeld genomen nooit (M=0.41) contact met andere CVS-patienten via het internet. Als we dit nader bekijken op vlak van geslacht zien we dat vrouwen significant vaker contact hebben met andere CVS-patienten dan mannen (t(34) = -3.180, p < .01). Bijna 14.5% heeft soms en bijna 2.5% heeft heel vaak contact met andere CVS-patienten via het internet.
Tabel 17 [ Niet als text te tonen ]
Ontmoeting. -----------
De RC-groep ontmoet gemiddeld gezien nooit (M=0.27) andere CVS-patienten. Vrouwen lijken dit net iets vaker te doen dan mannen (t(34) = -2.588, p < .05) en 12.2% geeft aan toch andere CVS-patienten van het internet te ontmoeten.
Chatten. --------
De RC-groep chat gemiddeld nooit (M=0.39), dit is 78% van de CVS-patienten. Chatten doet 12.2% soms en 2.4% vaak.
Favoriete site. ---------------
De meest genoemde sites van de RC-groep waren achtereenvolgens: www.anamkara.org (28.6%), www.fibromyalgie.nu (14.3%), www.pilliewillie.nl (14.3%), www.medeweten.yucom.be (14.3% ) en www.healthyawareness.com (14.3%).
2.2. Gepercipieerd begrip ---------------------------
Zijn er in de groep van het referentiecentrum significante verschillen in gemiddelden (zie tabel 18) op vlak van geslacht, diagnose en al dan niet in een hulpgroep zitten inzake gepercipieerd begrip (huisarts, verandering huisarts, familie en omgeving)? Op basis van deze gegevens kunnen we tot de volgende vaststellingen komen:
Huisarts. ---------
De CVS-patienten van de RC-groep geven gemiddeld genomen aan dat ze vaak (M=3.32) begrip van de huisarts ondervinden. Bijna 8 procent zegt zelden of nooit begrip te ondervinden van hun huisarts. Een even groot deel (namelijk 30%) zegt soms en altijd begrip van de arts te ondervinden.
Verandering huisarts. ---------------------
De RC-groep zegt gemiddeld niet van huisarts te veranderen wegens onbegrip (M=0.39). Meer dan 20 procent zegt eenmaal en bijna 10 procent zegt al meerdere keren veranderd te zijn van huisarts wegens onbegrip.
Familie. --------
Gemiddeld genomen ondervindt de RC-groep vaak (M=2.68) begrip van de familie. Voor 38.7 procent van de CVS-patienten uit deze groep is dit soms het geval en voor 14.7 procent zelden of nooit. Twaalf procent van deze populatie geeft aan altijd begrip van de familie te ervaren.
Omgeving. ---------
De RC-groep ondervindt gemiddeld soms (M=2.03) begrip van de omgeving. Slechts 2.7 procent ondervindt altijd begrip van de omgeving tegenover 30.6 die dit nooit of zelden ervaren.
Tabel 18 Vergelijking van gemiddelden van RC-groep opgesplitst per geslacht, diagnose en hulpgroep inzake gepercipieerd begrip ----------------------------------------------------------------------------- Gepercipieerd begrip N M SD t-waarde p-waarde ----------------------------------------------------------------------------- Geslacht
-huisarts (0-5) man 9 3.33 1.66 -0.009 .992 vrouw 68 3.34 1.43
(0=nooit, 1=zelden, 2=soms, 3=vaak, 4=heel vaak, 5=altijd) ----------------------------------------------------------------------------- -verandering huisarts (0-2) man 9 0.44 0.53 0.267 .790 vrouw 68 0.38 0.67
(0=neen, 1=ja,een keer, 2=ja, meerdere keren) ----------------------------------------------------------------------------- -familie (0-5) man 9 2.33 0.87 -0.842 .403 vrouw 67 2.72 1.32
(0=nooit, 1=zelden, 2=soms, 3=vaak, 4=heel vaak, 5=altijd) ----------------------------------------------------------------------------- -omgeving (0-5) man 9 2.11 0.93 0.246 .806 vrouw 67 2.01 1.32
(0=nooit, 1=zelden, 2=soms, 3=vaak, 4=heel vaak, 5=altijd) -----------------------------------------------------------------------------
Diagnose
-huisarts (0-5) CVS 32 3.31 1.67 -0.122 .903 CVS+FM 45 3.36 1.28
(0=nooit, 1=zelden, 2=soms, 3=vaak, 4=heel vaak, 5=altijd) ----------------------------------------------------------------------------- -verandering huisarts (0-2) CVS 32 0.25 0.57 -1.656 .102 CVS+FM 45 0.49 0.69
(0=neen, 1=ja,een keer, 2=ja, meerdere keren) ----------------------------------------------------------------------------- -familie (0-5) CVS 32 2.59 1.39 -0.447 .656 CVS+FM 44 2.73 1.21
(0=nooit, 1=zelden, 2=soms, 3=vaak, 4=heel vaak, 5=altijd) ----------------------------------------------------------------------------- -omgeving (0-5) CVS 32 2.13 1.24 0.644 .522 CVS+FM 44 1.95 0.99
(0=nooit, 1=zelden, 2=soms, 3=vaak, 4=heel vaak, 5=altijd) -----------------------------------------------------------------------------
Hulpgroep
-huisarts (0-5) neen 53 3.49 1.44 1.386 .170 ja 24 3.00 1.44
(0=nooit, 1=zelden, 2=soms, 3=vaak, 4=heel vaak, 5=altijd) ----------------------------------------------------------------------------- -verandering huisarts (0-2) neen 53 0.30 0.57 -1.591 .121 ja 24 0.58 0.78
(0=neen, 1=ja,een keer, 2=ja, meerdere keren) ----------------------------------------------------------------------------- -familie (0-5) neen 53 2.57 1.26 -1.088 .280 ja 23 2.91 1.31
(0=nooit, 1=zelden, 2=soms, 3=vaak, 4=heel vaak, 5=altijd) ----------------------------------------------------------------------------- -omgeving (0-5) neen 53 2.02 1.17 -0.089 .929 ja 23 2.04 0.93
(0=nooit, 1=zelden, 2=soms, 3=vaak, 4=heel vaak, 5=altijd) -----------------------------------------------------------------------------
2.3. Behandeling ------------------
Zijn er in de referentiecentrumgroep significante verschillen in gemiddelden op vlak van geslacht, diagnose en al dan niet in een hulpgroep zitten inzake behandeling (totaal aantal alternatieven en hulpverleners)? Tabel 19 geeft de resultaten van de vergelijking van de gemiddelden tussen mannen en vrouwen, CVS- en CVS+ FM-patienten, en tussen patienten die in geen of een hulpgroep zitten weer wat betreft totaal aantal alternatieven en hulpverleners. Hierbij kan men tot de volgende vaststellingen komen:
Som alternatieven. ------------------ Gemiddeld genomen probeert de RC-groep drie a vier (M=3.42) alternatieven uit. Er worden geen significante verschillen gevonden op vlak van geslacht, maar wel op vlak van al dan niet in hulpgroep zitten, namelijk degenen die wel in een hulpgroep zitten hebben gemiddeld meer verschillende alternatieven uitgeprobeerd (t(30.066) = -2.842, p < .01).
Som hulpverleners. ------------------
Er worden door de RC-groep gemiddeld genomen vier a vijf (M=4.66) hulpverleners bezocht. Ook hier worden er geen significante verschillen gevonden op vlak van geslacht, wel op vlak van diagnose. Degenen met de enkele diagnose CVS zien significant meer hulpverleners in vergelijking met personen die de dubbele diagnose hebben (t(75) = -2.080, p <.05).
Tabel 19 Vergelijking van gemiddelden van RC-groep opgesplitst per geslacht, diagnose en hulpgroep inzake totaal aantal behandelingen en hulpverleners ----------------------------------------------------------------------------- Behandeling N M SD t-waarde p-waarde ----------------------------------------------------------------------------- Geslacht -som alternatieven man 9 2.56 2.35 -1.055 .295 vrouw 68 3.54 2.67 -som hulpverleners man 9 4.00 2.29 -1.152 .253 vrouw 68 4.75 1.77 ----------------------------------------------------------------------------- Diagnose -som alternatieven CVS 32 3.81 3.28 1.076 .285 CVS+FM 45 3.16 2.08 -som hulpverleners CVS 32 4.16 1.74 -2.080 .041 CVS+FM 45 5.02 0.84 ----------------------------------------------------------------------------- Hulpgroep -som alternatieven neen 53 2.77 1.94 -2.842 .008 ja 24 4.88 3.38 -som hulpverleners neen 53 4.45 1.86 -1.497 .139 ja 24 5.13 1.75 -----------------------------------------------------------------------------
Wat zijn nu de meest 'populaire' behandelingen en testen (zie tabel 20) voor de referentiecentrum-groep?
Tabel 20 Percentages CVS-patienten van RC-groep opgesplitst per geslacht die de behandeling of test geprobeerd hebben ----------------------------------------------------------------------------- Behandeling/test Mannen Vrouwen Totaal gemiddelde ----------------------------------------------------------------------------- Acupunctuur 22.22 23.53 23.38 Acclydine-kuur - 5.88 5.19 Algemeen dieet 22.22 23.53 23.38 Ampligen-kuur - - - Antibiotica-kuur 22.22 17.65 18.18 Biopunctuur - - - Cognitieve gedragstherapie 11.11 35.29 33.77 Cryptotetanietest - 7.35 6.49 FASTest - - - Homeopatische middelen 44.44 50.00 49.35 Lymfedrainage - 14.71 12.99 Magnesiumpillen 55.56 64.71 63.64 Magnesiumbaxters - 13.24 11.69 Manuele therapie 22.22 33.82 32.47 Nosoden - 2.94 2.60 Ontgiftigingsdieet 33.33 13.24 15.58 Ozontherapie 11.11 5.88 6.49 PCR-test 11.11 5.88 6.49 RnaseL-test 11.11 14.71 14.29 Spagyrisch complex - 2.94 2.60 -----------------------------------------------------------------------------
Uit de gegevens blijkt dat meer 63.64 procent van de CVS-patienten magnesiumpillen heeft uitgeprobeerd. De tweede meest aangewendde behandeling zijn homeopatische middelen voor ongeveer de helft van de ondervraagde populatie (49.35%). Ten derde probeert men in ongeveer 34 procent van de gevallen cognitieve gedragstherapie uit. Op een vierde plaats komt manuele therapie (32.42%) en hierna acupunctuur en een algemeen dieet (beide in 23.38% van de gevallen). Procentueel gezien valt op dat mannen vaker dan vrouwen een ontgiftigingsdieet ondernemen (33.33% tegenover 13.24%), terwijl vrouwen sneller geneigd zijn cognitieve gedragstherapie (35.29% tegenover 11.11%), lymfedrainage (14.71% tegenover 0%) en magnesiumbaxters (13.24% tegenover 0%) te proberen. Er werden hier geen Chi-kwadraattoetsen uitgevoerd omdat de groep mannen in deze groep slechts negen bedroeg.
Hoe worden deze alternatieven en testen (achteraf gezien) geevalueerd of hoe staat men ertegenover wanneer men het nog niet geprobeerd heeft?
In figuur 2 werden enkel de alternatieven opgenomen die door minstens tien personen uitgeprobeerd waren. Ook in deze figuur zien we dat de evaluatie van een geprobeerd alternatief in alle gevallen hoger ligt dan de evaluatie van een nog niet geprobeerd alternatief. Van de geprobeerde alternatieven krijgt het algemeen dieet (M=3.44) de meest positieve evaluatie, gevolgd door manuele therapie (M=3.13) en cognitieve gedragstherapie (M=3.08). De antibiotica-kuur wordt het slechtst geevalueerd door de RC-groep (M=1.17).
In enkele gevallen is er een significant verschil in gemiddelden tussen de groep die het alternatief wel en de groep die het alternatief niet geprobeerd heeft. Dit is het geval voor algemeen dieet (p < .01), antibiotica-kuur (p < .05), homeopathische middelen (p < .01) en manuele therapie (p < .01).
Figuur 2. Evaluatie van al dan niet geprobeerde alternatieven door CVS-patienten van de RC-groep.
[Figuur niet te tonen als txt.]
De volgende vraag die we ons stellen is welke hulpverleners vaak worden opgezocht (zie tabel 21)?
Tabel 21 Percentages CVS-patienten van RC-groep opgesplitst per geslacht inzake hulpverlener en gemiddelde evaluatie per hulpverlener ----------------------------------------------------------------------------- Hulpverleners Mannen Vrouwen M Totaal M Evaluatie ----------------------------------------------------------------------------- Homeopaat 33.33 39.71 39 2.50 Huisarts 89.89 98.53 97 2.85 Immunoloog 11.11 7.35 7.8 2.17 Internist 55.56 50 51 2.46 Kinesitherapeut 66.67 75 74 2.89 Neuroloog 11.11 36.76 34 2.42 Orthomoleculaire arts 11.11 4.41 5.2 2.75 Osteopaat 33.33 44.12 43 2.67 Psychiater 55.56 55.88 56 2.47 Psycholoog 33.33 51.47 49 2.89 Sofroloog - 4.41 3.9 3.33 Ergotherapeut - 5.88 5.2 3 Internettherapeut - 1.47 1.3 3 -----------------------------------------------------------------------------
De meest opgezochte hulpverlener is hier uiteraard weer de huisarts (97%). Op een tweede plaats komt de kinesitherapeut in 74 procent van de gevallen. Meer dan de helft ziet ook een psychiater (56%) en de helft ook een internist (51%). Op een vijfde plaats staat de psycholoog (49%). Procentueel gezien vindt men het grootste verschil tussen man en vrouw op vlak van de neuroloog en psycholoog. Bijna 37 procent van de vrouwen gaat naar de neuroloog terwijl dit bij de mannen maar 11 procent is en een op twee vrouwen gaat naar de psycholoog terwijl dit bij de mannen een op drie is.
De RC-groep , in tegenstelling tot de internetgroep, werd ook gevraagd de bezochte hulpverleners te evalueren. Gemiddeld genomen heeft men de beste ervaring (dit is goed) met de sofroloog (M=3.33), de ergotherapeut en internettherapeut (M=3). De ervaring met de immunoloog scoort het laagst (M=2.17, dit is zowel positief als negatief).
2.4. Ziektetheorie -------------------
Hoe bekijken CVS-patienten hun aandoening? Beschouwen ze het louter als een lichamelijke aandoening of spelen psychische factoren ook een rol? Wat is voor hen de 'ideale' behandeling, bij welke CVS-deskundige vinden ze het meest aansluiting en naar welke benaming voor CVS gaat hun voorkeur uit?
Tabel 22 Ziektetheorie in percentages van RC-groep opgesplitst per geslacht ----------------------------------------------------------------------------- Ziektetheorie Mannen Vrouwen Totaal gemiddelde ----------------------------------------------------------------------------- CVS lichamelijk neen 55.6 60.3 59.7 ja 11.1 17.6 16.9 weet niet 33.3 22.1 23.4 Psychische gevolg 42.9 18.4 21.4 factoren oorzaak 14.3 8.2 8.9 beide 42.9 73.5 69.6 Ideale behandeling louter lichamelijk 11.1 12.5 12.3 louter psychisch - - - beide 88.9 87.5 87.7 geen mening - - - CVS visie Prof. Van Houdenhove 77.8 57.4 59.7 Prof. De Meirleir - 2.9 2.6 beide - 5.9 5.2 andere - 1.5 1.3 neutraal 22.2 30.9 29.9 weet niet 1.5 1.3 Benaming ME (myelitis) - 3.2 2.9 ME(pathie) - 1.6 1.4 CVS 71.4 61.3 62.3 NEIDS - 12.9 11.6 CNDS 28.6 21.0 21.7 -----------------------------------------------------------------------------
Vanuit de gegevens van tabel 22 kunnen we het volgende stellen:
CVS lichamelijk. ----------------
Volgens meer dan de helft (59.7%) van de CVS-patienten van het referentiecentrum is CVS niet louter lichamelijk. Slechts 11.1 procent van de mannen en 17.6 procent van de vrouwen stelt dat het chronisch vermoeidheidssyndroom volgens hen louter lichamelijk is.
Psychische factoren. --------------------
Volgens het grootste deel van de onderzochte CVS-populatie (69.6%) spelen psychische factoren zowel een rol als oorzaak als als gevolg. Voor 21.4 procent is dit enkel als gevolg.
Ideale behandeling. -------------------
Voor 87.7 procent is de ideale behandeling zowel lichamelijk als psychisch. De andere 12.3 procent pleit voor een louter lichamelijke behandeling.
CVS visie. ----------
Het grootste deel (59.7%) geeft aan dat hun visie het beste aansluit bij de CVS-deskundige Professor Van Houdenhove. Ongeveer 30 procent blijft neutraal bij deze vraag.
Benaming. ---------
Meer dan 60 procent verkiest de gangbare term 'CVS' of chronisch vermoeidheids-syndroom. Op een tweede plaats (21.7%) komt de term 'CNDS' of chronisch neuro-endocrino-immuno-dysfunctie syndroom.
De laatste vraag die we hier stellen is of diagnose en al dan niet in een hulpgroep zitten invloed heeft op de ziektetheorie in de RC-groep?
Tabel 23 Ziektetheorie in percentages van RC-groep opgesplitst per diagnose en hulpgroep ----------------------------------------------------------------------------- Ziektetheorie diagnose hulpgroep CVS CVS+FM neen ja ----------------------------------------------------------------------------- CVS lichamelijk neen 50 66.7 66 45.8 ja 15.6 17.8 11.3 29.2 weet niet 34.4 15.5 22.7 25 Psychische factoren gevolg 22.7 20.6 19.5 26.7 oorzaak 4.6 11.8 9.8 6.6 beide 72.7 67.6 70.7 66.7 Ideale behandeling louter lichamelijk 13.8 11.4 7.7 23.8 louter psychisch - - - - beide 86.2 88.6 92.3 76.2 geen mening - - - - CVS visie Prof. Van Houdenhove 53.2 64.4 60.4 58.3 Prof. De Meirleir - 4.4 - 8.3 beide 3.1 6.7 7.5 - andere 3.1 - - 4.2 neutraal 37.5 24.5 32.1 25 weet niet 3.1 - - 4.2 Benaming ME(myelitis)3.4 2.5 2 5 ME(pathie) - 2.5 - 5 CVS 62.2 62.5 61.3 65 NEIDS 17.2 7.5 6.1 25 CNDS 17.2 25 30.6 - -----------------------------------------------------------------------------
Uit Chi-kwadraat toetsen blijkt dat er geen significante verschillen zijn tussen de diagnose CVS of CVS en FM wat betreft percentages inzake ziektetheorie. Wel significant is het verschil in benaming tussen het al dan niet in een hulpgroep zitten (X2 (4)=13.399, p < .01).
3. Resultaten met betrekking tot het online volgen van ontwikkelingen in CVS-onderzoek ----------------------------------------------------------------------
De vraag die we ons hier stellen is of CVS-patienten die vaak of heel vaak de ontwikkelingen in CVS-onderzoek online volgen verschillen in gemiddelden tegenover degenen die dit nooit of zelden doen op vlak van internetgebruik, gepercipieerd begrip, behandeling en ziektetheorie.
In de volledige groep (N=670) is er 14 procent (N=94) die de CVS-ontwikkelingen nooit en 13.6 procent (N=91) die deze ontwikkelingen zelden online volgt. Ongeveer 40 procent (N=269) doet dit soms, terwijl 22.8 procent (N=153) dit vaak en 9.4 procent (N=63) dit heel vaak doet. Voor de volgende analyses worden de groep die nooit of zelden de ontwikkelingen online volgen (N=185) en de groep die dit vaak of heel vaak doet (N=216).
3.1. Internetgebruik --------------------
Zijn er significante verschillen in gemiddelden tussen de groep die nooit of zelden online de ontwikkelingen in CVS-onderzoek volgt (N/Z-groep) en de groep die dit vaak of heel vaak doet (V/HV-groep) op vlak van internetgebruik?
Tabel 24 Vergelijking van gemiddelden tussen N/Z-groep en V/HV-groep inzake internetgebruik ----------------------------------------------------------------------------- Internetgebruik Volgen N M SD t-waarde p-waarde ontwikkelingen ----------------------------------------------------------------------------- -frequentie (0-4) nooit/zelden 185 2.37 1.52 -9.926 .000 vaak/heel vaak 216 3.55 0.60 (0=nooit, 1=zelden, 2=soms, 3=vaak, 4=heel vaak)
-informatie (0-3) nooit/zelden 121 1.19 0.82 -4.044 .000 vaak/heel vaak 208 1.63 0.74 (0=geen, 1=onvoldoende, 2=voldoende, 3=veel)
-steun (0-3) nooit/zelden 118 1.58 1.06 -3.836 .000 vaak/heel vaak 206 1.84 0.90 (0=geen, 1=onvoldoende,2=voldoende, 3=veel)
-erkenning (0-3) nooit/zelden 123 2.25 1.00 -2.357 .019 vaak/heel vaak 213 2.71 0.82 (0=geen, 1=onvoldoende, 2=voldoende, 3=veel)
-tevr.h. betrouwbh. (0-4) nooit/zelden 137 0.61 0.89 -5.100 .000 vaak/heel vaak 216 1.35 0.57 (0=nooit, 1=zelden, 2=soms, 3=meestal, 4=altijd)
-contact CVS-patienten (0-4) nooit/zelden 135 0.26 1.09 -5.541 .000 vaak/heel vaak 216 0.54 1.39 (0=nooit, 1=zelden, 2=soms, 3=vaak,4=heel vaak)
-ontmoeting (0-4) nooit/zelden 137 0.92 0.71 -3.000 .003 vaak/heel vaak 215 1.04 1.02 (0=nooit, 1=zelden, 2=soms, 3=vaak, 4=heel vaak)
-chatten (0-4) nooit/zelden 137 0.92 1.35 -0.869 .385 vaak/heel vaak 215 1.04 1.25 (0=nooit, 1=zelden, 2=soms, 3=vaak, 4=heel vaak) -----------------------------------------------------------------------------
Tabel 24 geeft een overzicht van deze verschillen en op basis hiervan kunnen we het volgende stellen:
De groep die vaak/heel vaak online de ontwikkelingen in CVS-onderzoek volgt, frequenteert het internet significant vaker dan de groep dit nooit/zelden doet (t(232.652) = -9,926, p < .01). Het internet biedt deze eerste groep ook significant meer informatie (t(332) = -4.044, p < .01), steun (t(218.895)= -3.836, p < .01) en erkenning (t(207.131)= -2.357, p < .05). Verder is de vaak/heel vaak groep significant meer tevreden over de betrouwbaarheid van CVS-sites (t(181.371) = -5.100, p < .01) en hebben ze meer contact (maar nog steeds zelden) met andere CVS-patienten online (t(335.875) = -5.541, p < .01) en daarbuiten (t( 344.736) = -3.000, p < .01). Chatten is een bezigheid waarin de beide groepen niet significant verschillen; het wordt zelden gedaan.
3.2. Gepercipieerd begrip -------------------------
Zijn er significante verschillen in gemiddelden tussen de groep die nooit of zelden online de ontwikkelingen in CVS-onderzoek en de groep die dit vaak of heel vaak doet op vlak van gepercipieerd gebruik? Op basis van de gegevens in tabel 25 kunnen we het volgende stellen:
Beide groepen ondervinden gemiddeld genomen vaak begrip van hun huisarts en zoeken er geen andere op. Van de omgeving ondervinden ze soms begrip, terwijl de groep die vaak/heel vaak online de ontwikkelingen in CVS-onderzoek volgt significant meer begrip lijkt te ondervinden van de familie dan de groep die nooit/zelden de ontwikkelingen online volgt (t(398) = -2.286, p < .05).
Tabel 25 Vergelijking van gemiddelden tussen N/Z-groep en V/HV-groep inzake gepercipieerd begrip ----------------------------------------------------------------------------- Gepercipieerd begrip Volgen N M SD t-waarde p-waarde ontwikkelingen ----------------------------------------------------------------------------- -huisarts (0-5) nooit/zelden 182 2.65 1.55 -0.890 .374 vaak/heel vaak 215 2.79 1.62 (0=nooit, 1=zelden, 2=soms, 3=vaak, 4=heel vaak, 5=altijd)
-verandering huisarts (0-2) nooit/zelden 184 0.30 0.54 -0.858 .392 vaak/heel vaak 215 0.35 0.61 (0=neen, 1=ja,een keer, 2=ja, meerdere keren)
-familie (0-5) nooit/zelden 184 2.43 1.33 -2.286 .023 vaak/heel vaak 216 2.75 1.37 (0=nooit, 1=zelden, 2=soms, 3=vaak, 4=heel vaak, 5=altijd)
-omgeving (0-5) nooit/zelden 182 1.85 1.12 -0.959 .338 vaak/heel vaak 215 1.95 1.10 (0=nooit, 1=zelden, 2=soms, 3=vaak, 4=heel vaak, 5=altijd) -----------------------------------------------------------------------------
3.3. Behandeling ----------------
Zijn er significante verschillen in gemiddelden tussen de groep die nooit of zelden online de ontwikkelingen in CVS-onderzoek en de groep die dit vaak of heel vaak doet op vlak van behandeling? Op basis van tabel 26 kunnen we het volgende stellen:
De CVS-patienten die de ontwikkelingen in CVS-onderzoek vaak/heel vaak online volgen lijken gemiddeld genomen iets meer alternatieven uit te proberen dan de groep die nooit/zelden de ontwikkelingen online volgen, maar dit verschil is niet significant. Deze eerste groep bezoekt wel significant meer hulpverleners (t(399) = -3.057, p < .01).
Tabel 26 Vergelijking van gemiddelden tussen N/Z-groep en V/HV-groep inzake behandeling ----------------------------------------------------------------------------- Behandeling Volgen N M SD t-waarde p-waarde ontwikkelingen ----------------------------------------------------------------------------- -som alternatieven nooit/zelden 185 2.98 2.39 -1.880 .061 vaak/heel vaak 216 3.49 2.96 -som hulpverleners nooit/zelden 185 4.51 2.07 -3.057 .002 vaak/heel vaak 216 5.15 2.07 -----------------------------------------------------------------------------
Wanneer we nu meer inhoudelijk kijken naar het soort alternatieven of testen die beide groepen uitproberen, blijken het volgende: de vaak/heel vaak groep probeert significant vaker acupunctuur (X2(1)=4.086, p < .05), een antibiotica-kuur (X2(1)=11.620, p < .01), de cryptotetanietest (X2(1)=5.411, p < .05) en de RnaseL-test (X2(1)=11.214, p < .01).
De volgende vraag die we ons nu stellen is hoe de verschillende alternatieven en testen (achteraf gezien) geevalueerd worden of hoe men ertegenover staat wanneer men ze nog niet geprobeerd heeft. Zijn hier verschillen in gemiddelden tussen de groep die nooit of zelden online ontwikkelingen in CVS-onderzoek volgt en de groep die dit vaak of heel vaak doet? Net als in de vorige analyses in verband met geevalueerde alternatieven, zien we dat de gemiddelde evaluatie van een geprobeerd alternatief of test in alle gevallen hoger ligt dan wanneer men het nog niet uitgeprobeerd heeft. Ondanks er in de groep van de nog niet geprobeerde alternatieven of testen weinig significante verschillen zijn in gemiddelden tussen de nooit/zelden groep en de vaak/heel vaak groep, behalve op vlak van magnesiumpillen (respectievelijk M=1.85 en M=2.27, t(85) = -1.995, p < .05) en RnaseL-test (respectievelijk M=1.82 en M=2.35, t(85) = -1.995, p < .05), kan er vermeld worden dat de vaak/heel vaak groep toch een iets gunstigere evaluatie geeft (behalve op vlak van biopunctuur, cognitieve gedragstherapie en ozontherapie).
Wanneer we nu kijken naar de evaluatie van de geprobeerde alternatieven of testen zien we een significant verschil in gemiddelden tussen de nooit/zelden en vaak/heel vaak groep op vlak van cognitieve gedragstherapie (respectievelijk M=2.56 en M=1.68, t(78.712) = 2.914, p < .01). Van de geprobeerde alternatieven krijgt de lymfedrainage (M=2.93) de meest positieve evaluatie van de nooit/zelden groep, gevolgd door manuele therapie (M=2.79) en algemeen dieet (M=2.68). Voor de vaak/heel vaak groep is dit achtereenvolgens manuele therapie (M=2.87), algemeen dieet (2.81) en magnesiumbaxters (M=2.63). Beide groepen evalueren de antibiotica-kuur het slechtst (respectievelijk M=1.10 en M=1.56).
Wat betreft het bezoeken van hulpverleners, blijkt uit Chi-kwadraattoetsen dat de vaak/heel vaak groep significant vaker naar de internist (75% tegenover 55.7%, X2(1)=16.603, p < .01), de neuroloog (45.8% tegenover 33%, X2(1)=6.294, p < .05) en de orthomoleculaire arts gaat (28.2% tegenover 16.8%, X2(1)=7.434, p < .01) in vergelijking met de nooit/zelden groep.
3.4. Ziektetheorie ------------------ Zijn er significante verschillen in gemiddelden tussen de groep die nooit of zelden online de ontwikkelingen in CVS-onderzoek en de groep die dit vaak of heel vaak doet op vlak van ziektetheorie?
Tabel 27 Vergelijking van percentages van N/Z-groep en V/HEV-groep inzake ziektetheorie ----------------------------------------------------------------------------- Ziektetheorie Volgen ontwikkelingen Chi-square nooit/zelden vaak/heel vaak -----------------------------------------------------------------------------
CVS lichamelijk neen 54.1 49.9 X2(2)=5.369, p=.068 ja 25.4 36.2 weet niet 20.5 16.9 ----------------------------------------------------------------------------- Psychische factoren gevolg 35.5 53 X2(2)=9.525, p=.010 oorzaak 6.5 2.3 beide 58 44.7 ----------------------------------------------------------------------------- Ideale behandeling louter lichamelijk 16.8 36.5 X2(2)=20.712, p=.000 louter psychisch 1.1 - beide 82.1 63.5 ----------------------------------------------------------------------------- CVS visie Prof. Van Houdenhove 30.1 9.9 X2(5)=30.231, p=.000 Prof. De Meirleir 13.3 31.4 beide 2.8 5.2 andere 9.8 6.4 neutraal 42.7 45.9 weet niet 1.3 1.2 ----------------------------------------------------------------------------- Benaming ME(myelitis)10.3 16.7 X2(4)=20.535, p=.000 ME(pathie) 5.2 5.9 CVS 70.1 47.8 NEIDS 2.9 5.4 CNDS 11.5 24.2 -----------------------------------------------------------------------------
In tabel 27 zien we dat degenen die vaak/heel vaak de ontwikkelingen in CVS-onderzoek online volgen procentueel gezien vaker aangeven dat de oorzaak van CVS louter lichamelijk is in vergelijking met degenen die dit nooit/zelden doen. Een groter deel van deze eerste groep geeft dan ook aan een louter lichamelijke behandeling ideaal te vinden (36.5% tegenover 16.8%). Bovendien spelen psychische factoren volgens het grootste deel van deze groep (53%) een rol als gevolg, terwijl het grootste deel van de groep die nooit/zelden de ontwikkelingen online volgt (58%) zegt dat psychische factoren zowel als oorzaak als als gevolg kunnen spelen. Hoewel het grootste deel van de twee groepen neutraal blijft met betrekking tot de visie op CVS van deskundigen, zien we een duidelijk procentueel verschil tussen de twee groepen: degenen die vaak/heel vaak ontwikkelingen online volgen geven de voorkeur aan prof. Van Houdenhove (30.1% tegenover 9.9%), terwijl de groep die dit nooit/zelden doet een voorkeur heeft voor prof. De Meirleir (31.4% tegenover 13.3%). Verder komt procentueel gezien naar voor dat CVS-patienten die nooit of zelden online de ontwikkelingen volgen met betrekking tot het CVS-onderzoek in 70 procent van de gevallen de voorkeur geven aan de term 'chronisch vermoeidheidssyndroom', terwijl personen die vaak tot zeer vaak de ontwikkelingen volgen op het internet hier in ongeveer 48 procent van de gevallen voor kiezen. Deze laatsten verkiezen twee maal zo vaak (24%) de term 'chronisch neuro-endocrino-immuno-dysfunctie syndroom' dan de eerste groep (11%). Uit Chi-kwadraattoetsen bleken de verschillen tussen de percentages bovendien significant op vlak van psychische factoren, ideale behandeling, visie over CVS en benaming.
Hoofdstuk 4. Samenvatting en conclusie ---------------------------------------
Er bestaat heel wat controverse rond het chronisch vermoeidheidssyndroom, vooral wat betreft de etiopathogenese. Actueel gaat men er vanuit dat het CVS multifactorieel bepaald is en het best benaderd kan worden op basis van een biopsychosociaal model (Van Houdenhove, 2001), dat interacties tussen lichamelijke, psychische en sociale factoren impliceert. De definitie van CVS is operationeel, gebaseerd op het klinisch beeld en door uitsluiting van andere potentiele medische aandoeningen.
Het opzet van ons onderzoek was een exploratieve studie naar het internetgebruik, gepercipieerd begrip, behandeling, en ziektetheorie bij CVS-patienten. We onderscheidden 4 groepen: 1) CVS-patienten die een zelfopgestelde vragenlijst invulden op het internet via een websurvey (INT-groep); 2) CVS-patienten die een behandeling volgden in het CVS-referentiecentrum van het UZ Leuven, en dezelfde vragenlijst in pen- en papiervorm invulden (RC-groep); 3) CVS-patienten die nooit of zelden de ontwikkelingen in CVS-onderzoek online volgde (N/Z-groep); en 4) CVS-patienten die vaak of heel vaak deze ontwikkelingen online volgde (V/HV-groep).
Aangezien het hier ging om een exploratieve studie, formuleerden we voorafgaand geen specifieke hypothesen.
INTERNETGEBRUIK ---------------
Wanneer we het internetgebruik van CVS-patienten bekeken, stelden we (logischerwijs) vast dat de INT- en V/HV-groep het internet wekelijks frequenteerden. De RC- en N/Z-groep deden dit maar maandelijks. Hierbij moet opgemerkt worden dat overeenkomsten tussen deze twee laatste groepen grotendeels te wijten zijn aan een substantiele overlap namelijk 86 procent van de RC-groep zat in de N/Z-groep. Zowel in de INT- als RC-groep werd gevonden dat mannen significant vaker het internet gebruikten dan vrouwen, alsook CVS-patienten die in meerdere zelfhulpgroepen zaten in vergelijking met CVS-patienten die geen lid waren van een zelfhulpgroep (INT-groep). Vanzelfsprekend vonden we ook dat CVS-patienten van de N/Z-groep significant minder het internet bezochten dan de V/HV-groep.
De INT-groep volgde maandelijks online de ontwikkelingen in CVS-onderzoek, terwijl dit bij de RC-groep eerder zelden was. In de eerste groep werd gevonden dat mannen dit vaker deden, alsook Belgen en CVS-patienten die tevens de diagnose fibromyalgie hadden in vergelijking met respectievelijk vrouwen, Nederlanders en personen met enkel de CVS-diagnose. Ook het lid zijn van een of meerder zelfhulpgroepen leek een invloed te hebben op de mate waarin men deze ontwikkelingen volgde in de INT-groep, namelijk personen die geen lid van een zelfhulpgroep waren volgden significant minder de ontwikkelingen dan diegenen in een of meerdere zelfhulpgroep(en).
Het internet bood voldoende informatie voor de vier groepen. In de INT-groep was dit daarenboven meer het geval voor CVS-patienten die in meerdere hulpgroepen zaten.
Zowel voor de INT-, RC- als N/Z-groep bood het internet onvoldoende steun. Voor de V/HV-groep was dit wel voldoende. Degenen uit de INT-groep die in een zelfhulpgroep zaten, gaven ook aan meer steun te ondervinden van het internet dan personen die niet in een zelfhulpgroep zaten.
Voor de RC-groep bood het internet onvoldoende erkenning, voor de INT-, N/Z- en V/HV-groep voldoende. In de INT-groep zagen we daarenboven dat vrouwen significant meer erkenning ondervonden dan mannen, Nederlanders meer dan Belgen en diegenen in een zelfhulpgroep meer dan diegenen in geen hulpgroep.
Zoals we al merkten in de literatuur, zijn e-health gebruikers geneigd om de betrouwbaarheid van gezondheidssites te overschatten (Houston & Allison, 2002), ook op vlak van CVS (Kisely, 2001). Wat betreft de tevredenheid over de betrouwbaarheid van CVS-sites, bleken de INT- en V/HV-groep het minst kritisch aangezien 50.2 procent van de eerste en 62.9 procent van de tweede groep aangaf dat de CVS-sites meestal betrouwbaar zijn. De meeste personen in de RC- en NZ-groep waren kritischer en vonden de CVS-sites slechts soms betrouwbaar.
Wat betreft het contact met CVS-patienten via het internet, zagen we dat dit zelden (INT-, NZ- en V/HV-groep) of nooit (RC-groep) plaatsvond, waarbij in de INT-groep vaker door CVS-patienten met dubbele diagnose dan met de enkele diagnose en vaker door personen in een of meerdere hulpgroep(en) dan in geen hulpgroepen. In de RC-groep hadden vrouwen ook iets vaker contact met andere CVS-patienten dan mannen.
Logischerwijs volgde hieruit dat er dan ook nooit (INT-, RC- en N/Z-groep) of zelden (V/HV-groep) een ontmoeting plaatsvond buiten het internet. In de INT-groep onmoetten personen met de dubbele diagnose en leden van een of meer hulpgroep(en) toch significant vaker andere CVS-patienten dan personen met de enkele diagnose of personen die geen lid waren van een hulpgroep. In de RC-groep waren het de vrouwelijke CVS-patienten die significant vaker CVS-patienten ontmoetten in vergelijking met mannelijke CVS-patienten.
Ook chatten was een activiteit waar CVS-patienten zich zelden (INT-, N/Z- en V/HV-groep) of nooit (RC-groep) mee bezighielden. Vrouwen leken dit in de INT-groep wel iets meer te doen dan mannen.
Als we dit nu samenvatten per onafhankelijke variabele, komen we tot de volgende besluiten:
Geslacht. ---------
Mannen bezochten vaker het internet in vergelijking met vrouwen. Dit komt overeen met bevindingen uit de literatuur (Heerwegh, 2001). Mannen volgden ook meer de ontwikkelingen online, hoewel in de literatuur wordt aangegeven dat vrouwen meer dan mannen op zoek gaan naar gezondheidsinformatie op het internet (Fox & Rainee, 2000). Vrouwen leken dan weer meer contact met andere CVS-patienten op het internet te zoeken, onder andere door meer te chatten dan mannen, en misschien daardoor ook meer erkenning te ondervinden van het internet. Vrouwen waren ook meer geneigd dan mannen om CVS-patienten die ze ontmoet hadden via het internet daarbuiten op te zoeken.
Nationaliteit. --------------
Belgen volgden vaker de ontwikkelingen online dan Nederlanders, terwijl het internet voor Nederlanders meer erkenning leek te bieden dan voor Belgen.
Diagnose. ---------
Personen met de dubbele diagnose volgden meer de ontwikkelingen online, hadden meer internetcontact met andere CVS-patienten en ontmoetten hiervan meer personen dan personen met de enkele diagnose. Het is mogelijk dat voor personen met zowel CVS als FM de aandoening nog zwaarder doorweegt en ze hierdoor meer geinteresseerd zijn in de laatste ontwikkelingen en ze meer behoefte hebben om hun verhaal met anderen te delen.
Hulpgroep. ----------
CVS-patienten die in een of meerdere hulpgroep(en) zaten, logden vaker in op het internet en volgden meer de ontwikkelingen dan CVS-patienten die geen lid waren. Het internet leek hen ook meer informatie, steun en erkenning te bieden, waarbij ze vaker CVS-patienten van het internet ontmoetten in vergelijking met CVS- patienten die geen lid waren van een hulpgroep. We kunnen veronderstellen dat CVS-patienten die lid zijn van een hulpgroep actiever bezig zijn met hun aandoening, ook op het internet.
Volgen van ontwikkelingen. --------------------------
Zoals te verwachten gebruikte de V/HV-groep vaker het internet, ondervonden ze meer informatie, steun en erkenning ervan, vonden ze CVS-sites betrouwbaarder en hadden ze meer contact via het internet en erbuiten met CVS-patienten in vergelijking met de N/Z-groep.
BEGRIP ------
Wat betreft het gepercipieerd begrip van de huisarts, ondervond de INT-groep soms en de andere groepen vaak begrip. In deze eerste groep bleken personen met de dubbele diagnose significant meer begrip te ondervinden dan personen met enkel de CVS-diagnose en Belgen meer dan Nederlanders. Toch zagen we dat deze laatsten significant minder van huisarts veranderden wegens onbegrip. Ook mannen en personen die geen lid zijn van een hulpgroep deden dit in de INT-groep significant minder, maar over alle groepen heen veranderde men gemiddeld gezien niet van huisarts wegens onbegrip.
De INT-, RC- en V/HV-groep ondervonden vaak begrip van de familie, terwijl de N/Z-groep slechts soms begrip ondervond. In de eerste groep leken vrouwen te kunnen rekenen op significant meer familiebegrip dan mannen en Nederlanders op meer begrip dan Belgen.
Wat het begrip van de omgeving betrof, gaven alle groepen aan slechts soms begrip te ondervinden. In de INT-groep gaven de Nederlandse CVS-patienten aan ook hier meer begrip te percipieren dan Belgen.
Samengevat per onafhankelijke variabele geeft dit:
Geslacht. ---------
Mannen veranderden minder van huisarts, hoewel ze niet meer begrip dan vrouwen ondervonden. Vrouwen vonden meer dan mannen begrip te ondervinden van de familie.
Nationaliteit. --------------
Belgen gaven aan meer begrip van de huisarts te ondervinden, terwijl Nederlanders toch minder van huisarts veranderden wegens onbegrip. Nederlanders percipieerden ook meer begrip van familie en omgeving dan Belgen.
Diagnose. ---------
Personen met de CVS en FM diagnose ondervonden meer begrip van de huisarts dan personen met enkel de CVS-diagnose.
Hulpgroep. ----------
De CVS-patienten die geen lid waren van een hulpgroep veranderden minder van huisarts dan CVS-patienten die wel lid waren, terwijl beide groepen niet verschilden in mate van begrip dat ze ondervonden van de huisarts. Dit impliceert misschien dat hulpgroepen kunnen aanzetten tot het veranderen van huisarts.
Volgen van ontwikkelingen. --------------------------
De V/HV-groep percipieerden meer begrip van de familie dan de N/Z-groep.
BEHANDELING -----------
In de vier groepen hadden de CVS-patienten gemiddeld drie a vier alternatieven uitgeprobeerd. In de INT-groep bleek zowel nationaliteit als diagnose een invloed te hebben op het totaal aantal geprobeerde alternatieven namelijk Belgen en personen met de dubbele diagnose leken meer alternatieven uit te proberen dan respectievelijk Nederlanders en personen met enkel de CVS-diagnose. In de RC-groep was het al dan niet in een hulpgroep zitten, dat een invloed leek te hebben op het aantal uitgeprobeerde alternatieven namelijk degenen die lid waren van een hulpgroep probeerden significant meer alternatieven uit in vergelijking met personen die geen lid waren van een hulpgroep. De top vijf van de meest aangewende alternatieven hadden in de verschillende groepen hetvolgende gemeenschappelijk: homeopathische middelen, acupunctuur, magnesiumpillen en algemeen dieet.
In de INT-groep kwam naar voor dat mannen eerder dan vrouwen geneigd zijn de ampligen-kuur te ondernemen, terwijl vrouwen er sneller voor opteren homeopathische middelen te gebruiken. Op vlak van nationaliteit zagen we dat Belgen meer testen lieten uitvoeren, vaker de acclydine- en antibiotica-kuur, lymfedrainage, manuele therapie, magnesiumpillen en -baxters uitprobeerden, terwijl Nederlanders dan weer vaker acupunctuur ondernamen. Wat verder opviel in alle groepen was dat een alternatief of test die men geprobeerd had in alle gevallen een hogere evaluatie kreeg dan hetgeen men nog niet geprobeerd had. De oorspronkelijk negatieve attitude tegenover een alternatief, bleek positief te worden als men het alternatief uitprobeerde.
Zowel in de INT- als RC-groep kreeg de antibiotica-kuur de slechtste evaluatie, ongeacht het feit men het al dan niet geprobeerd had. De groepen hadden de meest positieve ervaring met het algemeen dieet, manuele therapie, homeopathische middelen en magnesiumpillen en -baxters. Voor de RC-groep hoorde daar ook cognitieve gedragstherapie bij en voor de N/Z-groep ook lymfedrainage. Een saillante vaststelling wat betreft cognitieve gedragstherapie was het verschil tussen de gemiddelde evaluatie van de NZ- en V/HV-groep: wanneer men zelden of nooit online ontwikkelingen in CVS-onderzoek volgde, ervoer men de cognitieve gedragstherapie als significant positiever dan wanneer men vaak of heel vaak deze ontwikkelingen volgde, vooral wanneer men het al geprobeerd had.
De onderzochte CVS-populatie gaf aan gemiddeld vier a vijf hulpverleners op te zoeken. In de INT-groep was er een invloed van nationaliteit, diagnose en hulpgroep namelijk Belgen, personen met de dubbelde diagnose (ook in RC-groep) en personen die lid zijn van een of meerdere hulpgroep(en) bezochten significant meer hulpverleners dan respectievelijk Nederlanders, personen met de enkele diagnose en personen die niet in een hulpgroep zaten. Ook het al dan niet volgen van ontwikkelingen bleek een invloed te hebben op het aantal hulpverleners namelijk de V/HV-groep bezocht significant meer hulpverleners in vergelijking met de N/Z-groep. De top vijf van de meest bezochte hulpverleners heeft in de verschillende groepen de volgende hulpverleners gemeen: huisarts, internist en psycholoog. In de INT-groep leken vrouwen significant meer naar de orthomoleculaire arts te gaan, terwijl mannen dan weer vaker naar de immunoloog, internist, psychiater en sofroloog gingen. Belgen bezochten vaker de immunoloog, de osteopaat, psychiater, sofroloog en kinesitherapeut dan Nederlanders. De V/HV-groep ging significant vaker naar de internist, neuroloog en orthomoleculaire arts in vergelijking met de N/Z-groep. In de RC-groep werd er daarenboven ook een evaluatie van de hulpverleners gevraagd: de meest positieve ervaring had men met de sofroloog en ergotherapeut en de minst positieve met de immunoloog.
Wanneer we dit samenvatten per onafhankelijke variabele, besluiten we het volgende:
Geslacht. ---------
Mannen opteerden meer voor de ampligen-kuur, terwijl vrouwen vaker kozen voor homeopathische middelen. Dit zou een gevolg kunnen zijn van het feit dat mannen meer de ontwikkelingen in CVS-onderzoek volgden dan vrouwen. Mannen bezochten ook vaker de immunoloog, internist, psychiater en sofroloog dan vrouwen. Deze laatste gingen dan weer meer naar de orthomoleculaire arts in vergelijking met mannen.
Nationaliteit. --------------
Belgen probeerden meer alternatieven (waaronder acclydine, antibiotica, lymfedrainage, manuele therapie en magnesiumpillen en -baxters) en testen uit dan Nederlanders. Nederlanders probeerden dan weer vaker acupunctuur. Dit kan impliceren dat Belgen hun ziekte bevestigd willen zien door testen en zwart op wit feiten willen terwijl Nederlanders hun bevestiging, erkenning of begrip eerder zoeken en vinden bij mensen in hun omgeving. Belgen bezochten ook meer hulpverleners (waaronder immunoloog, osteopaat, psychiater, sofroloog en kinesitherapeut) dan Nederlanders.
Diagnose. ---------
Personen met de dubbele diagnose probeerden meer alternatieven uit en bezochten meer hulpverleners dan personen met de enkele diagnose.
Hulpgroep. ----------
CVS-patienten die lid waren van een hulpgroep duidden meer alternatieven en hulpverleners aan dan diegenen die geen lid waren. Omdat deze eerste groep aangaf meer de ontwikkelingen te volgen, zou het kunnen dat zij meer op de hoogte waren van het soort alternatieven en ze hieromtrent ook meer suggesties kregen van lotgenoten.
Volgen van ontwikkelingen. --------------------------
CVS-patienten van de V/HV-groep bezochten meer hulpverleners (waaronder internist, neuroloog en orthomoleculaire arts) dan de van de N/Z-groep. Opvallend was dat de N/Z-groep positiever was over de geprobeerde cognitieve gedragstherapie dan de V/HV-groep. Dit impliceert dat het internet eventueel een negatieve attitude verspreidt ten opzichte van cognitieve gedragstherapie.
ZIEKTETHEORIE -------------
In alle groepen gaf het grootste deel CVS-patienten aan dat CVS voor hen niet louter lichamelijk was. Volgens de INT- en V/HV-groep speelden psychische factoren een rol als gevolg, terwijl deze factoren volgens de RC- en N/Z-groep zowel oorzaak als gevolg konden zijn.
In alle groepen gaf men de voorkeur aan een behandeling die zowel rekening houdt met lichamelijke als psychische factoren.
Wat de visie van een deskundige betrof, verkozen de INT-, N/Z- en V/HV-groep in de meeste gevallen neutraal te blijven. In de INT- en V/HV-groep gingen de meeste stemmen uit naar prof. De Meirleir, terwijl in de N/Z-groep de voorkeur uitging naar prof. Van Houdenhove. In de RC-groep sloot volgens het grootste deel hun visie aan bij de visie van prof. Van Houdenhove, hetgeen enigszins vanzelfsprekend was vermits deze groep zich geengageerd had voor een behandeling waarbij gewerkt werd volgens zijn opvatting.
Op vlak van benaming verkoos de onderzochte CVS-populatie de klassieke term 'chronisch vermoeidheidssyndroom'. Nederlanders kozen in de INT-groep significant vaker voor de term myalgische encefalomyelitis/pathie dan Belgen, terwijl Belgen vaker leken te kiezen voor 'chronic neuro-endocrino-dysfunction syndrome'. In de INT-groep bleek diagnose een invloed te hebben op de benaming namelijk personen met de CVS-diagnose kozen significant vaker voor 'CVS' dan personen met de CVS en FM-diagnose, die meer kozen voor 'CNDS'. Dit was ook het geval voor personen die in meerdere hulpgroepen zaten. Zij kozen significant vaker voor de benaming ME (myelitis en pathie), terwijl personen in een hulpgroep vaker CNDS verkozen dan de rest. In de RC-groep was er een significant verschil in benaming tussen het al dan niet in een hulpgroep zitten namelijk bij diegenen die niet in een hulpgroep zaten, kwam de term CNDS op een tweede plaats, terwijl dit bij personen die wel in een hulpgroep zaten, NEIDS was. CNDS kreeg zelfs voor deze laatste groep geen enkele voorkeur.
Samengevat per onafhankelijke variabele, komt het volgende naar voor:
Geslacht. ---------
Er werden geen significante verschillen gevonden tussen mannelijke en vrouwelijke CVS-patienten.
Nationaliteit. --------------
Nederlanders verkozen vaker de benaming ME (myelitis en pathie) dan Belgen. Dit kan een gevolg zijn van het feit dat hulpgroepen in Nederland meer de nadruk leggen deze benaming. Belgen kozen vaker dan Nederlanders voor de benaming CNDS, misschien omdat ze meer de ontwikkelingen in CVS-onderzoek volgen en dus meer op de hoogte zijn van stressfysiologische hypothesen.
Diagnose. ---------
Personen met de enkele diagnose kozen meer dan de personen met de dubbele diagnose voor de klassieke benaming CVS. Personen met de dubbele diagnose verkozen vaker de benaming CNDS in vergelijking met personen met de enkele diagnose. Dit zou ook een gevolg kunnen zijn van het feit dat de personen met dubbele diagnose vaker de ontwikkelingen volgen en meer op de hoogte zijn van deze alternatieve benaming.
Hulpgroep. ----------
CVS-patienten die lid waren van meerdere hulpgroepen kozen vaker voor de term ME dan diegenen die in een of geen hulpgroep zaten.
Volgen van ontwikkelingen. --------------------------
CVS-patienten van de V/HV-groep vonden vaker dan diegenen van de N/Z-groep dat psychische factoren een rol speelden als gevolg en dat de ideale behandeling louter lichamelijk moest zijn. In de N/Z-groep sloten de meeste visies aan bij Prof. Van Houdenhove (te maken met substantiele overlap met RC-groep), terwijl de voorkeur van de V/HV-groep uitging naar prof. De Meirleir. Personen in de V/HV-groep kozen vaker voor de CNDS-benaming dan de N/Z-groep, waarschijnlijk omdat ze meer op de hoogte zijn van deze alternatieve benaming doordat ze vaker de ontwikkelingen online volgen.
METHODOLOGISCHE BEMERKINGEN ---------------------------
Vooreerst kon in de INT-groep niet met zekerheid worden gesteld of het bij deze patienten ging om een medische dan wel een zelfdiagnose. Daarenboven konden we van deze groep ook geen response-rate berekenen (aantal personen die vragenlijst bekijken - zonder noodzakelijk in te vullen - wordt gebruikt als noemer volgens Eysenbach en Wyatt, 2002). Een andere beperking van deze websurvey was dat de deelnemers de mogelijkheid hadden om vragen open te laten zodat er wel wat missing values waren.
TOEKOMSTIG ONDERZOEK --------------------
Vermits het internet voor steeds meer CVS-patienten een houvast lijkt te bieden en er tot op heden nog maar weinig onderzoek is gebeurd omtrent de invloed van het internet, moedigen we toekomstige exploratie op dit gebied zeker aan. Een ander belangrijk aanknopingspunt in verder onderzoek is de rol die de geneesheren kunnen spelen. Enerzijds kunnen zij de afnames van de surveys faciliteren, anderzijds kunnen zij als 'informatieverstrekker' fungeren waarbij de positieve mogelijkheden (informatie, zelfhulpgroepen,...) die het internet kan bieden alsook eventuele gevaren (verkeerde of misleidende informatie) benadrukt worden.
REFERENTIES -----------
DEEL 1 ------
Aaron, L. A., Burke, M. M., & Buchwald, D. (2000). Overlapping conditions among patients with chronic fatigue syndrome, fibromyalgia, and temporomandibular disorder. Archives of Internal Medicine, 160, 221-227.
Abbey, S. E., & Garfinkel, P. E. (1991). Neurasthenia and Chronic Fatigue Syndrome: The role of culture in the making of a diagnosis. American Journal of Psychiatry, 148(12), 1638-1646.
Abbey, S.E., & Garfinkle, P. E. (1991). Chronic fatigue syndrome and depression: Cause, effect, or covariate. Reviews of Infectious Diseases, 18(suppl 1), S73-S83.
Abbey, S. E. (1993). Somatization, illness attribution and the sociocultural psychiatry of chronic fatigue syndrome. Ciba Foundation Symposium,173, 238-252.
Ablashi, D. V. (1994). Viral studies of CFS. Clinical Infectious Diseases, 18(suppl 1), 130-132.
Afari, N., Schmaling, K., Herrell, R., Ashton, S., Goldberg, J., & Buchwald, D.S. (2000). Coping strategies in twins with chronic fatigue and chronic fatigue syndrome. Journal of Psychosomatic Research, 48, 547-554.
Afari, N., Eisenberg, D., Herrell, R., Goldberg, J., Kleyman, E., Ashton, S., & Buchwald, D. S. (2000). Use of alternative treatments by chronic fatigue syndrome discordant twins. Integrative Medicine, 2, 97-103.
Afari, N., & Buchwald, D. (2003). Chronic fatigue syndrome: A review. American Journal of Psychiatry, 160(2), 221-236.
Altay, H. T., Abbey, S. E., Toner, B. R., Salit, I. E., Brooker, H., & Garfinkel, P. E. (1990). The neuropsychological dimensions of postinfectious neuromyasthenia (chronic fatigue syndrome): A preliminary report. International Journal of Psychiatry in Medicine , 20, 141-149.
Antoni, M. H., Brickman, A., Lutgendorf, S., Klimas, A., Imia-Fins, A., Ironson, G., Quillian, R., Miguez, M. J., Riel, F. van, Morgan, R., Patarca, R., & Fletcher, M.A. (1994). Psychosocial correlates of illness burden in chronic fatigue syndrome. Clinical Infectious Diseases, 18, S73-S78.
Arnold, L. M., Keck, P. E. Jr, & Welge, J. A. (2000). Antidepressant treatment of fibromyalgia: a meta-analysis and review. Psychosomatics, 41, 104-113.
Barker, E., Fujimura, S. F., Fadem, M. B., Landay, A. L., & Levy, J.A. (1994). Immunologic abnormalities associated with chronic fatigue syndrome. Clinical Infectious Diseases, 18(suppl 1), S136-S141.
Barofsky, I., & Legro, M. W. (1991). Definition and measurement of Fatigue. Reviews of Infectious Diseases, 13(suppl 1), 94-97.
Bates, D. W., Schmitt, W., Lee ,J., Kornish, R. J., Komaroff, A. L. (1991). Prevalence of fatigue and chronic fatigue syndrome in a primary care practice. Clinical Research., 39, A571-A571.
Bates, D. W., Schmitt, W., Buchwald, D., Ware, N. C., Lee, J., Thoyer, E., Kornish, R. J., Komaroff, A. L. (1993). Prevalence of fatigue and chronic fatigue syndrome in a primary care practice. Archives of Internal Medicine.,153, 2759-2765.
Bazelmans, E., Vercoulen, J. H., Galama, J. M., Weel, C. van, Meer, J.W. van der, & Bleijenberg, G. (1997). Prevalentie van het chronisch vermoeidheidssyndroom en het primaire fibromyalgiesyndroom in Nederland. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde., 141(31), 1520-1523.
Bazelmans, E., Bleijenberg, G., Meer, J. W. M. van der, Folgering, H. (2001). Is physical deconditioning a perpetuating factor in chronic fatigue syndrome? a controlled study on maximal exercise performance and relations with fatigue, impairment and physical activity. Psychological Medicine, 31, 107-114.
Behan, PO, Behan, WM, Horrobin, D (1990). Effect of high doses of essential fatty acids on the postviral fatigue syndrome. Acta Neurologica Scandinavica, 82, 209-216.
Best, A. C., Saunders, P. R., & Logan, A. C. (2001). Chronic fatigue syndrome: neurological findings may be related to blood-brain barrier permeability. Medical Hypotheses, 57(2), 231-237.
Blakely, A. A., Howard, R. C., Sosich, R. M., Murdoch, J. C., Menkes, D. B., & Spears, G. F. (1991). Psychiatric symptoms, personality and ways of coping in chronic fatigue syndrome. Psychological Medicine, 21, 347-362.
Bleijenberg, G. (2002). Het chronisch vermoeidheidssyndroom: kenmerken, determinanten en behandeling. Gedragstherapie, 35(2), 141-145.
Blenkiron, P., Edwards, R., & Lynch, S. (1999). Associations between perfectionism, mood and fatigue in chronic fatigue syndrome. The Journal of Nervous and Mental Disease, 187, 566-570.
Bombardier,C. H., & Buchwald, D. (1996). Chronic fatigue, chronic fatigue syndrome, and fibromyalgia: disability and health-care use. Medical Care, 34, 924-930.
Bonner, D., Ron, M., Chalder, T., Butler, S., & Wessely, S. (1994). Chronic fatigue syndrome: a follow-up study. Journal of Neurologic and Neurosurgical Psychiatry, 57, 617-621.
Bou-Holaigah, I., Rowe, P. C., Kan, J., & Calkins, H. (1995). The relationship between neurally mediated hypotension and the chronic fatigue syndrome. Journal of American Medical Association, 27, 961-967.
Briggs, N. C., & Levine, P. H. (1994). A comparative review of systemic and neurological symptomatology in 12 outbreaks collectively described as chronic fatigue syndrome, epidemic neuromyasthenia, and myalgic encephalomyelitis. Clinical Infectious Diseases, 18(suppl 1), S32-S42.
Brook, M. G., Bannister, B. A., & Weir, W. R. (1993). Interferon-alpha therapy for patients with chronic fatigue syndrome. Journal of Infectious Diseases, 168, 791-792.
Buchwald, D., Cheney, P. R., Peterson, D. L., Henry, B., Wormsley, S. B., Geiger, A., Ablashi, D. V., Salahuddin, S. Z., Saxinger, C., Biddle, R., Kikinis, R., Jolesz, F. A., Folks, T., Balachandran, N., Peter, J. B., Gallo, R. C., & Komaroff, A. L. (1992). A chronic illness characterized by fatigue, neurologic and immunologic disorders, and active human herpesvirus type 6 infection. Annals of Internal Medicine, 116, 103-113.
Buchwald, D., & Garrity, D. (1994). Comparison of patients with chronic fatigue syndrome, fibromyalgia, and multiple chemical sensitivities. Archives of Internal Medicine, 154(18), 2049-2053.
Buchwald, D., Pascualy, R., Bombardier, C.,& Kith, P. (1994). Sleep disorders in patients with chronic fatigue. Clinical Infectious Diseases, 18(suppl 1), S68-S72.
Buchwald, D. S., Pearlman, T., Kith, P., & Schmaling, K. (1994). Gender differences in patients with chronic fatigue syndrome. Journal of General Internal Medicine, 9(7), 397-401.
Buchwald, D., Umali, P., Umali, J., Kith, P., Pearlman, T. & Komaroff, A. L. (1995). Chronic fatigue and the chronic fatigue syndrome: prevalence in a Pacific Northwest health care system. Annals of Internal Medicine, 123(2), 81-88.
Buchwald, D., Pearlman, T., Umali, J., Schmaling, K., & Katon, W. (1996). Functional status in patients with chronic fatigue syndrome, other fatiguing illnesses, and healthy individuals. American Journal of Medicine, 10, 364-370.
Buchwald, D., Herrell, R., Ashton, S., Belcourt, M., Schmaling, K., & Goldberg, J. (2001). A twin study of chronic fatigue. Psychosomatic Medicine, 63, 936-943.
Butler, J. A, Chalder, T., & Wessely, S. (2001). Causal attributions for somatic sensations in patients with chronic fatigue syndrome and their partners. Psychological Medicine, 31, 97-105.
Calder, B. D., Warnock, P. J., McCartney, R. A. & Bell, E. J. (1987). Coxsackie B viruses and the post-viral syndrome: a prospective study in general practice. J. R. Coll. General Practice, 37(294), 11-14.
Caligiuri, M., Murray, C., Buchwald, D., Levine, H., Cheney, P., Peterson, D., Komaroff, A. L., & Ritz, J. (1987). Phenotypic and functional deficiency of natural killer cells in patients with chronic fatigue syndrome. Journal of Immunology, 139, 3306-3313.
Cassem, E. H. (1990). Depression and anxiety secondary to medical illness. Psychiatric Clinic of North America, 13, 597-612.
Cathebras, P. J, Robbins, J. M., Kirmayer, L. J., Hayton, B. C. (1992). Fatigue in primary care: prevalence, psychiatric comorbidity, illness behavior, and outcome. Journal of General Internal Medicine, 7, 276-286.
Cathebras, P., Jacquin, L., LeGal, M., Fayol, C., Bouchou, K., & Rousset, H. (1995). Correlates of somatic causal attributions in primary care patients with fatigue. Psychotherapy and Psychosomatics, 63, 174-180.
Chalder, T., Power, M. J., & Wessely, S. (1996). Chronic fatigue in the community: a question of attribution. Psychological Medicine, 26, 791-800.
Chen, M. (1986). The epidemiology of self-perceived fatigue among adults. Preventive Medicine, 15, 74-81.
Chisholm, D., Godfrey, E., Ridsdale, L., Chalder, T.,King, M., Seed, P., Wallace, P., & Wessely, S. (Fatigue Trialists' Group) (2001). Chronic fatigue in general practice: economic evaluation of counseling versus cognitive behaviour therapy. British Journal of General Practice, 51, 15-18.
Cioffi, D. (1991). Beyond attentional strategies: a cognitive-perceptual model of somatic interpretation. Psychological Bulletin, 109, 25-41.
Cleare, A. J., Bearn, J., Allain, T., McGregor, A., Wessely, S., Murray, R. M., & O'Keane, V. (1995). Contrasting neuroendocrine responses in depression and chronic fatigue syndrome. Journal of Affective Disorders, 35, 283-289.
Cleare, A. J., Heap, E., Malhi, G. S., Wessely, S., O'Keane, V., & Miell, J. (1999). Low-dose hydrocortisone in chronic fatigue syndrome: a randomised crossover trial. Lancet, 353, 455-458.
Cope, H., Pernet, A., & Kendall, B. (1995). Cognitive functioning and magnetic resonance imaging in chronic fatigue. British Journal of Psychiatry, 176, 86-94.
Cope, H., & David, A. S. (1996). Neuroimaging in chronic fatigue syndrome. Journal of Neurology Neurosurgery and Psychiatry, 60, 471-473.
Cope, H., Mann, A., Pelosi, A., & David, A. (1996). Psychosocial risk factors for chronic fatigue and chronic fatigue syndrome following presumed viral illness: a case-control study. Psychological Medicine, 26, 1197-1209.
Cox, I. M., Campbell, M. J., & Dowson, D. (1991). Red blood cell magnesium and chronic fatigue syndrome. Lancet, 337, 757-760.
Cruess, S. E., Klimas, N., Antoni, M. H., Helder, L., Maher, K., Keller, R., & Fletcher, M. A. (2000). Immunologic status correlates with severity of physical symptoms and perceived illness burden in chronic fatigue syndrome patients. Journal of Chronic Fatigue Syndrome, 7, 39-52.
Cuykx, V., Van Houdenhove, B., Neerinckx, E. (1998). Childhood abuse, personality disorder and chronic fatigue syndrome. General Hospital Psychiatry, 20(6), 382-384.
David, A., Pelosi, A., McDonald, E., Stephens, D., Ledger, D., Rathbone, R., & Mann, A. (1990). Tired, weak, or in need of rest: a profile of fatigue among general practice attenders. British Medical Journal, 301, 1199-1202.
David, A. S., Wessely, S., & Pelosi, A. J. (1988). Posviral fatigue syndrome: time for a new approach. British Medical Journal, 296, 696-699.
De Becker, P., Roeykens, J., Reynders, M., McGregor, N., & De Meirleir, K. (2000). Exercise capacity in chronic fatigue syndrome. Archives of Internal Medicine, 160, 3270-3277.
De Becker, J., McGregor, N., & De Meirleir, K. (2001). A definition-based analysis of symptoms in a large cohort of patients with chronic fatigue syndrome. Journal of Internal Medicine, 250, 234-240.
De Jong, L. W. A. M., Prins, J. B., Fiselier, T. J. W., Weemaes, C. M. R., Meijer-Vandenbeegh, E. M. M., & Bleijenberg, G. (1997). Het Chronische Vermoeidheidssyndroom bij jongeren. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 141(31), 1513-1515.
De Meirleir, K., Bisbal, C., Campine, I., De Becker, P., Salehzada, T., Demettre, E., & Lebleu, B. (2000). A 37 5DA 2-5 binding protein as a potential biochemical marker for chronic fatigue syndrome. American Journal of Medicine, 108(2), 99-105.
De Ridder, D., Schreurs, K., & Schaufeli, W. (2000). De psychologie van de vermoeidheid. Van Gorcum & Comp., Assen.
De Vinci, C., Levine, P. H., Pizza, G., Fundenberg, H. H., Orens, P., Pearson, G., & Viza, D. (1996). Lessons from a pilot study of transfer factor in chronic fatigue syndrome. Biotherapy, 9, 87-90.
Deale, A., Chalder, T., Marks, I., & Wessely, S. (1997). Cognitive behavior therapy for chronic fatigue syndrome: a randomized controlled trial. American Journal of Psychiatry, 154, 408-414.
Deale, A., Chalder, T., & Wessely, S. (1998). Illness beliefs and treatment outcome in chronic fatigue syndrome. Journal of Psychosomatic Research, 45, 77-83.
Deale, A., Husain, K., Chalder, T., & Wessely, S. (2001). Long-term outcome of cognitive behavior therapy versus relaxation therapy for chronic fatigue syndrome: a 5-year follow-up study. American Journal of Psychiatry, 158, 2038-2042.
DeLuca, J., Johnson, S. K., Beldowicz, D., & Natelson, B. H. (1995). Neuropsychological impairments in chronic fatigue syndrome, multiple sclerosis, and depression. Journal of Neurology Neurosurgery and Psychiatry, 58, 38-43.
Demitrack, M. A., Dale, J. K., Straus, S. E., Laue, L., Listwak, S. J., Kruesi, M. J., Chrousos, G. P., & Gold, P. W. (1991). Evidence for impaired activation of the hypothalamic-pituitary-adrenal axis in patients with chronic fatigue syndrome. Journal of Clinical Endocrinological Metabolism, 73, 1224-1234.
Demitrack, M. A., & Abbey, S.E. (1996). Chronic Fatigue Syndrome: an Integrative Approach to Evaluation and Treatment. New York, N.Y.: Guilford Press.
Demitrack, M. A. (1997). Neuroendocrine correlates of chronic fatigue syndrome: a brief review. Journal of Psychiatric Research, 31, 69-82.
Eby, N. L., Grufferman, S., Huang, M., Whiteside, T., Sumaya, C., & Saxinger, W. C. (1989). Natural killer cell activity in the chronic fatigue-immune dysfunction syndrome, in Natural Killer Cells and Host Defense. Edited by Ades EW, Lopez C. Basel, Switzerland, Karger, pp. 141-145.
Escobar, J. L., Burnam, A., Karno, M., Forsythe, A., & Golding, J. M. (1987). Somatization in the community. Archives of General Psychiatry, 44, 713-718.
Farmer, A., Scourfield, J., Martin, N., Cardeno, A., & McGuffin, P. (1999). Is disabling fatigue in childhood influenced by genes? Psychological Medicine, 29, 279-282.
Farrar, D. J., Locke, S. E., & Kantrowitz, F. G. (1995). Chronic fatigue syndrome, 1: etiology and pathogenesis. Behavioral Medicine, 2, 5-16.
Fischler, B., Dendale, P., Michiels, V., Cluydts, R., Kaufman, L., & De Meirleir, K. (1997). Physical fatigability and exercise capacity in chronic fatigue syndrome: association with disability, somatization and psychopathology. Journal of Psychosomatic Research, 42, 369-378.
Fischler, B., LeBon, O., Hoffman, G., Cluydts, R., Kaufman, L., & De Meirleir, K. (1997). Sleep anomalies in the chronic fatigue syndrome-a comorbidity study. Neuropsychobiology, 35, 115-122.
Fischler, B., Cluydts, R., De Gucht, V., Kaufman, L., & De Meirleir, K. (1997). Generalized anxiety disorder in chronic fatigue syndrome. Acta Psychiatrica Scandinavica, 95, 405-413.
Forsyth, L. M., Preuss, H. G., MacDowell, A. L., Chiazze, L. Jr., Birkmayer, G. D., & Bellanti, J. A. (1999). Therapeutic effects of oral NADH on the symptoms of patients with chronic fatigue syndrome. Annals of Allergy Asthma and Immunology, 82, 185-191.
Freeman, R., & Komaroff, A. L. (1997). Does the chronic fatigue syndrome involve the autonomic nervous system? American Journal of Medicine, 102, 357-364.
Friedberg, F., & Krupp, L. B. (1994). A comparison of cognitive behavioral treatment for chronic fatigue syndrome and primary depression. Clinical Infectious Diseases, 18(suppl 1), S105-S110.
Fry, A. M., & Martin, M. (1996). Fatigue in the chronic fatigue syndrome: a cognitive phenomenon? Journal of Psychosomatic Research, 41, 415-426.
Fukuda, K., Straus, S. E., Hickie, I., Sharpe, M. C., Dobbins, J. G., & Komaroff, A. (1994). The chronic fatigue syndrome: a comprehensive approach to its definition and study. Annals of Internal Medicine, 121, 953-959.
Fulcher, K. Y., & White, P. D. (1997). Randomised controlled trial of graded exercise in patients with the chronic fatigue syndrome. British Medical Journal, 314, 1647-1652.
Fulcher, K. Y., & White, P. D. (2000). Strength and physiological response to exercise in patients with chronic fatigue syndrome. Journal of Neurology Neurosurgery and Psychiatry, 69, 302-307.
Geenen, R., & Jacobs, J. W. (2001). Fibromyalgia. Diagnosis, pathogenesis, and treatment. Current Opinion in Anaesthesiology, 14, 533-539.
Gibson, H., Carroll, N., Clague, J. E., & Edwards, R. H. T. (1993). Exercise performance and fatigability in patients with chronic fatigue syndrome. Journal of Neurology Neurosurgery and Psychiatry, 56, 993-998.
Gibson, S. J., Granges, G., Littlejohn, G. O., & Helme, R. D. (1995). Increased thermal pain sensitivity in patients with fibromyalgia syndrome, in Pain and the Brain: From Nociception to Cognition: Advances in Pain Research and Therapy, vol 22. Edited by Bromm B, Desmedt JE. New York, Raven Press, p. 401-411.
Gillin, J. C., Sitaram, N., & Wehr, T. (1984). Sleep and affective illness, in Neurobiology of Mood Disorder. Edited by Post RM, Ballenger JC. Baltimore, Williams & Wilkins, p. 157-189.
Goldenberg, D. L., Simms, R. W., Geiger, A., & Komaroff, A. L. (1990). High frequency of fibromyalgia in patients with chronic fatigue seen in primary care practice. Arthritis and Rheumatism, 33, 381-387.
Goudsmit, E. M. (1994). Chronic fatigue syndrome. Distinguish between syndromes... (letter). British Medical Journal, 308, 1297-1298.
Gow, J. W., Simpson, K., Behan, P. G., Chauduri, A., McKay, I. C., & Behan, W. M. (2001). Antiviral pathway activation in patients with chronic fatigue syndrome and acute infection. Clinical Infectious Diseases; 33, 2080-2081.
Greenberg, D. B. (1990). Neurasthenia in the 1980s: chronic mononucleosis, chronic fatigue syndrome, and anxiety and depressive disorders. Psychosomatics, 31, 129-137.
Gunn, W. J., Connell, D. B., & Randall, B. (1993). Epidemiology of chronic fatigue syndrome: the Centers for Disease Control Study. Ciba Foundation Symposium, 173, 83-93.
Heijmans, M. J. W. M. (1998). Coping and adaptive outcome in chronic fatigue syndrome: importance of illness cognitions. Journal of Psychosomatic Research, 45, 39-51.
Hickie, I., Lloyd, A., Wakefield, D., & Parker, G. (1990). The psychiatric status of patients with chronic fatigue syndrome. British Journal of Psychiatry, 156, 534-540.
Hickie, I. B., Hooker, A. W., Hadzi-Pavlovic, D., Bennett, B. K., Wilson, A. J. & Lloyd, A. R. (1996). Fatigue in selected primary care settings; sociodemographic and psychiatric correlates. Medical Journal of Australia, 164, 585-588.
Hickie, I., Bennett, B., Lloyd, A., Heath, A., & Martin, N. (1999). Complex genetic and environmental relationships between psychological distress, fatigue and immune functioning: a twin study. Psychological Medicine, 29, 269-277.
Hickie, I., Kirk, K., & Martin, N. (1999). Unique genetic and environmental determinants of prolonged fatigue: a twin study. Psychological Medicine, 29, 259-268.
Hickie, I. B., Wilson, A. J., Wright, J. M., Bennett, B. K., Wakefield, D., & Lloyd, A. R. (2000). A randomized, double-blind placebo-controlled trial of moclobemide in patients with chronic fatigue syndrome. Journal of Clinical Psychiatry, 61, 643-648.
Holmes, G. P., Kaplan, J. E., Gantz, N. M., Komaroff, A. L., Schonberger, L. B., Straus, S. E., Jones, J. F., Dubois, R. E., Cunningham-Rundles, C.,& Pahwa, S. (1998). Chronic fatigue syndrome: a working case definition. Annals of Internal Medicine, 108, 387-389.
Hotopf, M. H., & Wessely, S. (1994). Viruses, neurosis and fatigue. Journal of Psychosomatic Research, 38, 499-514.
Ho-Yen, D. O. (1988). The epidemiology of postviral fatigue syndrome. Scottish Medical Journal, 33, 368-369.
Ho-Yen, D. O. ,& McNamara, I. (1991). General practitioners experience of the chronic fatigue syndrome. British Journal of General Practice, 41, 324-326.
Hudson, J. I., & Pope, H. G. Jr. (1990). Affective spectrum disorder: does antidepressant response identify a family of disorders with a common pathophysiology? American Journal of Psychiatry, 147, 552-564.
Hudson, JI, Goldenberg, DL, Pope, HG, Keck, PE, & Schlesinger, L (1992). Comorbidity of fibromyalgia with medical and psychiatric disorders. American Journal Medicine, 92, 363-367.
Ichise, M, Salit, IE, Abbey, SE, Chung, DG, Gray, B, Kirsh, JC, & Freedman, M (1992). Assessment of regional cerebral perfusion by 99Tcm-HMPAO SPECT in chronic fatigue syndrome. Nuclear Medicine Community, 13, 767-772.
Jason, L.A., Eisele, H., & Taylor, R.R. (2001). Assessing attitudes toward new names for chronic fatigue syndrome. Evaluation and the Health Professions, 24, 424-435.
Jason, L.A., King, C.P., Frankenberry, E.L., Jordan, K.M., Tyron, W.W., Rademaker, F., & Huang, C.F. (1999). Chronic fatigue syndrome: assessing symptoms and activity level. Journal of Clinical Psychology, 55(4), 411-424.
Jason, LA, Taylor, RR, & Kennedy, CL (2000). Chronic fatigue syndrome, fibromyalgia, and multiple chemical sensitivities in a community-based sample of persons with chronic fatigue syndrome-like symptoms. Psychosomatic Medine, 62, 655-663.
Jason, L.A., Taylor, R., Wagner, L., Holden, J., Ferrari, J.R., Plioplys, A.V., Plioplys, S., Lipkin, D., & Papernik, M. (1995). Estimating rates of chronic fatigue syndrome from a community-based sample: a pilot study. American Journal of Community Psychology, 23, 557-568.
Jason, L. A., Wagner, L., Rosenthal, S., Goodlatte, J., Lipkin, D., Papernik, M., Plioplys, S. &, Plioplys, A. V. (1998). Estimating the prevalence of chronic fatigue syndrome among nurses. American Journal of Medicine, 105(3A), 91-93.
Jason, L. A., Richman, J. A., Rademaker, A. W., Jordan, K. M., Plioplys, A. V., Taylor, R. R., McCready, W., Huang, C. F. & Plioplys, S. (1999). A community-based study of chronic fatigue syndrome. Archives of Internal Medicine, 159(18), 2129-2137.
Jennekens, F. G., & Van Gijn, J. (1988). Het 'postvirale vermoeidheidssyndroom' of de myalgische encefalomyelitis'. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 132(22), 999-1001.
Johnson, SK, DeLuca, J, & Natelson, BH (1996). Assessing somatization disorder in the chronic fatigue syndrome. Psychosomatic Medicine, 58, 50-57.
Johnson, SK, DeLuca, J, & Natelson, BH (1996). Depression in fatiguing illness: comparing patients with chronic fatigue syndrome, multiple sclerosis, and depression. Journal of Affective Disorders, 39, 21-30.
Johnson, SK, DeLuca, J, & Natelson, BH (1999). Chronic fatigue syndrome: reviewing the research findings. Annals of Behavioral Medicine, 21, 258-271.
Jordan, KM, Landis, DA, Downey, MC, Osterman, SL, Thurm, AE, & Jason, LA (1998). Chronic fatigue syndrome in children and adolescents: a review. Journal of Adolescent Health, 22, 4-18
Joyce, J, Hotopf, M, & Wessely, S (1997). The prognosis of chronic fatigue and chronic fatigue syndrome: a systematic review. Quarterly Journal of Medicine, 90, 223-233.
Katon, WJ, Buchwald, D, Simon, G, Russo, JE, & Mease, PJ (1991). Psychiatric illness in patients with chronic fatigue and those with rheumatoid arthritis. Journal of General Internal Medicine, 6, 277-285.
Kawai, K., & Kawai, A. (1992). Studies on the relationship between chronic fatigue syndrome and Epstein-Barr virus in Japan. Internal Medicine, 31(3), 313-318.
Kawakami, N., Iwata, N., Fujihara, S., & Kitamura, T. (1998). Prevalence of chronic fatigue syndrome in a community population in Japan. Tohoku Journal of Experimental Medicine., 186, 33-41.
Kenter, E.G., & Okkes, I.M. (1999). Patients with fatigue in family practice: prevalence and treatment. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 143, 796-801.
Kessler, RC, McGonagle, KA, Zhao, S, Nelson, CB, Hughes, M, Eshleman, S, Wittchen, H-U, & Kendler, KS (1994). Lifetime and 12-month prevalence of DSM-III-R psychiatric disorders in the United States: results from the National Comorbidity Survey. Archives of General Psychiatry, 51, 8-19.
Klein-Rouweler, E. Severens, J.L., & Bleijenberg, G (1999). Prevalentie-rapport. University Hospital Nijmegen, The Netherlands.
Klimas, NG, Salvato, FR, Morgan, R, & Fletcher, MA (1990). Immunologic abnormalities in chronic fatigue syndrome. Journal of Clinical Microbiology, 28, 1403-1410.
Komaroff, AL (1994). Clinical presentation and evaluation of fatigue and chronic fatigue syndrome, in Chronic Fatigue Syndrome. Edited by Straus SE. New York, Marcel Dekker, p. 61-84.
Komaroff, AL, Fagioli, LR, Geiger, AM, Doolittle, TH, Lee, J, Kornish, RJ, Gleit, MA, Guerriero, RT (1996). An examination of the working case definition of chronic fatigue syndrome. American Journal Medicine, 100, 56-64
Komaroff, A. L., & Buchwald D. (1991). Symptoms and Signs of Chronic Fatigue Syndrome, Reviews of Infectious Diseases, 13(suppl 1), 8-11.
Komaroff, AL, & Buchwald, DS (1998). Chronic fatigue syndrome: an update. Annual Review of Medicine, 49, 1-13.
Konstantinov, K, Mikecz, A von, Buchwald, D, Jones, J, Gerace, L, & Tan, EM (1996). Autoantibodies to nuclear envelope antigens in chronic fatigue syndrome. Journal of Clinical Investigation, 98, 1888-1896.
Krilov, LR, Fisher, M, Friedman, SB, Reitman, D, & Mandel, FS (1998). Course and outcome of chronic fatigue in children and adolescents. Pediatrics, 102, 360-366.
Kroenke, K, Wood, DR, Mangelsdorff, D, Meier, NJ, & Powell, JB (1988). Chronic fatigue in primary care: prevalence, patient characteristics, and outcome. Journal of the American Medical Association, 260, 929-934.
Kruesi, MJ, Dale, J, & Straus, SE (1989). Psychiatric diagnoses in patients who have chronic fatigue syndrome. Journal of Clinical Psychiatry, 50, 53-56.
Krupp, LB, Jandorf, L, Coyle, PK, & Mendelson, WB (1993). Sleep disturbance in chronic fatigue syndrome. Journal of Psychosomatic Research, 37, 325-331.
Landay, AL, Jessop, C, Lennette, ET, & Levy, JA (1991). Chronic fatigue syndrome: clinical condition associated with immune activation. Lancet, 338, 707-712.
Lane, R. (2000). Chronic fatigue syndrome: is it physical? Journal of Neurology, Neurosurgery and Psychiatry, 69, 280.
Lane, TJ, Manu, P, & Matthews, DA (1991). Depression and somatization in the chronic fatigue syndrome. American Journal of Medicine, 91, 335-344.
Lane, RJ, Barret, CB, Woodrow, D, Moss, J, Fletcher, R, & Archard, LC (1998). Muscle fibre characteristics and lactate responses to exercise in chronic fatigue syndrome. Journal of Neurology Neurosurgery and Psychiatry, 64, 362-367.
Lange, G, DeLuca, J, Maldjian, JA, Lee, HJ, Tiersky, LA, & Natelson, BH (1999). Brain MRI abnormalities exist in a subset of patients with chronic fatigue syndrome. Journal of Neurological Sciences, 17, 3-7.
Lautenbacher, S, Rollman, GB, & McCain, GA (1994). Multi-method assessment of experimental and clinical pain in patients with fibromyalgia. Pain, 59, 45-53.
Lawrie, S.M., & Pelosi, A. J. (1995). Chronic fatigue syndrome in the community. Prevalence and associations. British Journal of Psychiatry, 166, 793-797.
Lawrie, S.M., Manders, D.N., Geddes, J.R., & Pelosi, A. (1997). A population-based incidence study of chronic fatigue. Psychological Medicine, 27, 343-353.
Leading article (1956). A New Clinical Entity? Lancet, 789-790.
Lewis, D, Mayberg, H, Fischer, M, Goldberg, J, Ashton, S, Graham, MM, & Buchwald, D (2001). Monozygotic twins discordant for chronic fatigue syndrome: regional cerebral blood flow SPECT. Radiology, 219, 766-773.
Lloyd, A.R., Hickie, I., Boughton, C.R., Spencer, O., & Wakefield, D. (1990). Prevalence of chronic fatigue syndrome in an Australian population. Medical Journal of Australia, 153, 522-528.
Lloyd, A, Hickie, I, Wakefield, D, Boughton, C, & Dwyer, J (1990). A double-blind, placebo-controlled trial of intravenous immunoglobulin therapy in patients with chronic fatigue syndrome. American Journal of Medicine, 89, 561-568.
Lloyd, A.R., & Pender, H. (1992). The economic impact of chronic fatigue syndrome. Medical Journal of Australia, 157, 599-601.
Lloyd, A., Hickie, I., Brockman, A., Hickie, C., Wilson, A., Dwyer, J., & Wakefield, D. (1993). Immunologic and psychologic therapy for patients with chronic fatigue syndrome: a double-blind, placebo-controlled trial. American Journal of Medicine, 94, 197-203.
Lutgendorf, S. K., Antoni, M. H., Ironson, G., Fletcher, M. A., Penedo, F., Baum, A., Schneiderman, N., & Klimas N. (1995). Physical symptoms of chronic fatigue syndrome are exacerbated by the stress of Hurricane Andrew. Psychosomatic Medicine, 57(4), 310-323.
MacDonald, K. L., Osterholm, M. T., LeDell, K. H., White, K. E., Schenck, C. H., Chao, C. C., Persing, D. H., Johnson, R. C., Barker, J. M., & Peterson, P. K. (1996). A case-control study to assess possible triggers and cofactors in chronic fatigue syndrome. American Journal Medicine, 100, 548-554.
Manningham, R. (1750). The symptoms, nature, causes and cure of the febricula or little fever: commonly called the nervous or hysteric fever; the fever on spirits; vapours, hypo or spleen. 2nd ed. Londen, 1. Robinson.
Manu, P., Matthews, D. A., Lane, T. J., Tennen, H., Hesselbrock, V., Mendola, R., & Affleck, G. (1988). The mental health of patients with a chief complaint of chronic fatigue: a prospective evaluation and follow-up. Archives of Internal Medicine, 148, 2213-2217.
Manu, P., Lane, T. J., & Matthews, D. A. (1989). Somatization disorder in patients with chronic fatigue. Psychosomatics, 30, 388-395.
Manu, P., Matthews, D. A., & Lane, T. J. (1989). Depression among patients with a chief complaint of chronic fatigue. Journal of Affective Disorders, 17, 165-172.
Manu, P., Lane, T. J., & Matthews, D. A. (1993). Chronic fatigue and chronic fatigue syndrome: clinical epidemiology and aetiological classification, in Chronic Fatigue Syndrome. Edited by Bock, G. R., & Whelan, J. Chichester, UK, John Wiley & Sons, p. 23-42.
Manu, P., Lane, T. J., Matthews, D. A., Castriotta, R. J., Watson, R. K., & Abeles, M. (1994). Alpha-delta sleep patterns in patients with chief complaint of chronic fatigue. Southern Medical Journal, 87, 1289-1290.
Manu, P., Affleck, G., Tennen, H., Morse, P. A., & Escobar, J. I. (1996). Hypochondriasis influences quality-of-life outcomes in patients with chronic fatigue syndrome. Psychotherapy and Psychosomatics, 65, 76-81.
Martin, R. W. Y., Ogston, S. A., & Evans, J. R. (1994). Effects of vitamin and mineral supplementation on symptoms associated with chronic fatigue syndrome with coxsackie B antibodies. Journal of Nutritional Medicine, 4, 11-23.
Maxiner, E., Fillingim, T., Sigurdsson, S., Kincaid, D., & Silva, S. (1998). Sensitivity of patients with painful temporomandibular disorders to experimentally evoked pain: evidence for altered temporal summation of pain. Pain, 76, 71-81.
McCully, K. K., & Natelson, B. H. (1999). Impaired oxygen delivery to muscle in chronic fatigue syndrome. Clinical Science; 97, 603-608.
McDonald, E., David, A. S., Pelosi, A. J., & Mann, A. H. (1993). Chronic fatigue in primary care attenders. Psychological Medicine, 23(4), 987-998.
McKenzie, R., O'Fallon, A., Dale, J., Demitrack, M., Sharma, G., Deloria, M., Garcia Borreguero, D., Blackwelder, W., & Straus, S. E. (1998). Low-dose hydrocortisone for treatment of chronic fatigue syndrome: a randomized controlled trial. Journal of the American Mediacal Association, 280, 1061-1066.
McKenzie, R., Reynolds, J. C., O'Fallon, A., Dale, J., Deloria, M., Blackwelder, W., & Straus, S. E. (2000). Decreased bone mineral density during low dose glucocorticoid administration in a randomized, placebo-controlled trial. Journal of Rheumatology, 27, 2222-2226.
Meer, J. W. M van der, Rijken, P. M., Bleijenberg, G., Thomas, S., Hinloopen, R. J., & Bensing, J. M. (1997). Aanwijzingen voor het beleid bij langdurige, lichamelijke onverklaarde moeheidsklachten. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 141(31), 1516-1519.
Meer, J. W. M. van der (1997). Chronische Vermoeidheidssyndroom. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 141(31): 1507-1509.
Michielsen, W., & Van Moffaert, M. (1991). Het Chronische Vermoeidheidssyndroom: een psychosomatische visie. Tijdschrift voor Geneeskunde, 47(21), 1425-1430.
Michiels, V., & Cluydts, R. (2001). Neuropsychological functioning in chronic fatigue syndrome: a review. Acta Psychiatrica Scandinavica, 103, 84-93.
Mikecz, A.von, Konstantinov, K., Buchwald, D. S,. Gerace, L., & Tan, E. M. (1997). High frequency of autoantibodies to insoluble cellular antigens in patients with chronic fatigue syndrome. Arthritis and Rheumatism, 40, 295-305.
Minowa, M., & Jiamo, M. (1996). Descriptive epidemiology of the chronic fatigue syndrome based on a nationwide survey in Japan. Journal of Epidemiology, 6, 75-80.
Montague, T. R., Marrie, T. J., Klassen, G. A., Bewick, D. J., & Horacek, B. M. (1989). Cardiac function at rest and with exercise in the chronic fatigue syndrome. Chest, 95, 779-784.
Moorkens, G., Wynants, H., & Abs, R. (1998). Effect of growth hormone treatment in patients with chronic fatigue syndrome: a preliminary study. Growth Hormone and IGF Research, 8, 131-133.
Morrison, L. J. A, Behan, W. M. H., & Behan, P. O. (1991). Changes in natural killer cell phenotype in patients with post-viral fatigue syndrome. Clinical and Experimental Immunology, 83, 441-446.
Morriss, R., Sharpe, M., Sharpley, A., Cowen, P. J., Hawton, K., & Morris ,J. (1993). Abnormalities of sleep in patients with chronic fatigue syndrome. British Medical Journal, 306, 1161-1164.
Moss-Morris, R., Petrie, K. J., Large, R. G., & Kydd, R. R. (1996). Neuropsychological deficits in chronic fatigue syndrome: artifact or reality? Journal of Neurology Neurosurgery and Psychiatry, 60, 474-477.
Moss-Morris, R., Petrie, K. J., & Weinman, J. (1996). Functioning in chronic fatigue syndrome: do illness perceptions play a regulatory role? British Journal of Health Psychology, 1, 15-25.
Moss-Morris, R., & Petrie, K. J. (1997). Cognitive distortions of somatic experiences: revision and validation of a measure. Journal of Psychosomatic Research, 43, 293-306.
Murdoch, J. C. (1988). The myalgic encephalomyelitis syndrome. Family Practice, 5, 302-306.
Natelson, B. H., Cohen, J. M., Brassloff, I., & Lee, H. J. (1993). A controlled study of brain magnetic resonance imaging in patients with fatiguing illnesses. Journal of Neurological Sciences, 120, 213-217.
Natelson, B. H., Cheu, J., Pareja, J., Ellis, S. P., Policastro, T., & Findley, T. W. (1996). Randomized, double-blind, controlled placebo-phase trial of low dose phenelzine in the chronic fatigue syndrome. Psychopharmacology (Berl) 124, 226-230.
Natelson, B. H., Cheu, J., Hill, N., Bergen, M., Korn, L., Denny, T., & Dahl, K. (1998). Single-blind, placebo phase-in trial of two escalating doses of selegiline in the chronic fatigue syndrome. Neuropsychobiology 37, 150-154.
Nisenbaum, R., Jones, A., Jones, J., & Reeves, W. (2000). Longitudinal analysis of symptoms reported by patients with chronic fatigue syndrome. Annals of Epidemiology, 10(7), 458.
Nutt, D. J. (2001). Neurobiological mechanisms in generalized anxiety disorder: discussion. Journal of Clinical Psychiatry, 62, 22-27.
O'Keane, V., & Dinan, T. G. (1991). Prolactin and cortisol responses to d-fenfluramine in major depression: evidence for diminished responsivity of central serotonergic function. American Journal of Psychiatry, 148, 1009-1015.
Oken, D. (2000). Multiaxial diagnosis and the psychosomatic model of disease. Psychosomatic Medicine, 62, 171-175.
Parker, A. J. R., Wessely, S., & Cleare, A. J. (2001). The neuroendocrinology of chronic fatigue syndrome and fibromyalgia. Psychological Medicine, 31, 1331-1345.
Paul, L., Wood, L., Behan, W. M., & Maclaren, W. M. (1999). Demonstration of delayed recovery from fatiguing exercise in chronic fatigue syndrome. European Journal of Neurology, 6(1), 63-69.
Pawlikowska, T., Chalder, T., Hirsch, S. R., Wallace, P., Wright, D. J., & Wessely, S. C. (1994). Population based study of fatigue and psychological distress. British Medical Journal, 308, 763-766
Pepper, C. M., Krupp, L. B., Friedberg, F., Doscher, C., & Coyle, P. K. (1993). A comparison of neuropsychiatric characteristics in chronic fatigue syndrome, multiple sclerosis, and major depression. Journal of Neuropsychiatry and Clinical Neurosciences, 5, 200-205.
Peterson, P. K., Shepard, J., Macres, M., Schenck, C., Crosson, J., Rechtman, D., & Lurie, N. (1990). A controlled trial of intravenous immunoglobulin G in chronic fatigue syndrome. American Journal of Medicine, 89, 554-560.
Peterson, P. K., Pheley, A., Schroeppel, J., Schenck, C., Marshall, P., Kind, A., Haugland, J. M., Lambrecht, L. J., Swan, S., & Goldsmith, S. (1998). A preliminary placebo-controlled crossover trial of fludrocortisone for chronic fatigue syndrome. Archives of Internal Medicine, 158, 908-914.
Petrie, K. J., Booth, R. J., Elder, H., & Cameron, L. D. (1999). Psychological influences on the perception of immune function. Psychologiocal Medicine, 29, 391-397.
Poole, J., Herrell, R., Ashton, S., Goldberg, J., & Buchwald, D. (2000). Results of isoproterenol tilt table testing in monozygotic twins discordant for chronic fatigue syndrome. Archives of Internal Medicine, 160, 3461-3468.
Powell, R., Dolan, R., & Wessely, S. (1990). Attributions and self-esteem in depression and chronic fatigue syndrome. Journal of Psychosomatic Research, 34, 665-673.
Powell, P., Bentall, R. P., Nye, F. J., & Edwards, R. H. T. (2001). Randomised controlled trial of patient education to encourage graded exercise in chronic fatigue syndrome. British Medical Journal, 322, 1-5.
Price, R. K., North, C. S., Wessely, S., & Fraser, V. J. (1992). Estimating the prevalence of chronic fatigue syndrome and associated symptoms in the community. Public Health Reports, 107(5): 514-522.
Prins, J. B., Bleijenberg, G., Bazelmans, E., Elving, L. D., Boo, T. M. de, Severens, J. L., Wilt, G. J. van der, Spinhoven, P., Meer, J. W. van der (2001). Cognitive behaviour therapy for chronic fatigue syndrome: a multicenter randomised controlled trial. Lancet, 357, 841-847.
Ray, C., Jefferies, S., & Weir, W. R. (1995). Life-events and the course of chronic fatigue syndrome . British Journal of Medical Psychology, 68(Pt 4), 323-331.
Ray, C., Jeffries, S., & Weir, W. R. (1997). Coping and other predictors of outcome in chronic fatigue syndrome: a 1-year follow-up. Journal of Psychosomatic Medicine, 43, 405-415.
Reeves, W. C. (1999). Prevalence of chronic fatigue syndrome. Update Reyes et al., 1998 Transcript CFSCC Meeting, April 21-22.
Reid, S., Chalder, T., Cleare, A., Hotopf, M., & Wessely, S. (2000). Chronic fatigue syndrome. British Medical Journal, 320, 292-296.
Reyes, M., Nisenbaum, R., Hoaglin, D., & Reeves, W. C. (1998). Prevalence of chronic fatigue syndrome. CDC Executive Summary, October 10.
Riley, M. S., O'Brien, C. J., McCluskey, D. R., Ball, N. P., & Nicholls, D. P. (1990). Aerobic work capacity in patients with chronic fatigue syndrome. British Medical Journal, 301, 953-956.
Ridsdale, L., Godfrey, E., Chalder, T., Seed, P., King, M., Wallace, P., & Wessely, S. (2001). Chronic fatigue in general practice: is counselling as good as cognitive behaviour therapy? British Journal of General Practice, 51, 19-24.
Robins, L. N., Helzer, J. E., Cottler, L., & Golding, E. (1989). National Institute of Mental Health Diagnostic Interview Schedule, version III, revised. St Louis, Washington University, Department of Psychiatry.
Rowe, P. C., Bou-Holaigah, I., Kan, J. S., & Calkins, H. (1995). Is neurally mediated hypotension an unrecognized cause of chronic fatigue? Lancet, 345, 623-624.
Rowe, P. C., Calkins, H., DeBusk, K., McKenzie, R., Anand, R., Sharma, G., Cuccherini, B. A., Soto, N., Hohman, P., Snader, S., Lucas, K. E., Wolff, M., & Straus, S. E. (2001). Fludrocortisone acetate to treat neurally mediated hypotension in chronic fatigue syndrome: a randomized controlled trial. Journal of the American Medical Association, 285, 52-59.
Salit, I. E. (1997). Precipitating factors for the chronic fatigue syndrome. Journal of Psychiatric Research, 31, 59-65.
Schafer, M. L. (2002). On the history of the concept neurasthenia and its modern variants chronic-fatigue-syndrome, fibromyalgia and multiple chemical sensitivities. Fortschrift von Neurologie and Psychiatrie, 70(11), 570-582.
Schluederberg, A., Straus, S. E., Peterson, P., Blumenthal, S., Komaroff, A. L., Spring, S. B., Landay, A., & Buchwald, D. (1992). Chronic fatigue syndrome research: definition and medical outcome assessment. Annals of Internal Medicine, 117, 325-331.
Schmaling, K. B., Smith, W. R., & Buchwald, D. S. (2000). Significant other responses are associated with fatigue and functional status among patients with chronic fatigue syndrome. Psychosomatic Medicine, 62, 444-450.
Schwartz, R. B., Garada, B. M., Komaroff, A. L., Tice, H. M., Gleit, M., Jolesz, F. A., & Holman, B. L. (1994). Detection of intracranial abnormalities in patients with chronic fatigue syndrome: comparison of MR imaging and SPECT. American Journal of Roentgenology, 162, 935-941.
Schmaling, D. B., & Jones, J. F (1996). MMPI profiles of patients with chronic fatigue syndrome. Journal of Psychosomatic Research, 40(1), 67-74.
Schmaling, K. B., Hamilos, D. L., DiClementi, J. D., & Jones, J. F. (1998). Pain perception in chronic fatigue syndrome. Journal of Chronic Fatigue Syndrome, 4, 13-22.
Schwartz, R. B., Komaroff, A. L., Garada, B. M., Gleit, M., Doolittle, T. H., Bates, D. W., Vasile, R. G., & Holman, B. L. (1994). SPECT imaging of the brain: comparison of findings in patients with CFS, AIDS dementia complex, and major unipolar depression. American Journal of Roentgenology, 162, 943-951.
Schweitzer, R., Robertson, D. L., Kelly, B., & Whiting, J. (1993). Illness behavior of patients with chronic fatigue syndrome. Journal of Psychosomatic Research, 38, 41-49.
Scott, L. V., Svec, F., & Dinan, T. (2000). A preliminary study of dehydroepiandrosterone response to low-dose ACTH in chronic fatigue syndrome and in healthy subjects. Psychiatry Research, 97, 21-28.
See, D. M., & Tilles, J. G. (1996). Alpha-interferon treatment of patients with chronic fatigue syndrome. Immunological Investigations, 25, 153-164.
Sensky, T., MacLeod, A. K., & Rigby, M. F. (1996). Causal attributions about common somatic sensations among frequent general practice attenders. Psychological Medicine, 26, 641-646.
Sharpe, M. C., Archard, L. C., Banatvala, J. E., Borysiewicz, L. K., Clare, A. W., David, A., Edwards, R. H., Hawton, K. E., Lambert, H. P., & Lane, R. J. (1991). A report-chronic fatigue syndrome: guidelines for research. Journal of the Royal Society of Medicine, 84, 118-121.
Sharpe, M., Hawton, K., Seagrott, V., & Pasvol, G. (1992). Follow up of patients presenting with fatigue to an infectious diseases clinic. British Medical Journal, 305, 147-152.
Sharpe, M., Hawton, K., Simkin, S., Surawy, C., Hackmann, A., Klimes, I., Peto, T., Warrell, D., & Seagroatt, V. (1996). Cognitive behaviour therapy for the chronic fatigue syndrome: a randomised controlled trial. British Medical Journal, 312, 22-26.
Sharpe, M., Hawton, K., Simkin, S., Surawy, C., Hackmann, A., Klimes, I., Peto, T., Warrell, D., & Seagroatt, V. (1998). Cognitive behavior therapy for chronic fatigue syndrome: a randomized controlled study. Verhaltenstherapie, 8, 118-124.
Sharpley, A., Clements, A., Hawton, K., & Sharpe, M. (1997). Do patients with "pure" chronic fatigue syndrome (neurasthenia) have abnormal sleep? Psychosomatic Medicine, 59, 592-596.
Shefer, A., Dobbins, J. G., Fukuda, K., Steele, L., Koo, D., Nisenbaum, R., & Rutherford, G. W. (1997). Fatiguing illness among employees in three large state office buildings, California, 1993: was there an outbreak? Journal of Psychiatric Research, 31, 45-50.
Shorter, E. (1992). From paralysis to fatigue: a history of psychosomatic illness in the modern era. New York, Free Press.
Sisto, S. A., LaManca, J., Cordero, D. L., Bergen, M. T., Ellis, S. P., Drastal, S., Boda, W. L., Tapp, W. N., & Natelson, B. H. (1996). Metabolic and cardiovascular effects of a progressive exercise test in patients with chronic fatigue syndrome. American Journal of Medicine, 100, 634-640.
Slukhuis, J. (2001). Blikken op vermoeidheid en overspanning. Een vooruitblik. Psychologie en maatschappij, 95, 98-109.
Smith, R. (2002). In search of "non-disease". British Medical Journal, 324(7342), 883-885.
Snorrason, E., Geirsson, A., & Stefansson, K. (1996). Trial of a selective acetylcholinesterase inhibitor, galanthamine hydrobromide, in the treatment of chronic fatigue syndrome. Journal of Chronic Fatigue Syndrome, 2, 35-54.
Soetekouw, P. M. M. B., Lenders, J. W. M., Bleijenberg, G., Thien, T., & Meer., J. W. M. van der (1999). Autonomic function in patients with chronic fatigue syndrome. Clinial Autonomi Research, 9, 334-340.
Spitzer, R. L., Williams, J. B. W., Gibbon, M., & First, M. B. (1988). Instruction Manual for the Structured Clinical Interview for DSM-III-R (SCID). New York, New York State Psychiatric Institute, Biometrics Research.
Steele, L., Dobbins, J. G., Fukuda, K., Reyes, M., Randall, B., Koppelman, M., & Reeves, W. C. (1998). The epidemiology of chronic fatigue in San Francisco. American Journal of Medicine, 105, 83-90.
Steinberg, P., McNutt, B. E., Marshall, P., Schenck, C., Lurie, N., Pheley, A., & Peterson, P. K. (1996). Double-blind placebo-controlled study of the efficacy of oral terfenadine in the treatment of chronic fatigue syndrome. Journal of Allergy and Clinical Immunology, 97, 119-126.
Straus, S. E., Dale, J. K., Tobi, M., Lawley, T., Preble, O., Blaese, R. M., Hallahan, C., & Henle, W. (1988). Acyclovir treatment of the chronic fatigue syndrome: lack of efficacy in a placebo-controlled trial. New England Journal of Medicine, 319, 1692-1698.
Straus, S. E., Fritz, S., Dale, J. K., Gould, B., & Strober, W. (1993). Lymphocyte phenotype and function in the chronic fatigue syndrome. Journal of Clinical Immunology, 13, 30-40.
Strayer, D. R., Carter, W. A., Brodsky, I., Cheney, P., Peterson, D., Salvato, P., Thompson, C., Loveless, M., Shapiro, D. E., Elsasser, W., & Gillespie, D. H. (1994). A controlled clinical trial with a specifically configured RNA drug, poly(I):poly(C12U), in chronic fatigue syndrome. Clinical Infectious Diseases, 18 (suppl 1), S88-S95.
Surawy, C., Hackman, A., Hawton, K., & Sharpe, M. (1995). Chronic fatigue syndrome: a cognitive approach. Behavior Research and Therapy, 33, 534-544.
Swanink, C. M. A., Galama, J. M. D., Vercoulen, J. H. M. M., Blijenberg, G., Fennis, J. F. M., & Meer, J. W. M. van der (1991). Het chronische-moeheidsyndroom. I. Somatologische hypothesen. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 135, 2005-2009.
Taylor, R., & Jason, L. A. (1998). The effects of psychiatric instrumentation and scoring on psychiatric diagnoses for individuals with CFS. Psychological Health, 13, 1087-1104.
Theorell, T., Blomkvist, V., Lindh, G., & Evengard, B. (1999). Critical life events, infections, and symptoms during the year preceding chronic fatigue syndrome (CFS): an examination of CFS patients and subjects with a nonspecific life crisis. Psychosomatic Medicine, 61(3), 304-310.
Tiersky, L. A., Johnson, S. K., Lange, G., Natelson, B. H., & DeLuca, J. (1997). Neuropsychology of chronic fatigue syndrome: a critical review. Journal of Clinical and Experimental Neuropsychology, 19, 560-586.
Torpy, D. J., Bachmann, A. W., Grice, J. E., Fitzgerald, S. P., Phillips, P. J., Whitworth, J. A., & Jackson, R. V. (2001). Familial corticosteroid-binding globulin deficiency due to a novel null mutation: association with fatigue and relative hypotension. Journal of Clinical Endocrinology and Metabolism, 86, 3692-3700.
Van Houdenhove, B. (1991). Het Chronische Vermoeidheidssyndroom: visie van een laison-psychiater. Tijdschrift voor Geneeskunde, 47(21), 1431-1439.
Van Houdenhove, B. (1999). Ziek zonder ziekte. Beter begrijpen van psychosomatische klachten. Lannoo, Tielt.
Van Houdenhove, B. (2001). Moe in tijden van stress. Luisteren naar het chronische vermoeidheidssyndroom. Lannoo, Tielt.
Van Houdenhove, B. (2001). Does myalgic encephalomyelitis exist? (letter). Lancet, 357, 1889.
Van Houdenhove, B., Neerinckx, E., Lysens, R., Vertommen, H., Van Houdenhove L., Onghena, P., Westhovens, R., & D'Hooge, M. B. (2001). Victimization in chronic fatigue syndrome and fibromyalgia in tertiary care: A controlled study on prevalence and characteristics. Psychosomatics, 42(1), 21-28.
Van Houdenhove, B. (december, 2002). Lessen voor de eenentwintigste eeuw: Het chronisch vermoeidheidssydroom. Hype, wetenschap en uitdaging. Handout.
Van Houdenhove, B. (2002). Het chronisch vermoeidheidssydroom: door de bomen het bos.... Tijdschrift voor Geneeskunde, 58(21), 1385-1391.
Van Houdenhove, B., Neerinckx, E., Onghena, P., Vingerhoets, A., Lysens, R., & Vertommen, H. (2002) Daily hassles reported by chronic fatigue syndrome and fibromyalgia patients in tertiary care: a controlled quantitative and qualitative study. Psychotherapy and Psychosomatics, 71(4), 207-213.
Vercoulen, J. H. M. M., Swanink, C. M. A., Fennis, J. F. M., Galama, J. M. D., Meer, J. W. M.van der, & Bleijenberg, G. (1994). Dimensional Assessment of Chronic Fatigue Syndrome. Journal of Psychosomatic Research, 38(5), 383-392.
Vercoulen, J. H., Hommes, O. R., Swanink, C. M., Jongen, P. J., Fennis, J. F., Galama, J. M., Meer, J. W. van der, & Bleijenberg, G. (1996). The measurement of fatigue in patients with multiple sclerosis: a multidimensional comparison with patients with chronic fatigue syndrome and healthy subjects. Archives of Neurology, 53, 642-649.
Vercoulen, J. H. M. M., Swanink, C. M. A., Fennis, J. F. M., Galama, J. M., Meer, J. W. van der, & Bleijenberg, G. (1996). Prognosis in chronic fatigue syndrome: a prospective study of the natural course. Journal of Neurology, Neurosurgery and Psychiatry, 60, 489-494.
Vercoulen, J. H. M. M., Swanink, C. M. A., Zitman, F. G., Vreden, S. G., Hoofs, M. P., Fennis, J. F., Galama, J. M., Meer, J. W. van der, & Bleijenberg, G. (1996). Randomized, double-blind, placebo-controlled study of fluoxetine in chronic fatigue syndrome. Lancet, 347, 858-861.
Vercoulen, J. H., Swanink, C. M., Galama, J. M., Fennis, J. F., Jongen, P. J., Hommes, O. R., Meer, J. W. van der, & Bleijenberg, G. (1998). The persistence of fatigue in chronic fatigue syndrome and multiple sclerosis: development of a model. Journal of Psychosomatic Research, 45, 507-517.
Versluis, R. G., Waal, M. W de, Opmeer, C., Petri, H., & Springer, M. P. (1997). Prevalence of chronic fatigue syndrome in 4 family practices in Leiden. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 141, 1523-1526.
Vollmer-Conna, U., Hickie, I., Hadzi-Pavlovic, D., Tymms, K., Wakefield, D., Dwyer, J., & Lloyd, A. (1997). Intravenous immunoglobulin is ineffective in the treatment of patients with chronic fatigue syndrome. American Journal of Medicine, 10, 38-43.
Vree, B. de, Werf, S. van der, Prins, J., Bazelmans, E., Vercoulen, J., Servaes, P., Vries, M. de & Bleijenberg, G. (2002). Gedragstherapie, 35(2), 157-164.
Wagenmakers, A. J. M., Coakley, J. H., & Edward, R. H. T. (1988). The metabolic consequences of reduced habitual activities in patients with muscle pain and disease. Ergonomics, 31, 1519-1527.
Wagner, L. I., & Jason, L. A. (1997). Outcomes of occupational stressors on nurses: Chronic fatigue syndrome-related symptoms. Nursing connections, 10, 41-49.
Wakiguchi, H., Fujieda, M., Matsumoto, K., Ohara, Y., Wakiguchi, A., & Kurashige, T. (1988). Defective killer cell activity in patients with chronic active Epstein-Barr virus infection. Acta Medica Okayama, 42, 137-142.
Walsh, C. M., Zainal, N. Z., Middleton, S. J., & Paykel, E. S. (2001). A family history study of chronic fatigue syndrome. Psychiatric Genetics, 11, 123-128.
Ware, N. C., & Kleinman, A. (1992). Culture and Somatic Experience: The Social course of Illness in Neurasthenia and Chronic Fatique Syndrome. Psychosomatic Medicine ,54(5), 546-560.
Wearden, A., Morriss, R., & Mullis, R. (1996). A double-blind placebo-controlled trial of fluoxetine and graded exercise for chronic fatigue syndrome (abstract). European Psychiatry, 11(suppl 4), 273.
Wearden, A. J., Morriss, R. K., Mullis, R., Strickland, P. L., Pearson, D. J., Appleby, L., Campbell, I. T., & Morris, J. A. (1998). Randomised, double-blind, placebo-controlled treatment trial of fluoxetine and graded exercise for chronic fatigue syndrome. British Journal of Psychiatry, 172, 485-490.
Wemekamp, H. (1992). Ik moe? Dat kan niet. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 136(30), 1433-1435.
Werf, S. P. van der, Prins, J. B., Vercoulen, J. H. M. M., Meer, J. W. M. van der, & Bleijenberg, G. (2000). Identifying physical activity patterns in chronic fatigue syndrome using actigraphic assessment. Journal of Psychosomatic Research, 49, 373-379.
Werf, S.P. van der, Prins, J., Klein-Rouweler, E., Jansen, T., Meer, J. van der, & Bleijenberg, G. (2002). Kenmerken van personen met ernstige vermoeidheid: een enquete onder leden van een zelfhulporganisatie. Gedragstherapie, 35(2), 147-155.
Wessely, S., & Powell, R. (1989). Fatigue syndromes: a comparison of chronic "postviral" fatigue with neuromuscular and affective disorders. Journal of Neurology, Neurosurgery and Psychiatry, 52, 940-948.
Wessely, S. (1990). Old wine in new bottles: Neurasthenia and 'M.E.'. Psychological Medicine, 20, 35-53.
Wessely, S., Chalder, T., Hirsch, S., Wallace, P., & Wright, D. (1996). Psychological symptoms, somatic symptoms, and psychiatric disorder in chronic fatigue and chronic fatigue syndrome: a prospective study in the primary care setting. American Journal of Psychiatry, 153, 1050-1059.
Wessely, S., Chalder, T., Hirsch, S., Wallace, P., & Wright, D. (1997). The prevalence and morbidity of chronic fatigue and chronic fatigue syndrome: a prospective primary care study. American Journal of Public Health, 87(9), 1449-1455.
Wessely, S.(2000). To tell or not to tell? The problem of medically unexplained symptoms. In A. Zeman & L. Emmanuel (Eds.), Ethical dilemmas in neurology (41-53). London: Saunders.
Wessely, S., Nimnuan, C., & Sharpe, M. (1999). Functional somatic syndromes: one or many? Lancet, 354, 936-939.
Whelton, C. L., Salit, I., & Moldofsky, H. (1992). Sleep, Epstein-Barr virus infection, musculoskeletal pain, and depressive symptoms in chronic fatigue syndrome. Journal of Rheumatology, 19, 939-943.
White, K. P., Speechley, M., Harth, M., & Ostbye, T. (2000). Co-existence of chronic fatigue syndrome with fibromyalgia syndrome in the general population-a controlled study. Scandinavian Journal of Rheumatology, 29, 44-51.
White, P. D. (1997). The relationship between infection and fatigue. Journal of Psychosomatic Research, 43, 345-350.
White, P. D., & Cleary, K. J. (1997). An open study of the efficacy and adverse effects of moclobemide in patients with the chronic fatigue syndrome. Internal Clinical Psychopharmacology, 12, 47-52.
White, P. D. (2000). The role of physical inactivity in the chronic fatigue syndrome. Journal of Psychosomatic Research, 49, 283-284.
White, C., & Schweitzer, R. (2000). The role of personality in the development and perpetuation of chronic fatigue syndrome. Journal of Psychosomatic Research, 48, 515-524.
Whiting, P., Bagnall, A. M., Sowden, A. J., Cornell, J. E., Mulrow, C. D., & Ramirez, G. (2001). Interventions for the treatment and management of chronic fatigue syndrome: a systematic review. Journal of the American Medical Association, 286, 1360-1368.
Wilke, W. S., Fouad-Tarazi, F. M., Cash, J. M., & Calabrese, L. H. (1998). The connection between chronic fatigue syndrome and neurally mediated hypotension. Cleveland Clinic Journal of Medicine, 65, 261-266.
Wilson, A., Hickie, I., Lloyd, A., & Wakefield, D. (1994). The treatment of chronic fatigue syndrome: science and speculation. American Journal of Medical, 96, 544-550.
Wolfe, F., Smythe, H. A., Yunus, M. B., Bennett, R. M., Bombardier, C., Goldenberg, D. L., Tugwell, P., Campbell, S. M., Abeles, M., & Clark, P. (1990). The American College of Rheumatology 1990 criteria for the classification of fibromyalgia. Arthritis and Rheumatology, 33, 60-72.
Wood, P. (1941). Aetiology of Da Costa's syndrome. British Medical Journal, 1, 845-850.
Wood, G. C., Bentall, R. P., Gopfert, M., & Edwards, R. H. T. (1991). A comparative assessment of patients with chronic fatigue syndrome and muscle disease. Psychological Medicine, 21, 618-628.
Wood, B., & Wessely, S. (1999). Personality and social attitudes in chronic fatigue syndrome. Journal of Psychosomatics, 47, 385-397.
DEEL 2 ------
Anderson, J. G. (2000). Health information on the internet: Let the viewer beware (caveat viewor). MDComputing, 17, 19-21.
Arts, S. (1997). Netscape Communicator 4. Sybex, Soest.
Barker, K. (2002). Self-Help literature and the making of an illness identity: the case of fibromyalgia syndrome. Social Problems, 49(3), 279.
Barrera, M., Glasgow, R. E., McKay, H. G., Boles, S. M., & Feil, E. G. (2002). Do internet-based support interventions change perceptions of social support?: An experimental trial of approaches for supporting diabetes self-management. American Journal of Community Psychology, 30(5), 637-654.
Bichakjan, C. K., Schwartz, J. L., Wang, T. S., Hall, J. M., Johnson, M., & Biermann, J. S; (2002). Melanoma information on the internet: Often incomplete - A public health opportunity? Journal of Clinical Oncology, 20(1), 134-141.
Biermann, J.S., Golladay, G. J., Greenfield, M. L., & Baker, L.H. (1999). Evaluation of cancer information on the internet. Cancer, 86(3), 381-390.
Black, D.W., Belsare, G., & Schlosser, S. (1999). Clinical features, psychiatric comorbidity, and health related quality of life in persons reporting compulsive computer use behavior. Journal of Clinical Psychiatry, 60, 839-844.
Brodie, M., Flournoy, R.E., Altman, D.E., Blendon, R.J,, Benson, J.M., & Rosenbaum, M.D. (2000). Health information, the internet and the digital divide. Health Affairs (Millwood), 19(6), 255-265.
Brunner, B. (2001). Computers and the internet: What users do on the internet. Time Almanac2001, 580-588.
Caillian, R., & Gillies J. (2000). How the web was born: The story of the World Wide Web. Oxford University Press.
Cain, M.M., Mittman, R., Sarasohn-Kahn, J., & Wayne, J.C. (2000). Health e-people: the online consumer experience. Oakland, California: California Healthcare Foundation and the Institute for the Future. Afgehaald van het WWW op 10 januari 2001: http://admin.chcf.org/documents/ehealth/HealthEPeople.pdf
Culver, J. D., Gerr, F., & Frumkin, H. (1997). Medical information on the internet: a study of an electronic bulletin board. Journal of General Internal Medicine, 12(8), 466-470.
Cyber Dialogue (2000). Impacts of the Internet on the Doctor-Patient Relationship. Afgehaald van WWW op januari 2001: http://www.cyberdialog.com
Cyber Dialogue (2001) Cybercitizen Health. Afgehaald van WWW op september 2002: http://www.cyberdialog.com
Eysenbach, G., & Diepgen, T. L. (1998). Towards quality management of medical information on the Internet: evaluation, labelling, and filtering of information. British Medical Journal, 317, 1496-1500.
Eysenbach, G. (2001). What is e-health? (editorial). Journal of Medical Internet Research, 3(2), e20. Afgehaald van het WWW op 10 mei 2002: http://www.jmir.org/2001/2/e20/
Finfgeld, D. L. (2000). Therapeutic groups online: the good, the bad, and the unknown. Issues in Mental Health Nursing, 21(3), 241-255.
Finn, J. (1999). An exploration of helping processes in an online self-help group focusing on issues of disability. Health and Social Work, 24(3), 220-231.
Forrester Report (2000). Why Doctors Hate the Net. Afgehaald van WWW op oktober 2000: http://www.forrester.com/ER/Research/Report/0,1338,9114,FF.html
Fox, S, & Rainie, L. (2000). The online health care revolution: how the Web helps Americans take better care of themselves. The Pew Internet & American Life Project. Afgehaald van WWW op december 2000: http://www.pewinternet.org
Gantz, N. M., & Coldsmith, E. E. (2001). Chronic fatigue syndrome and fibromyalgia resources on the world wide web: a descriptive journey. Clinical Infectious Diseases, 32, 938-948.
Gezondheidssites misleidend (2002, 14 november). Zorgkrant. Afgehaald van WWW op 14 november 2002: http://www.zorgkrant.nl
Gezondheidszorg en de communicatiesnelweg (2000, 20 september). De Standaard, p.3.
Hafner, K., & Lyon, M. (1996). When wizards stay up late: the origins of the internet. Simon & Schuster.
Halberstadt, J. (2002). Therapie via het internet //:veilig/virtueel/vlug.com. Psychologie Magazine, 21, 30-33.
Heaney, D., Wyke, S., & Wilson, P., Elton, R., & Rutledge, P. (2001). Assessment of impact of information booklets on use of healthcare services: randomised controlled trial. British Medical Journal, 322, 1218-1221.
Helft zoekt online medische informatie (2002, 25 juni). De Telegraaf. Afgehaald van WWW op 10 juli 2002: http://telegraaf.nl/digilink/teksten/dig.informatie.medische.online.surfers.html
Hjortdahl, P., Nylenna, M., & Gerlow Aasland, O. (1999). Internet and the physician-patient relationship - from "thank you" to "why"? Tidsskrift for Den Norske Laegeforening, 119(29), 4339-4341.
Hoffman-Goetz, L., & Clarke, J. N. (2000). Quality of breast cancer sites on the World Wide Web. Cancer Journal of Public Health, 91(4), 281-284.
Houkes, P. (2001, 23 juni). Therapie via internet beter dan traditionele sessies. Haagse Courant. Afgehaald van WWW op 9 september, 2002: http://www.steungroep.nl/archief/medisch/haag20010623.txt
Houston, T. K., & Allison, J. J. (2002). Users of internet health information: Differences by health status. Journal of Medical Internet Research, 4(2), e7.
Houston, T. K., Cooper, L. A., & Ford, D. E. (2002). Internet support groups for depression: a 1-year prospective cohort study. American Journal of Psychiatry, 159(12), 2062-2068.
Huisarts laat e-mail nog ongebruikt (2002, september). Gezond Nieuwsbrief (Consumentenbond) Afgehaald van WWW op 9 september 2002: http://listserv.surfnet.nl/scripts/wa.exe?A2=ind0209b&L=me-platform&D=1&O=D&F=&S=&P=3757
Impe, M. van (2002, 20 april). Dokter printer. De Financieel-Economische Tijd. Afgehaald van WWW op 14 september 2002: http://www.in.nl/sites/me-cvs/N2002/BELGIE.395
Jadad, A. R., & Gagliardi, A. (1998). Rating health information on the internet: navigating to knowledge or to Babel? Journal of the American Medical Association, 279, 611-614.
Kaplan, S. H., Greenfield, S., Gandek, B., Rogers, W. H., & Ware, J. E. (1996). Characteristics of physicians with participatory decision-making styles. Annals of Internal Medicine, 125(5), 497-504.
Kassirer, J.P. (1995). The Next Transformation in the Delivery of Health Care. New England Journal of Medicine, 332, 52-54.
Kennedy, A.J. (1998). The internet & world wide web: the rough guide. Cox & Wyman Ltd.
Kiley, R. (1999). Health information on the internet (Editorial - Internet Statistics.), Lancet, 10, 1-2.
Kisely, S. R. (2002). Treatments for chronic fatigue syndrome and the internet: a systematic survey of what your patients are reading. Australian and New Zealand Journal of Psychiatry, 36, 240-245.
Klem, P., & Hardie, T. (2002). Depression in internet and face-to-face cancer support groups: a pilot study. Oncology Nursing Forum, 29(4), E45-51.
Kraaijo, L. (2002, 6 februari). Cybertherapie vol valkuilen. Algemeen Dagblad. Afgehaald van WWW op 15 februari 2002: www.in.nl/sites/me-cvs/N2002/AD060202.TXT
Little, P., Somerville, J., Williamson, I., Warner, G., Moore, M., Wiles, R., George, S., Smith, A., & Peveler,R. (2001). Randomised controlled trial of self management leaflets and booklets for minor illness provided by post. British Medical Journal, 322, 1214.
Liu, B. (2000, 22 februari). Dokters ongerust over on line gezondheidszorg. De Standaard, p. 12.
Lovich, D., Silverstein, M. B., & Lesser R. (2001). Vital signs: the impact of e-health on patients and physicians. Boston Consulting Group. Afgehaald van WWW op maart 2001: http://www.bcg.com/publications/files/Summary_Vital_Signs_5_01_report.pdf
McLellan, F. (1998). "Like hunger, like thirst": patients, journals, and the internet. Lancet, 352(2S), 39-43.
Meric, F., Bernstam, E. V., Mirza, N. Q., Hunt, K. K., Ames, F. C., Ross, M. I., Kuerer, H.M., Pollock, R. E., Musen M. A., & Singletary, S. E. (2002). Breast cancer on the world wide web: cross sectional survey of quality of information and popularity of websites. British Medical Journal, 324(7337), 577-581.
Murero, M., D'Ancona G., & Karamanoukian, H. Use of the Internet by patients before and after cardiac surgery: telephone survey. Journal of Medical Internet Research, 3(3):e27.
Moore, A.S. (1999). How to help patients sift through junk on the internet. RN, 62, 67.
Nua Internet Surveys (2001, augustus). How many online? Afgehaald van WWW op 26 januari 2002: http//:www.nua.com/surveys/how_many_online/index.html
O'Connor, J. B., & Johanson, J. F. (2000). Use of the web for medical information by a gastroenterology clinic population. Journal of the American Medical Association, 284, 1962-1964.
Pingree, S., Hawkins, R. P., Gustafson D.H., Boberg, E.W., Bricker, E., Wise, M., Behre, H., & Hsu E. (1996). Will the disadvantaged ride the information superhighway? Hopeful answers from a computer-based health crisis system. Journal of Broadcasting and Electronic Media, 40, 331-353.
Podolsky, D. K. (1998). Patients, gastroenterologists, and the World Wide Web. Gastroenterology, 114(1), 5.
Poensgen, A., & Larsson, S. (2001). Patients, physicians and the Internet: myth, reality and implications. Boston Consulting Group. Afgehaald van WWW op 20 maart 2002: http://www.bcg.com/publications/files/Patients_Physicians_and_the_Internet_Jan_01_summary.pdf
Potts, H., & Wyatt, J.C.(2002). Online survey of doctors' experience of patients using the Internet. Journal of Medical Internet Research, 4(1), e5. Afgehaald van WWW op januari 2003: http://www.jmir.org/2002/4/e5/
Powell, J., & Clarke, A. (2002). The WWW of the World Wide Web: Who, What and Why? Journal of Medical Internet Research, 4(1):e4. Afgehaald van WWW op december 2002: http://www.jmir.org/2002/1/e4/
Ramaan, I. (2000, 9 mei) Netdokter? Volkskrant. Afgehaald van WWW op 10 mei 2000: http://www.zorgkrant.nl
Robinson, T. N., Patrick, K., Eng, T. R., & Gustafson, D. (1998). An Evidence-Based Approach to Interactive Health Communication: A Challenge to Medicine in the Information Age. Journal of the American Medical Association, 280, 1264-1269.
Sandvik, H. (1999). Health information and interaction on the internet: a survey of female urinary incontinence. British Medical Journal, 319, 29-32.
Showalter E. (1997). Hystories. London: Picador.
Silberg, W. M., Lundberg, G. D., & Musacchio, R.A. (1997). Assessing, controlling, and assuring the quality of medical information on the Internet. Journal of the American Medical Association, 277(15), 1244-1245.
Steenhorst, R. (2003, 18 januari). Ziekten van moderne tijd. De Telegraaf. Afgehaald van WWW op 20 januari 2003: http://www.telegraaf.nl
Subramaniam, V., Stewart, M. W., & Smith, J. F. (1999). The development and impact of a chronic pain support group: a qualitative and quantitative study. Journal of Pain and Symptom Management, 17(5), 376-383.
Tatsumi, H., Mitani, H., Haruki, Y., & Ogushi, Y. (2001). Internet medical usage in Japan: current situation and issues. Journal of Medical Internet Research, 3(1), e12. Afgehaald van WWW op januari 2002: http://www.jmir.org/2001/1/e12/
Taylor, H. (1999). Explosive growth of "cyberchondriacs" continues. (The Harris Poll #47). Afgehaald van WWW op januari 2003: http://www.harrisinteractive.com/harris_poll/index.asp?PID=117
Taylor, H. (2001). Cyberchondriacs Update. (The Harris Poll #19). Afgehaald van WWW op januari 2003: http://www.harrisinteractive.com/harris_poll/index.asp?PID=229
Timmerman, J. (2003). ME-patientenorganisaties. Een inventarisatie van de CVS/ME- patientenorganisaties in Nederland en een toetsing aan de criteria van een 'sociale beweging' volgens Duyvendak c.s. In S. Poldervaart (Ed.), Leven volgens je idealen. De andere politieken van de huidige sociale bewegingen in Nederland (338-367). Aksant.
Twisselmann, B. (2002). Disciplined doctors. British Medical Journal, 325(7357) , 226.
Ullrich, P. F., & Vaccaro, A. R. (2002). Patient education on the internet: opportunities and pitfalls. Spine, 27(7), E185-188.
Vallely, P. (2001, 18 april). Are you a cyberchondriac? The Independent. Afgehaald van WWW op juli 2001: http://www.independent.co.uk/story.jsp?story=67141
Van Houdenhove, B. (2000, 20 september). Gezondheidszorg en de communicatiesnelweg. De Standaard. Afgehaald van WWW op 4 december 2000: http://www.destandaard.be/archief/
White, M., & Dorman, S. M. (2001). Receiving social support online: implications for health education. Health Education Research, 16(6), 693-707.
Wilson, S. M. (1999). Impact of the Internet on primary care staff in Glasgow. Journal of Medical Internet Research, 1(2), e7. Afgehaald van WWW op januari 2002: http://www.jmir.org/1999/2/e7/
DEEL 3 ------
Best, S. J., Krueger, B., Hubbard, C., & Smith, A. (2001). An assessment of the generalizability of internet surveys. Social Science Computer Review, 19(2), 131-145.
Buchanan, T. & Smith, J. L. (1999). Using the Internet for psychological research: personality testing on the World Wide Web. British Journal of Psychology, 90(1), 125-144.
Dillman, D. A., Tortora, R.D. & Bowker, D. (1998). Principles for Constructing Web Surveys. Puilman, WA Washington State University Social and Economic Sciences Research Center.
Eysenbach, G. & Wyatt, J. (2002). Using the Internet for Surveys and Health Research. Journal of Medial Internet Research, 4(2), e13.
Heerwegh, D. (2001). Survey-onderzoek middels het internet: een exploratie van het terrein. Niet-gepubliceerd onderzoeksverslag, Departement sociologie, K.U.Leuven.
Joinson, A. (1999). Social desirability, anonymity, and Internet-based questionnaires. Behavioural Research Methods in InstrumentalComputing, 31(3), 433-438.
Krantz, J. H., Ballard, J. & Scher, J. (1997). Comparing the results of laboratory and World-Wide Web samples on the determinants of female attractiveness. Behavioural Research Methods in Instrumental Computing, 29, 264-269.
Nathanson, A. T., & Reinert, S. E. (1999). Windsurfing injuries: results of a paper- and Internet-based survey. Wilderness & Environmental Medicine, 10, 218-225.
Pettit, F. A. (2002). A comparison of World-Wide Web and paper-and-pencil personality questionnaires. Behavioural Research Methods in Instrumental Computing, 34(1), 50-54.
BIJLAGE 1 Vragenlijst internetgroep -------------------------
Geachte,
Ik ben een studente psychologie aan de KU Leuven en ben geinteresseerd in internetgebruik, meer in het bijzonder op het vlak van CVS. Over dit onderwerp maak ik een eindverhandeling en ik had hiertoe graag uw medewerking gevraagd.
De hier volgende vragenlijst omvat een twintigtal vragen die u anoniem kan invullen en waarbij de gegevens uitsluitend voor wetenschappelijk onderzoek worden gebruikt.
U zou mij een enorme dienst bewijzen als u hier allen massaal op reageert. Alvast bedankt!
Winde Hermans
Nationaliteit: O Belgische O Andere: ............................
1. Bent u
O man O vrouw
2. Bent u
a)CVS-patient O neen O ja en/of b)fibromyalgie-patient O neen O ja
3. Bent u lid van een CVS-hulpgroep?
O neen O ja O ja, van meerdere
4. Hoe vaak gebruikt u het internet? (bij nooit of zelden ga naar vraag 12)
O nooit O zelden O soms (=maandelijks) O vaak (=wekelijks) O heel vaak (=dagelijks)
5. Volgt u de laatste ontwikkelingen in het CVS-onderzoek op het internet?
O nooit O zelden O soms O vaak O heel vaak
6. Wat is uw favoriete CVS-site?
7. In welke mate biedt het internet u
a) steun O geen O onvoldoende O voldoende O veel
b) informatie O geen O onvoldoende O voldoende O veel
c) erkenning O geen O onvoldoende O voldoende O veel
8. Bent u tevreden over de betrouwbaarheid van de CVS-informatie op het internet?
O nooit O zelden O soms O meestal O altijd
9. Hebt u contact met (andere) CVS-patienten via het internet?
O nooit O zelden O soms O vaak O heel vaak
10. Hebt u al CVS-patienten van het internet ontmoet?
O nooit O zelden O soms O vaak O heel vaak
11. Chat u?
O nooit O zelden O soms O vaak O heel vaak
12. Voelt u zich begrepen door uw huisarts?
O nooit O zelden O soms O vaak O heel vaak O altijd
13. Bent u al veranderd van huisarts wegens onbegrip?
O neen O ja, een keer O ja, meerdere keren
14. Voelt u zich begrepen door
a) uw familie O nooit O zelden O soms O vaak O heel vaak O altijd
b) uw omgeving O nooit O zelden O soms O vaak O heel vaak O altijd
15. Duidt de alternatieven die u al geprobeerd hebt vooraan aan. Evalueer erachter of u het achteraf gezien opnieuw zou doen. Duidt voor de overige, nog niet geprobeerde alternatieven, aan in welke mate u ze zou willen proberen. De alternatieven die u niet kent, kan u volledig blanco laten.
Alternatieven Evaluatie of te proberen
Al geprobeerd ZEKER JA MISSCHIEN NEEN ZEKER NIET a) Acupunctuur O O O O O O b) Acclydine-kuur O O O O O O c) Algemeen dieet O O O O O O d) Ampligen-kuur O O O O O O e) Antibiotica-kuur O O O O O O f) Biopunctuur O O O O O O g) Cognitieve O O O O O O gedragstherapie h) Cryptotetanietest O O O O O O i) FASTest O O O O O O j) Homeopathische O O O O O O middelen k) Lymfedrainage O O O O O O l) Magnesiumpillen O O O O O O m) Magnesiumbaxters O O O O O O n) Manuele therapie O O O O O O o) Nosoden O O O O O O p) Ontgiftigings- O O O O O O dieet q) Ozontherapie O O O O O O r) PCR-test O O O O O O s) RnaseL-test O O O O O O t) Spagyrisch O O O O O O complex Andere: O O O O O O
16. Welke mensen heeft u al opgezocht? Wat was uw ervaring met deze hulpverleners? (-- heel slecht, - slecht, -+ zowel positief als negatief, + goed, ++ heel goed)
-- - +/- + ++ a) Homeopaat b) Huisarts c) Immunoloog d) Internist e) Kinesitherapeut f) Neuroloog g) Orthomoleculaire arts h) Osteopaat i) Psychiater j) Psycholoog k) Sofroloog l) Ergotherapeut m) Internettherapeut Andere:
17. Is CVS volgens u louter lichamelijk?
O ja O neen O weet niet
18. Indien neen op vraag 17: psychische factoren spelen een rol
O als gevolg O als oorzaak O beide
19. De 'ideale' CVS- behandeling is voor u
O louter lichamelijk O louter psychisch O beide
20. Wat is uw mening over dit CVS-referentiecentrum?
21. Bij welke CVS-deskundige sluit uw visie op CVS het beste aan?
O Prof. Van Houdenhove O Prof. De Meirleir O Beide O Neutraal
O Andere: ...
22. Wat de benaming van uw ziekte betreft, gaat uw voorkeur uit naar:
O ME (myalgische encefalomyelitis) O ME (myalgische encefalopahtie) O CVS (chronisch vermoeidheidssyndroom) O NEIDS (neuro-endocrino-immuno-dysfunctie syndroom) O CNDS (chronisch neuro-endocrino-immuno-dysfunctie syndroom)
23. Eventuele opmerkingen, wat u nog kwijt wil:
Bedankt voor uw medewerking!
BIJLAGE 2
Idem als bijlage 1
Ga terug
|