me-cvs-vereniging site

Home - Nieuws - Links - Boeken - Gastenboek - Forum - Info - Over mij - Help - Readme English visitors
Nieuws brief


Chronisch Vermoeidheidssyndroom en Tewerkstelling:
een exploratief onderzoek
--------------------------------------------------

Universiteit Gent
Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen
Academiejaar 2001-2002
Promotor: Prof. Dr. Rita Claes
Copromotor: Prof. Dr. Stefaan Lievens


D'hont Jelle

Scriptie tot het behalen van het diploma licentiaat in de psychologie
Optie bedrijfspsychologie en personeelsbeleid


Dankwoord
---------

Graag wou ik de volgende mensen, bedrijven en instituten bedanken voor hun
bereidwillige medewerking aan deze scriptie: Het Vlaams fonds voor sociale
integratie van personen met een handicap, Eric Samoy, ATB West-Vlaanderen,
Orientatiecentrum Wilrijk, West-Vlaamse consultatiebureaus, Consultatiebureau
De Vest Brussel, BW Temse, BW Tordaele Torhout, BW Blankedale Tienen,
BW Mariasteen Gits, BW De Brug Mortsel, WAAK Kuume, BW Westlandia Leper,
BW De Gesterbank Oostende, BW t'Veer Menen, BW Demival, BW Ryhove,
BW Trianval, BW Zonnehoeve. Directeur geneesheer Patrick Galloo van de
Socialistische Mutualiteiten. Alsook alle CVS-patienten die in 1 of andere
zin hebben meegewerkt aan het realiseren van deze thesis. De ME-vereniging
en mevr. Alice Vertommen, nationaal voorzitster. Gorik Pinkhof en
Lic. A. Pringels voor de goede raad. Wannes Rambour, die mij toegang
verleende tot zijn aangelegde patientenbestand. Dr. Anne Van Duyse voor de
begeleiding en het in goede banen leiden van het onderzoek bij de
CVS-patienten en het UZ Gent om dit onderzoek mogelijk te maken. Tot slot
wil ik graag Prof. Dr. S. Lievens bedanken voor de begeleiding en nodige
bijsturing.


Inhoudstabel
Dankwoord
Inhoudstabel
Lijst Tabellen
Lijst Appendices
Abstract
Inleiding

1. Het Chronisch Vermoeidheidssyndroom
1.1 Etiologie en historische Achtergrond
1.2 Begripsomschrijving
1.3 Differentiaaldiagnose
1.4 Epidemiologie
1.5 Prognose

2. Gevolgen voor de CVS-patienten
2.1 Financieel
2.2 Sociaal - emotioneel

3. Aandacht voor enkele belangrijke Schakels i.v.m.
Werk en Hertewerkstelling
3.1 Functie en Doelstellingen van de Zelfhulpgroepen
3.2 Verslag van Rondvraag bij Beschutte Werkplaatsen en het Vlaams Fonds
3.3 De Huisarts
3.4 De Medisch-adviseur
3.5 De Mutualiteiten
3.6 De Arbeidsgeneesheer

4. Aandacht voor Tewerkstelling - Onderzoek
4.1 Werken met CVS
4.2 Verder werken met CVS
4.3 Terug willen werken en chronisch ziek zijn: de Werkhervatting
4.4 Hoe zit het met de Werkgevers?
4.5 Beroepsgeschiktheid voor CVS-patienten
4.6 Conclusie
4.8 Discussie
4.9 Conclusie

Literatuurlijst
Lijst Tabellen:
Tabel I : Tewerkstellingsgraad bij CVS-patienten
Tabel II : Werkaanpassingen van werkhervatters na een WAO-keuring, bij
respectievelijk de oude werkgever, de nieuwe werkgever en
in totaal
Tabel III: Achtergrondgegevens onderzoekspopulatie

Lijst Appendices:
Appendix a: vragenlijst onderzoek bij CVS-patienten
Appendix b: vragenlijst medisch adviseurs - CVS en tewerkstelling
Appendix c: testresultaten - SPSS-outputs


Abstract
--------

Met deze exploratieve studie zal worden getracht een beeld te krijgen van
hoe de CVS-problematiek wordt ingepast in de hedendaagse arbeidsmarkt. Eerst
zal een grondige literatuurstudie worden ondernomen zodat er een duidelijk
beeld verkregen wordt over wat CVS inhoudt, wat de symptomen, de mogelijke
oorzaken en gevolgen ervan zijn, welke sociale maatregelen er door de
overheid reeds getroffen zijn. Daarna zullen een reeks van diepte-interviews
en kwalitatieve vragenlijsten worden afgenomen. Dit bij 2 groepen, enerzijds
de CVS-patienten, anderzijds enkele bevoorrechte getuigen bestaande uit
professoren, personeelsdirecteurs van beschutte werkplaatsen, medische
experts en voorzitters van CVS-steungroepen. Via deze informatie zal een
beeld worden geschetst van hoe de twee groepen staan tegenover CVS en de
tewerkstellingsproblematiek errond. Na deze exploratieve studie zullen dan
de bevindingen worden geformuleerd, aangevuld met mogelijke kritieken en
eventuele nieuwe denkpistes.


Inleiding
---------

Woord vooraf
------------

Het werk is vandaag de dag niet meer te vergelijken met het werk van onze
ouders en grootouders. Vroeger deden werkgevers vooral beroep op dynamische
spierkracht in fabrieken of buiten op het land. Tegenwoordig werken de
meeste mensen in kantoren, met klanten, leerlingen of patienten en wordt
vooral een beroep gedaan op vermogens als denken, concentreren, onthouden,
beslissingen nemen en overtuigen. Automatisering, mechanisering en
computerisering hebben van veel handenarbeid hoofdarbeid gemaakt. Het werk
is ook intensiever geworden, overwerk, onregelmatig werk en werk in het
weekend hebben de werkdruk er zeker niet minder makkelijk op gemaakt hoewel
er wordt gestreefd naar een kortere werkweek en je dus net het
tegenovergestelde verwacht. Bedrijven evolueren naar slanke, platte
structuren met weinig hierarchische lagen. Bijgevolg worden de functies
compacter en stijgt de verantwoordelijkheid. De grenzen tussen thuis en het
werk vervagen, tegenwoordig moet je overal en altijd bereikbaar zijn. GSM's
en laptops met een internetaansluiting zijn niet meer weg te denken uit de
hedendaagse bedrijfswereld en wie er niet aan meedoet, raakt hopeloos
achterop. Het woon-werkverkeer wordt steeds stresserender. Mensen wonen ver
van hun werk af en de weg er naar toe is vol hindernissen bezaaid. In de
auto krijg je te maken met dagelijkse files, de treinen rijden vaak niet op
tijd, treinstakingen om de haverklap, ... Deze veranderingen in de aard en
de context van het werk zijn er mede voor verantwoordelijk dat de
geestelijke werkbelasting de laatste jaren sterk is toegenomen. Vroeger meer
dan nu was arbeidsziekte duidelijk afgebakend, meestal was er een duidelijke
kwetsuur die werd opgelopen door fysieke arbeid te verrichten. Momenteel
komen (stress)ziekten t.g.v. het werk vaker voor en is er een veel langere
periode tussen het ontstaan van de ziekte en het opduiken van de symptomen.
Deze ziektes zijn niet meer zo concreet observeerbaar als bij b.v. een open
vleeswonde.

Het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS) is ook zo een ziekte. Een aantal
CVS-patienten melden een overactief programma op hun werk. Het werk wordt
door CVS-patienten zelf meestal niet als directe oorzaak voor hun ziekte
naar voren geschoven, maar het sluit er voor velen toch dicht bij aan.

Als student bedrijfspsychologie leek het interessant dit verschijnsel in
verband met werk eens te bekijken. Het uitvallen van mensen op de
arbeidsmarkt is een pijnlijke zaak. Niet enkel voor de persoon die 'uitvalt'
heeft dit negatieve gevolgen, ook de werkgever en de maatschappij in het
algemeen lijden onder deze situatie. Het bestuderen van CVS-patienten met de
focus op het werk, kan interessante inzichten opleveren. Aandacht voor de
relatie 'CVS(-patient) en werk' kan ons veel leren over het hoe en waarom
van de uitval, maar ook over wat van belang is om deze mensen na verloop van
tijd opnieuw tewerk te stellen. De aandacht voor vermoeidheid richtte zich
op de lichamelijke verschijnselen, maar in de loop van de twintigste eeuw
kwam dan uiteindelijk belangstelling voor geestelijke vermoeidheid, onder
meer door de technologische vooruitgang die steeds meer geestelijke arbeid
van mensen vroeg. Ziekte ging steeds vaker gepaard met klachten over
vermoeidheid. Een apart ziektebeeld met als belangrijkste symptoom
uitputtende en invaliderende vermoeidheid, sprong daarbij in het oog.
Decennia lang werd onderzoek gedaan naar dit verschijnsel dat eind de jaren
tachtig officieel werd gedefinieerd: het chronische vermoeidheidssyndroom
(CVS) of ook wel Myalgische Encephalomyelitis (ME) genoemd.
De onduidelijkheid van het syndroom en de continue discussies in de
bewijsvoering zorgen voor een lange lijdensweg voor zij die er aan lijden.
Het is een typische onbegrepen ziekte in deze nieuwe tijd.

Deze exploratieve studie staat stil bij de CVS-problematiek in relatie met
het werk(en). De vragen; hoe wordt met de CVS-problematiek omgegaan in de
hedendaagse arbeidsmarkt en kunnen CVS-patienten al dan niet ingepast worden
in de arbeidsmarkt en wat is hierbij van belang, staan centraal. In het
eerste hoofdstuk wordt er tot een brede begripsomschrijving van het syndroom
gekomen. Het tweede hoofdstuk belicht kort de gevolgen van het CVS. In het
derde hoofdstuk wordt gekeken naar de zelfhulpgroepen, de huisartsen, de
medisch-adviseurs, arbeidsgeneesheren en mutualiteiten en welke rol zij
spelen bij de CVS-problematiek en tewerkstelling. Het laatste hoofdstuk,
hoofdstuk 4, gaat over de tewerkstelling en hertewerkstelling bij
CVS-patienten. Er wordt een duidelijk beeld geschetst van de betekenis en het
belang van werk en van hoe het momenteel met de tewerkstelling,
hertewerkstelling en integratiemaatregelen voor chronisch zieken en
specifiek CVS-patienten is gesteld. Via een schriftelijke bevraging van een
CVS-populatie van het UZ Gent, bestaande uit zowel werkenden als niet
werkenden werd onderzocht wat CVS-patienten denken en wensen wanneer er over
werken wordt gesproken.

* Voor een vlotte leesbaarheid zullen de volgende woorden in de thesis
worden afgekort: Het Chronisch Vermoeidheidssyndroom wordt afgekort
tot 'CVS', een Beschutte Werkplaats wordt afgekort tot 'BW',
het Vlaams Fonds wordt afgekort tot 'VF' en de Centres for Disease
Control worden afgekort tot 'CDC'.


1. Het Chronisch Vermoeidheidssyndroom
---------------------------------------

1.1. Etiologie en historische Achtergrond
--------------------------------------------

Het Chronisch Vermoeidheidssyndroom is een chronische, invalididerende
ziekte waarvan het hoofdsymptoom per definitie vermoeidheid is. Het is
belangrijk om te beseffen dat de soort moeheid die door veel CVS-patienten
wordt ervaren in de verste verte niet lijkt op de 'gewone' vermoeidheid die
de meesten van ons wel eens meemaken na een grote inspanning. De moeheid
wordt ervaren als uitputting. CVS-patienten beschrijven 'hun' vermoeidheid
wel eens als 'de stop die er uitgetrokken is, waardoor alle energie is
weggezogen'. Lichamelijke en geestelijke activiteit kan - in tegenstelling
tot sommige andere ziekten - de toestand van een CVS-patient aanzienlijk
verslechteren. Soms kun je CVS-patienten aantreffen die, hoewel zij veel
klachten over vreselijke vermoeidheid en spierpijnen hebben, in staat zijn
om ogenschijnlijk 'doodgewone' fysieke prestaties te leveren. De prijs die
ze hier achteraf voor moeten betalen is echter hoog: zij moeten nadien soms
dagenlang in bed blijven om van hun inspanningen te herstellen. Veel
patienten hebben geleerd hoe ze van te voren energie kunnen opsparen om in
staat te zijn bepaalde dingen te doen.

Het begin van deze aandoening kan langzaam en verraderlijk zijn of juist
zeer acuut. De ziekte is bijna altijd van onbepaalde duur. Symptomen zijn
o.a.: hoofdpijn, gezwollen en pijnlijke lymfeklieren,. gewrichts- en
spierpijnen, angst, paniekaanvallen, pijnlijke keel, moeilijke concentratie,
niet-herstellende slaap, aangetaste cognitie, verhoogde chemische
gevoeligheden en allergische fenomenen. De belangrijkste symptomen zijn
ernstige vermoeidheid, spierpijn en krampen.

Beide geslachten worden getroffen. De meest voorkomende patient is van het
vrouwelijk geslacht, tussen de 25 en 40 jaar, maar er zijn ook veel oudere
patienten en zelfs 30% van de patienten zijn kinderen. Er werd gesteld dat
vooral de sociale bovenklasse, waardoor de ziekte ook wel de 'Yuppie Flu'
werd genoemd, het gevoeligst waren aan CVS. De patienten zouden
hooggeschoolde, prestatiegedreven personen zijn uit de rijkere klasse
(Klonoff, 1992). Medische en opvoedkundige jobs zouden eveneens veel
gevoeliger zijn dan anderen. Deze stellingen werden onderzocht en men kwam
tot resultaten die de stelling ruimschoots bevestigden. Verdere onderzoeken
wezen echter uit dat er voor de hogere gevoeligheid noch voor de
bovenklasse-burger, noch voor de zorgberoepen empirische steun werd gevonden
(Buchwald e.a., 1995). De ziekte respecteert geen socio-economische grenzen
wat betreft het krijgen ervan; het voorkomen en oplossen is een andere zaak.
Daar zeker in Amerika en in mindere mate bij ons in Europa de medische
toegankelijkheid niet voor iedereen gelijk is.


1.2. Begripsomschrijving
------------------------

1.2.1. Ontstaansproces
-----------------------

Rond midden de jaren '80 kwam CVS echt op. Er ontstond een zoektocht naar
aanvaarding en de traditionele wetenschappelijke methodes werden boven
gehaald om het probleem te bestuderen. Het echte startpunt volgde echter in
1988 toen wetenschappers het 'nieuwe' syndroom probeerden te definieren.
De CDC-criteria of criteria van Holmes zorgden voor ondersteuning bij de
wetenschappelijke aanvaarding van het syndroom. Het was tevens het startschot
voor een nieuwe generatie wetenschappelijk onderzoek naar etiologie,
prevalentie en behandeling.

In eerste instantie waren de criteria vooral gericht op het uitsluiten van
vele andere aandoeningen, van zowel fysische als psychische aard. Het was
natuurlijk een dwaze gedachte te stellen dat CVS en psychische aandoeningen
mutueel exclusief zijn. Al snel bleek dat de specialisten zelf beslisten of
de ene aandoening een gevolg was van de andere. Bij gevolg bleken de
criteria niet langer meer objectief en waren de diagnoses eerder een
persoonlijk oordeel van de specialisten. Het duurde niet lang alvorens de
opstellers van de eerste criteria aanstuurden om het psychisch exclusie-
criterium te verwijderen uit de lijst (Wessely & Hotopf, 1999). Er volgden
aanpassingen tijdens de Washington Conference in 1991 en in 1994 na een
meeting in Atlanta (CDC Atlanta, 1994). Ook in Europa werkten wetenschappers
aan een vernieuwde definitie, in 1991 kwamen Sharpe, Wesseley en White tot
een consensus en werden de 'Oxford' criteria opgesteld. Lloyd e.a. (1988)
formuleerden de Australische diagnostische criteria.

Er is veel onenigheid over het ontstaan en de oorzaken van CVS. Maar over
1 ding is iedereen het eens: er bestaat geen sluitende definitie voor CVS.
Het is niet de bedoeling hier een bloemlezing te geven van de vele definities
die bestaan, maar het lijkt toch wel noodzakelijk die criteria te vermelden
die door bijna alle onderzoeken worden vermeld en ook in Belgie gelden.
Eerst worden de CDC-criteria of de criteria van Holmes (1988) voorgesteld,
daarna de aangepaste criteria, de criteria van Fukuda (1994).


1.2.2. CDC of Holmes Criteria (1988)
-------------------------------------

Om de diagnose CVS te kunnen stellen moet de patient voldoen aan de
2 majeure criteria en 8 of meer van de 11 symptomatische mineure criteria,
of aan de 2 majeure criteria, samen met 2 of meer van de fysische mineure
criteria en 6 van de symptomatische mineure criteria.

a) majeure criteria:

* Ernstige vermoeidheid, of vermoeibaarheid, niet aanwezig in de
voorgeschiedenis, en die niet betert met bedrust. De vermoeidheid
moet nieuw zijn voor het individu: er mag in de anamnese geen
gelijkaardig symptoom voorkomen. De vermoeidheid moet de gemiddelde
dagelijkse activiteit gedurende minstens 6 maanden tot beneden de
50 % reduceren vergeleken met de premorbiede toestand.
* Andere ziekten die gelijkaardige symptomen kunnen geven moeten
uitgesloten worden, waaronder eveneens zware depressie en andere
klinische aandoeningen die soortgelijke symptomen met zich meebrengen.

b) mineure criteria:

Meer dan 6 symptomatische mineure criteria plus 2 fysische mineure symptomen
of minstens 8 symptomatische symptomen zijn nodig.

Symptomen mineure criteria:

Om aan het criterium te voldoen, moet een symptoom begonnen zijn samen met
of tijdens het optreden van de verhoogde vermoeibaarheid, en moet gedurende
minstens 6 maanden voorkomen.

1. Koude rillingen of orale temperatuur tussen 37.6 en 38.6 C.
2. Keelpijn.
3. Pijnlijke lymfeklieren axillair, of anterieur of posterieur cervicaal
4. Veralgemeende onverklaarde spierzwakte.
5. Myalgia.
6. Voordien nooit optredende asthenie, minimum meer dan 24 uur na
inspanning aanblijvend.
7. Veralgemeende hoofdpijn, nieuw optredend.
8. Migratoire artralgie zonder roodheid of zwelling niet-inflammatoir.
9. Neuropsychologische klachten. 1 of meer van de volgende klachten:
fotofobie, transiente visuele scotoma, vergeetachtigheid, overdreven
irritabiliteit, concentratieproblemen, depressie, moeilijkheden met
nadenken, verwarring.
10.Slaapstoornissen: hypersomnia of insomnia.
11.Het symptomencomplex moet geschreven worden als zich ontwikkelend in
een paar uren of dagen (acuut of subacuut).

Fysische mineure criteria:

Deze moeten door een geneesheer minstens twee keer gedocumenteerd worden,
met minstens 1 maand interval.

1. Orale lichaamstemperatuur tussen 37.6 en 38.6 C, rectaal tussen 37.8 en
38.8 C.
2. Niet-exsudatieve pharyngitis
3. Palpabele of pijnlijke lymfeklieren, axillair of anterieur of
posterieur cervicaal. (max. 2 cm doorsnede).

Velen vonden de criteria te strikt, vooral de uitsluiting van patienten met
een gelijktijdige of voorafgaande psychiatrische aandoening werd als een
tekort ervaren. Bij gevolg herdefinieerde het CDC het syndroom en in 1994
werden nieuwe richtlijnen opgesteld (Wessely & Hotopf, 1999).


1.2.3. Fukuda-criteria (1994)
------------------------------

CVS wordt gedefinieerd als zelfgerapporteerde, klinisch geevalueerde,
lichamelijk onverklaarde aanhoudende of terugkerende chronische vermoeidheid
(>6 maanden), die

* Niet het resultaat is van voortdurende inspanning
* Een nieuw of duidelijk begin heeft
* Niet aanzienlijk verbetert door rust
* Heeft geleid tot forse afname van vroegere niveaus van beroepsmatig,
sociaal of persoonlijk functioneren,

En gekarakteriseerd wordt door minstens 4 van de volgende
symptomen (>6 maanden):

1. Zelfgerapporteerde beperkingen in korte termijn-geheugen of
concentratieproblemen
2. Keelpijn
3. Gevoelige hals- of okselklieren
4. Spierpijn of gewrichtspijn zonder zwelling of roodheid
5. Hoofdpijn
6. Slaapklachten
7. Malaiseklachten na inspanning die langer dan 24 uur duren.

Exclusiecriteria voor CVS diagnose
----------------------------------

* Elke medische conditie die de chronische vermoeidheid zou kunnen
verklaren.
* Elke eerder gediagnostiseerde medische conditie waarvan niet
geheel zeker is dat deze volledig genezen of onder controle is en
die de chronische vermoeidheid zou kunnen verklaren.
* Elke vroeger of huidige diagnose van een depressie in engere zin
met psychotische of melancholische kenmerken, bipolaire affectieve
stoornissen, schizofrenie, waanstoornissen, dementie, anorexia nervosa,
boulimia nervosa.
* Alcohol- en ander substantiemisbruik minder dan twee jaar voor het
begin van de chronische vermoeidheid.
* Zeer ernstig overgewicht (Quetelet index > 45)


1.2.4. Evaluatie van de verschillende Criteria
----------------------------------------------

Bij het vergelijken van de criteria van Holmes e.a. (1988) met de herziene
criteria van Fukuda e.a. (1994) vinden we twee belangrijke verschillen. De
eerste diagnostische criteria stellen dat 8 symptomen aanwezig moeten zijn
en dat de CVS-diagnose wordt uitgesloten indien er een chronische
psychiatrische stoornis aanwezig is. De herziene criteria zijn hierin minder
strikt waardoor de diagnose sneller wordt gesteld. Bij gevolg is de
comorbiteit van psychiatrische stoornissen groter bij het gebruik van de
Fukuda criteria. Komaroff e.a. (1996) onderzochten de huidige criteria en de
werkdefinitie en kwamen tot de conclusie dat ze voldoen aan hun opzet.
Namelijk een duidelijk onderscheid maken tussen symptomen van CVS-patienten
en die van gezonde mensen, mensen met depressie en multiple sclerose.
Recentere studies (Lipkin e.a., 1997) spreken dit duidelijk onderscheidend
vermogen tegen. Reactie hierop is dat overlap nu eenmaal aanwezig is en dat
moet worden verder gezocht naar zowel gelijkenissen als verschillen tussen
CVS en psychiatrische stoornissen (Wessely & Hotopf, 1999).

Naast deze criteria bestaan nog tal van andere criteria, onder meer in
Groot-Brittannie en Australie hebben ze andere criteria opgesteld. Echt grote
verschillen tussen de verschillende criteria zijn er niet. Zo leerde een
onderzoek van Bates e.a. (1994) dat bij 805 patienten, verspreid over
verscheidene ziekenhuizen, uiteindelijk 61% aan de CDC-criteria voldeed,
55% aan de Britse en 56% aan de Australische criteria.

1.3. Differentiaaldiagnose
--------------------------

Bij de DSM-IV (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) vinden
we voor CVS geen specifieke diagnose. Afhankelijk van verdere
symptomatologie kunnen we het eventueel rangschikken onder 300.81 (F45.0):
somatisatiestoornis (hoewel hierbij moeheid niet als kernsymptoom wordt
genoemd) of 300.81 (F45.1): ongedifferentieerde somatoforme stoornis.
Soms wordt, afhankelijk van de symptomatologie, chronische vermoeidheid ook
onder de angststoornissen gerangschikt, vooral onder de paniekaanvallen
(300.1), sociale fobie (300.23) of gegeneraliseerde angststoornis (300.02,
waarbij 'snel vermoeid zijn' als 1 van de criteria ingesloten is). Er zou
ook aan depressieve stoornissen kunnen worden gedacht. Bij dysthyme stoornis:
300.4 (F34.1), vindt men het criterium: weinig energie of moeheid. Met de
LCD-10 komt men beter uit; in dit diagnostisch systeem wordt chronische
moeheid gerangschikt onder de neurasthenie (F48.0, p. 192-3).

1.4. Epidemiologie
------------------

Het grote probleem bij de meting van het voorkomen van CVS in een populatie
is de aanvaarding ervan. De geneesheren die CVS niet aanvaarden en erkennen
als ziekte, zullen geen 'diagnose CVS' stellen, waardoor een vertekend beeld
van de prevalentie ontstaat. Prevalentiecijfers van CVS varieren sterk, mede
afhankelijk van de operationalisatie en de onderzoeksmethodiek. In een
overzichtsartikel van Wessely (1995) worden prevalentiecijfers genoemd van
37 per 100.000 inwoners in Australie (Lloyd e.a., 1990) en 51 per 100.000 in
West Schotland (Ho-Yen, 1988). Een meer systematische studie in twee
Amerikaanse klinieken komt tot prevalentiecijfers van 0.3 procent volgens de
CDC criteria van 1988, 0.4 procent volgens de Britse criteria en 1.0 procent
volgens de Australische criteria (Bates e.a., 1993). Wessely gaf aan dat de
prevalentiecijfers in de loop van de jaren opmerkelijk gestegen zijn,
waarschijnlijk (mede) onder invloed van de toenemende bekendheid van het
syndroom. Voor Nederland is de prevalentie van CVS geschat op 7 per 10.000
(Van Der Meer, 1994). Nederlandse huisartsen kwamen in 1997 en 2000
respectievelijk tot ongeveer 17000 en 26000 vermoede CVS-patienten. In deze
tijdspanne werd dus een toename van 8 a 9000 CVS-patienten vastgesteld.
Dergelijke degelijk onderzochte epidemiologische gegevens zijn niet
beschikbaar voor Belgie. Indien deze Nederlandse schattingen worden
geextrapoleerd naar de Belgische bevolking zouden 10000 a 15000 Belgen
momenteel lijden aan CVS (Van Houdenhove, 2001). Met een jaarlijkse toename
van ongeveer 1200 patienten. Bobbaers (1998) schat het aantal patienten
tussen 2500 en 10000, terwijl informele bronnen spreken over 15000 tot 20000
en sommigen zelfs over nog meer. De meest recente bronnen (Meire, 2001)
spreken over 13000 CVS-patienten in Belgie. Uiteindelijk is de bepaling van
de prevalentie afhankelijk van de operationalisatie van het begrip CVS
(Bates e.a., 1993). Bazelmans e.a. (1997) en Gunn e.a. (1993) komen tot een
vergelijkbaar percentage van ongeveer 81% vrouwen. De prevalentie van het
CVS bij jongeren (tieners) schatten De Jong e.a. (1997) op 10 a 20 per
100.000 inwoners en CVS zou voorkomen vanaf ongeveer 8 jarige leeftijd. De
leeftijdsgroep 24 tot 45 jarigen zou goed zijn voor 55% van de totale
populatie. De patienten komen, ondanks vroegere beweringen zoals over de
'Yuppie Flu', uit alle sociale klassen (Shepherd, 1996 en Buchwald e.a.,
1995).

1.5. Prognose
-------------

De ziekte kent bij elke patient een ander verloop, een eenduidige
beschrijving van het ziekteverloop bestaat dan ook niet. Opvattingen over de
prognose bij CVS-patienten varieren van vrijwel ongeneeslijk tot 'self-
limiting' binnen enkele jaren (Harari & Glas, 1993). Veel auteurs zien de
prognose niet rooskleurig: 35% van de patienten maakt na enige jaren kans
op (bijna) genezing. Bij 40% houden de symptomen chronisch aan. Rond de 20%
gaat niet voor- of achteruit en ongeveer 5% verslechtert zodanig, dat ze
blijvend in een rolstoel of bed belanden (Shepherd, 1996). Het percentage
verbetering loopt in de literatuur sterk uiteen, van 20 tot 60%. Tussen de
20% en 50% van de CVS-patienten in behandeling bij specialisten verbeteren
tot op een middelmatig niveau, maar minder dan 10% functioneert uiteindelijk
terug als vroeger. Bij een systematische herziening van de literatuur (Joyce,
Hotopf & Wessely, 1997) komen volgende conclusies naar voren. Van 26 studies
waren er vier gericht op kinderen. Men vond dat 54 tot 94% van de kinderen
herstelden tijdens de follow-up perioden. Vijf studies waren vooral gericht
op volwassenen, hier vond men dat minder dan 10% terugkeerde naar het
pre-morbide functioneringsniveau en de meerderheid was blijvend significant
verzwakt. De overige studies gebruikten minder stringente criteria om hun
doelpopulatie af te bakenen. Bij de patienten in 'primary care' met
vermoeidheid die minder dan 6 maanden duurt, verbetert er ten minste 40%.
Er werd geconstateerd dat hoe strenger en dus strikter de definitie is, hoe
slechter de prognose wordt. Consistent gerapporteerde risicofactoren voor
een mindere positieve prognose zijn; oudere leeftijd, more chronic illness,
een comorbide. psychiatrische stoornis hebben en geloven dat de ziekte
veroorzaakt wordt door fysische oorzaken. Predictoren van verbetering zijn:
een subjectief gevoel van controle over de symptomen, minder vermoeidheid,
een minder lange duur van de klachten en een relatieve afwezigheid van
fysieke attributies (Vercoulen e.a., 1996). Sociodemografische variabelen of
behandeling bij specialisten hadden geen voorspellende waarde voor
verbetering. Betrouwbare cijfers over het klachtenbeloop bij jongeren met
CVS zijn er nauwelijks. Net als bij volwassenen zijn er aanwijzingen dat de
kans op spontaan herstel geringer is naarmate de klachten langer duren
(Kennedy & Parce 1995).

2. Gevolgen voor de CVS-patienten
---------------------------------

2.1. Financieel
---------------

Voor de patienten is het CVS een financiele lijdensweg, die hen gemiddeld
625 euro per maand kost (De Standaard, 15/11/99), anderen spreken van
bedragen tussen de 500 en 1000 euro per maand, een bedrag dat voor velen
niet haalbaar lijkt (CVS-werkgroep, Hoge Gezondheidsraad Belgie).

2.1.1. Rechtstreekse Kosten voor het Individu
----------------------------------------------

De rechtstreekse kosten zijn hoofdzakelijk medische kosten. 1 van de grote
problemen is dat de kosten zeer hoog oplopen, nog voor de diagnose CVS wordt
gesteld. Contact met de huisarts en de geneesheer specialist, het krijgen
van kinesitherapie, het groot aantal voorgeschreven geneesmiddelen,
bijkomende (meestal veelvuldige) onderzoeken en eventuele hospitalisatie
zorgen voor een serieus kostenplaatje.

2.1.2. Onrechtstreekse Kosten voor het Individu veroorzaakt
door Nood aan Hulp
------------------------------------------------------------

De dikwijls noodzakelijke hulp van een gezinshelpster, van familie en
vrienden, de vervoerskosten, de kosten van gezondheidsactiviteiten,
eventuele kosten voor een advocaat en het gerecht, aanpassingen,
hulpmiddelen, kinderopvang, ... Zo ontstaat al vlug een niet onaardig
lijstje en hoewel niet altijd alles voor iedereen geldt, blijkt het toch
voor velen hoog op te lopen.

2.1.3. Onrechtstreekse Kosten door Loonverlies
-----------------------------------------------

2.1.3.1. De periode van primaire arbeidsongeschiktheid.
----------------------------------------------------------

Wanneer CVS-patienten niet meer (kunnen) werken, verminderen de inkomsten
aanzienlijk. Tijdens de periode van het eerste ziektejaar, de periode van
primaire arbeidsongeschiktheid genoemd, krijgen arbeiders de eerste week hun
normale loon en dit ten laste van de werkgever, vanaf de tweede week is dit
nog 85.88% van het normale loon en dit tot en met de dertigste dag. Vanaf de
15e dag wordt 60% van het volwaardig loon door de ziekteverzekering betaald
en 25.88% van het volwaardig loon door de werkgever. Vanaf de 31e dag blijft
er nog 60% over van het gederfde loon, betaald door de ziekteverzekering of
55% voor zij die samenwonen met een persoon die over een eigen inkomen
beschikt. Bedienden hebben een ietwat andere regeling: bedienden krijgen de
eerste dertig dagen 100% van hun normale loon en dit betaald door de
werkgever. Daarna krijgen zij de rest van hun primaire arbeidsongeschiktheid
net dezelfde regeling als de regeling van de arbeiders.

2.1.3.2. De periode van invaliditeit.
----------------------------------------

Na een periode van primaire arbeidsongeschiktheid van 1 jaar, begint het
tijdvak van invaliditeit. De invaliditeitsuitkering bedraagt 65% van het
gederfde loon wanneer de geinvalideerde personen ten laste heeft, 45% van
het gederfde loon voor zij die samenwonen met een persoon die niet over een
eigen inkomen beschikt of 40% voor zij die samenwonen met een persoon die
wel over een eigen inkomen beschikt. Het is de adviserend geneesheer van de
verzekeringsinstelling die de staat van primaire arbeidsongeschiktheid
vaststelt en de duur ervan bepaalt. De invaliditeit en de duur ervan wordt
vastgesteld door de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit opgericht bij het
Rijks-instituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering. Dit gebeurt op
basis van een verslag opgemaakt door de adviserend geneesheer van de
verzekeringsinstelling. Een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend
aan iemand die in loondienst of als zelfstandige heeft gewerkt en; (1) alle
werkzaamheid heeft onderbroken als rechtstreeks gevolg van het intreden of
het verergeren van letsels of functionele stoornissen (2) waardoor zijn
vermogen tot verdienen verminderd is tot een-derde of minder dan een-derde
van wat een persoon, van dezelfde stand en met dezelfde opleiding, kan
verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe de
beroepsarbeid behoort, door betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt
is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen
uitoefenen hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding.

Er zijn geen graden van arbeidsongeschiktheid (i.t.t. de
arbeidsongevallenregeling). Iemand is volledig arbeidsongeschikt of is dit
niet (tenzij in de situatie van gedeeltelijke werkhervatting). Er wordt
ervan uitgegaan dat het verdienvermogen beperkt is tot een-derde of minder.
De een-derde-norm wordt gedurende de eerste zes maanden bepaald ten aanzien
van het gewone beroep van de betrokkene, na die eerste zes maanden wordt
gekeken naar wat een persoon van dezelfde stand en met dezelfde
beroepsopleiding kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepscategorie
waartoe de beroepsarbeid van de betrokkene behoort of in de verschillende
beroepen die hij heeft of zou kunnen uitgeoefend hebben op grond van zijn
beroepsopleiding. (van Eeckhoutte, Van Opstal & Vanoverbeke, 2000)

Wanneer de controlerend geneesheer oordeelt dat de persoon opnieuw
geleidelijk aan het werk mag gaan, dan kan hij toestemming geven om
deeltijds het werk te hervatten met behoud van de volledige uitkering
gecombineerd met een inkomen uit arbeid (tot 150% van de uitkering). Naar
schatting zijn er in Belgie tussen de 5000 a 10000 arbeidsongeschikten in
deze situatie. Maar daarbij zal je maar weinig CVS-patienten terugvinden.
In Belgie werd CVS tot voor kort nog altijd niet officieel als chronische
aandoening erkend ondanks het feit dat dit wel sinds 1993 gebeurd is door
de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO). Ook het befaamde Amerikaanse
gezondheidsorgaan NCID (National Center for Infectious Diseases) beschouwt
CVS sinds jaren als een wereldwijd gezondheidsprobleem met topprioriteit.
In de USA en Nederland zijn wetswijzigingen opgesteld of doorgevoerd die de
poort openen naar erkenning van de ziekte als ernstig genoeg zijnde voor het
creeren van arbeidsongeschiktheid. De norm die momenteel gebruikt wordt door
het RIZIV (Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering) voor de
erkenning van invaliditeit is erg hoog. Dit te bewijzen is zeer moeilijk,
niet alleen bij CVS-patienten maar ook bij andere ziekten. De uiteindelijke,
lang beloofde erkenning van de ziekte zal daar in de toekomst hopelijk wat
toe bijdragen. Deeltijdse arbeidsongeschiktheid - zoals dit bijvoorbeeld in
Nederland wel al ten dele wordt toegepast - wordt in Belgie spijtig genoeg
niet toegepast. Het zou voor veel CVS-patienten een tussenoplossing zijn.
Volgens mondelinge informatie van Dr. Uyttersprot van het Van Helmont
ziekenhuis te Vilvoorde zou 40% van de patienten van Prof. Dr. De Meirleir
van de VUB niet durven en willen het werk te hervatten zolang deeltijds
instappen niet makkelijker kan (in. a.w. via zo een deeltijdse
arbeidsongeschiktheidsregeling).

Er zijn dan nog de patienten die op eigen initiatief tijdelijk stoppen met
werken. Zij stoppen in de hoop dat wanneer ze de nodige rust in acht nemen
ze terug herstellen en opnieuw hun werk kunnen opnemen. Maar de meesten
herstellen of genezen niet meer, kunnen niet meer terug gaan werken en
hebben door hun vrijwillige uitstap geen rechten opgebouwd. Zij kunnen
geen beroep doen op de RVA, het RIZIV of de mutualiteit.


2.1.3.3. Inkomstenverlies door de psychiatrisering van de ziekte.
--------------------------------------------------------------------

De psychiatrisering van CVS zorgt nog voor een bijkomende financiele valkuil
voor de patienten en dan vooral voor de zelfstandigen onder hen. Journalist
Van impe, momenteel bezig met een boek over de praktijken van de
verzekeringsmaatschappijen in verband met CVS, vertelde het volgende;
'De verzekeringsmaatschappijen doen er alles aan om CVS in de psychische
hoek te duwen. De reden daarvoor is eenvoudig: psychische aandoeningen
worden aanzien als niet gedekte risico's in de polissen: vervangingsinkomen,
ziekte- en invaliditeit en werkonbekwaamheid. In Belgie alleen al zou dit de
verzekeringsmaatschappijen een jaarlijkse besparing aan uitbetalingen
opleveren van ongeveer 25 miljoen euro.' Naar verluidt (Van impe) zou begin
mei 2002 minister Daems de verzekeringsmaatschappijen vragen hun mening te
herzien, naar aanleiding van de aankondiging van de minister van sociale
zaken, Frank Vandenbroucke, om CVS als een echte, aanvaarde ziekte te
beschouwen. Samenvattend kan gesteld worden dat er tot voor kort weinig of
geen voorzieningen voor CVS-patienten waren en dat velen geen aanspraak
konden maken op een uitkering. Zij die voordien al niet werkten komen,
indien het eventuele inkomen van de partner niet te hoog ligt, bij het OCMW
(Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Werk) terecht. De recente
aankondigingen zijn wel hoopgevend en kunnen indien alles goed verloopt de
precaire situatie van veel CVS-patienten aanzienlijk verbeteren.

2.1.4. Kosten voor de Maatschappij
-----------------------------------

Bij kosten voor de maatschappij denken we vooral aan absenteisme,
arbeidsongeschiktheid, invaliditeit, gerechtskosten, medische kosten, enz.
Een extrapolatie van de kosten van CVS voor Austalie (Lloyd & Pender, 1992)
leidt tot een schatting dat alleen al aan medische kosten 90 miljoen euro
zou bedragen. Uit een onderzoek van het Economisch en Sociaal Instituut
van de Vrije Universiteit (ESI-VU) in Amsterdam blijkt CVS de Nederlandse
samenleving tussen de 280 en 670 miljoen euro per jaar te kosten. Deze
kosten worden voor het grootste deel veroorzaakt door uitval van productie.
Het recent uitgevoerde onderzoek van ESI-VU bestaat uit een literatuurstudie
en een enquete onder CVS-patienten en wordt als het meest betrouwbare
onderzoek beschouwd. Uit literatuurstudie blijkt overigens dat de kosten nog
hoger zullen uitvallen, sommigen spreken van bedragen tussen de 375 en
835 miljoen euro.

2.2. Sociaal - emotioneel
-------------------------

2.2.1. Instabiliteit van het Sociaal Statuut voor de Patient
-------------------------------------------------------------

De instabiliteit van het Sociaal Statuut zorgt voor een benarde situatie
voor de CVS-patient. De administratieve stappen, die dikwijls ingewikkeld en
zwaar zijn, zorgen voor bijkomende stressbronnen die de symptomatologie
kunnen verhogen. De kans op het verhogen van de symptomatologie stijgt
eveneens door de uitsluiting van langdurige werkloosheid, de trage
regularisatie van het statuut, de ongelijke vergoedingen in functie van het
vroeger beroeps-statuut (zelfstandige, werknemer, bediende, ...) en de
afwezigheid van homogenisering, om er maar enkele te noemen.

2.2.2. Identiteitsproblematiek
-------------------------------

CVS-patienten krijgen het blijkbaar hard te verduren in onze maatschappij.
Veel chronisch zieken worden geconfronteerd met het probleem van sociale
aanvaarding door familie, vrienden, werk- en schoolomgeving en door de
maatschappij in het algemeen. De klachten bij CVS-patienten worden
afgeschreven als gemakzucht of vlucht voor verantwoordelijkheid (Lievens &
Schaut, 1999).

CVS-patienten hebben wegens hun ziekte af te rekenen met een zeer groot
risico op isolering en zelfs uitstoting door de partner, familie, vrienden,
(ex-)collega's. De ziekte zelf maakt sociaal contact moeilijk. Bepaalde
sociale activiteiten worden vermeden waardoor patienten uit de sociale sfeer
van vrienden geraken en er alienatie ontstaat. Een belangrijke oorzaak
hiervoor is de onmogelijkheid om sociale activiteiten te plannen, daar de
CVS-patient nooit op voorhand kan weten hoe hij er op een later tijdstip aan
toe zal zijn.

De fase waarin de symptomen voor het eerst beginnen op te duiken, zorgt voor
de eerste problemen. Er ontstaan een aantal beperkingen en zorgen, waaronder
problemen met het uitvoeren van het werk, problemen thuis, vermindering van
ontspanningsactiviteiten, enz. Maar vooral het onbekend zijn van de ziekte
zelf is problematisch. De zieke begint aan een dikwijls lange zoektocht naar
de naam van zijn ziekte. Eenmaal de patient het CVS-label krijgt opgekleefd
is hij opgelucht. Eindelijk krijgt zijn ziekte een naam, maar lang duurt die
opluchting niet. Door de complexiteit van CVS brengt dit opgekleefde label
een aantal nieuwe problemen en onzekerheden met zich mee. Een eerste
onzekerheid is de onbekende ziekteduur, die is lang, maar tegengesteld aan
de meeste chronische ziekten, kan je van CVS wel genezen. Een tweede
onzekerheid is die over de etiologie en behandeling. Een derde onzekerheid
betreft de fluctuatie tussen betere perioden en onverwachte zware perioden.
Deze onzekerheden en de sociale problemen zorgen voor een terugval in de
kwaliteit van het leven.

Bij het ziekteverloop zien we bij alle patienten een fase waarbij ze zich
beginnen of althans proberen aan te passen aan de situatie. Maar iedereen
eindigt op een verschillend niveau van verzoening met de ziekte en zichzelf.
Bovendien heeft iedereen hier een verschillende tijdsspanne voor nodig.
Meestal zijn zij die er al langer mee worden geconfronteerd al verder
verzoend met hun ziekte en zichzelf. Een belangrijke factor hierbij is dus
het tijdstip waarop de diagnose wordt gesteld, bij velen wordt pas na lange
tijd de diagnose gesteld waardoor het verzoeningsproces aanzienlijk verlengd
werd (Asbring, 2001).

2.2.3. CVS en de Kwaliteit van het Leven
-----------------------------------------

CVS is een van de meest verzwakkende medische condities wanneer het gaat
over Quality Of Life (QOL), vertaalt de kwaliteit van het leven en is
meestal veel ingrijpender dan andere chronische ziektes (Anderson & Ferrans,
1997, Komaroff, Fagioli, Doolittle, Gandek, Gleit, Guerriero, Komish, Ware,
Ware & Bates, 1996, Buchwald, Pearlman, Umali, Schmaling & Katon, 1996). Om
de kwaliteit van het leven te meten bij CVS-patienten werden reeds
verschillende instrumenten gebruikt en/of ontworpen waaronder de WHOQOL-100,
the Euroqol EQ-SD en de short-form 36 health questionnaire (SF-36). Deze
instrumenten laten toe, de 1 al wat beter dan de ander, de kwaliteit van het
leven wat uitgebreider te bekijken. Een probleem bij het gebruiken van de
gezondheidsstatus (zoals bij de WHOQOL-100) is dat lagere niveaus van
functioneren gelijkgesteld worden met een lagere kwaliteit van het leven.
Echter, deze redenering contrasteert zwaar met resultaten waar een hoge
kwaliteit van het leven werd gevonden ondanks lage functioneringsniveaus.
Kwaliteit van het leven bepalen via een reflectie van het eigen leven, is
een breder concept dan enkel via de gezondheidstoestand. Door onder meer te
kijken naar individuele perspectieven van het leven, gedragsrollen, relaties
en ervaringen wordt een multidimensioneel construct verkregen dat het
algemene gevoel van welzijn en de wenselijkheid van het leven dat ze leven
reflecteert (Nord, Amesen, Menzel & Pinto, 2001). Myers & Wilks (1999)
vonden bij CVS-patienten een gemiddelde graad van emotionele en psychische
ziekte-gezondheid. Analyses rapporteerden dat CVS-patienten significant
lagere niveaus van kwaliteit van het leven hadden, zowel met de algemene
gezondheidstoestand meegerekend als zonder. De resultaten suggereren dat de
impact van CVS op het leven zeer groot is.

CVS-patienten hebben minder en minder energie en ook de motivatie om dingen
te doen daalt aanzienlijk, zelfs voor activiteiten die ze interessant vinden.
CVS-patienten verliezen hun mobiliteit, vermijden sociaal contact en
beginnen zich onvoldoende te verzorgen. Bovendien hebben ze verschillende
affectieve en cognitieve problemen zoals: slaapstoornissen, stress,
depressies, gevoel van radeloosheid en een lager billijkheidsgevoel (Bensing
e.a., 1996). Daar identiteit en persoonlijke financiele toestand sterk met
elkaar in relatie staan, heeft een verzwakte financiele toestand tot gevolg
verscheidene aspecten van de identiteit niet meer te kunnen uitdrukken.

2.2.4. Ontevredenheid bij de CVS-patienten
-------------------------------------------

Een belangrijk gevolg van de negatieve bias rond CVS is dat veel patienten
ontevreden zijn over onder meer de geneeskundige hulp. Bij gevolg verlaten
velen het pad van de traditionele geneeskunde om een oplossing te zoeken
voor hun ziekte (Jason, Ferrari, Taylor, Slavich & Stenzel, 1996). Dit zorgt
vaak opnieuw voor een versterking van het negatieve beeld van CVS bij de
omgeving, waar de paramedische wetenschap niet hoog staat aangeschreven.
Daarbij komt dat in vele gevallen de CVS-patienten een nieuwe ontgoocheling
oplopen. Ze maken onder meer kans om, verblind door de vele aandacht,
terecht te komen in een circuit dat vooral gericht is op winst maken en in
mindere mate op de genezing van hun ziekte. Ontevredenheid zet aan tot een
nog sterker gevoel van samenhorigheid onder de patienten, waardoor ze meer
en meer in hun ziektebeleving worden opgeslokt en de genezing als maar
moeilijker wordt.

2.2.5. Gevolgen op relationeel en maatschappelijk Vlak
-------------------------------------------------------

De gevolgen op relationeel gebied zijn eveneens niet te onderschatten. In
een onderzoek van Goodwin (2000) naar de gevolgen op de man-vrouw relatie
bleek dat bij de stijging van het aantal en het verergeren van de symptomen
er meer conflicten ontstaan, er minder empathie is en de steun voor de
partner aanzienlijk daalt. Dit zowel bij mannen tegenover hun vrouw als bij
vrouwen tegenover hun man. Bij de invloed op de partnerrelatie geldt niet
enkel het directe effect van de vermoeidheid maar ook de verandering van de
identiteit van de CVS-patient kan voor nieuwe problemen zorgen (Asbring,
2001). Een belangrijk gevolg van de negatieve maatschappelijke bias is dat
er voor CVS-patienten slechts weinig hulpprogramma's worden opgericht. Dit
heeft echter niet enkel negatieve gevolgen voor de CVS-patienten. Een als
het ware onrechtstreeks negatief gevolg ontstaat door het bijzondere
karakter van CVS. Een groot deel van de patienten zijn namelijk vrouwen
tussen de 25 en 40 jaar. Met andere woorden de periode van het leven van
een vrouw waarbij de problemen van moederschap, opvang van jonge kinderen
en schoolgang zich stellen.

2.2.6. Hoe zien CVS-patienten zelf hun Ziekte?
-----------------------------------------------

Verscheidene studies waaronder die van Clements e.a. (1997) vonden dat
CVS-patienten die op consultatie kwamen vaak sterk geloofden in een fysische
oorzaak en de psychische rol en sociale factoren minimaliseerden. Patienten
komen tot dit geloof na lang nadenken over hun eigen ervaringen in
combinatie met persartikels, zelfhulp-boeken en literatuur van zelfhulp-
groepen. De mening van de professionele medici is hierbij voor CVS-patienten
niet van belang.

CVS brengt voor sommigen ook enkele goede zaken mee. De ziekte en beperkingen
doen mensen stilstaan bij het leven, hun relaties en vele andere zaken.
Asbring (2001) vond bij een grote populatie vrouwelijke CVS-patienten dat
bijna 80% van de vrouwen nieuwe inzichten rapporteerden die ze aanzagen als
ziektewinst.


3. Aandacht voor enkele belangrijke Schakels i.v.m.
Werk en Hertewerkstelling
---------------------------------------------------

3.1. Functie en Doelstellingen van de Zelfhulpgroepen
-----------------------------------------------------

Zelfhulpgroepen hebben bij het opduiken van 'nieuwe' ziektes een belangrijke,
meervoudige rol. Er verloopt immers heel wat tijd tussen het voorkomen van
een ziekte en de herkenning en erkenning ervan, het vinden van een naam, een
diagnosemiddel, een wetenschappelijk bewezen behandeling en de aanvaarding
van de behandeling.

Het doel van zelfhulpgroepen is in de eerste plaats een menswaardig bestaan
verkrijgen voor patienten en hun familieleden. De doelstellingen van de
CVS-zelfhulpgroepen komen meestal op het volgende neer:

* Meer bekendheid geven aan het bestaan van CVS, het geven van
voorlichting en verspreiden van informatie over CVS aan arts en en
patienten (al dan niet met succes).

* Het ijveren voor een officiele erkenning van de ziekte en aanvaarding
van de ziekte door de mutualiteiten en uitkeringsinstanties.

* Het aanmoedigen, opvolgen en ondersteunen van wetenschappelijk
onderzoek naar een geschikte diagnose en een effectieve
behandelingsmethode. Eerst werd wetenschappelijk onderzoek naar de
oorzaken van de ziekte financiel gesteund, later volgde dan de
financiele ondersteuning van therapieen voor patienten.

* Het coordineren van regionale praatgroepen waardoor lotgenoten
elkaar ontmoeten.

Niet alles van zelfhulpgroepen is echter even positief. Ze trekken meestal
de zwaarste, langdurigste gevallen aan, wat de stempel van chroniciteit,
afhankelijkheid, ... kortom het negatieve beeld dat de media haalt,
versterkt. Zelfhulpgroepen ontstaan als een kleine groep mensen gedreven
door hun eigen ziekte of die van een familielid of kennis. Maar groeien
vaak uit tot een grote organisatie die in dit geval hier uiteindelijk een
groot deel van de CVS-populatie vertegenwoordigt. De motivatie en de
capaciteiten die bij het begin voldoende zijn om een initiatief op poten te
zetten, zijn lang niet altijd voldoende meer wanneer de organisatie begint
te groeien. Meestal komen de stichters van die eerste kleine groepjes
spontaan aan het hoofd te staan van de altijd maar groter wordende
organisatie. Uit de bevraging van patienten blijkt dit binnen de organisatie
voor wat wrevel en afgunst te zorgen, wat bij gevolg een nog sterkere, meer
degelijke werking in de weg staat. Ook werken de activiteiten, folders en
krantjes ziektebevestigend bij de patienten. Voor de patienten en hun
naasten zijn ze zeer nuttig, maar niet voor een stimulerend klimaat naar
snelle reintegratie.

3.2. Verslag van Rondvraag bij Beschutte Werkplaatsen en het Vlaams Fonds
-------------------------------------------------------------------------

3.2.1. Verslag Rondvraag bij Beschutte Werkplaatsen
----------------------------------------------------

Werken in een BW is een mogelijke oplossing voor mensen die door CVS niet
meer de volle honderd procent kunnen renderen en bij gevolg geen kans meer
maken in het normale, open arbeidscircuit. Waar een BW voor staat is het
best uit te leggen via de missie-formulering van BW's: 'Beschutte
werkplaatsen zorgen voor tewerkstelling van personen met een arbeidshandicap
(fysisch, sensorieel, mentaal, psychisch en/of sociaal), op een voor hen
aangepaste, duurzame en normaal bezoldigde manier, vertrekkend vanuit hun
eigen mogelijkheden, wensen en noden. Hen volgens hun individuele noden en
wensen voor te bereiden op het gewone arbeidscircuit. Indien wenselijk en
nodig, mogelijkheden scheppen om hen naar de beschutte werkplaats te laten
terugkeren.' (naar de missie van WAAK) De arbeid is dus gericht op het
behouden dan wel het bevorderen van de arbeidsbekwaamheid van de werknemer
mede met het oog op het kunnen gaan verrichten van arbeid onder normale
omstandigheden.

Mensen kunnen in een BW niet zomaar aan de slag, eerst moet er toestemming
verkregen worden om er te mogen werken. Bij 9 van de 13 gecontacteerde BW's
werken geen CVS-patienten. De meesten van hen hebben zelfs nog geen
kandidaat-werknemer met CVS gehad. Bij enkele BW's zijn er wel een aantal
werknemers die gedocumenteerde CVS-patienten zijn. Deze zijn echter heel
zeldzaam en meestal gaat het over niet meer dan 1 of 2 patienten. Bijna allen
werken deeltijds, de meesten van hen in de namiddag en heel uitzonderlijk
enkelen in de voormiddag. Een aantal gevallen hebben bij hun
in-dienst-treding full-time gewerkt maar dit bleek telkens een minder
geslaagde actie en had een tijdelijke afwezigheid tot gevolg. Er heerst een
algemene tevredenheid over deze werknemers. Naar kwaliteit en arbeidshouding
toe scoren ze goed, het enige wat hier en daar wordt aangestipt is het
regelmatig afwezig zijn. Dit afwezig zijn valt te wijten aan een plotselinge,
meestal korte terugval. De CVS-patienten zijn doorgaans tevreden over hun
werk en staan na een periode van aanpassing en twijfel positief tegenover
het werken in een BW. De CVS-patienten die er werken zijn vooral tevreden
dat ze toch nog ergens aan de slag kunnen en dit dan nog in een
arbeidsklimaat waar respect bestaat voor mensen met tekorten of verminderde
arbeidscapaciteiten.

De kennis van de sociale dienst en de personeelsdienst over CVS blijkt heel
gering te zijn. De meesten weten waar CVS voor staat en kennen de algemene
symptomen, maar daarmee is de kous af. Men kreeg in geen enkel geval
specifiek voorlichtingsmateriaal omtrent het onderwerp CVS. De enige
informatiebron blijkt een populair televisieprogramma of een favoriet
vrouwenblad te zijn, waar nu en dan iets over CVS wordt verteld. Dit komt
duidelijk tot uiting als ze kort verklaren wat volgens hen CVS is. Er blijkt
een vertekend, heel stigmatiserend beeld te zijn. Wat opvalt is dat er wel
degelijk interesse bestaat voor het onderwerp. Maar aangezien ze die
informatie zelf moeten zoeken en ze in vele gevallen onderbemand zijn (maar
dat is een ander probleem), wordt die stap heel weinig gezet. Er waren
slechts 2 van de 13 gecontacteerde personeelsleden die zelf informatie
hadden ingewonnen.

Bij velen kwam een gelijkaardige reactie naar voren; namelijk dat die
informatie (over CVS) enkel nodig is op het moment dat er zo een kandidaat
met CVS komt aankloppen. Wat hen het meest interesseert is informatie over
optimale arbeidsregimes, welke werkpostaanpassingen er nodig zijn, ... met
andere woorden sterk werkgerelateerde zaken. Het zou in die zin zeker al
een zegen zijn indien deze mensen grondig(er) zouden worden geinformeerd.
Minder geslaagde acties zoals direct een voltijdse betrekking aanbieden met
de bijhorende ontgoochelingen, zouden hiermee vermeden kunnen worden.

Hoe het komt dat er heel weinig CVS-patienten in BW's werken, komt in de
eerste plaats door de drempelvrees van de CVS-patienten en het slecht beeld
dat ze hebben van wat BW's zijn, waarvoor ze staan en wat ze te bieden
hebben. CVS-patienten worden vooral afgeschrikt door de gettosfeer, de
samenhoping van allerlei arbeidsgehandicapten. Ondanks hun aanzienlijk
verminderd prestatievermogen voelen CVS-patienten zich niet goed bij die
groep. Meestal hebben de CVS-patienten jaren in het open arbeidscircuit
gewerkt en kunnen ze het niet verdragen dat ze nu plotseling tussen allemaal
arbeidsgehandicapten zouden moeten werken. Dit beeld is echter fout, want
de laatste tien jaar werken steeds meer validen in BW's, wat het enge,
blijkbaar afschrikwekkend beeld van allemaal arbeidsgehandicapten volledig
omver gooit. De validen werken in vele gevallen samen met de minder validen
en met diegene waarbij het mogelijk is, ontstaat er een positieve band die
te vergelijkbaar is met de banden in de open arbeidsmarkt.

3.2.2. Standpunt van het Vlaams Fonds
--------------------------------------

Een tweede reden waarom heel weinig CVS-patienten terug te vinden zijn in
BW's, is te wijten aan de noodzakelijke goedkeuring van het VF. Er bestaan
allerlei formules waarin het VF mensen toelaat om (als gesubsidieerde
arbeidsgehandicapte) in een BW te werken. Kunnen CVS-patienten tot de
doelgroep van het VF behoren, m.a.w. is er sprake van een stoornis, die
aanleiding geeft tot het ontstaan van een ernstige arbeidshandicap? Het VF
beantwoordt deze vraag met hun voorlopige conclusie;

'Hoewel er tot op heden heel wat onduidelijkheid en controversen bestaan
over de oorzaak en de aanpak van het syndroom, mag toch wel gesteld worden
dat zeer veel elementen erop wijzen dat er iets fundamenteel misloopt in het
functioneren van een persoon met CVS. Dit is zonder meer duidelijk als er
fysieke kenmerken zijn (vermagering, gebruik hulpmiddelen...), maar ook
indien er geen opvallende fysieke kenmerken zijn (wat meestal het geval is)
kunnen de mogelijkheden van een persoon op een dramatische wijze beperkt
zijn. Van het ogenblik dat men er van uit gaat dat de persoon niet doet
alsof, moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van een stoornis.
Ook moet er niet worden gewacht tot het ziektemechanisme volledig
ontraadseld is om personen met CVS bijstand te verlenen. Anderzijds is er
het feit dat er veel subjectieve elementen in het spel zijn en het inzicht
dat er niet zonder meer van 'onbehandelbaarheid' mag worden gesproken.
Patienten die hun problemen aanpakken ('zelfwerkzaamheid') evolueren veel
beter dan 'passieve' patienten, die wachten tot de geneeskunde hun probleem
oplost.

De voorlopige conclusie luidt als volgt:

'In een aantal gevallen zouden wij CVS als stoornis aanvaarden en de
hierdoor ontstane toestand als handicap, maar dan wel onder strikte
voorwaarden. De problematiek moet reeds jarenlang aanslepen en bijzonder
ernstig zijn en de aandoening moet goed gedocumenteerd zijn, met grondig
onderzoek (met uitsluiten van specifieke, gekende oorzaken van de
symptomen) in 1 van de referentiecentra met een revalidatie-overeenkomst
inzake CVS met het RIZIV (UZ Gent, UZ Antwerpen, UZ VUB en UZ Leuven). De
diagnose moet gesteld worden in het licht van een internationale
werkdefinitie type Holmes/Fukuda. Hierbij moet ook de psychiatrische
invalshoek aan bod komen. Bovendien moeten er ernstige pogingen ondernomen
zijn inzake therapie. Ook zouden we voorzichtig zijn met 'rendementsverlies'
louter door ziekteverzuim. In feite zitten we dan eerder in de sfeer van de
ziekteverzekering'. (J. Stevens, Directeur-arts Medische cel Staf VFSIPH)
Met deze tekst die opgesteld werd op 24.12.2000, was het de bedoeling om
alle medewerkers op de hoogte te stellen van het standpunt dat het VF innam
t.a.v. CVS en bijgevolg t.a.v. mogelijke toestemmingen naar
arbeidsbegeleidende en bevorderende maatregelen.

Wat direct opvalt is de zware tegenstrijdigheid in hun berichtgeving. Er
wordt gezegd:

'men moet niet wachten tot het ziektemechanisme volledig ontraadseld is om
personen met CVS bijstand te verlenen', maar daarna concludeert men: 'De
problematiek moet reeds jarenlang aanslepen en bijzonder ernstig zijn en de
aandoening moet goed gedocumenteerd zijn met grondig onderzoek'. Enerzijds
wordt er dus gesteld dat er direct moet worden gehandeld en er geen
wetenschappelijk antwoord moet worden afgewacht. Anderzijds wordt gesteld
dat mensen alleen een kans krijgen om in aanmerking te komen als de
problematiek al jarenlang aansleept. Het lijkt me vrij duidelijk dat hier
een groot tekort naar voren komt. Wat eveneens opvalt is de datum van
verspreiding van dit standpunt, eind 2000. Een verschijnsel als CVS en meer
bepaald de evoluties in het wetenschappelijk onderzoek staan niet stil en
sedert eind 2000 is reeds veel veranderd. Sinds die datum is er echter nog
geen nieuwe berichtgeving geweest en werd de voorlopige conclusie nog niet
bijgewerkt. Cijfergegevens over toekenningen van arbeidsbevorderende
maatregelen bij CVS-patienten kon bij het VF niet verkregen worden, daar ze
gewoonweg niet bestaan. Bij mijn contacten met Vlaamse consultatiebureaus
waar gesproken werd over CVS-patienten die een aanvraag hadden ingediend bij
het VF, werd wel een beeld verkregen over deze toekenningen. Bij sommige
gevallen gebeurt er een toekenning, bij andere gelijkaardige, bijna
identieke gevallen dan weer niet. Wat door de meeste medewerkers van de
consultatiebureaus ook werd aangestipt is de psychische problematiek die van
belang is. Als er bij de patienten een duidelijke psychische problematiek
wordt beklemtoond stijgt de kans aanzienlijk dat er een goedkeuring volgt.
Sommigen vertelden zelfs dat ze, overtuigd van de beperkingen van de
CVS-patient en de moeilijke situatie zowel op sociaal als financieel gebied,
er een serieuze depressie bij-plakken en zo de patient bijna zeker een
VF-nummer bezorgen. Een derde feit wat de kansen op tewerkstelling van
CVS-patienten in BW's beperkt maakt, is de onmogelijkheid om deeltijds te
werken. Bij sommige BW's komt dit doordat de populatie niet groot genoeg is
om het systeem in te voeren. Bij andere is het een bewuste politiek om geen
deeltijdse arbeid toe te laten, doordat het teveel werk en inspanningen
vergt om alles in te passen.

3.3. De Huisarts
----------------

3.3.1. De Visie van de Huisarts op CVS en het Contact met de CVS-patient
-------------------------------------------------------------------------

De rol van de huisarts blijkt bijzonder belangrijk, daar mensen voor de
eerste consultatie naar aanleiding van opduikende problemen bijna altijd
eerst bij de huisarts langsgaan (Grol, 1981). Hoe deze eerste consultatie
verloopt en afloopt kan een ingrijpende invloed hebben op het lot van de
CVS-patient. Er is jammer genoeg een gebrek aan waardering voor de ziekte
door het huisartsenkorps. Dit staat in verband met het verschil van
interpretatie van CVS, met andere woorden het gebrek aan consensus tussen
de geneesheren over CVS.

De diagnose CVS wordt vaak door de huisarts gesteld, maar al even vaak
ook niet. In dat geval komt de patient zelf op de proppen met de diagnose.
In het onderzoek van Butler e.a. (1991) hadden de meeste onderzochte
patienten zelf de diagnose CVS gesteld. Naar aanleiding van literatuur en
informatie die ze hebben ingewonnen stellen de patienten zelf de diagnose
(Smith, 1991). Huisartsen rapporteerden zelf -diagnose in 68% van de
gevallen. Zo blijkt zelf-diagnose frequenter voor te komen dan dat de
diagnose door de huisarts wordt gesteld, wat heel uitzonderlijk is in de
algemene geneeskunde (Scott e.a., 1995). Het stellen van een zelf-diagnose
bemoeilijkt in vele gevallen de communicatie met de arts bij de consultatie
en verhindert ook het overwegen van andere mogelijke verklaringen voor de
klachten bij de patient. Wanneer patienten de geneesheer confronteren met
een zelf-diagnose CVS, dan beschouwen de geneesheren deze patienten als
minder goed behandelbaar en heel tijdrovend. Bovendien zien ze meer kans op
problemen (Scott e.a., 1995). In het onderzoek van Prins e.a. (2000) konden
meer dan de helft van de ondervraagde huisartsen minder sympathie opbrengen
voor CVS-patienten dan voor patienten met andere klachten. 43% van de artsen
verwacht meer communicatieproblemen en beoordelen de samenwerking en het
contact met de CVS-patient als zwak. 54% van de artsen had minder empathie
voor CVS-patienten. De huisartsen die empathie toonden, vonden de patienten
niet meer tijdrovend, zij die minder empathie toonden ondervonden meer
communicatieproblemen, een slechter contact en een minder goede samenwerking.
Hoe meer jaren ervaring en hoe meer CVS-patienten te hebben gezien hoe
groter de empathie.

Voor deze negatieve beoordelingen van de geneesheren kunnen de volgende
verklaringen worden gegeven. Doordat patienten zelf meer weten over CVS,
worden ze mondiger tegenover de artsen en specialisten. De patienten gaan
zelf de diagnose CVS stellen of op zoek naar mogelijke oorzaken en
behandelingen voor de ziekte. Dit roept irritatie op bij de huisartsen:
het voelt alsof de rollen worden omgedraaid. De zorgverleners voelen zich
gekrenkt in hun professionele trots, wat op den duur leidt tot een
afstandelijkere houding van de huisarts ten opzichte van de CVS-patient.

Een andere bron van irritatie voor de huisartsen is het voortdurend
terugkeren van de patient met dezelfde vage klachten en het sterk
somatiseren van de patient (Prins e.a, 2000). De huisartsen kunnen zich na
verloop van tijd steeds moeilijker inleven in het gevoelsleven van de
patient, met al zijn onduidelijke klachten. Ook schrijft de CVS-patient zijn
klachten meestal toe aan lichamelijke oorzaken (virus, immuunsysteem,
hormonaal), terwijl de huisartsen meer gericht zijn op psychosociale
factoren (stress, werk- of thuissituatie). Een milde vorm van depressie werd
door de huisartsen het meest genoemd als een mogelijke oorzaak, afwijkingen
in het immuunsysteem het minst.

Bovendien draagt de matige kennis over CVS van de geneesheer bij aan de
negatieve houding van de geneesheer. Het blijkt dat een groot deel van de
huisartsen niet in staat zijn, om voldoende informatie te verstrekken aan de
CVS-patient. Het niet erkennen van de ziekte of het niet herkennen van de
symptomen van CVS, waren hiervoor de belangrijkste oorzaken (Richman e.a.,
1994). De belangrijkste reden om de CVS-diagnose niet te stellen is het niet
kennen van de criteria (69%). Slechts 10% voelde zich bekwaam om voldoende
uitleg te kunnen geven over CVS aan een patient. Zij die de diagnose niet
stelden voelden zich significant minder capabel om patienten over CVS te
informeren dan zij die de diagnose wel stelden (Prins e.a., 2000). Misschien
is de kennis van CVS bij huisartsen wel voldoende, maar schiet de
belangstelling voor CVS en de CVS-patient tekort. Slechts vierentwintig
procent van de huisartsen zou het zichzelf erg kwalijk nemen als ze CVS
zouden missen. Het laagste percentage in een Lijst van 16 aandoeningen!

3.3.2. Behandeling van de CVS-patient door de Huisarts
-------------------------------------------------------

Van de 151 huisartsen (Stroband e.al., 2000) gaven 103 (68%) huisartsen hun
patienten met een CVS-diagnose een vorm van behandeling. De behandeling
bestond meestal uit gesprekken. Soms werden medicijnen zoals antidepressiva
gegeven. Vaak werd het functioneren en de balans tussen rust en activiteiten
van de patient besproken. De huisartsen gaven voorlichting over de moeheid
en advies. De adviezen betroffen meestal lichaamsbeweging, soms leefstijl,
voeding of patientenverenigingen. Alle huisartsen vroegen naar psychosociale
factoren. Een deel van de geinterviewde huisartsen ondervond problemen bij
de behandeling of in de relatie met derden. Een knelpunt was b.v. dat
sommige patienten meer diagnostiek of behandeling wilden dan de huisarts
nodig vond. Als de huisarts de diagnose CVS heeft gesteld, staat hij voor de
belangrijke keuze of hij deze patient zelf behandelt of al dan niet
doorverwijst. Indien hij de keuze maakt zelf de patient te behandelen moet
hij zich van heel wat zaken bewust zijn. Zijn houding tegenover de patient,
zijn kennis over het onderwerp, zijn ervaring in en met behandelingswijzen,
zijn motivatie om wat meer te doen dan voor de gemiddelde patient, ...
Een voor een zijn dit elementen die een grote invloed zullen hebben op het
verdere verloop van de patient zijn ziektegeschiedenis. Het is daarom dan
toch heel belangrijk deze keuze bewust en weloverwogen te maken. Vele
huisartsen staan bij deze factoren niet stil en haken na enkele maanden dan
toch af, wat voor de patient een ramp betekent.

3.3.3. De Visie van de CVS-Patient op het Contact de Huisarts
--------------------------------------------------------------

Stroband e.a. (2000) vonden dat in 43% van de gevallen de CVS-patient een
goede relatie met de arts rapporteerde, 37% tamelijk goed en 20% niet goed
of zelfs slecht. 17% van de CVS-patienten had helemaal geen vertrouwen in
de arts. De mate waarin de patient zich serieus voelt genomen, varieert
tussen de verschillende categorieen. Algemeen kunnen we stellen dat de
huisartsen en specialisten hun klachten niet echt serieus opnamen, terwijl
dokters in universitaire, gespecialiseerde centra de klachten bijna altijd
serieus namen en sympathie toonden voor de patient.

3.3.4. Conclusie
-----------------

De diagnose CVS en de degelijke behandeling van de CVS-patient door de
huisarts blijken cruciaal voor het verdere ziekteverloop van de CVS-patient.
Indien de huisarts dit zou kunnen, zou dit het verergeren van dergelijke
klachten kunnen voorkomen en lange arbeidsongeschiktheid mogelijks voorkomen.
Eveneens zou de patient zich serieus genomen voelen. Dit kan zorgen voor een
goede start met vertrouwen langs beide kanten voor een verdere behandeling
en het leren omgaan met de ziekte. Het zou de huisarts meer tijd kosten om
de CVS-patienten zo degelijk te moeten behandelen, maar deze
tijdsinvestering zou mogelijke conflicten en veel onnodige bezoeken
voorkomen waardoor er uiteindelijk een win-win situatie wordt gecreeerd.

3.4. De Medisch-adviseur
------------------------

3.4.1. Opdracht en Aanbevelingen
---------------------------------

De medisch-adviseur oefent de controle uit op de arbeidsongeschiktheid.
Bovendien gaat hij na of, uit geneeskundig oogpunt, de prestaties inzake
geneeskundige verzorging verleend worden overeenkomstig de wettelijke en
reglementaire bepalingen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering. Zijn
specifieke rol bij de behandeling van CVS-patienten kan als volgt worden
omschreven;

'De rol van de medisch-adviseur (ook wel adviserend geneesheer genoemd)
bestaat erin de resocialisering te begeleiden in het kader van een project
van multidisciplinaire revalidatie. Hij zal de opvolging van de
arbeidsongeschiktheid verzekeren, rekening houdend met eventuele
ongeschiktheidstesten (het niet kunnen verdragen van inspanningen,
cognitieve stoornissen, ..) Hij zal zorgen voor een samenwerkingsverband met
het project van het multidisciplinaire revalidatieteam voor de mogelijkheden
van resocialisering en de nadruk leggen op een geleidelijke werkhervatting.
Hij zal ervoor zorgen patientengroepen met langdurige ongeschiktheid alsook
conflictuele toestanden te beperken.' Vertrekkende vanuit deze aanbevelingen
van het ministerie van sociale zaken werd een enquete afgenomen om na te
gaan hoe medisch-adviseurs staan t.o.v. CVS(-patienten) in relatie tot
tewerkstelling.

3.4.2. Enquete bij de Medisch-adviseurs
----------------------------------------

3.4.2.1. Populatie en methode.
---------------------------------

Bij de drie grootste mutualiteiten werd gevraagd of een dergelijke bevraging
kon doorgaan, slechts 1 stemde in op het voorstel. Van de medische directie
van de Socialistische Mutualiteiten (o.l.v. Dr. Patrick Galloo) kreeg ik de
toestemming om bij hun adviserend geneesheren een rondvraag te doen. Er
werden 24 adviserend geneesheren aangeschreven, 21 (87.5%) van hen
antwoordden en stuurden de vragenlijst terug.

Aan de hand van de resultaten van de enquete wordt geprobeerd een antwoord
te vinden op enkele vragen die bij mij waren opgekomen tijdens gesprekken
met CVS-patienten en andere mensen die bekend zijn met het onderwerp. De
eerste twee vragen: 'Hoeveel keer hebt u gemiddeld contact met 1 CVS-patient?'
en 'Na hoeveel contacten stelt u een reintegratieplan op en heeft de patient
hierbij inspraak?', zijn vooral een toets op de behandelingsprocedure van
CVS-patienten. In een artikel over het verzekeringsgeneeskundig beleid bij
CVS-patienten uitgegeven door de Landsbond der Christelijke mutualiteiten
wordt het volgende gesteld; 'Door het formuleren van een antwoord op deze
vragen, kunnen we - na een drietal consultaties - een balans opmaken. Dit
geeft aanleiding tot een belangrijk beslissingsmoment.' Deze gegevens worden
ook aanbevolen door het ministerie van sociale zaken. Vraag 3, 4, 5 en 8
zijn specifiek gericht op tewerkstelling. Met deze vragen werd vooral de
concrete aanpak van de medisch-adviseurs onderzocht en werd er eens gepeild
naar hun aanvoelen van de verschillende slaagkansen. Vraag 6 bevraagt hun
geloof in de verschillende theoretische strekkingen over de oorzaak van CVS.
Vraag 7 gaat na of de overtuiging van de patienten correct is. Zij stellen
namelijk dat de opvatting van de arts soms doorslaggevend is voor het
vervolg van een patient zijn weg.

3.4.2.2. De resultaten van de enquete.
-----------------------------------------

Bij de vraag; 'Hoeveel keer hebt u gemiddeld contact met 1 CVS-patient?'
varieerden de antwoorden van 3 keer in totaal tot 2 maal per maand. Een
gemiddeld antwoord kan als volgt worden geformuleerd: om de 2 maand en na
het eerste jaar nog 1 maal per jaar. Bij de vraag; 'Na hoeveel contacten
stelt u een reintegratieplan op en heeft de patient hierbij inspraak?'
luidde het antwoord bij meer dan de helft 'nooit', meestal met dezelfde
motivering namelijk dat er een gebrek aan motivatie bij de patient is. Een
aantal zeggen het over te laten aan andere behandelende artsen, maar doen
wel geen navraag of dit dan wel degelijk wordt gedaan door de andere
behandelende artsen. Anderen antwoordden dat dit wordt overgelaten aan de
patient zelf, er wordt dus gewacht tot op het moment dat de patient er zelf
om vraagt. Dit is een duidelijk probleempunt bij de artsen en dus duidelijk
ook bij de medisch-adviseurs. De medisch-adviseur weet blijkbaar niet goed
of hij zelf mag/moet beginnen over reintegratie of moet wachten tot de
patient er zelf over begint. Een voordeel in het geval dat de patient er
zelf over begint is het feit dat hij zeker gemotiveerd is en er wellicht
klaar voor is. Echter, hiervoor opteren laat toe dat die patienten die geen
initiatief nemen, wegglijden in hun chroniciteit. Een andere misvatting komt
terug in het antwoord 'bij objectivering van de diagnose'. Dit is duidelijk
niet bevorderend, daar er pas na maanden en soms zelfs jaren tot die
objectivering wordt gekomen. Enkele medisch-adviseurs geven te kennen
helemaal niet bekend te zijn met reintegratieplannen. Slechts 1
medisch-adviseur sprak over een overleg met de arbeidsgeneesheer en de
behandelende arts. 1 antwoordde na gemiddeld drie contacten en nog een
andere had het over 'na 6 tot 9 maanden'.

De volgende vraag was; 'welke arbeidsbevorderende maatregelen stelt u voor'.
Iedereen stelde part-time voor en bijna allen vermelden ook taak- en
werkaanpassing als arbeidsbevorderende maatregel. Thuiswerk werd slechts
driemaal voorgesteld net als meer pauzes inlassen en een flexibel uurrooster.
Het lijkt verwonderlijk dat slechts enkelen flexibele werkuren voorstellen,
misschien valt dit te verklaren doordat ze het gelijk hebben gesteld aan
part-time werk. Sommigen stelden voor een beginfase in te lassen met
freelance vrijwilligerswerk.

Bij de vraag naar de meest haalbare maatregelen kwamen meestal dezelfde
antwoorden terug als bij de vorige vraag. Wel viel op dat er behoorlijk veel
klemtoon werd gelegd op de trage, gestage heropbouw van het arbeidsritme.
Bij de vraag naar de meest haalbare maatregelen kregen we volgende
antwoorden: omscholingen zijn moeilijk haalbaar wegens ziekte en
motivatiegebrek, thuiswerk is zelden mogelijk, flexibele uren zijn door de
administratieve problemen moeilijk haalbaar en meer pauzes zijn moeilijk te
rechtvaardigen tegenover de collega' s. Gedwongen tewerkstelling werkt heel
negatief evenals een te vlugge werkhervatting.

De geschatte percentages van CVS-patienten die na (gedeeltelijk) herstel
terug aan het werk kunnen zoals vroeger varieren van 0 tot 90%. Het grootste
deel draait rond de 5 a 15%. Het percentage dat na (gedeeltelijk) herstel
terug aan het werk kan, mits blijvende maatregelen en gevolgen varieert van
0 tot 50%, met een gemiddeld percentage van 20%. De schattingen van het
percentage dat eventueel naar een BW kan, schommelden tussen de 0 a 5%.
Deze vraag bracht heel wat opmerkingen mee. Volgens de medisch-adviseurs
zijn de patienten meestal te hoog gediplomeerd, het zijn zelden arbeiders.
Sommigen noemen het zelfs psychisch onverantwoord. Mag hier dan uit worden
geconcludeerd dat mensen die werkten als bediende niet terecht kunnen in een
BW? Dit lijkt me een onjuiste visie en getuigt van een gebrekkige kennis
over welk werk en werkschema's een BW te bieden heeft. Sommigen geven dan
ook openlijk toe die inschatting niet te kunnen maken door een gebrek aan
deze kennis. Er wordt door velen een enorm grote weerstand van de patient
gemeld, alsook problemen met het VF. Enkelen geven ongeveer 5% aan.
Interessant voor verder onderzoek zou zijn om te gaan kijken hoe hoog het
slaagpercentage ligt en dit te vergelijken met zij die in het normale
arbeidscircuit hun herintrede doen. Ook het verschil tussen de aanpassingen
doorgevoerd bij een BW versus die in het normale arbeidscircuit lijken een
verdere exploratie waard. Een schatting van het aantal patienten dat niet
meer terug aan het werk kan, leverde heel gevarieerde antwoorden op van
0 tot 90%, met een gemiddelde van 50 tot 70% (al dan niet rekening houdend
met extremen). Een opmerking die bij deze schatting moet worden gemaakt
is de invloed van de leeftijd. De percentages zullen logischerwijs
verschillen tussen de 25-jarigen en de 55-jarigen.

Bij de vraag naar hoeveel geloof men stelt in de verschillende theorieen
bleek dat ongeveer 45% van de medisch-adviseurs gelooft in het psychische
model, 15 % in het somatische model en 40% in het biopsychosociaal model.
Uiteindelijk kan je stellen dat voor de ondervraagden ieder model omstreden
is en voor velen lijkt een degelijke samenwerking tussen de verschillende
modellen de enige oplossing.

Zijn de opvattingen van de arts soms doorslaggevend voor het vervolg van een
patient zijn weg? Hierop antwoordde op twee na iedereen bevestigend. Vooral
het te veel bevestigen van de vermoeidheid van de patient kwam hier als
negatief naar voren. Men beklemtoont dan ook het verschil tussen bemoederen
en stimuleren van de CVS-patient. Hiervan maken patienten gebruik. Wanneer
ze ontgoocheld worden door een, volgens hen, te negatief ingestelde
geneesheer gaan ze op zoek naar een andere, bemoederende arts. Eenmaal ze
bij deze aanbeland zijn, wordt hun arbeidsongeschiktheid alleen maar groter
en wordt de weg terug bijna onmogelijk. De adviseurs die neen antwoordden op
deze vraag, leggen de schuld volledig bij de patient.

Een algemeen beeld geven over CVS en de arbeidsmarkt is niet zo evident
volgens de medisch-adviseurs. En dit om twee redenen: ten eerste kan er geen
algemeen beeld worden gegeven daar de medisch-adviseurs patienten met weinig
ongeschiktheidsdagen zelden zien en ten tweede daar elke casus anders is! De
algemene aanpak en huidige manier van denken heeft een weerslag op de
reintegratie en kansen op de arbeidsmarkt van mensen met CVS. Momenteel
wordt ziektebevestigend gewerkt, waardoor de patient zichzelf op den duur
als arbeidsongeschikt gaat verklaren. De artsen zouden moeten motiveren en
stimuleren om het werk, mits enige aanpassingen, opnieuw te hervatten en dit
liefst zo snel mogelijk. Voor veel CVS-patienten, die terug zouden willen
werken, is hun ziekte (CVS) een te grote stempel, die hun kansen op het
vinden van werk aanzienlijk doet dalen. Ook zullen werkgevers, zolang de
sociale bijdragen zo hoog blijven, niet vlug aangepast of deeltijds werk
aanbieden. Hoe het met de patienten is gesteld hangt af van het karakter,
de persoonlijke inzet, familiale- en omgevingsinvloeden. Over het algemeen
zijn ze moeilijk te motiveren, de leeftijd en het soort beroep speelt hierin
een belangrijke rol. Ofwel handhaven of reintegreren ze zich in de
arbeidsmarkt ofwel wordt hun levensdoel erkenning krijgen als invalide.
Aangepaste werkduur en lichter werk is het maximum haalbare, bij ernstige
gevallen is er geen enkele werkhervatting meer mogelijk. Zij die het werk
kunnen en willen hervatten hebben het vaak lastig, maar de tevredenheid over
het weer actief bezig zijn weegt hiertegen op. Een belangrijke boodschap
moet uit het CVS-verhaal weerhouden worden: er moet in de huidige
arbeidsmarkt meer aandacht gaan naar de opvoeding van de werknemers en
werkgevers inzake werkhouding en werkritme. Dit zou onder meer leiden tot
een vroegere herkenning van allerlei opduikende stressproblemen, wat voor
allen veel nuttiger zou zijn.

3.4.2.3. Conclusie.
----------------------

De manier van werken, zoals voorgeschreven door de richtlijnen van het
ministerie van sociale zaken, wordt helemaal niet gevolgd. Er blijkt zelfs
bij velen geen kennis te zijn van deze richtlijnen, meer nog, de kennis over
CVS blijkt over het algemeen heel zwak. Medisch-adviseurs staan heel
pessimistisch tegenover hun kansen op hertewerkstelling en denken overwegend
aan een psychische oorzaak voor de ziekte.

3.5. De Mutualiteiten
---------------------

Uit de ervaringen en contacten die mij tijdens het maken van deze thesis
zijn bijgebleven, kan over de mutualiteiten en hun houding tegenover CVS het
volgende worden besloten; ze staan eerder negatief en wantrouwig tegenover
CVS. De Christelijke Mutualiteiten (CM) hebben een brochure uitgegeven
getiteld; 'het verzekeringsgeneeskundig beleid bij CVS-patienten'.
Deze brochure is nagenoeg gelijk aan de richtlijnen in verband met de
beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de hoge gezondheidsraad,
onderafdeling 1.2 'psychosociale aspecten van ziekten', werkgroep CVS. In de
brochure heeft men die richtlijnen voor arbeidsongeschiktheidsevaluatie
uitgebreid uitgewerkt. Er wordt op alle niveaus aandacht gevraagd voor de
onbegrepen ziekte en een planmatige begeleiding met arbeidsreintegratie als
mogelijk doel. Maar ondanks deze maatregelen blijkt er veel onvrede te
bestaan over de houding van de Christelijke Mutualiteiten. Toen de
Christelijke Mutualiteiten werd gevraagd mee te werken aan de enquete i.v.m.
CVS bij hun medisch-adviseurs werd beleefd geweigerd. De Socialistische
Mutualiteiten hebben wel hun medewerking verleend, maar staan daarom niet
positiever tegenover CVS. Een echt concreet plan i.v.m. de begeleiding en
beoordeling van CVS-patienten hebben zij niet en bij de vraag naar hun
algemene houding tegenover CVS bleven ze mij het antwoord schuldig. Het
Liberale en Neutrale Ziekenfonds hebben ook geen dergelijk plan en waren
eveneens niet bereid mee te doen aan de bevraging.

3.6. De Arbeidsgeneesheer - Bedrijfsarts
----------------------------------------

Om de arbeidsgeneesheren te kunnen 'evalueren' wordt eerst een soort
functieomschrijving gegeven. In de codex over het welzijn op het werk vind
je onder meer de volgende opdrachten voor de arbeidsgeneesheer terug:

'De interne dienst (dus de arbeidsgeneesheer) heeft als opdracht de
werkgever, de leden van de hierarchische lijn en de werknemers bij te staan
in de uitwerking, programmatie, uitvoering en evaluatie van het beleid
bepaald door het dynamisch risicobeheersingsysteem..... In het kader van
dit dynamisch risicobeheersingsysteem heeft de interne dienst volgende
opdrachten:

* Advies verlenen over de organisatie van de arbeidsplaats en de werkpost.

* Advies verlenen over het opstellen van instructies betreffende het
gebruik van arbeidsmiddelen.

* Advies verlenen over de vorming van werknemers: bij indienstneming,
overplaatsing of verandering van functie, ...

Dit zijn kort de meest relevante opdrachten die door de wet voorgeschreven
staan, de opdrachten van een externe dienst komen op hetzelfde neer. Via dit
beeld van de opdrachten van de arbeidsgeneesheer belichten we zijn rol in de
begeleiding van CVS-patienten. Bij de arbeidsgeneesheren was er geen
rechtstreekse bevraging, ondermeer doordat de arbeidsgeneesheren niet allen
ervaring hebben met het CVS-onderwerp. Arbeidsgeneesheren zijn eveneens niet
geinteresseerd om mee te werken om zodoende de integriteit van de bedrijven
niet te schaden. Concrete informatie over Belgische arbeidsgeneesheren en
hun aanpak van CVS is niet te vinden. In een Nederlands onderzoek over
arbeidsreintegratie van chronisch zieken (Cuelenaere e.a., 1999) bleek dat
arbeidsgeneesheren het belang van reintegratie voor mannelijke werknemers
hoger inschatten dan voor vrouwelijke werknemers. In hun praktische
verzuimbegeleiding van mannelijke en vrouwelijke zieken bleken bedrijfsartsen
echter niet direct te discrimineren. Wel bleek dat zij in hun inspanning
rekening hielden met aspecten die indirect aan sekse gerelateerd zijn, zoals
de omvang van de aanstelling, het soort beroep en het soort aandoening.
Mannen en vrouwen verschillen zelf ook in hun reintegratiegedrag. Een
opmerkelijk verschil was dat de houding van het sociale netwerk ten opzichte
van werken een grote invloed had op het wel of niet hervatten van het werk
door vrouwen. Als het netwerk van een vrouw er niet achter staat dat de
vrouw gaat werken, dan doen vrouwen minder moeite om weer aan het werk te
komen.

Voor CVS-patienten is de arbeidsgeneesheer echter wel een belangrijke
schakel in het reintegratieproces. De arbeidsgeneesheer is namelijk ideaal
geplaatst om de CVS-patient, die terug aan de slag wil, te helpen. De
arbeidsgeneesheer kent het best de desbetreffende werkgever en de
mogelijkheden die er bij de werkgever zijn. Een probleem dat duidelijk naar
voren kwam tijdens mijn onderzoek is de gebrekkige, bijna onbestaande
samenwerking tussen de arbeidsgeneesheer en de andere geneesheren,
geneesheer-specialisten en adviserend geneesheren die bij de behandeling en
beoordeling van de patient betrokken zijn.


4. Aandacht voor Tewerkstelling - Onderzoek
-------------------------------------------

4.1. Werken met CVS
-------------------

4.1.1. Inleiding
-----------------

'Door er op je werk over te praten werd je als lastig beschouwd en door niet
te praten vonden ze je gehandicapter dan je was' (uitspraak van een
CVS-patient die deelnam aan het onderzoek). Arbeid kan een positieve rol
spelen voor de kwaliteit van het leven van vele chronisch zieken (van Agt
e.a., 1994, Wan, 1987, Barovsky, 1989, van Elderen, 1995). Verlies van werk
kan een verwoestende en demoraliserende ervaring zijn. Mensen met CVS
geloven niet vaak in hun kansen om terug werk te vinden. Flexibiliteit op
de werkplek is een sleutelvoorwaarde voor CVS-patienten op zoek naar een
job. CVS-patienten hebben nood aan een flexibel werkschema, dat kan worden
aangepast aan onverwachte fluctuerende energieniveaus. De onvoorspelbaarheid
van het energieniveau van de volgende dag(en) creeert bij CVS-patienten een
grote hindernis om te kunnen en mogen meedoen op de huidige arbeidsmarkt.
CVS-patienten zijn ook vaak zeer gevoelig voor chemische stoffen en zijn dus
beter af met chemisch-vrije banen. Veel CVS-patienten zouden er goed aan
doen om terug (gedeeltelijk) te werken. De kansen blijken echter zeer
schaars te zijn. Uit klachten-inventarisaties blijkt dat de toegang voor
mensen met een chronische ziekte tot de arbeidsmarkt nog altijd problemen
kent (Wewer & Meijer 1998).

Blatter e.a. (1998) kwamen bij hun onderzoek met CVS-patienten tot enkele
interessante conclusies. CVS-patienten willen vaak werkaanpassingen. Het
betreft hier met name andere werktijden (andere uren, minder uren, meer
pauzes) en taakverandering (taken eraf/erbij, scholing). Daarnaast
taakontlasting (lager werktempo, meer hulp) en middelen (hulpmiddelen,
meubilair, machines). CVS-patienten rapporteren dat door collega's en
leidinggevenden relatief vaak negatieve opmerkingen worden gemaakt over de
ziekte. Door zowel werkende als niet-werkende CVS-patienten wordt meer
contact onderhouden met de personeelsdienst. Andere bevindingen die echter
niet significant waren, zijn dat 75% onder deze patientengroep weer zou
willen werken (94% vindt wel dat ze wel weer moeten gezond zijn), 44% het
liefst bij hun oude werkgever. Ze willen de volgende ondersteuning: 44% wil
hulp bij de terugkeer naar het werk, 6% wil hulp bij sollicitaties, 6% wil
een opleiding volgen.

4.1.2. Tewerkstellingsgraad bij CVS-patienten
----------------------------------------------

Onder donateurs van de CVS-Stichting in Overijssel, Flevoland en Zeeland
werd eind 1995 een onderzoek gedaan. Van de mensen die voor het krijgen van
CVS betaald werk verrichtten, werkt 62% momenteel niet meer, 38% is volledig
arbeidsongeschikt verklaard en 13% gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Van de
CVS-patienten die voor hun ziekte betaald werk verrichtten acht 58% zich
helemaal niet meer in staat betaald werk te verrichten, 14% acht zich in
staat nog 1-25% te werken, 20% acht zich in staat om nog 26-50% te werken,
6% acht zich in staat nog 51-80% te werken en 2% acht zich in staat om 100%
te werken. Het percentage van helemaal niet meer kunnen werken ligt hier dus
heel hoog. Bleyenberg e.a. (1997) signaleren dat in de door hen onderzochte
patientengroep nog slechts 31% werken, waarvan 80% deeltijds, terwijl zeker
60% van de patientengroep een baan had voor de klachten begonnen. Een aantal
specifieke studies over de impact van het CVS op de tewerkstellingsgraad
staan hieronder vermeld in tabel I.

Tabel I: Tewerkstellingsgraad hij CVS-patienten
-----------------------------------------------

---------------------------------------------------------------------------
studie Aantal % werkenden % werkenden % werkenden bij
subjecten voor CVS tijdens CVS follow-up
---------------------------------------------------------------------------
Lloyd e.a., 1992 24 vrouwen 51.8 19.2
18 mannen 72.9 36.4
Schweizer e.a. 1995 47 (70% V) 87 51
Bombardier e.a 1996 208/203 (85% V) 59 60
Anderson e.a. 1997 110 (73% V) 26
---------------------------------------------------------------------------

In de literatuur varieert het percentage van CVS-patienten die onmogelijk
nog kunnen werken tussen de 25 tot 35 procent. De mogelijkheid om nog
deeltijds te werken varieert in de literatuur van 28 tot 80 procent
(Lambrecht, 1995). De percentages verschillen sterk van de ene studie tot
de andere. Niet enkel het verschil tussen de verhouding man-vrouw, maar ook
regio- en landenverschillen zullen hierin meespelen. Gelijk hoe, het aantal
niet-werkende CVS-patienten blijft aanzienlijk.

De studie van Bombardier & Buchwald (1996) is waarschijnlijk een van de
enige studies over CVS en tewerkstelling die ook een degelijke follow-up
heeft gehad. Hieruit blijkt dat het tewerkstellingspercentage niet veranderd
was na 31 maanden in vergelijking met de eerste meting. Ook vond men bij
deze studie dat 35% van de nog werkende CVS-patienten een sterke
prestatievermindering rapporteerden. Dergelijke onderzoeken zijn dus zoals
eerder gezegd, heel schaars en de logische volgende stap, namelijk het
opstellen van concrete jobgerelateerde programma's is zelfs nog zeldzamer.
In een inventarisatie van bestaande programma's voor de psychosociale zorg
aan somatisch chronisch zieken (Heijmans e.a., 1998) staat slechts 1 keer
het woord 'work' vermeld. De mensen die dergelijke programma's opstellen,
weten vaak niet goed hoe ze ze een arbeidsondersteunend programma voor
mensen met ernstige energieproblemen, zoals bij CVS, moeten aanpakken. Daar
CVS-patienten er vaak 'gezond' uitzien, vragen ze zich af waar het probleem
hem zit en beseffen ze niet dat CVS-patienten echter maar een paar uur per
dag op een behoorlijk niveau kunnen functioneren, waarna ze dan volledig
uitgeput zijn.

4.2. Verder werken met CVS
--------------------------

In een onderzoek van Henrikssen o.a. (2000) waarbij 176 vrouwelijke
CVS-patienten werden bevraagd, concludeerden ze dat (1) de meerderheid van
de vrouwen beperkingen ondervond in hun mogelijkheden om te werken, (2)
individuele aanpassingen moeten worden gemaakt, (3) vrouwen die een
aangepast niveau vonden naar hun mogelijkheden, zijn blijven werken en
vinden het bevredigend en (4) vroegtijdige interventie in de werksituatie
is aangeraden. Verder functioneren in je job ondanks de aanwezigheid van een
chronische ziekte begint met de dagelijkse uitdaging om op het werk te
geraken. Voor CVS-patienten is dit vaak helemaal niet zo evident. Sommigen
klagen over moeilijkheden om op te staan, de logische ochtend-routine van
opstaan, zich wassen en aankleden, ontbijten en naar het werk vertrekken
wordt voor velen een lastige onderneming. Ook de weg naar het werk is
bezaaid met hindernissen. Autorijden en fietsen is door gewrichtspijn,
orientatieproplemen en slaperigheid niet zo gemakkelijk meer. Een werkschema
volgen wordt bijgevolg niet zo gemakkelijk, want zowel op tijd ergens zijn
als juist op die plaats geraken is voor de CVS-patient reeds een hele
opdracht. Het meest beperkende element in het volgen van een werkschema is
de 'onverwachtheid' waarmee bepaalde symptomen opduiken.

CVS heeft een grote invloed op het functioneren op het werk. CVS-patienten
ondervinden significante beperkingen in termen van fysiek en beroepsmatig
functioneren in vergelijking met zij zonder die diagnose (Jason e.a., 2000).
White e.a. (1999) concluderen dat CVS gewoonlijk resulteert in een verlaging
van het alledaags functioneren en uiteindelijk de onmogelijkheid om te
werken tot gevolg heeft. het tast de effectiviteit op het werk aan en doet
bij gevolg de arbeidsprestaties dalen. Effectiviteit op het werk bij
CVS-patienten is afhankelijk van de volgende vier zaken:
communicatievaardigheden, vaardigheden in verband met leren en cognitieve
verzwakkingen, het energiepeil en afleiding door pijn. Cognitieve
verzwakking bij CVS-patienten word aangetoond en vooral zij die met
geheugenstoornissen (subjective cognitive impairment) kampen, voelen zich in
hun functioneren beperkt (Fischler e.a., 1996 en Christedoulou e.a., 1998).
McDonald o.a. (1993) vonden verzwakkingen in het geheugen en de concentratie
maar deze waren duidelijk gelinkt aan depressie. Geheugenverzwakking word
ook vastgesteld los van depressie. Sandman o.a. (1993) vonden een
significant geheugendeficit bij CVS-patienten, significant verschillend van
depressieve patienten. Men vond een significante overschatting van het
vermogen van het metageheugen, men presteerde significant slechter op testen
naarmate het contextbelang steeg, men maakte meer fouten wanneer herhaling
word verhinderd en men had vertraagde mentale scancapaciteiten naarmate de
geheugenlading steeg en dit allemaal in vergelijking met zowel depressieve
patienten als gezonde controlepersonen. Ook Lutgendoff e.a. (1995)
ondersteunen het concept dat de cognitieve verzwakkingen los staan van
depressie. Het energiepeil is uiteraard heel wat lager bij de CVS-patient.

Gevolgen van deze lagere effectiviteit op het werk zijn: vernedering,
afhankelijkheid met de daar bijhorende negatieve effecten, de job komt in
gevaar en uiteindelijk stapt men zelf op of wordt men ontslagen. Ondanks al
deze beperkingen en moeilijkheden, opteren en proberen velen om toch aan het
werk te blijven en hun job te behouden. Hierbij passen CVS-patienten
allerlei manieren toe om toch aan het werk te blijven. In eerste instantie
wordt men de tekorten gewaar en begint men te voelen dat de job al hun
energie vergt. Patienten gaan met dit gegeven op diverse manieren om. Je kan
twee catogorieen onderscheiden. Een eerste categorie zijn diegene die de
vele facetten van het leven buiten het werk zijn gaan missen. Zij kiezen
voor dat beetje resterende kwaliteit van het leven en stoppen met werken.
Een tweede categorie zijn zij die hun carriere en werk als hun leven
beschouwen. Zij gebruiken bepaalde strategieen (Ware, 1998) om toch te
kunnen blijven werken en de vele tekorten te camoufleren. De meest gebruikte
strategieen zijn:

1. voorrang aan het werk geven: hiermee wordt bedoeld dat alle beschikbare
energie naar het werk gaat. Andere activiteiten zoals het huishouden
doen, voor de kinderen zorgen en sociale activiteiten plannen,
worden zoveel mogelijk vermeden.

2. compenseren van tekorten: dit kan door een minder lastige job te vinden,
meer werk thuis te doen en alle overbodige inspanningen op het werk te
vermijden.

3. laten gaan of 'passing': dit is een manier van verbergen van het
lijden en de tekorten. Dit lukt door er fysiek gezond uit te zien,
belemmerende sociale activiteiten te vermijden (meestal door smoesjes)
en cognitieve tekorten te verantwoorden door zich dom voor te doen.

4. flexibiliteit zoeken: flexibele werkomstandigheden kunnen op
verschillende manieren gerealiseerd worden: deeltijds werken, een
aangepast schema opstellen, rustperiodes overdag inlassen, verplaatsen
van taken, enz. Deze laatste strategie is niet enkel de meest
uitdagende, maar ook de meest constructieve voor de werkende
CVS-patient.

De voordelen van het blijven uitoefenen van de job contrabalanceert met
de nadelen. De werkdag kost zoveel energie dat sociale activiteiten
buiten het werk gewoonweg niet meer kunnen gedaan worden. Sommigen zeggen
al hun energie in het werk te pompen met als gevolg daarbuiten al hun tijd
te gebruiken om te bekomen (Asbring, 2001).


4.3. Terug willen werken en chronisch ziek zijn: de Werkhervatting
------------------------------------------------------------------

4.3.1. Determinanten van Werkhervatting bij
chronisch Zieken en CVS-patienten
--------------------------------------------

Uit onderzoek van Nijboer o.a. (1993) naar werkhervatting na
arbeidsongeschiktheid blijkt dat slechts een klein aantal kenmerken een
substantieel effect hebben op werkhervatting. De kans op werkhervatting
blijkt groter als: de werknemer een man is, de werknemer voorheen voltijds
werkte, indien er maatregelen zijn getroffen om het werk aan te passen, de
economische situatie van het bedrijf niet slecht is, de ziekte van de
werknemer verminderd is in het voorbije jaar, de werknemer door had kunnen
werken indien het werk was aangepast of er ander werk was aangeboden en
indien de bedrijfsarts positief is over de werkhervatting. Omgekeerd hadden
de volgende catogorieen arbeidsongeschikten een kleinere kans op
werkhervatting: vrouwen, arbeidsongeschikten ouder dan 50 jaar of (in
mindere mate) jonger dan 30 jaar, een laag opleidingsniveau, afkomstig uit
bedrijven die er economisch slecht voor staan, voorheen in deeltijdse
regelingen gewerkt.

Mannen blijken dus een grotere kans op werkhervatting te hebben dan vrouwen.
Dit wordt ook bevestigd in een studie van Vinke e.a. (1999). Zij gingen door
middel van een onderzoek bij bedrijfsartsen en mannelijke en vrouwelijke
arbeidsongeschikten met vergelijkbare arbeidskenmerken na of vrouwen
gediscrimineerd werden bij de arbeidsreintegratie. Uit onderzoek van
Cuelenaere e.a. (1999) komt naar voren dat gezondheid een grotere rol speelt
bij werkhervatting dan de persoonskenmerken. Uit het onderzoek blijkt dat de
werkhervatters reeds bij de eerste meting een veel betere gezondheid hadden
dan de niet-hervatters, wat duidt op een relatie tussen een betere
gezondheid en werkhervatting. Enkele persoonskenmerken zijn relevant voor
de werkhervatting. Mannen, jongeren, kostwinners, niet-alleenstaanden, hoger
opgeleiden en diegenen die al bij de ziekmelding een hoger inkomen hadden,
hervatten het werk significant vaker. Tevredenheid met het werk deed er
minder toe. Het blijkt dat het eerder verricht hebben van ambachtelijk werk
de kans op herintrede vermindert en dat eerder administratief werk en vooral
ook leidinggevend werk, de kans op herintrede vergroten, wat echter
grotendeels samenhangt met het opleidingsniveau.

4.3.2. Soort Werk bij Herintreders
-----------------------------------

Het nieuwe werk blijkt in vergelijking met het vroegere werk nogal eens een
stapje terug qua werkinhoud (vaak minder leidinggevende functies: van 35%
naar 11%). Het gaat ook vaker om een dienstverband van minder uren, er wordt
aanzienlijk vaker part-time gewerkt (van 31% naar 76%). Het nieuwe werk
leidt tegelijkertijd tot minder negatieve ervaringen (van 53% naar 16%)
t.a.v. hun aandoening op het werk, minder behoefte aan nog meer aanpassingen
(van 33% naar 21%) en minder behoefte (van 30% naar 8%) aan contacten met
hulpverleners op het werk zoals de bedrijfsarts. Blijkbaar is in dat nieuwe
werk een betere balans gevonden tussen belasting en de individuele
belastbaarheid. Er zijn sterke aanwijzingen dat zo een nieuwe taak vaak
leidt tot verlichting van het werk maar niet tot een meer tevreden werknemer.
Tegelijk valt te constateren dat zo een taakaanpassing leidt tot andere
negatieve ervaringen op het werk (b.v. minder promotiemogelijkheden). Het is
duidelijk dat de aanvaarding van een dergelijk nieuw takenpakket niet
pijnloos verloopt en 'inpassing' vereist.

4.3.3. Aanpassing van de Arbeid en Reintegratiemaatregelen
-----------------------------------------------------------

Nijboer e.a. (1993) onderzocht de aanpassing van de arbeid, bij personen die
na een jaar ziektewetuitkering gekeurd waren voor de WAO (Wet op de
Arbeidsongeschiktheidsverzekering). Tabel II laat zien dat de maatregel
'verandering van taken en/of werkzaamheden' het meest wordt toegepast,
gevolgd door verandering (meestal verkorting) van werktijden'. Bij plaatsing
bij een nieuwe werkgever worden, naast deze maatregelen, iets vaker het
werktempo aangepast en scholing gegeven dan bij terugkeer bij de oude
werkgever. Het aanpassen van de arbeidsomstandigheden is van groot belang
voor de werkhervatting: 'De onderzoeksresultaten laten zien dat algemene
maatregelen als een goed arbeidsomstandighedenbeleid en het aanstellen van
een bedrijfsarts op zich nog niet voldoende garantie bieden voor de
bevordering van reintegratie. Waar het om gaat is het realiseren van
individuele aanpassingen van de arbeidssituatie.'

Tabel II Werkaanpassingen van werkhervatters na een WAO-keuring, bij
respectievelijk de oude werkgever,
de nieuwe werkgever en totaal, 1990 (in procenten)
------------------------------------------------------------------------

------------------------------------------------------------------------
oude werkgever nieuwe werkgever totaal
------------------------------------------------------------------------
verandering taken/werkzaamheden 71 68 70
verandering werktijden 50 44 48
vermindering werktempo 37 52 41
aanschaf hulpmiddelen 10 8 10
(bij)scholing 5 14 7
aanpassing machines/gereedschappen 4 3 4
anders 12 21 14
(n) 938 313 1,251
------------------------------------------------------------------------
Bron: Nijboer e.a. (1993)


Opvallend is dat de arbeidsgehandicapte zelf veel meer werkaanpassingen
rapporteert dan de bedrijfsarts. Kennelijk worden er op de werkplek veel
informele regelingen getroffen. Dat betekent dat in de naaste werkomgeving
zorg besteed wordt aan de arbeidsgehandicapte, wat positief is. Dit kan
echter ook onduidelijkheid in de hand werken, bijvoorbeeld over de rechten
van de betrokkene. Vooral formeel getroffen maatregelen dragen bij aan een
lager ziekteverzuim van de betrokkene. Dit kan een aanwijzing zijn van een
grotere efficientie van formeel getroffen maatregelen (in vergelijking met
informele maatregelen of het achterwege laten van voorzieningen).
Vermindering van de werktijden of een ander werktempo zijn twee aanpassingen
die ook bovenaan het lijstje staan van zij die aanpassingen wensen. Andere
gewenste aanpassingen hebben vooral betrekking op immateriele zaken: meer
gelegenheid tot pauzes, andere werktijden en taakaanpassing. Materiele
aanpassingen (hulpmiddelen, meubilair, toegankelijkheid gebouw) worden vrij
weinig toegepast, maar worden ook niet vaak gewenst.

4.3.4. Effectiviteit van de Voorzieningen voor de Arbeidsintegratie
--------------------------------------------------------------------

Andries e.a. (1998) vonden dat circa driekwart van de arbeidsgehandicapten,
naar eigen zeggen, 1 of meer werkaanpassingen heeft. Ook hier betreft het
vooral aanpassing van de werktijden. Dit wil echter nog niet zeggen dat alle
problemen op het werk met werk-aanpassingen zijn weggenomen. Maar liefst
30% van de arbeidsgehandicapten heeft alsnog behoefte aan een beter
aangepaste arbeidsplek. In de eerder gerapporteerde studie van Cuelenaere
e.a. (1999) naar werkhervatting kon geen zelfstandige invloed worden
waargenomen van het effect van 'werkgerichte interventies'.
Reintegratiemaatregelen werden wel toegepast, maar alleen ten behoeve van
gemotiveerde werkhervatters met gunstige arbeidsmarktkenmerken. Kortom,
aanpassing van de arbeid en arbeidsplaats laat vaak te wensen over.

De houding van de werkgever is hierbij van beslissende betekenis (Wevers
e.a., 1998, van den Bos e.a., 1999). In bijna alle gevallen speelde de
werkgever een rol in de aanpassing, in mindere mate gold dit voor de
bedrijfsarts. De rol van de werkgever betrof vooral het actief meedenken
aan werk(plek)aanpassingen, maar in veel mindere mate het financieren
daarvan. De bedrijfsarts speelde vooral een adviserende rol en incidenteel
een bemiddelende.

4.3.5. Invloed van Ziektetermijn op de 'Afstand tot het Werk'
--------------------------------------------------------------

Naarmate iemand langer thuis blijft door ziekte, wordt het als maar
moeilijker om terug aan het werk te gaan (Grundeman & Nijboer, 1998). een
periode van enkele maanden is in dit opzicht al lang. Er ontstaat bij de
betrokkene een mentale afstand tot het werk, maar ook een vrees het niet
meer aan te kunnen. Dit is zeker het geval wanneer het functioneren in de
periode voor het verzuim al moeizamer begon te worden door de ziekte of
wanneer er reeds bepaalde problemen waren met collega' s of de directe chef.
Vanuit het bedrijf neemt de belangstelling voor de zieke snel af, zeker
wanneer een vervanger beter en vlugger werkt. Zowel de collega's als de
werkgever hebben er baat bij dat de vervanger in vast dienstverband kan
komen zo gauw de zieke is afgekeurd. Het blijkt voor chronisch zieken in het
algemeen en dus ook voor CVS-patienten buitengewoon moeilijk om weer aan
werken toe te komen wanneer ze hun oude baan eenmaal kwijt zijn.

Dit betekent dat er zo vlug als mogelijk moet worden aangestuurd op
(partiele) werk-hervatting. De betekenis die werkhervatting kan hebben voor
de patient is heel belangrijk. Niet kunnen (en hoeven) werken heeft tal van
gevolgen die doorgaans ongunstig zijn voor het psychisch en sociaal
functioneren. Het is in dat opzicht verhelderend een onderscheid te maken
tussen aan een chronische ziekte lijden en een 'chronisch zieke ' zijn. Ons
zorg-systeem draagt er onbedoeld toe bij dat mensen zich als 'chronisch
zieke' gaan gedragen en hun leven onnodig veel inrichten rondom hun ziekte
en beperkingen. Niet meer werken versterkt dit proces aanzienlijk. Omgekeerd
vergroot het weer aan het werk gaan het gezonde element in iemands leven.
Dat geldt overigens ook voor het weer opnemen van andere dagelijkse
verplichtingen. Werk vormt zo een belangrijk onderdeel van het menselijk
bestaan dat het tijdig stimuleren van partiele werkhervatting en het
bespreken van de problemen die men hierbij ontmoet, een vast onderdeel zou
moeten vormen van programma's voor psychosociale zorg aan chronisch
zieken (van der Gulden, 1999).

4.3.6. Reintegratieprogramma voor CVS-patienten
------------------------------------------------

Wanneer de CVS-patient een eventuele terugkeer naar het werk kan maken of
mogelijks ziet zitten, moet hij getraind worden op de benodigde
jobvaardigheden en de 'readiness-to-work'. Belangrijk bij dit hele gebeuren
is begeleiding. De CVS-patient zou iemand toegewezen moeten krijgen die hem
gedurende dit reintegratieproces begeleidt. Samen met de CVS-patient moet
een individueel programma worden uitgewerkt. Een geschikte begeleider is
hij die op de hoogte is van de rechten en plichten van zowel de werkgever
als de werknemer en de relevante trainingen kent die tijdens het programma
kunnen worden aangesproken. De bedoeling van een dergelijke manier van
werken is dat er constant informatie wordt verkregen die noodzakelijk blijkt
te zijn om de persoonlijke noden te kennen en zo een goed individueel
afgestemd rehabilitatieprogramma te kunnen opmaken.

Bij het terug aan de slag gaan, moeten twee zaken worden bekeken:
employability en placeability (Geist & Calzaretta, 1993). Employability
kijkt of de persoon employable is. Of de persoon voldoende capaciteiten
heeft om in een bepaald beroep of werksituatie te functioneren. Je hebt
enerzijds de algemene employability en anderzijds de specifieke
employability. Bij specifieke employability wordt vooral gekeken naar
algemene concentratie, algemene aandacht, concentratie op datgene waarmee
iemand bezig is, oog voor detail, stresstolerantie, vermoeidheid, emotioneel
en fysiek doorzettingsvermogen en algemene werkkracht. Placeability gaat
erover of de persoon al dan niet plaatsbaar is. Placeability heeft weinig
te maken met kennis en vaardigheden maar eerder met zaken als absenteisme,
punctualiteit, enz. Deze zaken zullen door CVS aangetast zijn. Aan zowel
employability als aan placeability kan gewerkt worden via werkgerelateerde
programma's. Specifieke employability-zaken zoals algemene concentratie
zullen bij de CVS-patient verzwakt zijn. Maar dergelijke problemen kunnen
bijgestuurd worden, vooral door en vanuit het bedrijf zelf kan dit aangepakt
worden, b.v. door het voorzien van een degelijk uitgewerkte checklist.

4.3.7. Werkgerelateerde Programma' s
-------------------------------------

Wanneer we kijken naar aanpassingen op werkgebied voor CVS-patienten moeten
we beseffen dat een aanpassingsprogramma enkel goed kan uitgewerkt worden op
basis van individuele gevallen en niet volgens een algemeen geldend
programma. De symptomen die ontstaan door CVS zijn zo gevarieerd dat wanneer
we effectieve aanpassingen willen bepalen, de vaardigheden en beperkingen
van de CVS-patient moeten worden bekeken en problematische taken zouden
moeten kunnen geidentificeerd worden. Daarom zou het opportuun zijn de
patient zelf te betrekken bij het aanpassingsproces. Niet alle CVS-patienten
zullen aanpassingen nodig hebben, er zijn er zelfs die slechts een heel
klein aantal aanpassingen vragen.

Welke vragen dienen gesteld te worden bij het bepalen van werkaanpassingen?
De werkgever moet een duidelijk beeld krijgen van welke symptomen en
beperkingen de CVS-patient ondervindt. Hoe en in welke mate beinvloeden deze
de CVS-patient zijn werkprestaties en welke specifieke uit te voeren taken
worden door de beperkingen problematisch. Daarna moet worden gekeken wat aan
dit alles kan worden gedaan, welke aanpassingsmogelijkheden zijn er
beschikbaar om deze problemen (ontstaan door de beperkingen) te beperken of
op te lossen. Daarna kunnen dan uiteindelijk de mogelijke aanpassingen
doorgevoerd worden. Eenmaal de aanpassingen achter de rug zijn, is het
belangrijk om met de CVS-patient de effectiviteit van de aanpassingen te
evalueren, om zo nog mogelijke tekorten te verbeteren. Een bijkomende vraag
die bij dit proces moet worden gesteld is of leidinggevenden en collega's
info dienen te krijgen over CVS en hoe hiermee positief kan worden omgegaan?
Onderzoek bij CVS-patienten in verband met werkgerelateerde interventies
wees de volgende zaken uit: 'men verlangt professionele hulp bij het
onderhandelen met de werkgever voor accomodaties en begeleiding bij
carriereverandering, men pleit voor reductie van stressfactoren op het werk,
veranderde werkcondities en flexibele uren, ook stelt men voor een deel van
het werk thuis te doen'.

Concrete maatregelen voor CVS-patienten die door JAN (Job Accomodation
Network, http://www.jan.wvu.edu), een gespecialiseerd Amerikaans bureau
voor werkaanpassingen, worden voorgesteld zijn onder meer;

Mogelijke aanpassingen bij concentratieproblemen: Voorzie geschreven
jobinstructies wanneer mogelijk, prioriseer de jobopdracht en verstrek meer
structuur, sta flexibele werkuren toe en laat ze zelf hun werktempo bepalen,
sta periodieke rustperiodes toe om te recupereren, voorzie geheugensteuntjes
zoals dienstregelingen en werkschema's, minimaliseer de afleiding en
reduceer de stress.

Mogelijke aanpassingen bij depressie en angst: Reduceer afleidingen in de
werkomgeving, voorzie lijsten met To-Do's (vrij vertaald; wat moet gedaan
worden) en geschreven instructies, herinner CVS-patienten aan belangrijke
deadlines en vergaderingen, sta vrije tijd toe voor planning, voorzie
duidelijke verwachtingspatronen, geef training aan collega's op gevoeligheid
voor signalen, ontwikkel strategieen die met werkproblemen afrekenen
alvorens ze kunnen ontstaan, sta ondersteunende telefoongesprekken met
dokters en anderen toe tijdens de werkuren.

Vermoeidheid/ Verzwakking: Verminder of elimineer fysische uitputting en
werkstress, voorzie periodieke pauzes weg van de werkplek, sta thuiswerk
toe, implementeer ergonomische werkplekaanpassingen.

Migraine: Verminder de moeilijkheidsgraad van de uit te voeren taken,
elimineer fluoriscerend licht, gebruik computerschermen aangepast aan
verblindend licht, verminder storend lawaai, voorzie alternatieve
werkplaatsen waar minder visuele en auditieve afleiding aanwezig is,
implementeer een geurvrije werkomgevingspolicy, voorzie luchtzuivering.

Fotosensitiviteit: Minimaliseer buitenactiviteiten tussen 10 en 16 uur,
vermijd reflecterende oppervlakken, vervang fluoriscerende verlichting door
volspectrum licht of natuurlijk licht, elimineer blinkend of flikkerend
licht, installeer aanpasbare gordijnen.

Slaapstoornissen: Sta flexibele werkuren toe, pauzevoorzieningen en
thuiswerk.

Temperatuurgevoeligheid: Pas de omgevingstemperatuur aan tot een gematigd
niveau, voorzie een ventilatiesysteem, laat temperatuuraangepaste kledij
toe, sta bij extreme temperaturen flexibele werkuren en thuiswerk toe,
voorzie in het kantoor afzonderlijke temperatuurcontrole.

Het realiseren van werkaanpassingen zou, volgens dit Amerikaans bureau, de
kern van de begeleiding van werknemers met CVS moeten zijn. Daarnaast zouden
werknemers met CVS veel vaker gebruik moeten maken van een beroepskeuze- of
loopbaanpsycholoog. Een nieuwe functie biedt soms meer perspectief dan het
huidige werk. Kooreman & Jans (1993) bepleiten deze aanpak in het kader van
reintegratie en preventie van toekomstig verzuim. Verandering van werk voor
CVS-patienten leidt wellicht vaak tot een betere balans tussen belasting en
belastbaarheid dan dat in de oude baan het geval was. Dat dit gepaard gaat
met een stapje terug in b.v. verantwoordelijkheden, is een consequentie die
CVS-patienten wellicht moeten accepteren. Werkaanpassingen die uitgaan van
niet op papier gezette afspraken over inzetbaarheid en onderlinge hulp,
werken onvoldoende, al is dat soort aanpassingen populair. Vanwege de
mogelijke onduidelijkheid bij collega's over het bestaan van zo
een aanpassing en de periode waarvoor deze geldt, bestaat de mogelijkheid
dat daardoor meer schade wordt aangericht dan daarmee wordt voormeden.
Werkaanpassingen en loopbaanplanning kunnen alleen goed slagen als
werknemers met CVS op een zakelijke manier op het werk durven uit te komen
voor de problemen die hun ziekte met zich meebrengt. In het bijzonder moeten
de werknemer, collega's en leidinggevende zich actief inzetten voor een
goede werksfeer, omdat de combinatie van klachten door de ziekte en
conflicten op het werk bijzonder bedreigend is voor de arbeidsdeelname.

4.4. Hoe zit het met de Werkgevers?
-----------------------------------

Bij de bedrijven is meestal geen geintegreerde medisch-sociale kennis over
het personeel beschikbaar. De bedrijven zijn vaak niet op de hoogte van de
aard en de implicaties van de vele ziektes en aandoeningen, zoals CVS. Zo
kan de beoordeling van het functioneren van de werknemer door de
personeelsfunctionarissen en het oordeel van de directe chef sterk
uiteenlopen. Als kennis over de effecten van CVS ontbreekt, is het ook zo
goed als onmogelijk een vorm van loopbaanbegeleiding te ontwikkelen. 'Zo
lang het gaat, gaat het en daarna zien we dan wel weer' is kort samengevat,
de heersende mentaliteit. Een pro-actief beleid waarbij op tijd gezocht
wordt naar een alternatieve taakvervulling, is zeldzaam. Over het algemeen
zijn onderzochte bedrijven bereid inspanningen te doen om hun
arbeids-gehandicapte werknemers aan het werk te houden. Sociale motieven
spelen hier een hoofdrol, financiele overwegingen zijn minder belangrijk.
Bij het aan het werk houden van arbeids-gehandicapten zijn bepaalde
complicaties aan tewijzen, namelijk een gebrek aan mogelijkheden het werk
aan te passen of een herplaatsing te realiseren. Ook de huidige terugval in
de economie zorgt ervoor dat er voor mensen met een arbeidshandicap minder
plaats is. In sommige gevallen bestaat de vrees voor afgunst indien er een
uitzonderingspositie wordt gecreeerd voor een arbeidsgehandicapte werknemer,
alsook voor een kettingreactie in de vorm van een verhoogd ziekteverzuim
onder de collega's die een stapje harder moeten lopen om werk op te vangen
voor een minder belastbare collega.

Algemeen gesteld kunnen we bij Belgische werkgevers de volgende problemen
terugvinden; Er heerst een filosofie bij de werkhervatting van het type
'alles of niets', met een focus op de prestatie en het individueel rendement,
in tegenstelling tot het werktempo dat de voorrang geeft aan een verdeling
van 'activiteit-rust' voor de patienten. Indien een medisch half-time
ingevoerd wordt, is deze dikwijls van korte duur. Er is geen inachtneming
van deficienties van de cognitieve functies. We zien een gebrek aan
solidariteit van collega's op het werk en er komen heel weinig initiatieven
tot verbetering vanuit de bedrijfsleiding.

4.5. Beroepsgeschiktheid voor CVS-patienten
-------------------------------------------

4.5.1. Algemeen
----------------

Karasek (1979) stelde een model op voor werkstress gebaseerd op werklast,
regelruimte en sociale steun. Werklast houdt de kwantitatieve (tijdsdruk en
werktempo) en kwalitatieve (taakinhoud en vereiste niveau) psychologische
eisen in die het werk aan de werknemer stelt en het uitdagende karakter van
het werk. Regelruimte heeft betrekking op de mogelijkheden die de werknemer
heeft om zelf te beslissen hoe hij het werk uitvoert. Met sociale steun
worden de functionele en informele contacten bedoeld die de werknemer heeft
met de chef of de collega's. Deze steun zorgt ervoor dat een hoge
werkbelasting niet tot stressreacties leidt. Volgens het model kunnen
beroepen op grond van regelruimte en werklast ingedeeld worden in
4 werkomgevingen:

1. weinig spanning: grote regelruimte en lage werklast
2. veel spanning: kleine regelruimte en hoge werklast
3. actief: grote regelruimte en hoge werklast
4. passief: kleine regelruimte en lage werklast

Onderzoek hieromtrent bij zieke werknemers (Andries & Wevers 1996, Andries
e.a., 1997) rapporteert dat werk onder hoge werkdruk met weinig
regelmogelijkheden als minder geschikt moest worden beschouwd voor patienten
met een neuromusculaire aandoening. Kijkend naar het profiel van de
CVS-patient lijkt werkomgeving 1 ideaal. Als we echter kijken naar de
relatie tot stoppen met werken of blijven werken is dit niet meteen de meest
succesrijke keuze. Ondanks het feit dat dit type werk bijzonder geschikt
lijkt voor werknemers met een verminderde belastbaarheid, blijkt dit werk
juist het voorportaal van de uitval. Doordat het te ruim blijkt, valt alle
druk weg en ook de prestatiedrang verdwijnt volledig. Dit kan makkelijk
beginnen te knagen aan de tevredenheid en positieve arbeids-beleving,
mogelijk kan de werkmotivatie hierdoor aanzienlijk dalen. Ook beklemtoont
dit soort werk de gedaalde nuttigheid van de werknemer wat niet altijd door
iedereen even goed wordt verteerd.

4.5.2. Telewerk - Thuiswerk
---------------------------

Ook de kantoorautomatisering en het daarmee gepaard gaande telethuiswerk,
biedt mogelijkheden die vooral voor lichamelijk gehandicapten uitkomst
kunnen bieden. 1 van de grote gevolgen van CVS is de isolering van de
buitenwereld, collega's, vrienden, ... Het lijkt mij dan ook niet zo
verstandig om thuiswerk te promoten als de ideale oplossing voor
CVS-patienten. Want met thuiswerk treedt de CVS-patient niet uit die
isolering, bovendien laat het hen een te grote vrijheid voor excuses voor
werkverzuim.

Als we een weg zoeken naar hertewerkstelling moeten duidelijke afspraken
kunnen worden gemaakt met degelijke controlemogelijkheden. Alleen maar
thuiswerk doen kan deze zeker niet voldoende bieden. Wel kan het een handvat
zijn bij het maatwerk dat bij een herstel van arbeidsongeschiktheid aan de
orde is. Indien voor thuiswerk wordt geopteerd, lijkt een mix van thuis
werken en naar het werk gaan werken de best mogelijke manier. Zo kan een
deel van het werk thuis worden gedaan, op eigen tempo en op vrij gekozen
uren. Het andere deel gebeurt op het werk zelf en zorgt voor routine, het
opnieuw (proberen) naleven van regels en een doorbreking van de isolering
via contact met collega's en de buitenwereld. Belangrijk ook is het
er opnieuw bijhoren, een gevoel dat ontstaat wanneer men opnieuw gaat
werken. Indien geopteerd wordt om enkel en alleen thuiswerk te doen, kan je
niet echt spreken van het gevoel er opnieuw bij te horen.

4.6. Conclusie
--------------

Bestaand onderzoek geeft geen duidelijk beeld van de mogelijke relaties
tussen CVS en de arbeidssituatie. De mogelijke relaties tussen werk en CVS
hebben weinig aandacht gekregen in wetenschappelijk onderzoek, zeker in
Belgie. Dit geldt zowel voor werkgerelateerde factoren die bijdragen tot het
ontstaan van het syndroom, als aan werkgerelateerde factoren die uitval
kunnen helpen voorkomen. Ook onderzoek naar resterende arbeidsmogelijkheden
en de condities voor reintegratie zorgen niet voor een duidelijk beeld.
De enkele conclusies die dan toch worden getrokken, worden aangewend bij
het stellen van richtlijnen voor mogelijke begeleiding, trainingen en
aanpassingen naar halftijdse werkhervatting. Helaas blijven deze richtlijnen
die kunnen leiden tot tertiaire preventie zonder gevolg en worden concrete
maatregelen en acties maar zelden uitgewerkt. De reden waarom dit niet
gebeurt komt door verscheidene oorzaken; werkgevers werken niet mee, de
overheid schuift de verantwoordelijkheid constant door......

4.7. Onderzoek
--------------

4.7.1. Populatie
-----------------

Patienten, die met zekerheid voldoen aan de criteria of met andere woorden
gedocumenteerde CVS-patienten, waren uiteindelijk enkel te vinden bij een
universitair ziekenhuis. Bij het UZ Gent loopt momenteel een onderzoek met
een honderdtal CVS-patienten, die regelmatig over een aantal zaken worden
bevraagd. Een onderzoek naar tewerkstellingsmogelijkheden bleek in de opzet
van dit grootschalig onderzoek heel interessant. Na toestemming van Dr. Van
Duyse en mits de toevoeging van een bevraging rond hun arbeidsbeleving kon
beroep worden gedaan op het bestaande patientenbestand.

Alle patienten zijn gedocumenteerde CVS-patienten en voldoen daarmee aan het
vooropgesteld criterium. Pensioengerechtigde CVS-patienten werden in het
onderzoek niet opgenomen, daar ze niet relevant zijn in een bevraging naar
tewerkstellingsmogelijkheden. Ook twee patienten uit Nederland werden niet
opgenomen, doordat andere wetten en sociale regelingen een nefaste invloed
kunnen hebben op hun antwoorden en een vertekend beeld tot gevolg kunnen
hebben. Ook 5 patienten uit mijn directe woonomgeving werden niet
geselecteerd omdat zij eventueel hadden deelgenomen aan een vooronderzoek
waarbij een voorlopige versie van de vragenlijst werd ingevuld door leden van
een lokale zelfhulpgroep te Heule bij Kortrijk. Deze mensen bleven anoniem
en dienden enkel om te toetsen of de vragenlijst duidelijk was. Uiteindelijk
werden 80 patienten geselecteerd. Van de 80 geselecteerde personen hebben er
54 de vragenlijst ingevuld teruggestuurd, wat een responspercentage van
67.5% is. 1 bleek te onvolledig en werd bij gevolg niet gebruikt, zodat er
53 patienten over waren voor een inclusie in dit onderzoek.

4.7.2. Methode
--------------

4.7.2.1. Vragenlijst.
------------------------

Er is bij dit onderzoek gebruik gemaakt van een tweedelige vragenlijst.
De persoonsgegevens zoals familiale situatie en schoolse opleiding werden
niet bevraagd daar deze reeds in het bestand zaten opgeslagen. Er was hierop
wel 1 uitzondering met de vraag: 'heeft uw partner momenteel vast werk'.

Het eerste deel van de vragenlijst gaat de mate van burnout meten. Alhoewel
er een groot aantal definities van burnout bestaan, wordt die van Maslach
en Jackson (1986) veruit het meest gebruikt en luidt als volgt: 'Burnout a
syndrome of emotional exhaustion, depersonalization, and reduced personal
accomplishment that can occur among individuals who do 'people work' of some
kind'. Het gaat dus om een complex van drie symptomen, waarbij emotionele
uitputting verwijst naar het gevoel helemaal leeg of 'op' te zijn. Anders
dan bij de psychiatrie gaat het bij depersonalisatie niet om vervreemding
van de eigen persoon, maar juist om vervreemding ten opzichte van anderen.
Dit uit zich in een kille, cynische, afstandelijke en onpersoonlijke houding
ten opzichte van diegenen met wie men dagelijks (samen)werkt. Verminderde
persoonlijke bekwaamheid, tenslotte, heeft betrekking op het gevoel minder
te presteren op het werk, hetgeen gepaard gaat met gevoelens van
insufficientie en twijfel aan het eigen kunnen. Kenmerken die burnout
onderscheiden van b.v. overspannenheid, CVS en andere aandoeningen met
gelijkaardige verschijnselen zijn: het sterk werkgerelateerd karakter en
het chronisch beloop.

Wereldwijd is de Maslach Burnout Inventory het meest gebruikte instrument
om burnout te meten. Het is vooral geschikt voor contactuele beroepen en
meet de mate van 'burnout', een werkgerelateerde psychische
vermoeidheidstoestand. Het instrument is heel populair en wordt in meer dan
90% van alle wetenschappelijke artikelen gebruikt als indicator van burnout
(Schaufeli & Enzmann, 1998). Echter, de oorspronkelijke MBI is ongeschikt
voor gebruik bij beroepen waarin niet met mensen wordt gewerkt. Immers, bij
dergelijke beroepen is per definitie geen sprake van depersonalisatie,
terwijl gevoelens van uitputting en verminderde persoonlijke bekwaamheid
niet het gevolg zijn van het werken met mensen. Om burnout te bevragen bij
de CVS-patienten in dit onderzoek werd gebruik gemaakt van de UBOS - A
(Utrechtse Burnout Schaal- Algemeen). De UBOS is de Nederlandse versie van
de MBI ontwikkeld door Schaufeli (1994). De UBOS-A, een variant, is algemeen
toepasbaar onafhankelijk van het beroep dat wordt uitgeoefend. De
Nederlandse versie van de UBOS-A kwam tot stand via een database van
13 studies waarin gegevens van ruim 6000 respondenten zijn opgenomen. De
items van de UBOS-A zijn simultaan geformuleerd in het Nederlands en
het Engels, waardoor er dus sprake is van een originele versie. Daar het de
bedoeling van dit onderzoek was om hun beleving te achterhalen van toen de
klachten reeds sterk aanwezig waren, werden ze gevraagd de uitspraken te
scoren vanuit hun gevoelstoestand van toen. Om deze stap wat te
vereenvoudigen en mogelijke misverstanden te vermijden, werden de uitspraken
in de voltooid verleden tijd geformuleerd. De scoring van de UBOS-A is
identiek aan die van de UBOS-C en de UBOS-L. Er wordt gewerkt met vaste en
variabele ankers die varieren van 'nooit' (score 0) tot 'dagelijks' of
'altijd' (score 6). Bij de vragenlijst worden drie belangrijke aspecten van
burnout gemeten:

- emotionele uitputting:
Het gevoel 'op , 'leeg', 'oververmoeid' of 'overbelast' te zijn.

- distantie:
Een negatieve, afstandelijke, onverschillige of cynische houding
ten aanzien van het werk.

- competentie:
Het gevoel dat men het werk aankan, genoeg zelfvertrouwen heeft,
een positieve bijdrage levert en waardevolle dingen bereikt in het werk.

De drie schalen zijn (Schaufeli, Leiter & Kalimo, 1995): de
uitputtingsschaal, de distantieschaal en de competentieschaal. De U-schaal
bestaat uit 5 items (nrs. 1, 3, 5, 11, 13) die extreme psychische
vermoeidheid uitdrukken. De D-schaal bestaat uit 4 items (nrs. 2, 7, 8, 14)
en heeft betrekking op een afstandelijke houding ten opzichte van het werk
dat men verricht. De C-schaal ten slotte bestaat uit 6 items (nrs. 4, 6, 9,
10, 12, 15) en geeft het gevoel weer dat men: het werk goed aan kan,
zelfvertrouwen heeft, een positieve bijdrage aan de organisatie levert en
waardevolle dingen in het werk bereikt. De gemiddelde schaalscore wordt
berekend door de scores van iedere schaal op te tellen en te delen door het
aantal ingevulde items in de desbetreffende schaal. Een sterke mate van
uitputting, dus een hoge score op de uitputtingsschaal en een sterke mate
van distantie, dus een hoge score op de distantieschaal in combinatie met
een geringe mate van competentie, dus een lage score op de competentieschaal
geven burnout aan.

Bij de toetsing van de factoriele validiteit wees confirmatorische
factoranalyse uit dat de drie-factor structuur (de drie dimensies: U, D en
C) het beste past bij de gegevens, met namelijk bij elke groep een
validiteit van boven de .90. ook de RMSR-resultaten (Root Mean Square
Residual) zijn aanvaardbaar, varierend van .05 tot .07. De samenhang tussen
de drie schalen (de Pearson's r) toont dat U en D het sterkst met elkaar
samenhangen (.58) gevolgd door respectievelijk D en C en U en C. De
Cronbach' s a., de waarde voor de interne consistentie voldoet voor elke
schaal aan het minimumcriterium van .70, ook de test-hertest betrouwbaarheid
is hoog. De discriminante validiteit van de U-schaal is hoog, de D-schaal
correleert matig tot sterk met alle variabelen en de C-schaal correleert met
name met arbeids-satisfactie (21% gemeenschappelijke variantie). Verder nog
blijkt dat vrouwen significant hoger dan mannen scoren op de U-schaal, maar
lager op de D-schaal en op de C-schaal. De relatie van het gebrek aan
sociale steun en de U-schaal is niet echt sterk (3%), met de C-schaal iets
sterker (5%) en met de D-schaal 8%.

De normen, gebruik in dit onderzoek, zijn deze voor werknemers met burnout
klachten, deze populatie werd gediagnosticeerd als werkgerelateerd
neurastheen. In 1869 introduceerde Beard de term, 'neurasthenie' en later,
in 1890, rekende hij uitputting tot 1 van de vier belangrijkste symptomen
hiervan. In de DSM-IIIR werd neurasthenie niet meer opgenomen. Later maakte
in het Westen het chronische moeheidssyndroom opgang en dat heeft in zekere
zin de plaats van neurasthenie overgenomen (Greenberg, 1990 en Wessely e.a.,
1990). Tevens moet er sprake zijn van afgenomen professionaliteit (Hoogduin,
Schaap & Metharst, 1996), wat bij de ondervraagden inderdaad het geval is.
Uit onderzoek van Wagenvoort e.a. (1998) naar de klinische validiteit, kwam
naar voren dat deze groep significant ongunstiger scoorden op alle drie de
schalen van de UBOS-A in vergelijking met een 'normale' controlegroep van
werkenden. Ook deze normale normgroep van werkenden zal gebruikt worden ter
vergelijking van de onderzochte groep.

Er is een onderscheid te maken tussen CVS en het burnout-syndroom. Burnout
kenmerkt zich door een duidelijke relatie met het werk en de lange duur,
enkele jaren, van de aanloop voordat Burnout zich manifesteert. Burnout
geldt als een specifieke stressreactie of toestand van overspannenheid.
Emotionele uitputting, depersonalisatie en verminderde bekwaamheid staan
hierbij centraal. De werkbelasting, gekenmerkt door psychologische
taakeisen, hoeveelheid regelmogelijkheden en sociale ondersteuning, zijn
van grote invloed op het ontstaan van burnout. Dit is allemaal niet
karakteristiek voor CVS. Overeenkomsten zijn onder andere het ontbreken van
een echte (primaire) depressie, inactiviteit en besluiteloosheid ten gevolge
van de extreme vermoeidheid. Differentiaal diagnostisch moeten bij beide
adaptatiestoornis, surmenage, depressieve en angststoornis uitgesloten
worden.

Het tweede gedeelte van de vragenlijst is drieledig. Het eerste onderdeel
heeft betrekking op het arbeidsverleden. Het omvat al de werkervaring tot
aan de beginperiode van CVS. Dit eerste onderdeel is bedoeld voor zowel de
momenteel niet-werkenden als zij die momenteel wel werken. Het tweede
onderdeel is enkel gericht op de momenteel niet-werkende CVS-patienten.
Hier wordt gepeild naar hun verwachtingen en bedenkingen rondom bepaalde
thema's van tewerkstelling. ook wordt stilgestaan bij verwachtingen die ze
hebben over mogelijk toekomstig werk. Afsluitend worden nog enkele
tevredenheidsvragen gesteld. Het derde onderdeel is enkel voor zij die
momenteel werken. Er wordt ook bij hen gepeild naar verwachtingen en
bedenkingen rondom bepaalde thema's van tewerkstelling. Daarnaast wordt
gevraagd naar hun bevindingen en verlangens bij de huidige tewerkstelling.
Ook bij hen worden tot slot nog enkele tevredenheidsvragen gesteld. In dit
tweede deel werd gebruik gemaakt van verschillende soorten vragen. Bij de
scoringsvragen was telkens een zespuntenschaal voorzien. De zespuntenschaal
werd opzettelijk gekozen, zodat de patienten verplicht worden een kant te
kiezen. Daarnaast had je ook ja-nee vragen en vragen met keuzemogelijkheden,
met hier en daar de mogelijkheid om zelf aanvullingen te doen. Tot slot
zijn er nog twee vragen waar vrijuit kan worden geantwoord.

Enkele vragen uit het tweede deel van de vragenlijst komen geregeld voor in
werkgerelateerde vragenlijsten b.v. vragen naar stresserende jobfactoren.
De stresserende jobfactoren 'verantwoordelijkheid voor mensen' en 'geen
bevredigende sociale werkrelaties kunnen ontwikkelen' worden hier onderzocht.
Niet zozeer om deze als mogelijke oorzaken te kunnen beschouwen, maar om te
kunnen vergelijken tussen de fase voor het krijgen van CVS en de huidige
fase, alsook de verschillen tussen werkenden en niet-werkenden. Enkele
vragen komen (wat aangepast) uit de vragenlijst van Karasek (1990). Zijn
model voor werkstress steunt op drie grote peilers: werklast, regelruimte
en sociale steun. De gebruikte (weliswaar aangepaste) vragen zijn; 'mijn
werk biedt me de ruimte veel beslissingen zelf te nemen', 'ik verwacht dat
ik de komende 5 jaar mijn baan zal verliezen' en 'ik heb goede
vooruitzichten op het maken van carriere en promotie' hebben vooral
betrekking tot de laatste twee peilers. Met regelruimte wordt de mate van
vrijheid bedoeld die de werknemer heeft om zelf te beslissen hoe het werk
wordt uitgevoerd. Sociale steun is de som van functionele en informele
contacten met collega's en werkgever.

4.7.2.2. Interpreteren van de resultaten.
--------------------------------------------

Er zijn voornamelijk descriptieve analyses uitgevoerd, waarbij percentages
van categorische en gemiddelden van continue variabelen berekend zijn voor
subgroepen. Gevonden verschillen zullen worden getoetst op statistische
significantie. Bij bivariate verbanden geschiedt dit door middel van de
chikwadraat-toets en t-toets. De aangegeven p-waarde duidt op de kans dat
een verband ten onrechte als significant is aangemerkt. Zo duidt bijvoorbeeld
een p-waarde van 0.10 op 10% kans op zo een foute uitspraak. Bij de scores
voor burnout werd gewerkt in termen van de drie afzonderlijke schaalscores.
Deze zorgen voor een nauwkeurigere classificatie dan door enkel met een
totaalscore voor de drie schalen samen te werken. Tevens biedt het
specifieke informatie voor eventuele behandeling of interventie.

4.7.2.3. Onderzoeksvragen - hypothesen.
---------------------------------------

Doordat het hier om een exploratief onderzoek gaat werden vooraf geen
hypothesen opgesteld. Maar door de contacten met CVS-patienten en andere
mensen met kennis over CVS en de gevolgen ervan, alsook de literatuur over
CVS en gelijkaardige studies bij chronisch zieken kunnen wel enkele
vermoedens worden geformuleerd die door het onderzoek kunnen getoetst
worden .

Het vermoeden bestaat dat;

* Niet-werkenden hun kansen op hertewerkstelling heel laag in schatten.

* Niet-werkenden momenteel minder belang hechten aan een aansluiting van
het werk bij de schoolse opleiding dan voor hun ziekte.

* Niet-werkenden in hun huidige situatie weinig belang hechten aan een
aansluiting van het werk op de schoolse opleiding.

* Niet-werkenden een ander werkschema zullen kiezen dan hun vorige
werkschema, waardoor minder zal moeten worden gewerkt.

* Niet-werkenden vooral voor part-time jobs in de namiddag kiezen, door
het trager op gang komen van hun metabolisme.

* Werkenden functioneren in jobs met kortere werkweken.

* Arbeiders meer open staan voor een tewerkstelling in een BW dan
bedienden.

* Bedienden positiever staan tegenover opleidingen dan arbeiders.

* Vrouwen minder tevreden zijn over de verschillende schakels.

* Grotere bedrijven meer kansen bieden voor CVS-patienten.

* Hoe beter de job aangepast is, hoe tevredener de CVS-patient met
het huidige werk is.


4.7.3. Resultaten van het Onderzoek - kwantitatief Gedeelte
------------------------------------------------------------

4.7.3.1. Achtergrondgegevens.
--------------------------------

De gemiddelde leeftijd van de onderzochte populatie (zie tabel III) ligt op
42.7 jaar en 70% van de onderzochte populatie zijn vrouwen. In de populatie
heeft 41% een diploma beroepsonderwijs of lager, deze groep noemen we in het
verdere verloop van dit onderzoek de laag geschoolden, 59% heeft een diploma
secundair onderwijs of hoger, deze groep noemen we vanaf nu de hoger
geschoolden. Ongeveer 60% heeft kinderen en ongeveer 60% heeft een partner
met vast werk.

Tabel III: Achtergrondgegevens onderzoekspopulatie
----------------------------------------------------------------------------
N Gemiddelde Percentage Valide
Percentage
----------------------------------------------------------------------------

leeftijd deelnemers 52 42,65
geslacht man 16 30,2 30,2
vrouw 37 69,8 69,8
Diploma lager onderwijs 4 7,5 8,5
enkele jaren mid, ond, 9 17 19,1
of getuigschr,
beroepsschool
Diploma beroepsschool 6 11,3 12,8
Diploma humaniora 12 22,6 25,5
enkele jaren 2 3,8 4,3
niet-universitair
onderwijs A2
Diploma hoger onderwijs 10 18,9 21,3
niet-universitair A1
enkele jaren 1 1,9 2,1
universitaire studies
universitair onderwijs 2 3,8 4,3

kinderen wel kinderen 32 60,4 68,1
geen kinderen 15 28,3 31,9
partner vast werk 32 60,4 60,4
geen vast werk 5 9,4 9,4
geen partner 16 30,2 30,2
werkstatuut bediende 37 69,8 78,7
Arbeider 9 17 19,2
zelfstandige 1 1,9 2,1
met
personeel
----------------------------------------------------------------------------

De populatie bestond uit 37 bedienden, 1 zelfstandige en 9 arbeiders en
5 onbekenden. Van de 9 arbeiders in het onderzoek zijn er 7 ouder dan de
gemiddelde leeftijd. Wanneer we deze gegevens uitsplitsen over geslacht,
zien we significante verschillen voor de variabelen 'kinderen of niet'
(chi2 =3.978, df=1, p<.05) en 'partner met vast werk' (chi2 = 8.309, df=2,
p<.05), wat hier betekent dat significant meer vrouwen kinderen hebben en
een partner met vast werk hebben, leeftijd en diploma waren niet significant.
Wanneer we deze gegevens uitsplitsen over de variabele 'werkende' zien we
een significant verschil bij geslacht (chi2 = 3.907, df=1, p<.O5). Dit geeft
hier aan dat significant meer mannen dan vrouwen werken.

4.7.3.2. Uitputtingsschaal.
------------------------------

Bij de CVS-patienten werd een gemiddelde uitputtingsscore van 4.65 gevonden,
deze verschilt significant (t=4.474, df=49, p<.OOl) van de 3.8, het
gemiddelde bij de werknemers met burnoutklachten. Bij de werkende
CVS-patienten werd een gemiddelde gevonden van 4.56, wat niet significant
(t=1.876, df=10, p=.09O) verschilt van het gemiddelde van de groep met
burnoutklachten. Het gemiddelde van de werkende CVS-patienten verschilt wel
significant met het gemiddelde van de normale groep werkenden (gem.=1.78)
(t=6.839, df=10, p<.OOl)). De niet-werkende CVS-patienten hebben een
gemiddelde van 4.68 en verschillen significant (t=4.020, df=38, p<.OOl) met
de 3.80 van de groep werkenden met burnoutklachten.

4.7.3.3. Distantieschaal.
----------------------------

Het gemiddelde van de volledige groep (gem.=2.45) is net iets lager dan het
gemiddelde van de normgroep met burnoutklachten (gem.=2.59). De werkende
CVS-patienten hebben gemiddeld een lagere graad van distantie (gem.=2.49)
dan de normgroep met burnoutklachten (gem.=2.59). Wel verschillen ze
significant (t=2.272, df=10, p<.05) van de normale normgroep (gem.=1.34) en
hebben in vergelijking met deze groep een grotere mate van distantie t.a.v.
het werk. De niet werkende CVS-patienten hebben een gemiddeld lagere graad
van distantie (gem.=2.43) dan de normgroep met burnoutklachten (gem.=2.59).

4.7.3.4. Competentieschaal.
------------------------------

De competentie bij de werkende CVS-patienten (gem.=3.31) is significant
lager (t=-2.981, df=10, p<.05) dan de normgroep van de werkenden (gem.=4.29),
maar verschilt niet significant met de normgroep met burnoutklachten
(gem.=3.75). Het gemiddelde van de totale groep CVS-patienten (gem.=3.75)
als dat van de niet-werkende CVS-patienten (gem.=3.87) verschillen niet
significant van de normgroep met burnoutklachten. Het gemiddelde van de
totale groep verschilt significant met de normgroep zonder klachten
(t=-2.947, df=49, p.<.01), de groep niet-werkende CVS-patienten verschilt
net niet significant met de normgroep zonder klachten (t=- 1.949,
df=38, p=.059).


4.7.3.5. Burnout-scores: vergelijkingen tussen subgroepen.
-------------------------------------------------------------

Vrouwen blijken iets hoger te scoren op de uitputtingsschaal dan mannen
(4.75 > 4.45). Lager geschoolden scoren hoger op de uitputtingsschaal (4.74)
dan hoger geschoolden (4.42), er is een duidelijk hogere score bij hoger
geschoolden op de distantieschaal (2.80 > 2.12) en op de competentieschaal
(3.88 > 3.49). Tussen de groepen ouder en jonger dan de gemiddelde leeftijd
zijn geen echte verschillen te merken. Bij de niet-werkende CVS-patienten
zien we een behoorlijk hogere score bij de arbeiders (5.54) dan bij de
bedienden (4.59) voor de scores op de uitputtingsschaal, ook bij de
distantieschaal (2.93 > 2.23) scoren de arbeiders aanzienlijk hoger dan de
bedienden. Bij de competentieschaal zijn het dan weer de bedienden (4.16)
die hoger scoren dan de arbeiders (3.5). Tussen de werkende en niet-werkende
CVS-patienten zijn geen echte verschillen te vinden, behalve op de
competentieschaal, waar de niet-werkende CVS-patienten (3.87) hoger
scoorden dan de werkende CVS-patienten (3.30).

4.7.3.6. De huidige situatie van de niet-werkende CVS-patienten:
werk - werkinhoud, vroeger en nu.
----------------------------------------------------------------

Van de ondervraagde populatie zou 83% (n valid=35) opnieuw willen werken.
De kans die zij zichzelf geven om nog opnieuw te werken is behoorlijk laag
(gem.=2.1). Deze lage score bevestigt het vermoeden dat niet-werkende
CVS-patienten hun eigen kansen op hertewerkstelling zeer laag inschatten.
Bij de vraag hoe graag ze opnieuw bij hun laatste (of huidige) werkgever
willen werken, zijn de antwoorden heel verdeeld. Er is een significante
correlatie te zien tussen het willen terugkeren naar de laatste werkgever
en de tevredenheid over de personeelsdienst (corr.=.399, p<.OS) en de
directe overste (corr.=.474, p<01), maar niet met de tevredenheid over
de collega's.

Bij de vergelijking tussen patienten met en zonder kinderen valt slechts
1 significant verschil in hun wensen voor tewerkstelling op. Patienten met
kinderen (gem.= 4.04) willen significant liever naar hun oude werkgever
terug (t=-2.63, df=32, p<.O5) dan patienten zonder kinderen (gem.=2.3), een
echte verklaring hiervoor is er niet. Opvallend is ook de grotere
ingeschatte kans op hertewerksteling bij patienten zonder kinderen (gem.
kinderlozen=2.60, gem. kinderen hebbend=1.7).

Het goed aansluiten van het werk bij de schoolse opleiding lijkt niet
belangrijk (gem.=3.2) en wordt ook niet zo erg gevonden (gem.=2.7). Deze
meningen correleren heel sterk (corr.=703, sign =.000 en corr.=659, p<.OO1)
met de mate waarin CVS-patienten het vroeger erg vonden dat de schoolse
opleiding niet bij het werk aansloot (gem.=2.68). Deze resultaten bevestigen
enerzijds dat niet-werkende CVS-patienten niet zoveel aandacht meer geven
aan het feit dat de job mooi moet aansluiten bij de schoolse opleiding. Wat
we niet bevestigd zien is het vermoeden dat dit belang verminderd zou zijn
ten opzichte van het belang dat er voor de ziekte werd aan gehecht. Hoger
geschoolden hechten meer belang aan een goede aansluiting van het werk met
de schoolse opleiding (p<.05) en vinden het dan ook erger mocht dit niet zo
zijn (p<.O5). Mannen hadden significant meer kans op het maken van promotie
dan vrouwen (chi2=9.738, df=1, p<.Ol), ook werkten gemiddeld opvallend meer
mannelijke dan vrouwelijke CVS-patienten in grote bedrijven.

4.7.3.7. De huidige situatie van de niet-werkende CVS-patienten:
het werkschema.
-------------------------------------------------------------------

Het gewenste werkschema bij de niet-werkende CVS-patienten is bij 23 (60%)
gevallen part-time. Slechts 8 verkiezen een full-time job en 2 opteren voor
een 4/5e regeling. Daarnaast waren er nog 5 die vrijwilligerswerk verkozen
met een vrije uurregeling. Bij diegenen die voor een part-time job kiezen,
zijn er 8 die enkel in de voormiddag willen werken, 7 enkel in de namiddag,
1 iemand kiest voor 1 week werken en 1 week thuis, 6 voor een regeling van
de ene week 2 dagen werken en de volgende week 3 dagen. Daarnaast waren er
nog een viertal die een eigen regeling maakten. Die regeling kamt neer op
een 3 tot 4 uur werken tussen 10 en 15 uur. De hypothese dat part-timers
zouden kiezen voor enkel in de namiddag werken, wordt duidelijk niet
bevestigd. Voor het overige zijn er geen verbanden te leggen tussen andere
persoonskenmerken en de keuze van het werkschema of de structuur van de
part-time job. Bij 27 (77%) verschilt het gewenste arbeidsschema met dat van
vroeger, wat het vermoeden van verandering van het arbeidsschema bevestigt.

Vrouwen verschillen significant van de mannen wat betreft hun werkschema's
(chi2= 14.658, df=3, p<.01). Slechts 2 van de 10 mannen verkiest een
part-time job en 6 van de 10 willen een full-time job. Bij de vrouwen kiezen
daarentegen 21 van de 28 vrouwen voor een part-time job. Ook significant
blijkt het verschil man-vrouw bij het bekijken van veranderingen tussen het
vorig en het gekozen arbeidsschema (chi2= 4.333, df=1, p<.05). Vrouwen
veranderen van arbeidsschema in 23 van de 27 gevallen, mannen slechts 4 van
de 8 keer. Niet-werkende CVS-patienten jonger dan de gemiddelde leeftijd van
de populatie verschillen in de keuze van hun arbeidsschema met diegenen
ouder dan het gemiddelde. De jongeren verkiezen meestal (68%) een part-time,
terwijl bij de ouderen de helft deze regeling verkiest. Ouderen kiezen meer
voor specifieke op maat gemaakte werk/uurregelingen en vrijwilligerswerk.
Bij de keuze binnen de part-time-regeling prefereren de jongeren werken in
de voormiddag, terwijl ouderen de namiddag verkiezen. Slechts 1 iemand kiest
voor de regeling van 1 week werken en 1 week niet werken, wat duidt op de
grote ingeschatte moeilijkheid om een volledige week te kunnen werken.

4.7.3.8. De huidige situatie van de niet-werkende CVS-patienten:
andere opties.
-------------------------------------------------------------------

Thuiswerk wordt in 48.7% van de gevallen beschouwd als een mogelijkheid voor
hertewerkstelling, dit betekent dat meer dan de helft het dus niet ziet
zitten om thuiswerk te doen. Van de 19 die het wel zien zitten, zijn er
9 die thuiswerk zouden verkiezen boven naar het werk te gaan werken. Werken
in een BW wordt helemaal niet aanzien als een mogelijkheid voor
hertewerkstelling (gem.=1.34). Verschillen tussen arbeiders en bedienden
zijn hier niet te vinden (gem.= 1.33), de hypothese dat arbeiders meer
openstaan voor werken in een BW dan bedienden wordt dus volledig verworpen.

4.7.3.9. De huidige situatie van de niet-werkende CVS-patienten:
aanpassingen en opleiding.
----------------------------------------------------------------

Bij 90% wordt gevraagd naar aangepaste werktijden, terwijl slechts 10% naar
hulpmiddelen. Bij de niet-werkende CVS-patienten is de bereidheid tot het
volgen van een opleiding niet erg hoog (gem.=3.45). Er is geen significant
verschil gevonden tussen arbeiders (gem.=2.78) en bedienden (gem.=3.5). Het
valt wel op dat bedienden positiever tegenover opleidingen staan dan
arbeiders zodat ons vermoeden deels wordt bevestigd. Het verschil tussen
mannen (gem.=3.6) en vrouwen (gem.=3.4) is te verwaarlozen.


4.7.3.10. De huidige situatie van de niet-werkende CVS-patienten:
de tevredenheid.
-------------------------------------------------------------------

Vrouwen zijn in vergelijking tot mannen minder tevreden over het RIZIV (man
gem.=4.6, vrouw gem.= 2.46) (t=3.246, df=32, p<.01), de mutualiteiten
(gem. man = 4.70, gem. vrouw -3.42) (t=2.434, df=39, p<.05), de
medisch-adviseurs (gem. man = 5, gem. vrouw = 2.93) (t=3.278, df=34, p<.01)
en de overheid (gem. man =3.2, gem. vrouw = 1.77) (t= 2.638, df=34, p<. 05).
Verschil in leeftijd zorgt niet voor significante verschillen bij de
verschillende tevredenheidsvariabelen. Mensen met een lager opleidingsniveau
zijn minder tevreden over het RIZIV (gem. laag = 1.75, gem. hoog = 3.65)
(t=-3.037, df=27, p<.O1), de mutualiteiten (gem. laag = 3, gem. hoog = 4.10)
(t=-2.137, df=32, p<.05) en de medisch-adviseur (gem. laag =2.30,
gem. hoog = 3.79) (t=-2.225, df=27, p<.05)


4.7.3.11. De huidige situatie van de werkende CVS-patienten:
werkbelang, kansen en leidinggeven.
--------------------------------------------------------------

Bij de man-vrouw vergelijking werd geen enkel significant verschil gevonden
tussen de gemiddelden van de relevante variabelen. Het werkbelang bij
werkenden was gemiddeld 5, wat hoog is. Wanneer we kijken naar het huidig
werkbelang zien we een gelijkaardig beeld, wat erop duidt dat het werk niet
belangrijker is geworden nu ze aan CVS lijden, maar ook niet minder
belangrijk. De promotiekansen van voor de ziekte correleren perfect met de
huidige kansen (corr.=.947, p<.001) en van een daling is er helemaal geen
sprake. De huidige promotiekansen worden gemiddeld hoger ingeschat door de
werkenden jonger dan de gemiddelde leeftijd (gem.=3.17) dan door de
werkenden ouder dan de gemiddelde leeftijd (gem.=1.50). De leidinggevenden
blijven meestal leidinggevend. Waar er voorheen 5 leiding gaven, zijn
het er nu nog 4. Het aantal mensen waaraan leiding wordt gegeven blijft
nagenoeg gelijk.

4.7.3.12. De huidige situatie van de werkende CVS-patienten: werkschema.
--------------------------------------------------------------------------

Wanneer we kijken naar de keuzes van arbeidsschema's bij de niet-werkende
CVS-patienten zien we een grote voorkeur voor part-time regelingen. Bij de
werkende CVS-patienten wordt dit niet volledig bevestigd. Wel zien we een
kortere werkweek bij 7 van de 11. Bij de part-timers is geen typische
structuur te herkennen. Opvallend is dat bij 9 van de 11 het arbeidsschema
verschilt bij het arbeidsschema van voor de ziekte opkwam.

4.7.3.13. De werkende CVS-patienten: opleiding.
-----------------------------------------------

De bereidheid tot opleiding is eerder laag (gem.=2.82), een behoorlijk groot
verschil is te vinden tussen het gemiddelde van de mannen (gem.=2.17) en de
vrouwen (gem.=3.60).

4.7.3.14. De werkende CVS-patienten: veranderingsproces.
--------------------------------------------------------

Er kan niet gesproken worden van hinder tijdens het veranderingsproces.
De enkelen die dan toch hinder ondervonden, vermeldden meestal persoonlijke
problemen en niet echt moeilijkheden vanuit de personeelsdienst of het
bedrijf.

4.7.3.15. De werkende CVS-patienten: vorm van het arbeidscontract.
------------------------------------------------------------------

Slechts 1 iemand werkt met een contract van bepaalde duur, de rest heeft een
contract van onbepaalde duur. Opvallend is dat 7 van de 11 reeds langer dan
8 jaar bij dezelfde werkgever werken. Allen hebben een bediendestatuut, wat
duidelijk verschilt met de niet-werkende CVS-patienten. Dit bevestigt
eenduidig de hypothese dat bedienden met een ingrijpende ziekte zoals het
CVS er 1 is, meer kans maken om zich op de arbeidsmarkt te handhaven.

4.7.3.16. De werkende CVS-patienten; benutten van de ervaring.
--------------------------------------------------------------

Het ziet er naar uit dat de opgedane ervaring (competenties) niet voldoende
gebruikt wordt (of mag worden gebruikt) (gem.= 3.55). De mate waarin hun
ervaring wordt benut hangt nauw samen met de tevredenheid over de huidige
job (cor.=.6 15, p<.O5).

4.7.3.17. De werkende CVS-patienten: grootte van het bedrijf en aanpassingen.
-----------------------------------------------------------------------------

Van de 11 werken er 10 in een groot bedrijf, dit zou de hypothese dat
grotere bedrijven meer kansen bieden op aanpassingen van een job kunnen
bevestigen. Maar de gemiddelde totale aanpassing van de job scoort echter
matig (gem.=3), waarbij dit meestal enkel neerkomt op aangepaste werktijden,
heel zelden taakontlasting en taakverandering en niet 1 keer hulpmiddelen.
Bij 3 van de 11 werd zelfs geen enkele aanpassing doorgevoerd. Bij de vraag
naar (nog meer) gewenste aanpassingen krijgen we slechts een matige vraag
naar zowel aangepaste werktijden, taakontlasting, taakveranderingen,
hulpmiddelen en 5 vragen zelfs geen aanpassingen meer bij. De hypothese dat
er een verband zou bestaan tussen de mate waarin het werk is aangepast en
de tevredenheid met de huidige job wordt niet echt bevestigt
(corr.=.470, p=.145).

4.7.3.18. De werkende CVS-patienten;
conflicten, tevredenheid van het werk en kans
op blijvende tewerkstelling.
--------------------------------------------------------

Zowel conflicten met oversten, als met collega's komen eerder zelden voor.
Opvallend meer contact met de personeelsdienst is er niet en het hebben van
meer contact gaat niet opvallend samen met tevredenheid over deze dienst of
de kans op het verliezen van de job. De gemiddelde tevredenheid is
behoorlijk (gem.=3.90) en hangt heel sterk samen met het inschatten van de
kans op het verliezen van de job (corr.= -.874, p<.001), hoe tevredener,
hoe minder kans men ziet op het verliezen van de job. Er zijn geen verbanden
te leggen tussen de kans op verlies van het werk met leeftijd, diploma en
het al dan niet hebben van kinderen. De huidige tevredenheid met de job
hangt significant sterk samen met de tevredenheid over de collega's
(corr.=.8 13, p<.01). Opvallend is dat dit niet het geval is met de directe
oversten en de personeelsdienst.

4.7.3.19. De werkende CVS-patienten: tevredenheid.
--------------------------------------------------

De tevredenheid over de huisarts is behoorlijk groot (gem.= 4.27), de
geneesheer specialist moet het met wat minder stellen (gem.=3.70) net als
de medisch-adviseur (gem.=3.88). Over de personeelsdienst en de directe
overste zijn de werkende CVS-patienten behoorlijk tevreden (gem.= 4.44),
ook de tevredenheid over de collega's is groot (gem.=4.7). De mutualiteiten
(gem.=3.57) scoren vrij laag, de overheid scoort nog lager (gem.= 3.2) en
de laagste score is voor het RIZIV (gem.=3.14).

4.7.3.20. Vergelijking werkende - niet-werkende CVS-patienten.
----------------------------------------------------------------

Bij het bekijken van het arbeidsverleden zien we dat 44.4% van de
niet-werkende CVS-patienten in een klein bedrijf werkte en dus 55.6% in een
groot bedrijf, niet-werkende CVS-patienten blijken dan ook gemiddeld meer in
kleine bedrijven te werken dan werkende CVS-patienten. Mochten de
niet-werkende CVS-patienten kunnen kiezen, dan zou 35.9% in een klein bedrijf
werken, 17.9% in een groot en voor 46.2% maakt het niets uit. Uit de
verschuivingen leren we dat mensen die in een klein bedrijf werkten, vaak
terug voor een klein bedrijf kiezen, maar geen enkele keer voor een groot
bedrijf. Uit de data van de werkenden blijkt echter dat grotere bedrijven
meer kansen bieden en twee mensen stapten ook over van een klein naar een
groot bedrijf, maar geen enkele maakte de omgekeerde weg. Uit de chi2-toets
blijkt dat het statuut bij werkende en niet-werkende CVS-patienten
significant verschilt (chi2=6.294, df=2, p<.05). Het is opvallend dat bij de
werkende CVS-patienten geen enkele arbeider voorkomt. Met deze wordt de
hypothese dat bedienden meer kans hebben om aan de slag te blijven bevestigd.
Niet-werkende CVS-patienten gaven gemiddeld aan meer mensen (13.6) leiding
dan werkende CVS-patienten (6.4). De beslissingsvrijheid van werkende
CVS-patienten was groter (4.2) dan die van de niet-werkende
CVS-patienten (3.5).

4.7.4. Resultaten van het kwalitatief Gedeelte van het Onderzoek
-----------------------------------------------------------------

4.7.4.1. Waarvoor hebben CVS-patienten het meeste schrik bij een mogelijke
werkhervatting.
--------------------------------------------------------------------------

Bij de vraag; 'Mocht u opnieuw gaan werken, waarvoor heb je dan het meeste
schrik?' kwamen enkele interessante bevindingen naar voor. De veruit meest
vermelde schrik (20 keer vermeld) is die om te hervallen. In de eerste
plaats om dan terug naar af te gaan en weer even ziek te zijn als voorheen.
Maar ook het falen op zich schrikt hen af. Zij die terug zouden keren naar
de werkgever waar ze nog altijd ingeschreven staan als werknemer, zijn bang
om bij een nieuwe mislukking definitief hun werk kwijt te geraken.

Terug willen werken gaat gepaard met terug werk zoeken. Net
sollicitatiegedeelte vormt voor velen een drempel, vooral het overmatig
moeten verantwoorden van hun ziekte(periode) zien velen. Op het werk zelf
komen de volgende afschrikkingen naar voren; het werktempo dat mogelijk te
zwaar is en de psychische werkdruk. Zo ook de reacties van de baas en
collega's, CVS-patienten vrezen gestigmatiseerd te worden en rond te zullen
lopen met een etiket van luierik. Ook de weg naar en van het werk is iets
waar velen tegen opzien. Er zijn ook een aantal gevolgen die samengaan met
het opnieuw gaan werken die regelmatig worden vermeld (10 keer vermeld).
De CVS-patienten zijn onder meer bang voor de terugkeer van slaapstoornissen
en de mogelijke frustratie die kan ontstaan door het niet kunnen doen van
wat men eigenlijk wel zou willen doen.

Een laatste maar daarom niet minder belangrijke angst slaat op de gevolgen
voor de thuissituatie en het dagelijks leven van de CVS-patient. Het werk
kan mogelijk zoveel energie opeisen dat eenmaal thuisgekomen, de CVS-patient
niets meer zal kunnen doen. Dit zou natuurlijk niet ten goede komen van de
gezinssituatie en de eventuele opvoeding van de kinderen. Ook zal deze
uitputting ervoor zorgen dat de CVS-patient geen tijd en kracht meer zal
hebben voor ontspanning.

4.7.4.2. Welk werk verkiezen CVS-patienten bij mogelijke hertewerkstelling.
----------------------------------------------------------------------------

Bij de vraag; 'Welk werk zou u dan willen?' kwamen vooral de volgende
antwoorden het duidelijkst naar voren. Het meest vermelde werk (15 keer
vermeld) is van administratieve aard. Velen (9 keer vermeid) geven geen
concreet voorstel maar leggen vooral de klemtoon op het feit dat het zeker
sterk aangepast werk moet zijn. Een aantal onder hen wil volledig hetzelfde
werk als vroeger, enkelen kiezen voor telefoonwerk of het afnemen van
mondelinge interviews op freelance basis.

Een interessant voorstel is dat van de mentorfunctie, dit voorstel komt voor
bij werk in het onderwijs en ook in de sociale sector. B.v. kan een oudere
leerkracht met CVS ingeschakeld worden om jonge, nieuwe leerkrachten bij te
staan met goede raad bij allerlei vragen en opmerkingen die bij deze nieuwe
krachten naar boven komen. Naar jobinhoud zijn de meningen verdeeld, de ene
wil veel inhoud de andere wil het zo eenvoudig mogelijk houden. Een
eenduidige omschrijving van de ideale job kan aan de hand van dit onderzoek
niet gegeven worden, dit is echter maar al te logisch daar de ideale job
voor herstel(len)de CVS-patienten altijd heel individu-gebonden is.
Over 1 ding bestaat wel duidelijkheid, zij die willen werken zouden om het
even wat doen om er weer bij te horen.

4.7.4.3. Waarvoor staat werk bij CVS-patienten.
--------------------------------------------------

Op nummer 1 staat onmiskenbaar het financiele belang (30 keer vermeld) van
het werk en de daarbij horende financiele onafhankelijkheid. CVS-patienten
treden door de reintegratie uit hun isolement, sommigen noemen werk dan ook
demarginaliserend. Sociaal contact (28 keer vermeld) en vriendschap worden
eveneens als een heel belangrijke facetten van het werk beschouwd. Werk
geeft volgens de CVS-patienten zin aan het leven, door te werken voelt men
zich nuttig, werk schenkt ook voldoening en arbeidsvreugde. Via het werk kan
volgens velen erkenning en waardering worden gekregen. Werken is ook
belangrijk voor de persoonlijke ontwikkeling, door te werken leert men
voortdurend bij. Kortom werk zorgt voor een gevoel van eigenwaarde (10 keer
vermeld).

Een volledig ander belang van werk is de waarde naar de kinderen toe, door
te werken heb je als ouder een volwaardigere uitstraling. Kinderen krijgen
meer respect en de ouder krijgt ook een goed gevoel door zich als
'maatschappelijk voorbeeld' te gedragen voor zijn kinderen. Bij enkelen
(7 keer vermeld) in deze onderzoekspopulatie, en volgens mij typisch voor
CVS-patienten in het algemeen, wordt werken vooral als een bezigheid
aanzien. CVS-patienten die werken geven een opmerkelijk ander belang aan;
namelijk het stimulerend effect. Dit stimulerend effect bewijst eens te meer
dat werken en dus een snelle, goed geplande arbeidsreintegratie bij
CVS-patienten werkt als een medicijn, op (nadrukkelijke) voorwaarde dat zij
hiertoe in staat zijn.

4.8. Discussie
--------------

De belangrijkste opmerking die moet worden gemaakt bij dit onderzoek,
waaraan 58 CVS-patienten deel hebben genomen, is de lage power. Het is dan
ook de bedoeling deze studie enkel te aanzien als een exploratieve studie.
Het was initieel niet de bedoeling oorzaken voor werkverzuim te gaan
bepalen. Daarom mogen factoren van het arbeidsverleden die mogelijk gelinkt
zijn met het hebben of krijgen van CVS noch aanzien worden als oorzaken van
de aandoening, noch als oorzaken van het niet meer werken. De
leeftijdsverdeling in de onderzoekspopulatie is behoorlijk goed. Ook de
man-vrouw verhouding die neerkomt op een 1 op 2 verhouding weerspiegelt
behoorlijk de geschatte man-vrouw verhouding in de maatschappij. Een tekort
is het niet aanwezig zijn van werkende arbeiders, alhoewel dit mogelijks de
realiteit kan zijn.

Een opmerking die bij vele CVS-onderzoeken en ook hier geldt, is dat
onderzoek over CVS in relatie met het werk teveel vanuit het perspectief van
de werknemer wordt gekeken, terwijl de werkgever en collega's worden
vergeten. Enkel voor de visie van de patient kiezen kan echter voor een
totaal ander beeld zorgen. Want vaak idealiseren CVS-patienten hun motivatie
en pogingen. Het zou verkeerd zijn enkel en alleen naar de patient te kijken.
Anderzijds is het enigszins logisch dat deze manier van werken wordt
aangehouden. Want werkgevers zijn vaak niet echt toegankelijk voor de
CVS-problematiek of te bevooroordeeld door hun eigen ervaringen in hun
specifieke situatie. Bij onderzoek met CVS-patienten moet eveneens worden
opgepast voor sociale wenselijkheid, zeker bij het burnout-gedeelte van de
vragenlijst moet deze invloed bij de interpretatie van de gegevens in het
achterhoofd worden gehouden. De kleine veranderingen bij de UBOS-A waren
noodzakelijk om de patienten getrouwer te laten antwoorden vanuit hun
gedachten en gemoedstoestand van toen. Deze veranderingen kunnen een
weerslag hebben op de psychometrische kwaliteit van de UBOS-A, maar zullen
zeker miniem zijn. Ook het gebruik van retrospectieve vragenlijsten doet de
kwaliteit van de verkregen gegevens dalen. Het is b.v. verrassend dat de
promotiekansen van de werkende CVS-patienten, in tegenstelling tot
resultaten van andere onderzoeken, niet zijn gedaald bij vroeger. Dergelijke
resultaten kunnen vertekend zijn doordat de CVS-patienten iets (bv.
promotiekansen van voor de periode met CVS-problemen) nu moeten inschatten,
wat dus reeds jaren geleden kan zijn.

Doordat CVS-patienten geen goed beeld hebben van een BW zijn de resultaten
van de vraag naar de geschiktheid van een BW als goed alternatief vertekend.
De niet-werkende CVS-patienten hebben dus eerder het al dan niet willen
dragen van een stempel BW beoordeeld. Het zou interessant zijn de
CVS-patienten opnieuw te bevragen nadat ze voldoende geinformeerd zijn over
een BW. Ook de vergelijking tussen de soort en het aantal aanpassingen
doorgevoerd bij een BW versus die in het normale arbeidscircuit en ook de
slaagkansen van CVS-patienten in een BW lijken een verdere exploratie waard.
Heel verrassend was de heel kleine vraag naar andere aanpassingen buiten de
kortere arbeidsduur. Misschien komt dit doordat er in de vragenlijst te
weinig concrete alternatieven worden aangeboden, alhoewel er volgens mij
voldoende worden aangeboden. Een ander tekort in dit onderzoek is het
ontbreken van een vraag naar formele en informele regelingen. Kennis
hierover zou heel interessant kunnen zijn en misschien een indicator zijn
voor de tevredenheid van de werknemer, hoeveel problemen er zijn met
collega's, enz. Uit de resultaten blijken werkende CVS-patienten weinig
conflicten te hebben met oversten en collega's. We kunnen ons zelfs afvragen
of ze misschien niet minder conflicten hebben in vergelijking met hun
gezonde collega's, iets wat misschien ook niet altijd zo goed is.
De opvallende geslachtsverschillen die werden geanalyseerd in dit onderzoek
moeten met de volgende twee zaken in het achterhoofd gelezen en
geinterpreteerd worden. Eerst en vooral is er bij mannen een grotere sociale
druk om te werken, ten tweede heeft de vrouw multiple rollen en draagt zij
meestal de eindverantwoordelijkheid van het gezin. Vrouwen die terug aan het
werk gaan verschillen niet van de mannelijke werkende CVS-patienten.
Misschien kan verder onderzoek uitwijzen of er significante verschillen zijn
tussen vrouwelijke CVS-patienten die werken en vrouwelijke CVS-patienten
die niet werken. Uiteindelijk kan gerust gesteld worden dat het zeker de
moeite waard blijkt om deze kleinschalige exploratieve studie verder te
zetten bij een grotere CVS-populatie.

4.9. Conclusie
--------------

Het uitblijven van grote verschillen tussen de groep van de werkende en de
niet-werkende CVS-patienten bij de burnout-scores duidt erop dat burnout
niet direct kan gezien worden als een invloedrijke factor bij het al dan
niet terug gaan (of blijven) werken van CVS-patienten. Wel zien we dat
CVS-patienten extreem hoog scoren op de uitputtingsschaal, wat logisch lijkt.
Maar dat CVS-patienten significant hoger zouden scoren dan werknemers met
burnout klachten was dan weer niet verwacht. Arbeiders, de subgroep die we
bij de werkende CVS-patienten zelfs niet meer terug vinden bij deze
onderzochte populatie, hebben duidelijk de hoogste scores op de
uitputtingsschaal. Dit zou erop kunnen duiden dat een heel hoge score op de
uitputtingsschaal een negatieve voorspeller is voor de kans op het hervatten
van het werk. Zoals verwacht blijkt de CVS-populatie significant te
verschillen van de normgroep met de gezonde werkenden en dit voor alle drie
de schalen.

Niet-werkende CVS-patienten blijken hun eigen kansen op hertewerkstelling
zeer laag in te schatten. Opvallend is ook dat, tegen de verwachting in, het
belang van de opleiding-werk fit niet vermindert ten opzichte van het belang
dat er voor de ziekte werd aan gehecht. Bij bijna 80 procent van de
niet-werkende CVS-patienten verschilt het gewenste arbeidsschema met het
arbeidsschema van vroeger, wat het vermoeden van verandering van het
arbeidsschema bevestigt. CVS-patienten tonen een duidelijke voorkeur voor
een part-time arbeidsschema. Opvallend is wel dat deze voorkeur bij de
werkende CVS-patienten niet zo extreem voorkomt. Hiervoor zijn volgens mij
twee mogelijke verklaringen. Misschien hervatten enkel de besten terug het
werk en kunnen zij een voltijdse of bijna voltijdse regeling aan. Ofwel
helpt het terug werken de CVS-patient de ziekte te overwinnen en na een
instapperiode wordt een (bijna) voltijdse regeling weer mogelijk. Bij het
kwalitatieve gedeelte spreken werkende CVS-patienten (en de niet-werkende
CVS-patienten niet) over het stimulerend effect van opnieuw te werken, wat
de tweede verklaring kracht bijzet. Indien dit tweede vermoeden bevestigd
zou worden, is het belang van een spoedige reintegratie aanzienlijk.
Arbeiders met CVS hebben minder kans op arbeidsreintegratie, vooral doordat
ze minder kans hebben een aangepaste job te vinden. Een bediendejob kent
meestal veel mogelijkheden tot wijziging terwijl dit bij een arbeidersjob
veel minder het geval is. Een andere factor die in het nadeel is voor een
eventuele werkhervatting bij arbeiders met CVS, is het minder positief staan
tegenover opleidingen. Zeker daar omvorming en herscholing een noodzakelijk
kwaad zijn bij vele gevallen van hertewerkstelling.

Mannelijke CVS-patienten blijken meer kans te maken om terug aan de slag te
gaan. Een mogelijke verklaring hiervoor is de keuze van het arbeidsschema,
waar mannelijke CVS-patienten duidelijk meer voor een full-time job kiezen,
en de grootte van het bedrijf waarin ze werken, want mannelijke
CVS-patienten werken vaker in grote bedrijven. Grote bedrijven bieden meer
mogelijkheden om jobs om te vormen, andere jobs aan te bieden, enz. Vrouwen
zijn opvallend meer ontevreden dan mannen. Dit kan duiden op een vicieuze
cirkel; door minder kansen op een terugkeer, meer sociale en emotionele
problemen dan mannelijke CVS-patienten en een mindere tevredenheid over
artsen en instanties wordt men zwakker, bijgevolg daalt de kans op werk nog
meer en zo altijd maar verder. De grotere ontevredenheid bij vrouwelijke
CVS-patienten is dus niet enkel een gevolg van hoe ze behandeld worden,
maar evengoed een oorzaak waardoor ze nog minder kans maken op een terugkeer.
Telewerk blijkt helemaal geen pasklare oplossing te zijn voor invaliderende
ziektes zoals CVS. Hoewel een deel van de ondervraagde CVS-patienten
thuiswerk zou verkiezen boven gaan werken, zien we bij de werkende
CVS-patienten geen enkele keer thuiswerk als oplossing. Het niet doorbreken
van de sociale isolatie lijkt mij het grootste minpunt, wel beklemtoon ik
het nut van een mix tussen thuiswerk en naar het werk gaan werken, bij het
begin van de reintegratie. Ten slotte blijkt werken in een BW volgens de
niet-werkende CVS-patienten geen goed alternatief.

Bij de werkende CVS-patienten valt op dat er geen opmerkelijke verschillen
voorkomen tussen mannelijke en vrouwelijke werkende CVS-patienten. Niet
helemaal onverwacht zien we bij de werkende CVS-patienten een laag
nuttigheidsgevoel. Dit kan te wijten zijn aan twee zaken; ofwel heeft de
CVS-patient een gemakkelijkere job gekregen en kan de patient dit moeilijk
verkroppen, ofwel zijn de collega's terughoudend en proberen ze de
CVS-collega zo weinig mogelijk lastig te vallen met moeilijkere problemen.
We kunnen stellen dat de job-inhoud bij de werkende CVS-patienten verlaagd
is of toch tenminste dat ze die indruk hebben. Deze bevinding mag gerust
worden beschouwd als een zorgenkind, want een laag nuttigheids-gevoel kan
leiden tot een nieuwe uitval. Dit gegeven pleit opnieuw voor een goede
begeleiding met een degelijke opvolging waarin dergelijke problemen, als
het gepercipieerd verminderd nuttigheidsgevoel, kunnen worden aangepakt.
Ook de resultaten uit het kwalitatieve gedeelte waar: angst voor terugval,
het zich ontzien van sollicitaties, angst voor reacties van de baas en de
collega's en een te verstorende werk-leef balans naar voren kwamen als
grootste angsten, pleiten voor een zeer degelijke begeleiding.

De werkende CVS-patienten werken meestal reeds lang bij hun werkgever. Dit
doet vermoeden dat hoe groter de band (hier dus beschouwd als jaren in
dienst) tussen het bedrijf en de werknemer is, hoe groter de kans dat de
werkgever naar een oplossing voor deze werknemer zoekt. Bij de werkende
CVS-patienten bleken op het werk weinig problemen te zijn geweest om
bepaalde zaken en regelingen aan te passen. Dit kan erop wijzen dat wanneer
een CVS-patient ergens aan de slag blijft of aan de slag kan gaan, het
bedrijf open staat voor zijn problemen en hem daarbij niet veel in de weg
legt. Uit de resultaten blijken werkende CVS-patienten weinig conflicten te
hebben met oversten en collega's. Deze positieve bevindingen zijn
waarschijnlijk grotendeels te verklaren door de persoonlijkheid van veel
CVS-patienten, velen zijn perfectionistisch en heel geengageerde werknemers.
Het is bij gevolg niet moeilijk in te zien dat werkgevers voor dergelijke
werkkrachten graag wat moeite doen.

Heel verrassend was de heel kleine vraag naar andere aanpassingen buiten een
kortere arbeidsduur. Dit duidt regelrecht op een foute gedachtegang bij de
patienten. De CVS-patienten denken hun verzwakte arbeidscapaciteiten enkel
via een minder aan uren presteren op te lossen. Deze bevinding bevestigt het
vermoeden dat de patienten zelf niet weten wat goed voor hen is. Het houdt
eveneens in dat op het ogenblik waarop CVS-patienten het werk opnieuw
proberen te hervatten, ze met een dergelijke beperkte vraag naar
aanpassingen de kans om opnieuw te moeten afhaken aanzienlijk vergroten.
Want de werkgever kan bij een nieuwe uitval reageren met het argument alles
(alle aanpassingen) te hebben gedaan wat nodig was en dat het blijkbaar toch
niet meer lukt. Terwijl de werkgever eigenlijk enkel heeft gedaan wat de
CVS-patient vroeg en bijlange niet alles wat echt nodig was. Deze bevinding
wijst nogmaals op de noodzaak van een goede begeleiding voor CVS-patienten
bij hun arbeidsreintegratie. En hierin speelt zowel de werkgever, de
overheidsinstanties, de directe omgeving en elke dokter die wordt
geconsulteerd een belangrijke rol.

Deze thesis kan volgens mij met de volgende metafoor en achterliggende
boodschap passend worden afgerond;

'Zorg voor chronisch zieken die er niet ook op gericht is dat de betrokkenen
weer zoveel mogelijk mee gaan doen aan het gewone leven, roept bij mij het
beeld op van bij de eskimo's waar ze zieke, niet langer nuttige mensen op
het ijs alleen achterlaten met een kacheltje en een warm deken. De vraag is
of een dergelijke vorm van uitsluiting te prefereren is boven een milde dood
door bevriezing.

Zorg voor chronisch zieken 'moet' erop gericht zijn dat de betrokkenen weer
zoveel mogelijk mee gaan doen aan het gewone leven.'


Literatuurlijst
---------------

Agt, N.M.E. van, Stronks, K., Mackenbach, J.P. (1994).
De financiele situatie van chronisch zieken.
Zoetermeer: NCCZ.

Anderson, J.S., & Ferrans, C.E. (1997).
The quality of life of persons with chronic fatigue syndrome.
The Journal of Nervous and Mental Disease, 185, 359-367

Andries, F., Naan, N.F. De, Griindemann, R.W.M. (1998).
Werken met een voorziening of uitkering.
Amsterdam: NIA TNO.

Andries, F., Wevers, C.W.J., Wintzen, A.R., Busch, H.F.M., Howeler, C.J.,
Jager, A.E.J. De, Padberg, G.W., Visser, M. De, Wokke, J.N.J. (1997).
Vocational perspectives and neuromuscular disorders.
International Journal of Rehabilitation Research, 20, 255-2 73.

Andries, F., Wevers, C.W.J. (1996).
Werken met een neuromusculaire aandoening.
NIA TNO Amsterdam.

Asbring. P. (199?).
Chronic illness: a disruption in life:
identity-transformation among women with
chronic fatigue syndrome and fibromyalgia
Journal of Advanced Nursing, 34(3), 312-319

Barovski, I. (1989).
Work: issues and concepts. werk and illness. The cancer patient.
New York (etc.): Praeger.

Bates, D.W., Schmitt, W., Buchwald, D., Ware, NC., Lee, J., Thoyer, E.,
Kornish, RJ., Komaroff, A.L. (1993).
Prevalence of fatigue and chronic fatigue syndrome in a
primary care practice.
Archives of Internal Medicine, 153(24): 2759-2765.

Bates, D.W., Buchwald, D., Lee, J., Kith, P., Doolittle, T.N., Umali, P.,
Komaroff, A. (1994).
A comparison of case definitions of chronic fatigue syndrome.
Clinical Infectious Diseases; 18(Supp 1): 11-15.

Bazelmans, E., Vercoulen, J.N.M.M., Swanink, C.M.A., Fennis, J.F.M.,
Galama, J.M.D., Weel, C. van, Van Der Meer, J.W.M., Bleijenberg, G. (1999).
Chronic fatigue syndrome and primary fibromyalgia syndrome as
recoguized by GPs.
Fam Pract, 16: 602-604

Bensing, J., Schreurs, K. M. G. & Rijk, A. E. de (1996).
The role of general practitioners affective behavior in medical encounters.
Psychology and Health, 11,825-838

Blatter, B.M., Houtman, I.L.D., Dormolen, M. Van, Graffelman, A.W.,
Opmeer, C.N.I.M., Nagelkerken, L. (1998).
Chronische-vermoeidheidssyndroom in relatie tot arbeid.
TBV Tijdschrift voor werk- en verzekeringsgeneeskunde,
7, oktober 1998. 201-209

Bleyenberg, G. e.a.(1997).
Prevalentie van het chronisch vermoeidheidssyndroom
en het primaire fibromyalgiesyndroom in Nederland.
TBV Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde;141 (31).1520-1523

Bobbaers, H. (1998).
Het chronisch vermoeidheidssyndroom.
Vervolmakingscyclus Verzekeringsgeneeskunde; 31:25-32

Bombardier, C.N. & Buchwald, D. (1995).
Outcome and prognosis of patients with chronic fatigue
vs. chronic fatigue syndrome
Archives of Internal Medicine; 155, 2105-2110.

Bos, G.A.M. van den, Frijling, B.W. et al. (1999).
Chronisch-ziekenbeleid in de jaren negentig.
Utrecht: Nationale commissie chronisch zieken/Uitgeverij SWP.

Buchwald, D., Umall, P., Umall, J., Kith, P.,
Pearlman, T., Komaroff, A. (1995).
Chronic fatigue and the chronic fatigue syndrome:
prevalence in a Pacific Northwest health care system.
Annals of Internal Medicine, 123 (2):81-88.

Butler, S., Chalder, T. & Wessely, 5. (1991).
Cognitive Behaviour Therapy in Chronic Fatigue Syndrome and Depression
Journal of Neurology, Neurosurgery and Psychiai~y, 54, 153-158

Christodoulou, C., DeLuca, J., Lange, G., Johnson, SK., Sisto, SA.,
Korn, L and Natelson, BN. (1998).
Relation between neuropsychological impairment and functional disability
in patients with chronic fatigue syndrome.
Journal of Neurology, Neurosurgery and Psychiatry, 64, 431-434

Clements, E. e.a. (1997).
Journal of Psychosomatic Research, 1997, 42, 6, 615.

Cuelenaere, B., Giezen, A.M. van der, Veerman, T.J., Prins, R.. (1999).
Werkhervatting na rugklachten. Langdurig zieke werknemers twee jaar gevolgd.
Eindrapport Nederlandse studie.
Zoetermeer: College van Toezicht Sociale Verzekeringen.

Eeckhoutte, W. van, Van Opstal, M. & Vanoverbeke, S. (2000).
Beginselen van het sociaal recht.
Deume: Novum.

Elderen, T.N.T. van. (1995).
Chronisch zieken en werk; (on)beperkt aan het werk
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Den Haag: VUGA.

Fischler, B., D'Naenen, N., Cluydts, R., Michiels, V., Demets, K.,
Bossuyt, A., Kaufman, L., & De Meirleir, K. (1996).
Comparison of 99m Tc NMPAO SPECT scan between CFS,
major depression and healthy controls:
an exploratory study of clinical correlates of regional cerebral blood flow.
Neuropsychobiology, 34, 1 75-1 83.

Fukuda, K., Straus, S.E., Nickie, 1., Sharpe, M.C., Dobbins, J.G.,
Komaroff, A. & the Chronic Fatigue Syndrome Study Group. (1994)
The chronic fatigue syndrome:
A comprehensive approach to its definition and study.
Annals of Internal Medicine;121: 953 -959.

Geist C. & Calzaretta W. A. (1993).
Placement handbook for counseling disabled person.
Springfield, IL.: Charles C. Thomas.

Geurts, F.N.M. (1996).
'Wie helpt mij nu ik moe ben ';
De sociale situatie, gezondheidsbelevingen zorgbehoefte van donateurs van de
ME-Stichting in de provincies Overijssel, Flevoland en Zeeland.
Wetenschapswinkel Sociale Wetenschappen, Universiteit Utrecht, 1996.

Goodwin, 5. (2000).
Couples' perceptions of wives' CFS symptoms, symptom change,
and impact on the marital relationship.
Issues Mental Health Nurs 2000 Jun,21 (4) :347-63

Grol, R. (1981).
To heal or to harm.
London: Royal College of General Practitioners.

Grundeman, R.W.M & Nijboer, I.D. (1998).
Factoren die reinegratie bevorderen.
WA. Hoogduin & C.J.C Vossen (red.),
Richtlijnen bij werkhervatting na psychische problemen.
Houten /Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum. (1998)

Gulden, J.W.J. van der (1999).
Aandacht voor werkhervatting in de psychosociale begeleiding
van chronisch zieken.
De psycholoog, professie, maart 1999, pag. 124-1 25

Gunn, J.W., Connell, D.B., Randall, B. (1993).
Epidemiology of chronic fatigue syndrome:
the Centers for Disease Control study.
Buck G, Whelan J, eds. Chronic Fatigue Syndrome. New York: Wiley; 83-101.

Harari, D. & Glas, G. (1993)
Chronische moeheid, testcase voor de geneeskunde.
Tijdschrift voor Psychiatrie; 35(10): 51-63.

Heijmans, M., Ridder, D. de, Schreurs, K. & Sorbi, M. (1998).
Psychosociale zorg aan somatisch chronisch zieken:
een inventarisatie van de mogelijkheden voor richtlijnontwikkeling.
Utrecht: vakgroep Klinische en Gezondheidspsychologie
Universiteit Utrecht (1998).

Heiman, T. (1994).
Chronic fatigue syndrome and vocational rehabilitation:
Unserved and unmet needs.
Paper presented at the American Association of CFS Research Conference.
Fort Lauderdale, Florida. October 1994.

Henriksson, C, Liedberg, G. (2000).
Dep. of Neuroscience and Locomotion, Faculty of Health Sciences,
Linkoping University, Sweden.
Journal of Rheumatology 2000 May;27(5):1271-6

Holmes, G.P., Kaplan, J.E., Schonberger, L.B., et al. (1988).
Definition of the chronic fatigue syndrome.
Annals of Internal Medicine;1 09:512. Letter.

Holmes GP, Kaplan JE, Guntz NM, et al. (1988).
Chronic fatigue syndrome: a working case definition.
Annals of Internal Medicine.; 108:387-389.

Hoogduin, C.A.L., Schaap, C.P.D.R. & Methorst, G.J. (1996).
Burnout: klinisch beeld en diagnostiek.
Behandelingsstrategieen bij burnout, p. 33-41

Ho-Yen, Do. (1988).
The epidemiology of post viral fatigue sydrome.
Scottish Medical Journal; 33:368-369

Numblet, P., Rigaux, M., Janvier, R. & Rauws, W. (1999).
Synopsis van het Belgisch arbeidsrecht,p. 106-107
Antwerpen-Groningen: Intersentia Rechtswetenschappen.

Jason, L.A., Ferrari, J.R., Taylor, R.R.,
Slavich, S.P., & Stenzel, C.L. (1996).
A national assessment of the service, support,
and housing preferences by persons with Chronic Fatigue Syndrome:
Toward a comprehensive rehabilitation program.
Evaluation and the Health Professions, 19, 194-207

Jason, L.A., Taylor, R.R & Kennedy, C.L. (2000).
Chronic Fatigue Syndrome, Fibromyalgie, and Multiple Chemical Sensitivities
in a community-based sample of persons with CFS-like symptoms
Psychosomatic medicine 62:655-663

Jong, S. de, Prins, J.B., Fischler, T.J., Weemaes, C.M.,
Meijer, E.M., Bleijenberg, G. (1997).
Chronic fatigue syndrome in young persons.
Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde; 141: 1 513-6.

Joyce, J., Hotopf, M., Wessely, S. (1997).
The prognosis of chronic fatigue and chronic fatigue syndrome:
a sytematic review.
Quarterly Journal of Medicine; 90(3): 223-233.

Karasek, R.A. (1979).
Job demands, job decision latitude and mental strain:
implications for job redesign.
Adm Sci Q; 24:285-308.

Karasek, R. & Theorell, T. (1990).
Healthy work: Stress, productivity and the reconstruction of working life.
New York: Basic Books.

Kennedy, H. & Parce, J.B. (1995).
Chronic Fatigue syndrome in childhood.
Current Opin Psychiatry, 8, 231-234

Klonoff, D.C. (1992).
Chronic fatigue syndrome.
Clinical Infectious Diseases;15:812-823.

Komaroff, A.L., Fagioli, L.R., Geiger, A.M., Doolittle, T.H.,
Lee, J., Kornish, R.J., Gleit, M.A., Guerriero, R.T. (1996).
An examination of the working case definition of chronic fatigue syndrome.
American Journal of Medicine; 100(1): 56-64

Komaroff, A.L. (1993).
Clint cal presentation of chronic fatigue syndrome.
Ciba Found Symposium, 173.;43-54.

Kooreman, A. & Jans, T.R., (1993).
Beroepskeuze in de CAO.
De Psycholoog; 28, p.262.

Komaroff, A. & Buchwald, D. (1991).
Symptoms and signs in chronic fatigue syndrome.
Review of Infectional Diseases;13(suppl):8-11.

Lambrecht, L. (1995).
Een Belgisch onderzoek rond chronisch vermoeidheidssyndroom.
Patient care 1995; 21-38.

Lievens, S. & Shaut, E. (1999).
Moe en onbegrepen. Positief omgaan met chronische vermoeidheid.
Tielt: Lannoo.

Lloyd, A.R., Wakefield, D., Boughton,C. & Dwyer, J. (1988).
What is myalgic encephalomyelitis?
Lancet; 1:1286-7

Lloyd, A.R. & Pender, H. (1992).
The economic impact of chronic fatigue syndrome.
Medical Journal Australia; 157:599-601.

Lloyd, A.R., Hickie, I., Boughton, C.R., Spencer, 0. & Wakefield, D. (1990).
Prevalence of chronic fatigue syndrome in an Australian population.
Medical Journal Australia;153:522-528.

Lutgendorf, S., Klimas, N.G., Antoni, M.,
Brickman, A. & Fletcher, M.A. (1995).
Relationships of cognitive difficulties to immune measures,
depression and illness burden in CFS.
Journal of Chronic Fatigue Syndrome; 1(2): 23-41.

Maslach, C. & Jackson, S.E. (1986).
Maslach Burnout Inventory, Manual (3rd ed)
Palo Alto: Consulting Psychologists Press.

McDonald, E., Cope, N. & David, A. (1993).
Cognitive impairment in patients with chronic fatigue syndrome:
a preliminary study.
Journal of Neurology Neurosurgery and Psychiatry; 56: 812-815.

Meer, J.W.M. van der & Elving, L.D. (1997).
Moe met drieentwintig oe's.
Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde; 141(31): 1505-1507

Meire, M. (2001).
Het moe-zijn moe.
Weekend Knack, 44-49.

Myers, C. & Wilks, D. (1999).
Comparison of Euroqol EQ-SD and SF-36 in patients with
chronic fatigue syndrome.
Qualty of Life Research ;8(1-2,.):9-16

Nijboer, I.D., Grundemann, R.W.N. & Andries, F. (1993).
Werkhervatting na arbeidsongeschiktheid.
Den Haag: VUGA.

Nord, E., Arnesen, T., Menzel, P. & Pinto J.L. (2001).
Towards a More Restricted Use of the Term 'Quality of Life'
Qualizy of Life Newsletter, 26 P.3-4

Prins, J.B, Bleijenberg, M.S., Rouweler, E.K., Weel, C.
van & Meer, J.W.M. van der. (2000).
Doctor-Patient Relationship in Primary Care of
Chronic Fatigue Syndrome: Perspectives of the Doctor and the Patient
Journal of Chronic Fatigue Syndrome Vol 7, #4, pp 3-15

Richman, J.A., Flaherty, J.A. & Rospenda, K.M. (1994).
Chronic fatigue syndrome:
have flawed assumptions been derived from treatment-based studies?
American Journal Public Health; 84:282-284.

Sandman, C.A., Barron, J.L., Nackoul, K., Goldstein, J. & Fidler, F. (1993).
Memory deficits associated with chronic fatigue immune dysfunction syndrome.
Biological Psychiatry; 33(8-9): 618-23.

Schaufeli, W.B. & Enzmann, D. (1998).
The burnout companion to study and research: A critical analysis.
London: Taylor & Francis

Schaufeli, W.B., Leiter, M.P. & Kalimo, R. (1995).
The General Burnout Questionnaire:
Cross National development and validation.
Paper gepresenteerd op de APA/NIOSH conferentie
'Work, Stress & Health, 1995', 14-16 September, Washington, D.C.

Schaufeli, W.B. & Dierendonck, D. van. (1994).
Utrechtse Burnout Schaal, handleiding
Swets, test publicers.

Scott, S., Deary, 1. & Pelosi, A.J. (1995).
General practitioners' attitudes to patients with a self diagnosis
of myalgic encephalomyelitis.
British Medical Journal; 310:508-510.

Sharpe, M.C., Archard, L.C., Banatvala, J.E., e.a. (1991).
A report-chronic fatigue syndrome: guidelines for research.
Journal of the Royal Sociezy of Medicine;84:118-121.

Smith, D. (1991).
Het Vermoeidheidssyndroom: chronische moeheid, spierslapte, geheugenverlies,
concentratiestoornis, duizeligheid en andere symptomen
Uitgeverij Kosmos, Utrecht/Antwerpen, 221p.

Stroband, J.A.W., Graffelman, A., Knuistingh, N. & Petri, H. (2000).
Opvattingen van huisartsen over het chronische~vermoeidheidssyndroom
Modern Medicine (1), januari 2000

Vanden Wijngaert, M., Donceel, P., Cools, L. & Vandenbergen, J. (2000).
Het verzekeringsgeneeskundig beleid bij CVS-patienten.
Tijdschrift voor werk- en verzekeringsgeneeskunde 8, nr.2 maart 2000, 54-59

Van Der Meer, J.W.M., Rijken, P.M., Bleijenberg, G., Thomas, S.,
Hinloopen, R.J. & Bensing, J.M. (1997).
Aanwijzingen voor het beleid bij langdurige,
lichamelijk onverklaarde moeheidsklachten.
Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde; 141(31): 1516-1519

Van Houdenhove, B. (2001).
VUB-studie linkt PCB aan chronisch vermoeidheidssyndroom
KUL -professor nuanceert: 'Niet 1 oorzaak maar samengaan van elementen'
De Morgen (Belgie), datum: 30 januari 2001

Vercoulen, J.H., Swanink, C.M., Fennis, J.F., Galama, J.M.,
Van Der Meer, J.W. & Bleijenberg, G. (1996).
Prognosis in chronic fatigue syndrome:
a prospective study on the natural course.
Journal of Neurology Neurosurgery and Psychiatry; 60: 489-494

Vinke, H., Andriessen, S., Neuvel, S.G. van den e.a. (1999).
Vrouwen en reintegratie.
Onderzoek naar de verschillen tussen vrouwen en mannen
bij WA0-intrede en reintegratie.
Samenvattende rapportage. Hoofddorp: TNO Arbeid.

Wagenvoort, M.A., Yperen, N.W., Noogduin, C.AL. & Schaap, P.D.R. (1998).
Persoonskenmerken en burnout: De medierende rol van copingstijl.
Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie, 53, 128-143

Ware, N.C. (1998).
Sociomatics and illness course in CFS.
Psychosomatic Medicine 60:394-401

Warr, P. (1987).
Work, unemployment and mental health.
Oxford: Clarendon Press.

Wessely, S. (1990).
Old wine in new bottles: neurasthenia and 'ME.'
Psychological Medicine; 20:35-53.

Wessely, S. (1995).
The epidemiology of chronic fatigue syndrome.
Epidemiological Reviews; 17(1):139-151.

Wessely, S., Chalder, T., Hirsch, S., Pawlikowska, T.,
Wallace, P. & Wright, D.J.M. (1995).
Postinfectious fatigue: prospective cohort study in primary care.
Lancet.; 345:1333-1338.

Wessely, S. & Hotopf, M. (1999).
Chronic Fatigue and its Syndromes.
New York: Oxford University Press.

Wevers, C.W.J., Andries, F. & Kremer, A.M. (1998).
Werken met multiple sclerose.
Amsterdam: NIA TNO.

Wewer M.M. & Meijer K.L. (1998).
Helpdesk gezondheid, werk en verzekeringen.
Rapportage periode 15 januari 1997 tot 1 januari 1998.
Amsterdam: Breed Platform Verzekerden & Werk..

White, K.P., Speechley, M., Harth, M. & Ostbye, T. (1999).
Comparing self-reported function and werk disability in
100 community cases of fibromyalgia syndrome versus controls in
London, Ontario: the London Fibromyalgia Epidemiology Study.
Arthritis Rheum, Jan;42(1):76-83.

Wilson, A., Hickie, I., Lloyd, A., Hadzi-Pavlovic, D.,
Boughton, C., Dwyer, J., & Wakefield, D. (1994).
Longitudinal study of outcome of chronic fatigue syndrome.
British Medical Journal, 308, 756-759.


Andere bronnen:
---------------

CVS in de Belgische Senaat besproken,
Gewone Zitting, Plenaire vergaderingen 18/01/01.

Codex over het welzijn op het werk.
Hoofdstuk II, Organisatorische structuren.
Opgesteld door het Ministerie van Tewerkstelling.

DSM IV, Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorder -
Fourth Edition. (1994).
American Psychiatris Association, Washington D.C.

LCD- 10: World Health Organization.
The Tenth Revision of the International Classification of
Diseases and Related Health Problems (ICD-10). Geneva: WHO, 92.

Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en leefmilieu,
Hoge Gezondheidsraad onderafdeling 1.2 'psychosociale aspecten van ziekten'.
Aanbevelingen betreffende de medisch-sociale, economische en juridische
aspecten voor patienten met CVS, Juli 2000 11.2.


Appendix a: vragenlijst onderzoek bij CVS-patienten
---------------------------------------------------

Gent, 22.02.02


Geachte heer/mevrouw,

U neemt deel aan een onderzoek bij mensen die lij den aan het chronisch
vermoeidheidssyndroom. Wij zenden u bij deze een vragenlijst betreffende
dit onderzoek, het is een vervolg op eerdere vragenlijsten en handelt
specifiek over tewerkstellingsproblemen en arbeidsbeleving.

INSTRUCTIES

De vragenlijst neemt ongeveer 12 minuten in beslag en bestaat uit
vier delen;

1. Het eerste deel (pagina 2) gaat over uw werkbeleving en mag door
iedereen worden ingevuld.
2. Het tweede deel handelt over uw arbeidsverleden en mag opnieuw
door iedereen ingevuld worden. (pagina 3)
3. Het derde deel mag enkel ingevuld worden door de niet-werkenden,
zij die dus momenteel niet aan het werk (in dienstverband) zijn.
(pagina' s 4 en 5)
4. Het vierde deel mag enkel ingevuld worden door zij die momenteel
wel werken (in dienstverband zijn).(pagina's 6, 7 en 8)

Er is bij iedere pagina bovenaan plaats voorzien om je naam en de datum in
te vullen, gelieve dit telkens te doen.

Zou u deze vragenlijst zo spoedig mogelijk willen beantwoorden?
U mag de ingevulde vragenlijst terugsturen in de bijgevoegde enveloppe.

Wij danken u alvast voor uw medewerking.

Voor vragen kan u ons steeds contacteren op dinsdag tussen 9.00 en 15.30 uur.


Met vriendelijke groeten,
Dr. An Van Duyse D 'hont Jelle
Psychosomatisch Centrum
UZ Gent


===========================================================================

(voor iedereen) Werkbelevingslijst algemeen (UBOS - A)

We weten dat werk voor CVS-patienten een zware belasting is. De volgende
uitspraken hebben betrekking op hoe u uw werk beleefde toen de klachten
reeds sterk aanwezig waren. Het is de bedoeling te achterhalen hoe u zich
toen voelde. Wilt u aangeven hoe vaak iedere uitspraak op u van toepassing
was door steeds het best passende cijfer (van 0 tot 6) in te vullen.


Sporadisch Af en toe Regelmatig Dikwijls Zeer dikwijls Altijd

0 1 2 3 4 5 6
Nooit Een paar keer Eens per Een paar Eens per Een paar keer Dagelijks
per jaar of maand of keer per week per week
minder minder maand


1. ________ Ik voelde me mentaal uitgeput door mijn werk.

2. _________ Ik twijfelde aan het nut van mijn werk.

3. _________ Een hele dag werken vormde een zware belasting voor mij.

4. ________ Ik wist de problemen in mijn werk goed op te lossen.

5. _________ Ik voelde me 'opgebrand' door mijn werk.

6. _________ Ik had het gevoel dat ik met mijn werk een positieve
bijdrage leverde aan het functioneren van de organisatie.

7. ________ Ik merkte dat ik teveel afstand had gekregen van mijn werk.

8. _________ Ik was niet zo enthousiast als vroeger over mijn werk.

9. ________ Ik vond dat ik mijn werk goed deed.

10. _________ Als ik op mijn werk iets afrondde vrolijkte me dat op.

11. ________ Aan het einde van een werkdag voelde ik me leeg.

12. _________ Ik had in deze baan veel waardevolle dingen bereikt.

13. _________ Ik voelde me vermoeid als ik 's morgens opstond en er
weer een werkdag voor me lag.

14. _________ Ik was cynischer geworden over de effecten van mijn werk.

15. ________ Op mijn werk blaakte ik van zelfvertrouwen.


Dit deel mag door iedereen worden ingevuld

Vragenlijst CVS en tewerkstelling

1. Heeft uw partner momenteel vast werk? Ja ( )1
Nee ( )2


ARBEIDSVERLEDEN (dit omvat al je werkervaring tot aan de
beginperiode van CVS)

1. Bij hoeveel werkgevers bent u in totaal werkzaam geweest?
Aantal werkgevers ( )

2. Hoeveel ruimte bood uw vroeger werk om zelf beslissingen te nemen?
Geen 1 2 3 4 5 6 Heel veel

3. Hebt u tijdens uw loopbaan promoties gemaakt binnen een bedrijf?
(hier wordt functie bedoeld, het gaat niet over opslag)
Ja ( )1
Nee ( )2

4. In hoeverre had u goede vooruitzichten op het maken van een promotie?
Geen 1 2 3 4 5 6 Heel veel

5. Sloten uw tewerkstellingen aan bij uw schoolse opleiding?
Totaal niet 1 2 3 4 5 6 Volledig

6. Vond u het erg als die aansluiting er niet was (geweest zou zijn)?
Totaal niet 1 2 3 4 5 6 Heel erg

7. Heeft u ooit in een leidinggevende functie gestaan?
(het hoeft geen eindverantwoordelijkheid te zijn geweest)
Ja ( ), aan hoeveel mensen ( ) 1
Nee ( )2

8. Werkte u in een groot bedrijf/instelling of in een kleinere
onderneming (tot 20 pers.)?
In een groot bedrijf ( )1
In een klein bedrijf ( )2

9. Tot welk statuut behoorde (behoort) u?
Zelfstandige met personeel ( )1
Zelfstandige zonder personeel ( )2
Bediende ( )3
Arbeider ( )4

10. Hoe belangrijk was werk toen in uw leven?
Helemaal niet belangrijk 1 2 3 4 5 6 Heel erg belangrijk


Zij die momenteel niet werken, ga over naar pagina 4.
Zij die momenteel werken, ga over naar pagina 6.


Dit deel van de vragenlijst moet enkel worden ingevuld door zij die
momenteel niet werken. Zij die wel werken ga naar pagina 6.

HUIDIGE SITUATIE

1. Wilt u nog, indien het zou kunnen, opnieuw gaan werken?
Ja ( )1
Nee ( )2

2. Hoe groot schat u de kans zelf in dat u ooit nog zal werken?
Weinig kans toe 1 2 3 4 5 6 Heel groot

3. In welke mate zou u het liefst terug bij uw laatste werkgever werken?
Helemaal niet 1 2 3 4 5 6 Heel graag

4. Hoe belangrijk vindt u het dat uw werk zou aansluiten bij uw
schoolse opleiding?
Totaal niet belangrijk 1 2 3 4 5 6 Heel erg belangrijk

5. In welk arbeidsschema zou u willen werken?
Full time betaald werk ( )1
4/5 betaald werk ( )2
Part time betaald werk ( )3
Andere ( )4

(bij antwoord 1,2 en 4 ga naar vraag 7; bij antwoord 3, ga naar vraag 6
en dan naar 7)

6. Indien u part time werk verkiest, hoe zou uw arbeidsschema er dan
moeten uitzien?
Alleen in de voormiddag ( )1
Alleen in de namiddag ( )2
1 week werken en 1 week thuis ( )3
1 week 3 dagen werken en
de volgende
week 2 dagen werken ( )4
Andere, eigen regeling ( )5

Eigen regeling:


7. Verschilt het gekozen arbeidsschema van uw laatste arbeidsschema?
Ja ( )1
Nee ( )2

8. Wilt u in een groot bedrijf werken of liever in een kleinere
onderneming (tot 20 pers.)?
In een groot bedrijf ( )1
In een klein bedrijf ( )2
Het maakt niet uit ( )3

9. Zou u graag thuiswerk willen doen?
Ja ( )1
Nee ( )2

10.Zou u thuiswerk verkiezen boven gaan werken?
Ja ( )1
Nee ( )2

11.In hoeverre lijkt een beschutte werkplaats voor u geschikt om
er te werken?
Totaal niet 1 2 3 4 5 6 Heel erg geschikt

12.Mocht je terug aan het werk gaan, zou u het dan erg vinden als
er geen aansluiting zou zijn met je schoolse opleiding?
Totaal niet 1 2 3 4 5 6 Heel erg

13.Hoe zou u uw mogelijk toekomstig werk aangepast willen zien?
(meerdere antwoorden zijn mogelijk)
Aangepaste werktijden ( )1
Hulpmiddelen ter beschikking ( )2

Kunt u concrete voorstellen geven? Eigen ideeen?


14.Zou je, om terug te kunnen werken,
een opleiding of arbeidstraining willen volgen?
Liever niet 1 2 3 4 5 6 Heel graag

15.Bent u tevreden over uw begeleiding, vanaf het begin van
uw problematiek tot nu, door:
(geef score van 1 = slecht tot 6 = zeer goed)
huisarts 1 2 3 4 5 6
geneesheer-specialist 1 2 3 4 5 6
medisch-adviseur 1 2 3 4 5 6
personeelsdienst op uw laatste werk 1 2 3 4 5 6
directe overste op uw laatste werk 1 2 3 4 5 6
collega's op uw laatste werk 1 2 3 4 5 6
overheid 1 2 3 4 5 6
mutualiteit 1 2 3 4 5 6
RIZIV 1 2 3 4 5 6

16.Mocht u opnieuw gaan werken, waarvoor heb je dan het meeste schrik?
(antwoord vrijuit)


17.Mocht u opnieuw gaan werken, welk werk (functie, taak) zou u dan willen?


18.Waarom is werken voor u belangrijk? Antwoord met 3 woorden:
1........ 2......... 3.........


Hier eindigt voor de niet-werkenden de vragenlijst.
(gelieve ze zo vlug mogelijk terug te sturen)


Bedankt voor uw medewerking.


Dit deel van de vragenlijst moet enkel worden ingevuld door zij die
momenteel werken.


HUIDIGE FUNCTIE

1. Hoeveel ruimte biedt uw huidig werk om zelf beslissingen te nemen?
Geen 1 2 3 4 5 6 Heelveel

2. In hoeverre hebt u nu goede vooruitzichten op het maken van een promotie?
Geen 1 2 3 4 5 6 Heel veel

3. Sluit uw huidige functie aan bij uw schoolse opleiding?
Totaal niet 1 2 3 4 5 6 Volledig

4. Vindt u het erg dat die aansluiting er niet is?
Totaal niet 1 2 3 4 5 6 Heel erg

5 Wat is uw huidig arbeidsschema?
Full time betaald werk ( )1
4/5 betaald werk ( )2
Part time betaald werk ( )3
Minder dan part time (verklaar nader hieronder)( )4

bij antwoord 1, 2 en 4, ga naar vraag 7; bij antwoord 3, ga naar vraag 6
en dan over naar 7.

6. Indien u part time werkt, hoe ziet uw arbeidsschema er dan uit?
Alleen in de voormiddag ( )1
Alleen in de namiddag ( )2
1 week werken en 1 week thuis ( )3
1 week 3 dagen werken en de volgende week 2 dagen werken( )4
Andere ( )5

7. Verschilt uw huidig arbeidsschema van uw vroegere arbeidsschema?
Ja ( )1
Nee ( )2, ga naar vraag 9

8. Heeft u hinder ondervonden om te kunnen veranderen van arbeidsschema?
(geef eventuele commentaar)
Neen 1 2' 3 4 5 6 Heel vlot

9. Welk soort arbeidscontract hebt u momenteel?
onbepaalde duur ( )1
bepaalde duur, noteer aantal maanden ( )2

10.Hoe lang bent u al werkzaam bij uw huidige werkgever?
( jaar) of ( maanden)

11.Geeft u leiding in uw huidige functie?
Ja ( ), aan hoeveel mensen ( )1
(het hoeft geen eindverantwoordelijkheid te zijn geweest)
Nee ( )2

12.Vindt u dat ze uw mogelijkheden/ ervaring voldoende benutten?
Totaal niet 1 2 3 4 5 6 Heel erg

13.Hebt u meer conflicten met uw oversten dan voor de periode met CVS?
Helemaal niet 1 2 3 4 5 6 Veel meer

14.Hebt u meer conflicten met uw collega's dan voor de periode met CVS?
Helemaal niet 1 2 3 4 5 6 Veel meer

15.Hoeveel mensen werken in uw bedrijf/instelling?
Minder dan of ongeveer 20 ( )1
Meer dan 20 ( )2

16.Hoe goed wordt u geholpen in de zin van;
'in welke mate is uw werk en zijn de werkomstandigheden aangepast'?
Totaal niet 1 2 3 4 5 6 Heel erg

17.Hoe is uw werk aangepast? Duidt alles aan wat past?
Andere werktijden ( )1
Taakontlasting ( )2
Taakverandering ( )3
Hulpmiddelen ter beschikking( )4
Niet aangepast ( )5

Kunt u deze aanpassingen even kort uitleggen?



18.Wenst u nu nog veranderingen?
Duidt aan welke u wenst (meerdere antwoorden mogelijk)
Andere werktijden ( )1
Taakontlasting ( )2
Taakverandering ( )3
Hulpmiddelen ter beschikking ( )4
Geen verdere aanpassing nodig ( )5

Kunt u kort uitleggen wat u dan juist wil?

19.Tot welk statuut behoort u?
Zelfstandige met personeel ( )1
Zelfstandige zonder personeel ( )2
Bediende ( )3
Arbeider ( )4

20.Hebt u meer contact met de personeelsdienst dan vroeger?
Totaal niet 1 2 3 4 5 6 Heel erg

21.Bent u tevreden over uw begeleiding, vanaf het begin van uw
problematiek tot nu, door:
(geef score van 1 = slecht tot 6 = zeer goed)
huisarts 1 2 3 4 5 6
geneesheer-specialist 1 2 3 4 5 6
medisch-adviseur 1 2 3 4 5 6
personeelsdienst 1 2 3 4 5 6
directe overste 1 2 3 4 5 6
collega's 1 2 3 4 5 6
overheid 1 2 3 4 5 6
mutualiteit 1 2 3 4 5 6
RIZIV 1 2 3 4 5 6

22.Hoe tevreden bent u met uw huidige job?
Ontevreden 1 2 3 4 5 6 Heel tevreden

23.Hoe groot schat u de kans in dat u binnen de komende vijf jaar
uw job verliest?
Zeer klein 1 2 3 4 5 6 Heel groot

(geef eventueel uitleg waarom/ waarom niet)

24.Zou u, om te kunnen blijven werken,
een opleiding of arbeidstraining willen volgen?
Liever niet 1 2 3 4 5 6 Heel graag

25.Hoe belangrijk is werk nu in uw leven?
Helemaal niet belangrijk 1 2 3 4 5 6 Heel erg belangrijk

26.Waarom is werken voor u belangrijk? Antwoord met 3 woorden:
1 2 3

Hier eindigt voor de werkenden de vragenlijst.
(gelieve ze zo vlug mogelijk terug te sturen)

Bedankt voor uw medewerking.


Appendix b: Vragenlijst medisch-adviseurs - CVS en tewerkstelling
-----------------------------------------------------------------

Geachte medisch-adviseur,

In het kader van mijn opleiding tot arbeids- en organisatiepsycholoog
schrijf ik een thesis over het Chronisch Vermoeidheidssyndroom en
tewerkstelling. In deze thesis ga ik op zoek naar de arbeidssituatie van de
CVS-patienten, hun kansen en hun ervaringen. Ook ga ik eens kijken wat de
mening en de aanpak van de huisartsen is over gedocumenteerde CVS-patienten,
patienten waar een meer dan tentavieve diagnose werd gesteld. Aangezien
jullie, huisartsen, een belangrijke schakel vormen in het proces dat de
patient aflegt, had ik graag jullie mening over de tewerkstellings-
mogelijkheden van en ook de ervaringen met deze mensen gekend. Gelieve deze
korte vragenlijst in te vullen en waar mogelijk jullie ervaringen in te
passen.

Alvast bedankt voor jullie medewerking, D'hont Jelle.


1. Hoeveel keer hebt u gemiddeld contact met 1 CVS-patient?

2. Na hoeveel contacten stelt u een reintegratieplan op en heeft
de patient hierbij inspraak?

3. Welke arbeidsbevorderende maatregelen stelt u als medisch-adviseur
voor bij CVS-gevallen:
( ) part time werken
( ) flexibele werkuren
( ) meer pauzes inlassen
( ) thuiswerk
( ) hulpmiddelen
( ) taakaanpassing
andere:


4. Uit uw ervaring of naar uw mening, welke maatregelen zijn het meest
haalbaar en waarom dan wel ? Zijn er ook maatregelen die absoluut
niet haalbaar zijn?

5. Hoeveel (procent) van de CVS-patienten kan volgens u:
- Na een herstel/aanpassingsperiode terug aan het
werk zoals vroeger %
- Na een herstel/aanpassingsperiode terug aan het werk, maar met
blijvende maatregelen/gevolgen %
- Eventueel naar een beschutte werkplaats %
- Niet meer terug aan het werk %

6. Druk in procent uit hoeveel geloof u stelt in de
verschillende theorieen?
- het psychische model, met sociale en somatische gevolgen %
- het somatische model, met sociale en psychische gevolgen %
- het biopsychosociaal model %

7. Er wordt gesteld dat het verdere lot van de CVS-patient voor een
groot deel bepaald wordt door het model dat door de behandelende
geneesheren wordt gevolgd. Bij gevolg kan de ene patient een heel
andere en voordeliger behandeling en uitspraak krijgen dan
een gelijkaardige patient die bij een andere arts met andere
opvattingen terechtkomt. Bent u het hiermee eens?

8. Wat is uw algemeen beeld van CVS-patienten op de arbeidsmarkt?
(gelieve uw visie op te schrijven en eventuele bemerkingen)


Vriendelijk bedankt voor uw bijdrage.
D'hont Jelle


Artikel uitprinten?   Ga terug


Webmaster
Sjaak Smeenk
Beethovenlaan 49
7075 BD Etten (GLD)

6 bezoekers online
Webdesign Amersfoort rss 0.91 voor het laatste nieuws